(2014)210 volgt dat de lidstaten een zekere beoordelingsruimte hebben om vast te stellen of aan de door de richtlijn wel gestelde voorwaarden is voldaan. Zoals volgt uit het arrest Chakroun moet artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a, van de Gezinsherenigingsrichtlijn evenwel strikt worden uitgelegd. Doel van de richtlijn en de totstandkoming van artikel 16, eerste lid
- De vraag is of de strikte uitlegging van artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a, van de Gezinsherenigingsrichtlijn de staatssecretaris de beoordelingsruimte biedt om uit het doel van de Gezinsherenigingsrichtlijn af te leiden dat het hebben van hoofdverblijf van een gezinslid bij de gezinshereniger op het grondgebied van de lidstaat een in de richtlijn gestelde voorwaarde is. 7.
- Naar het oordeel van de Afdeling kan, anders dan de rechtbank heeft overwogen, niet uit het doel van de Gezinsherenigingsrichtlijn worden afgeleid dat de vreemdeling zonder onderbreking met de gezinshereniger moet verblijven op het grondgebied van de lidstaat en dat zij, wanneer zij een periode buiten de lidstaat verblijft, haar verblijfsrecht verliest. Anders dan de staatssecretaris in zijn schriftelijke uiteenzetting heeft betoogd, volgt dit niet uit de omschrijving in de Gezinsherenigingsrichtlijn van het begrip 'gezinshereniging', te weten "toegang tot en verblijf in een lidstaat (…) teneinde de eenheid van het gezin te behouden" (artikel 2, onder d, van de Gezinsherenigingsrichtlijn). De staatssecretaris heeft immers uitdrukkelijk de bevoegdheid om, wanneer de eenheid van het gezin is verbroken de verblijfsvergunning op die grond in te trekken (artikel 16, eerste lid, onder b, van de Gezinsherenigingsrichtlijn, geïmplementeerd in artikel 18, eerste lid, aanhef en onder f, en artikel 19 van de Vw 2000). Uit verplaatsing van het hoofdverblijf van een gezinslid valt, zoals hiervoor onder 1.
- is opgemerkt, niet zonder meer af te leiden dat de eenheid van het gezin is verbroken. 7.
- Uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 16, eerste lid, van de Gezinsherenigingsrichtlijn kan ook niet worden afgeleid dat de Uniewetgever heeft beoogd de lidstaten de bevoegdheid te geven om een verblijfsvergunning in te trekken op de enkele grond dat de vreemdeling zijn hoofdverblijf heeft verplaatst buiten de lidstaat van de gezinshereniger. De Gezinsherenigingsrichtlijn in vergelijking met de Richtlijn langdurig ingezetene
- Het betoog van de staatssecretaris dat in artikel 9 van de Richtlijn langdurig ingezetenen (PB 2004 L 16), is bepaald dat de status van langdurig ingezetene niet langer behouden wordt bij een aaneengesloten periode van twaalf maanden verblijf buiten het grondgebied van de lidstaat en dat het niet voor de hand ligt dat de status van langdurig ingezetene wel verloren gaat vanwege verblijf buiten de Unie, maar van een derdelander die een verblijfsvergunning heeft op grond van de Gezinsherenigingsrichtlijn niet, kan niet worden gevolgd. In de Richtlijn langdurig ingezetenen staat het langdurig en ononderbroken verblijf immers centraal voor het verkrijgen van de status en daarbij behorende rechten (zie het arrest van het Hof van Justitie van 14 maart 2019, Y.Z, Z.Z. en Y.Y., ECLI:EU:2019:203, punt 63). Daarbij past het om te regelen wanneer van ononderbroken verblijf niet meer kan worden gesproken. Bovendien leidt het intrekken van de status van langdurig ingezetene, anders dan in de nu voorliggende zaak, er niet toe dat de vreemdeling automatisch geen verblijfsrecht meer heeft voor een lidstaat. Beoordeling grief 1
- De tekst, het doel en de totstandkomingsgeschiedenis van de Gezinsherenigingsrichtlijn noch de vergelijking met de Richtlijn langdurig ingezetene, bieden aanleiding om het standpunt van de staatssecretaris te volgen dat het hebben van hoofdverblijf van een gezinslid bij de gezinshereniger op het grondgebied van de lidstaat een in de richtlijn gestelde voorwaarde is en dat de vreemdeling haar verblijfsrecht verliest wanneer zij tijdelijk verblijft buiten die lidstaat. De rechtbank heeft daarom ten onrechte overwogen dat de staatssecretaris terecht de verblijfsvergunning van de vreemdeling heeft ingetrokken, omdat zij niet aan de in artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a, van de Gezinsherenigingsrichtlijn gestelde voorwaarden voldeed. Artikel 18, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 moet in situaties als die van de vreemdeling dus buiten toepassing worden gelaten. 9.
- De eerste grief slaagt. Grief 2
- De tweede grief leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. Reden daarvoor is dat de grief geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000). Conclusie
- Het hoger beroep van de vreemdeling is kennelijk gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van de vreemdeling alsnog gegrond verklaren. Het besluit van 6 april 2017 wordt vernietigd. De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden. Wat betekent dit?
- De uitkomst van deze zaak is dat de staatssecretaris opnieuw op het bezwaar van de vreemdeling tegen het besluit van 15 juni 2017 moet beslissen. Hij mag daarbij artikel 18, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 niet toepassen. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het hoger beroep gegrond; II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 21 februari 2018 in zaak nr. 17/7845; III. verklaart het in die zaak ingestelde beroep gegrond; IV. vernietigt het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 6 april 2017, V-nummer […]; V. veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.536,00 (zegge: vijftienhonderdzesendertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; VI. gelast dat de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid aan de vreemdeling het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 421,00 (zegge: vierhonderdeenentwintig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt. Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzitter, en mr. G.M.H. Hoogvliet en mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, griffier. w.g. Sevenster w.g. Van Meurs-Heuvel voorzitter griffier Uitgesproken in het openbaar op 18 juni 2019 47-
- BIJLAGE Europese regelgeving Gezinsherenigingsrichtlijn (PB 2003 L 251, met rectificatie in PB 2012 L 71) Artikel 2 In deze richtlijn wordt verstaan onder: […] d) „gezinshereniging": toegang tot en verblijf in een lidstaat van de gezinsleden van een wettig in die lidstaat verblijvende onderdaan van een derde land, teneinde de eenheid van het gezin te behouden, ongeacht of de gezinsband tot stand is gekomen vóór of na de komst van degene die in de lidstaat verblijft; […] Artikel 16
- De lidstaten kunnen in de volgende gevallen het verzoek tot toegang en verblijf met het oog op gezinshereniging afwijzen of, in voorkomend geval, de verblijfstitel van een gezinslid intrekken of weigeren te verlengen: a) wanneer de in deze richtlijn gestelde voorwaarden niet of niet meer worden vervuld. Wanneer de gezinshereniger bij verlenging van de verblijfstitel niet over voldoende middelen van bestaan beschikt zonder een beroep te doen op het in artikel 7, lid 1, onder c), bedoelde stelsel voor sociale bijstand van de lidstaat, houdt de lidstaat rekening met de bijdrage van de gezinsleden aan het inkomen van het huishouden; b) wanneer de gezinshereniger geen werkelijk huwelijks- of gezinsleven (meer) onderhoudt met het gezinslid of de gezinsleden; c) wanneer wordt vastgesteld dat de gezinshereniger of de partner met wie de gezinshereniger niet gehuwd is, met iemand anders gehuwd is dan wel een duurzame relatie onderhoudt. […] Richtlijn langdurig ingezetenen (PB 2004 L 16) Artikel 9 Intrekking of verlies van de status
- Langdurig ingezetenen mogen de status van langdurig ingezetene niet langer behouden indien: a) wordt vastgesteld dat de status van langdurig ingezetene op frauduleuze wijze is verkregen; b) een verwijderingsmaatregel wordt genomen onder de voorwaarden van artikel 12; c) zij gedurende een aaneengesloten periode van twaalf maanden niet op het grondgebied van de Gemeenschap verblijven. […] Nationale regelgeving Vw 2000 Artikel 18
- aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 kan worden afgewezen indien: a. de houder daarvan zijn hoofdverblijf buiten Nederland heeft gevestigd; b. de vreemdeling niet beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding; c. de vreemdeling onjuiste gegevens heeft verstrekt dan wel gegevens heeft achtergehouden terwijl die gegevens tot afwijzing van de oorspronkelijke aanvraag tot het verlenen of verlengen zouden hebben geleid; d. de vreemdeling niet meer zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan dan wel de persoon bij wie de vreemdeling verblijft niet meer zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan; e. de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid; f. niet wordt voldaan aan de beperking waaronder de vergunning is verleend of een voorschrift dat aan de vergunning is verbonden; g. de vreemdeling voor een werkgever arbeid verricht, zonder dat aan de Wet arbeid vreemdelingen is voldaan; h. ten behoeve van het verblijf van de vreemdeling geen verklaring van een referent is overgelegd als bedoeld in artikel 2a, eerste lid; i. de vreemdeling niet heeft voldaan aan de inburgeringsplicht, bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Wet inburgering, binnen de in dat artikel genoemde termijn, of binnen de met toepassing van artikel 7, derde lid, van die wet of van de krachtens artikel 7, vierde lid, aanhef en onderdeel a, van die wet gestelde regels verlengde termijn. […] Artikel 19 De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd kan worden ingetrokken op de gronden bedoeld in artikel 18, eerste lid, met uitzondering van onderdeel b, en wordt ingetrokken indien aan de houder daarvan ambtshalve een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28, eerste lid, onderdeel d, wordt verleend.