201708737/1/R
- Datum uitspraak: 19 juni 2019 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen:
- [appellant sub 1], wonend te Heinenoord, gemeente Hoeksche Waard,
- de gemeente Barendrecht, het college van burgemeester en wethouders van Barendrecht en de raad van de gemeente Barendrecht (hierna tezamen en in enkelvoud: de gemeente Barendrecht),
- [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 3]), beiden wonend te Barendrecht,
- [appellant sub 4], wonend te Barendrecht,
- [appellant sub 5], wonend te Heinenoord, gemeente Hoeksche Waard,
- [appellant sub 6A] en [appellant sub 6B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 6]), beiden wonend te Barendrecht,
- Stichting Wind van Voren, gevestigd te Barendrecht, en anderen,
- Vereniging van Chaleteigenaren Rivierpark de Oude Maas (hierna: Rivierpark de Oude Maas), gevestigd te Barendrecht,
- Verenigingen van Eigenaren van appartementencomplex "Duykerzight" en Belangenvereniging Duykerzight (hierna tezamen en in enkelvoud: Duykerzight), beide gevestigd te Barendrecht,
- [appellant sub 10], wonend te Barendrecht, appellanten, en
- de raad van de gemeente Binnenmaas, thans: Hoeksche Waard,
- het college van burgemeester en wethouders van Binnenmaas, thans: Hoeksche Waard (hierna: het college), verweerders. Procesverloop Bij besluit van 28 september 2017 heeft de raad het bestemmingsplan "Windpark Oude Maas" (hierna: het plan) vastgesteld. Bij besluit van 2 oktober 2017 heeft het college aan Eneco Wind B.V. (hierna: Eneco Wind) een omgevingsvergunning op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder a en e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) verleend voor twee windturbines met bijbehorende kraanopstelplaatsen en bekabeling in het windpark Oude Maas. Bij besluit van 2 oktober 2017 heeft het college aan POG-REF Windparken B.V. (hierna: POG-REF) een omgevingsvergunning op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder a en e, van de Wabo verleend voor drie windturbines met bijbehorende kraanopstelplaatsen en bekabeling in het windpark Oude Maas. Deze besluiten zijn gecoördineerd voorbereid. Tegen één of meer van deze besluiten hebben appellanten beroep ingesteld. De raad en het college hebben gezamenlijk een verweerschrift ingediend. De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht. Een aantal partijen heeft een zienswijze daarop naar voren gebracht. Een aantal partijen heeft nadere stukken ingediend. De Afdeling heeft op 15 november 2018 - gevoegd met de zaken 201709167/1/R3, 201807375/1/R3 en 201703385/1/R3 - ter zitting uitsluitend de beroepsgronden behandeld die betrekking hebben op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 27 oktober 2016, D’Oultremont e.a., ECLI:EU:C:2016:
- Ter zitting van 15 november 2018 is een aantal partijen verschenen of heeft zich laten vertegenwoordigen. Ook verweerders hebben zich laten vertegenwoordigen. Voorts zijn Eneco Wind en POG-REF en de minister van Infrastructuur en Waterstaat ter zitting als partij gehoord. De overige beroepsgronden heeft de Afdeling ter zitting behandeld op 4 december
- Ter zitting is een aantal partijen verschenen of heeft zich laten vertegenwoordigen. Ook verweerders hebben zich laten vertegenwoordigen. Voorts zijn Eneco Wind en POG-REF ter zitting als partij gehoord. Overwegingen INLEIDING
- De bestreden besluiten maken de oprichting van het windpark Oude Maas met bijbehorende voorzieningen mogelijk. Het windpark bestaat uit vijf windturbines met een maximale ashoogte van 128,5 m, een maximale rotordiameter van 140 m en een maximale tiphoogte van 187 m. De windturbines hebben een beoogd gezamenlijk vermogen van 15 tot 20 MW, afhankelijk van het gekozen windturbinetype. Het windpark ligt langs de rivier de Oude Maas ten westen van Heinenoord. De twee windturbines ten westen van de Heinenoordtunnel worden geëxploiteerd door Eneco Wind. De drie windturbines ten oosten van de Heinenoordtunnel worden geëxploiteerd door POG-REF. Met het windpark wordt beoogd een bijdrage te leveren aan de doelstelling voor de opwekking van duurzame energie uit het Nationaal Energieakkoord. De Structuurvisie Windenergie op land bevat als uitwerking daarvan de doelstelling om voor 2020 in de daarvoor aangewezen gebieden grootschalige windprojecten te realiseren met een vermogen van in totaal 6.000 MW. Daarvan moet 735,5 MW in de provincie Zuid-Holland worden gerealiseerd. In de Structuurvisie zijn binnen Zuid-Holland het Havengebied Rotterdam en de randzone van Goeree-Overflakkee aangewezen als gebieden voor grootschalige windenergie. Om aan de provinciale taakstelling voor Zuid-Holland te voldoen, zijn daarnaast in de Visie Ruimte en Mobiliteit (hierna: VRM) bij de actualisatie die op 14 december 2016 door provinciale staten van Zuid-Holland is vastgesteld locaties voor kleinere windparken aangewezen. De locatie Oude Maas in de Hoeksche Waard is een van deze locaties.
- Het windpark is planologisch mogelijk gemaakt in het bestemmingsplan. Ter uitvoering van het bestemmingsplan zijn omgevingsvergunningen verleend voor bouwen en voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting. Het bestemmingsplan en de omgevingsvergunningen zijn gecoördineerd voorbereid en bekendgemaakt met toepassing van de gemeentelijke coördinatieregeling uit artikel 3.30 van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro).
- Appellanten verzetten zich tegen de aanleg van het windpark. Het merendeel van de appellanten woont in Heinenoord of aan de zuidkant van Barendrecht of komt op voor de belangen van deze bewoners. Enkele appellanten hebben een recreatiewoning op het chaletpark Rivierpark de Oude Maas, dat ten zuiden van Barendrecht langs de Oude Maas ligt. Rivierpark de Oude Maas komt op voor de belangen van de eigenaren van recreatiewoningen op het chaletpark. Alle appellanten voeren beroepsgronden aan over het bestemmingsplan. Een aantal appellanten voert daarnaast beroepsgronden aan over de omgevingsvergunningen. OPZET UITSPRAAK
- De Afdeling zal hierna als eerste vermelden welke beroepsgronden te laat zijn ingediend en welke beroepsgronden ter zitting zijn ingetrokken. Vervolgens zal zij ingaan op de ontvankelijkheid van de beroepen (overwegingen 8-15) en het toetsingskader voor de beoordeling van de bestreden besluiten (overwegingen 16-18). Vervolgens worden de beroepsgronden behandeld die zijn gericht tegen het plan en de omgevingsvergunningen. Hierbij zullen achtereenvolgens de volgende onderwerpen aan de orde komen: - bevoegdheid tot vaststelling van het bestemmingsplan en verlening van de omgevingsvergunningen (overwegingen 19-20) - toepassing coördinatieregeling (overweging 21) - procedurele beroepsgronden (overwegingen 23-25) - objectiviteit en uitgangspunten onderzoeken (overweging 26) - milieueffectrapportage (overwegingen 27-28) - draagvlak (overweging 29) - nut en noodzaak (overwegingen 30-32) - locatiekeuze (overwegingen 33-36) - type en omvang van de windturbines (overwegingen 37-39) - D’Oultremont (overwegingen 40-41) - geluid (overwegingen 42-62) - slagschaduw en lichtschittering (overwegingen 63-65) - overige beroepsgronden over gezondheidseffecten (overwegingen 66-69) - trilling (overweging 70) - veiligheid en radarverstoring (overwegingen 71-76) - verkeer (overweging 77) - bodem en grondwater (overweging 78) - natuur (overwegingen 79-95) - aantasting bos- en recreatiegebied (overweging 96) - aantasting landschappelijke en cultuurhistorische waarden (overwegingen 97-103) - overige beroepsgronden over gevolgen voor het woon- en leefklimaat, waardedaling en belangenafweging (overwegingen 104-108) - schaarse rechten (overweging 109) - financiële uitvoerbaarheid van het plan (overwegingen 110-113) - herhaling zienswijzen (overweging 114) Aan het einde van de uitspraak staat de conclusie (overwegingen 116-117).
- De relevante regelgeving is opgenomen in de uitspraak dan wel in de bijlage bij deze uitspraak. De in de bijlage opgenomen regelgeving is de regelgeving zoals die gold ten tijde van het nemen van de bestreden besluiten. De bijlage maakt deel uit van de uitspraak. OMVANG VAN HET GEDING Te laat ingediende beroepsgronden
- De windturbines in het windpark hebben een beoogd gezamenlijk vermogen van 15 tot 20 MW. Uit artikel 1.1, eerste lid, van de Crisis- en herstelwet (hierna: Chw), in samenhang met onderdeel 1.2 van bijlage I en artikel 9e van de Elektriciteitswet 1998, volgt dat afdeling 2 van de Chw van toepassing is op de bestreden besluiten. Uit artikel 1.6a van de Chw volgt dat na afloop van de termijn voor het instellen van beroep geen beroepsgronden meer kunnen worden aangevoerd. 6.
- [appellant sub 6] heeft in zijn nadere stuk van 23 november 2018 betoogd dat de schijn van partijdigheid is gewekt doordat de raad zich bij de besluitvorming heeft gebaseerd op adviezen en onderzoeken van Bosch & Van Rijn, terwijl dat bureau in deze zaak ook in opdracht van de initiatiefnemers heeft gewerkt. [appellant sub 6] heeft hierover in het beroepschrift geen gronden aangevoerd. Het betoog over de schijn van partijdigheid is daarom een nieuwe beroepsgrond ten opzichte van het beroepschrift. Deze beroepsgrond moet, gelet op artikel 1.6a van de Chw, buiten inhoudelijke bespreking blijven. Ingetrokken beroepsgronden
- De gemeente Barendrecht heeft ter zitting een aantal beroepsgronden ingetrokken. Dit zijn in de eerste plaats de betogen dat de ontheffing op grond van de Verordening Ruimte 2014 van de provincie Zuid-Holland (hierna: de Verordening) niet met het ontwerpplan ter inzage is gelegd en dat de ontheffing en de bijbehorende stukken niet zijn opgenomen in de plantoelichting. Daarnaast heeft de gemeente Barendrecht de beroepsgronden over slagschaduw en obstakelverlichting ingetrokken. [appellant sub 6] heeft ter zitting de beroepsgrond over alternatieve vormen van duurzame energieopwekking ingetrokken. [appellant sub 1] heeft de beroepsgrond over de onderbouwing van de noodzaak van de verhoging van de tiphoogte naar 187 m ter zitting ingetrokken. ONTVANKELIJKHEID Wind van Voren en anderen
- De raad en het college betogen dat het beroep van Wind van Voren en anderen niet-ontvankelijk is, voor zover het is ingesteld door [appellant sub 7A], [appellant sub 7B] en de stichting Wind van Voren. Deze appellanten zijn volgens hen geen belanghebbenden bij de bestreden besluiten. De raad en het college stellen in dit verband dat de stichting Wind van Voren geen feitelijke werkzaamheden verricht ter behartiging van haar statutaire doelstellingen.
- Uit artikel 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb, volgt dat uitsluitend belanghebbenden beroep kunnen instellen tegen de bestreden besluiten. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Ingevolge het derde lid worden ten aanzien van rechtspersonen als hun belangen mede beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen. 9.
- Bij de beantwoording van de vraag of omwonenden belanghebbenden zijn, is het uitgangspunt dat degene die rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit die het besluit - zoals een bestemmingsplan of een vergunning - toestaat, in beginsel belanghebbende is bij dat besluit. Het criterium ‘gevolgen van enige betekenis’ dient als correctie op dit uitgangspunt. Gevolgen van enige betekenis ontbreken indien de gevolgen wel zijn vast te stellen, maar de gevolgen van de activiteit voor de woon-, leef-, of bedrijfssituatie van betrokkene dermate gering zijn dat een persoonlijk belang bij het besluit ontbreekt. Daarbij wordt acht geslagen op de factoren afstand tot, zicht op, planologische uitstraling van en milieugevolgen (o.a. geur, geluid, licht, trilling, emissie, risico) van de activiteit die het besluit toestaat, waarbij die factoren zo nodig in onderlinge samenhang worden bezien. Ook aard, intensiteit en frequentie van de feitelijke gevolgen kunnen van belang zijn. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 21 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:616, over het windpark De Drentse Monden en Oostermoer (hierna: uitspraak over het windpark De Drentse Monden en Oostermoer), hanteert de Afdeling voor windparken op land als uitgangspunt dat gevolgen van enige betekenis aanwezig kunnen worden geacht binnen een afstand van tien keer de tiphoogte van de voor appellanten dichtstbijzijnde windturbine, gemeten vanaf de voet van de windturbine. In veel gevallen bestaat ook buiten deze afstand zicht op het windpark, vooral als het windpark in open landschap ligt. De Afdeling gaat er echter van uit dat de gevolgen van het zicht op het windpark voor het woon- en leefklimaat op een afstand van meer dan tien keer de tiphoogte in beginsel te beperkt zijn om nog te kunnen spreken van gevolgen van enige betekenis. Daarnaast gaat de Afdeling ervan uit dat op een afstand van meer dan tien keer de tiphoogte in beginsel geen andere gevolgen van enige betekenis van het windpark zijn te verwachten, zoals geluid- of slagschaduwhinder van enige betekenis. 9.
- Ter zitting hebben Wind van Voren en anderen betoogd dat toepassing van het criterium van tien keer de tiphoogte als afstand waarbuiten in beginsel geen gevolgen van enige betekenis van het windpark zijn te verwachten de toegang tot de rechter voor omwonenden te zeer beperkt. Die beperking is volgens hen in strijd met het Verdrag betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden (hierna: het Verdrag van Aarhus) en richtlijn 2003/35/EG die strekt tot uitvoering van de verplichtingen die voortvloeien uit het verdrag. Uit het Verdrag van Aarhus volgt volgens Wind van Voren en anderen namelijk dat het "betrokken publiek" dat gevolgen ondervindt van het bestreden besluit geacht wordt belanghebbende te zijn bij dat besluit en dat het betrokken publiek een ruime toegang tot de rechter moet worden verleend. Volgens hen moet daarom bij de beantwoording van de vraag of een omwonende belanghebbende is bij de besluitvorming over een windpark niet zonder meer worden aangesloten bij het criterium van tien keer de tiphoogte. 9.
- Zoals de Afdeling in haar uitspraak van 30 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1546, onder 3.1, heeft overwogen, heeft de wetgever bij het instellen van beroep de eis gesteld dat sprake dient te zijn van een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken belang, teneinde te voorkomen dat een ieder, in welke hoedanigheid ook, of een persoon met slechts een verwijderd of indirect belang als belanghebbende zou moeten worden beschouwd en een rechtsmiddel zou kunnen instellen. Om als belanghebbende in de zin van de Awb te kunnen worden aangemerkt, dient een persoon een voldoende objectief bepaalbaar, actueel, eigen en persoonlijk belang te hebben dat hem in voldoende mate onderscheidt van anderen en dat rechtstreeks wordt geraakt door het bestreden besluit. De Afdeling wijst daarnaast op haar uitspraak van 21 oktober 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BO
- Daaruit volgt, voor zover hier van belang, dat het stellen van de eis dat een particulier die toegang tot de bestuursrechter wil verkrijgen een rechtstreeks betrokken belang moet hebben, in overeenstemming is met (de implementatie van) het Verdrag van Aarhus. De Afdeling ziet in hetgeen Wind van Voren en anderen hebben aangevoerd geen aanleiding op dit punt thans tot een ander oordeel te komen. 9.
- Ter beoordeling staat daarom of [appellant sub 7A] en [appellant sub 7B] een rechtstreeks betrokken belang hebben bij de bestreden besluiten. De bestreden besluiten maken windturbines met een tiphoogte van maximaal 187 m mogelijk. Dit betekent dat de Afdeling ervan uitgaat dat op een afstand van meer dan 1.870 m geen gevolgen van enige betekenis van de windturbines zullen worden ondervonden. [appellant sub 7A] woont op een afstand van meer dan 3.000 m van de dichtstbijzijnde windturbine. [appellant sub 7B] woont op een afstand van meer dan 5.000 m van de dichtstbijzijnde windturbine. Niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan op deze afstand gevolgen van enige betekenis aanwezig kunnen worden geacht. Dat deze appellanten gebruik maken van het recreatiegebied nabij het voorziene windpark, zoals ter zitting is gesteld, is hiervoor niet voldoende. Gelet hierop hebben [appellant sub 7A] en [appellant sub 7B] hebben geen rechtstreeks betrokken belang bij de bestreden besluiten, zodat zij geen belanghebbenden daarbij zijn.
- De stichting Wind van Voren heeft als statutaire doelstelling het verzorgen van de informatievoorziening betreffende de gevolgen en risico’s van de plaatsing van windturbines in een dicht bewoond gebied en in natuur- en recreatiegebied, alsmede het ondernemen van (juridische) acties om het plaatsen van windturbines te voorkomen en voorts al hetgeen in de ruimste zin met een en ander verband houdt, daartoe behoort en/of daartoe bevorderlijk kan zijn. De stichting beschermt volgens de statuten de leefomgeving van Barendrecht en directe omgeving; onder de doelstelling valt het behouden en het verbeteren van de natuur-, landschappelijke en cultuurhistorische waarden, de flora en fauna, de kwaliteit van het milieu waaronder de lucht, de bodem en het water, de verkeersveiligheid, veiligheid in het algemeen en de gezondheid van mensen. Ook streeft de stichting er volgens de statuten naar een waarheidsgetrouwe en op de laatste wetenschappelijke inzichten gebaseerde bron van informatie te zijn voor omwonenden en gebruikers van het betreffende gebied. De Afdeling stelt vast dat de algemene belangen die de stichting volgens de statutaire doelstellingen behartigt, worden geraakt door de bestreden besluiten. Ter zitting is toegelicht dat de feitelijke werkzaamheden van de stichting voornamelijk bestaan uit het geven van voorlichting over windturbines en de gevolgen daarvan. Hiervoor maakt de stichting gebruik van een website, voorlichtingsavonden en het publiceren van artikelen. Naar het oordeel van de Afdeling omvatten de feitelijke werkzaamheden daarmee - anders dan de raad en het college hebben betoogd - meer dan alleen het in rechte opkomen tegen besluiten. De stichting kan daarom worden aangemerkt als belanghebbende bij de bestreden besluiten.
- Gelet op het voorgaande is het beroep van Wind van Voren en anderen niet-ontvankelijk, voor zover het is ingesteld door [appellant sub 7A] en [appellant sub 7B]. Rivierpark de Oude Maas
- De raad en het college betogen dat het beroep van Rivierpark de Oude Maas niet-ontvankelijk is.
- De raad en het college betogen dat Rivierpark de Oude Maas geen belanghebbende is, omdat de belangen die deze vereniging volgens haar statuten behartigt niet rechtstreeks zijn betrokken bij de bestreden besluiten. De statutaire doelstellingen van Rivierpark de Oude Maas zijn volgens de raad en het college niet gericht op de bescherming van het leefklimaat. 13.
- Rivierpark de Oude Maas heeft als statutaire doelstelling het behartigen van de financiële, economische en maatschappelijke belangen van de gezamenlijke chaleteigenaren van het "Rivierpark de Oude Maas" in Barendrecht, onder meer in de verhouding met de beheerder en/of het recreatiepark en de eigenaar en/of de grondeigenaar van de grond waarop de chalets zich bevinden, en het verrichten van al wat hiermee verband houdt of daartoe bevorderlijk kan zijn. Uit deze doelstelling blijkt dat Rivierpark de Oude Maas opkomt voor de belangen van de chaleteigenaren op het recreatiepark. Rivierpark de Oude Maas brengt door het optreden in rechte in dit geval een bundeling van rechtstreeks bij de bestreden besluiten betrokken individuele belangen tot stand waarmee effectieve rechtsbescherming gediend kan zijn, in vergelijking met het afzonderlijk optreden van een groot aantal individuele natuurlijke personen die door het bestreden besluit rechtstreeks in hun belangen worden getroffen. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in onder meer haar uitspraak van 24 juni 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BI9672, kunnen de in artikel 1:2, derde lid, van de Awb genoemde feitelijke werkzaamheden besloten worden geacht in de aldus tot stand gebrachte bundeling van individuele belangen. Rivierpark de Oude Maas kan daarom als belanghebbende bij de bestreden besluiten worden aangemerkt.
- Daarnaast betogen de raad en het college dat de personen die namens Rivierpark de Oude Maas beroep hebben ingesteld daartoe niet bevoegd waren. Zij stellen dat het bestuur van de vereniging alleen met goedkeuring van de algemene ledenvergadering in rechte kan optreden. 14.
- De raad en het college hebben op dit punt verwezen naar artikel 2, tweede lid, aanhef en onder b, van de statuten van Rivierpark de Oude Maas. Daarin is bepaald dat de vereniging haar statutaire doel onder meer tracht te bereiken door in naam van de leden verplichtingen aan te gaan en tevens voor en namens een of meer leden in rechte op te treden, zowel eisend als verwerend, na goedkeuring van de algemene ledenvergadering. 14.
- Artikel 2, tweede lid, aanhef en onder b, van de statuten van Rivierpark de Oude Maas gaat over het optreden in rechte voor en namens een of meer leden van de vereniging. Het beroep van Rivierpark de Oude Maas is echter niet voor of namens een of meer leden ingesteld, maar namens de vereniging als zodanig, die als vereniging een bundeling van individuele belangen bewerkstelligt. Daarop is artikel 10, eerste lid, van de statuten van toepassing. Daarin is bepaald dat het bestuur de vereniging vertegenwoordigt en dat deze vertegenwoordigingsbevoegdheid mede toekomt aan twee gezamenlijk handelende bestuursleden. Het beroepschrift van Rivierpark de Oude Maas is ondertekend door voorzitter [appellant sub 4] en [secretaris]. Zij waren samen bevoegd om namens de vereniging beroep in te stellen.
- Gelet op het voorgaande bestaat geen aanleiding om het beroep van Rivierpark de Oude Maas niet-ontvankelijk te verklaren. TOETSINGSKADER
- Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.
- Gelet op artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo dient het college uitsluitend te beoordelen of zich voor de omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, een van de in artikel 2.10, eerste lid, opgenomen weigeringsgronden voordoet. Als dat niet het geval is, dan moet de omgevingsvergunning worden verleend en als dat wel zo is, moet deze, als de strijdigheid met artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo niet wordt weggenomen, worden geweigerd.
- Het eerste lid van artikel 2.14 van de Wabo bevat de toetsingsgronden voor het oprichten en het in werking hebben van een inrichting als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van die wet. Het bevat gronden die in ieder geval bij de beslissing moeten worden betrokken, gronden waarmee in ieder geval rekening moet worden gehouden en gronden die in ieder geval in acht moeten worden genomen. Ingevolge het derde lid van artikel 2.14 van de Wabo kan de omgevingsvergunning voor het oprichten en het in werking hebben van een inrichting slechts in het belang van de bescherming van het milieu worden geweigerd. Dit betekent dat het college een zekere beoordelingsruimte heeft of een omgevingsvergunning al dan niet, in het belang van de bescherming van het milieu, moet worden geweigerd. BEVOEGDHEID TOT VASTSTELLING VAN HET BESTEMMINGSPLAN EN VERLENING VAN DE OMGEVINGSVERGUNNINGEN Bestemmingsplan
- Wind van Voren en anderen en de gemeente Barendrecht betogen dat de raad niet bevoegd was een bestemmingsplan vast te stellen. Volgens hen volgt uit artikel 9e, eerste lid, van de Elektriciteitswet 1998 dat alleen provinciale staten bevoegd zijn om een plan vast te stellen voor een windpark met een capaciteit tussen de 5 en 100 MW. Wind van Voren en anderen betogen dat de uitspraak van de Afdeling van 27 mei 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1702, over het windpark Autena op dit punt niet juist is. Volgens hen volgt uit artikel 9e van de Elektriciteitswet 1998 en de memorie van toelichting bij die bepaling dat provinciale staten exclusief bevoegd zijn. Ook uit artikel 9f, eerste en tweede lid, leiden zij af dat de bestuursorganen van de gemeente geen bevoegd gezag kunnen zijn. Voor zover de bevoegdheid van provinciale staten om een plan vast te stellen wel overdraagbaar zou zijn, kan deze bevoegdheid volgens Wind van Voren en anderen en de gemeente Barendrecht niet bij overeenkomst aan het gemeentebestuur worden overgedragen, maar alleen door middel van een delegatiebesluit. Volgens Wind van Voren en anderen volgt dit ook uit artikel 107, eerste lid, van de Provinciewet. Zij wijzen er daarnaast op dat de Provinciewet procedurele eisen stelt aan het nemen van een delegatiebesluit en dat instemming van provinciale staten is vereist. De gemeente Barendrecht stelt bovendien dat de bevoegdheid in de overeenkomst niet aan de raad is overgedragen, maar aan het college van burgemeester en wethouders. Wind van Voren en anderen en de gemeente Barendrecht betogen daarnaast dat niet is voldaan aan de vereisten die artikel 9f, zesde lid, van de Elektriciteitswet 1998 stelt aan de overdracht van de bevoegdheid, omdat redelijkerwijs niet valt te verwachten dat delegatie aan de raad de besluitvorming in dit geval in betekenende mate zal versnellen of dat daaraan anderszins aanmerkelijke voordelen zijn verbonden. 19.
- De Afdeling heeft in haar uitspraak van 27 mei 2015 over het windpark Autena onder 4.2 geoordeeld dat uit artikel 9e, eerste lid, van de Elektriciteitswet 1998 niet volgt dat provinciale staten exclusief bevoegd zijn tot het vaststellen van een plan ten behoeve van een windpark met een capaciteit van 5 tot 100 MW. De raad blijft eveneens bevoegd tot het vaststellen van een plan dat voorziet in een dergelijk windpark op het grondgebied van zijn gemeente, zo heeft de Afdeling geoordeeld. Daarbij heeft de Afdeling vermeld dat dit eveneens volgt uit artikel 9e, tweede lid, waarin staat dat provinciale staten in ieder geval van hun bevoegdheid gebruik moeten maken indien de raad een verzoek tot vaststelling of wijziging van een bestemmingsplan ten behoeve van een dergelijk windpark heeft afgewezen. 19.
- In de verwijzing van Wind van Voren en anderen en de gemeente Barendrecht naar artikel 9f van de Elektriciteitswet 1998 ziet de Afdeling geen aanleiding voor een ander oordeel. Artikel 9f van de Elektriciteitswet 1998 heeft betrekking op het voorbereiden, nemen en bekendmaken van de besluiten die zijn aangewezen op grond van artikel 9d, eerste lid, van die wet. Dit zijn de besluiten die zijn vermeld in artikel 1 van het Uitvoeringsbesluit rijkscoördinatieregeling energie-infrastructuurprojecten. In artikel 1 zijn de zogenoemde uitvoeringsbesluiten vermeld die benodigd zijn om een windpark te realiseren. Het besluit van de raad tot het vaststellen van een bestemmingsplan is niet een dergelijk uitvoeringsbesluit. Artikel 9f van de Elektriciteitswet 1998 is daarom niet van toepassing bij de beantwoording van de vraag of de raad bevoegd was om voor het windpark Oude Maas een bestemmingsplan vast te stellen. 19.
- Nu zowel provinciale staten als de raad bevoegd zijn tot vaststelling van een ruimtelijk plan voor een windpark zoals hier aan de orde, is geen sprake van een overdracht van deze bevoegdheid aan de raad. De vraag of die bevoegdheid in dit geval op de juiste manier aan de raad is overgedragen hoeft daarom niet te worden beantwoord. 19.
- De betogen falen. Omgevingsvergunningen
- Wind van Voren en anderen en de gemeente Barendrecht voeren aan dat het college van burgemeester en wethouders van Binnenmaas niet het bevoegd gezag was voor de verlening van de omgevingsvergunningen voor het windpark. Volgens hen komt deze bevoegdheid toe aan het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland en is die bevoegdheid niet op geldige wijze overgedragen aan het college van burgemeester en wethouders. Wind van Voren en anderen betogen dat de bevoegdheid van het college van gedeputeerde staten niet bij overeenkomst aan het gemeentebestuur kan worden overgedragen, maar alleen door middel van een delegatiebesluit. Wind van Voren en anderen wijzen in dat verband ook op artikel 107, eerste lid, van de Provinciewet. Die bepaling stelt volgens hen bovendien procedurele eisen aan het nemen van een delegatiebesluit en vereist instemming van provinciale staten. Verder betogen Wind van Voren en anderen en de gemeente Barendrecht dat niet is voldaan aan de vereisten die artikel 9f, zesde lid, van de Elektriciteitswet 1998 stelt aan de overdracht van de bevoegdheid, omdat redelijkerwijs niet valt te verwachten dat delegatie aan het college van burgemeester en wethouders de besluitvorming in dit geval in betekenende mate zal versnellen. 20.
- Voor windparken waarop artikel 9e, eerste lid, van de Elektriciteitswet 1998 van toepassing is, is het uitgangspunt dat het college van gedeputeerde staten de voorbereiding en bekendmaking van de uitvoeringsbesluiten coördineert en bevoegd is om deze besluiten te nemen. Dit volgt uit artikel 9f, eerste en tweede lid, van de Elektriciteitswet
- De bevoegdheidsregeling uit artikel 9f, tweede lid, vormt een uitzondering op de algemene wettelijke bevoegdheidsregeling die voor het verlenen van omgevingsvergunningen is neergelegd in onder meer artikel 2.4 van de Wabo. Artikel 9f, zesde lid, van de Elektriciteitswet 1998 biedt voor het college van gedeputeerde staten de mogelijkheid om te bepalen dat het eerste of tweede lid niet van toepassing is. Als het college van gedeputeerde staten bepaalt dat artikel 9f, tweede lid, van de Elektriciteitswet 1998 niet van toepassing is, ziet het college af van het overnemen van de bevoegdheid tot vergunningverlening van het in eerste aanleg bevoegde bestuursorgaan en is de algemene bevoegdheidsregeling zoals die onder meer is neergelegd in de Wabo weer van toepassing. 20.
- Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 3 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1064, onder 20.1, over windlocatie Battenoord (hierna: de uitspraak over windlocatie Battenoord), is het afzien van het overnemen van een bevoegdheid van het in eerste aanleg bevoegde bestuursorgaan geen delegatie en overdracht van bevoegdheid als bedoeld in artikel 107 van de Provinciewet. Als het college van gedeputeerde staten toepassing geeft aan artikel 9f, zesde lid, van de Elektriciteitswet 1998, zijn de vereisten die in artikel 107 van de Provinciewet zijn gesteld aan een overdracht van de bevoegdheid door het provinciebestuur aan het gemeentebestuur daarom niet van toepassing. 20.
- In dit geval heeft het college van gedeputeerde staten artikel 9f, eerste en tweede lid, van de Elektriciteitswet 1998 buiten toepassing verklaard in zijn brief van 27 maart
- Vóór 1 april 2016 werd in artikel 9f, zesde lid, van de Elektriciteitswet 1998 alleen het eerste lid genoemd. Artikel 9f, zesde lid, zoals dat vóór 1 april 2016 luidde, moet echter zo worden gelezen, dat het college van gedeputeerde staten bevoegd was de coördinatie over te dragen aan het college van burgemeester en wethouders én daarmee ook de bevoegdheid tot het nemen van de daarbij benodigde besluiten over te laten aan het college van burgemeester en wethouders, waarmee ook het tweede lid buiten toepassing blijft. De Afdeling verwijst op dit punt naar haar uitspraak van 13 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:803, over het windpark Westerse Polder, onder 5.
- 20.
- Artikel 9f, zesde lid, van de Elektriciteitswet 1998 kan alleen worden toegepast als, in aanmerking genomen de omvang, aard en ligging van de productie-installatie, redelijkerwijze niet valt te verwachten dat toepassing van het eerste lid - dat wil zeggen coördinatie door het college van gedeputeerde staten - de besluitvorming in betekenende mate zal versnellen of dat daaraan anderszins aanmerkelijke voordelen zijn verbonden. De Afdeling stelt voorop dat dit moet worden beoordeeld op basis van de situatie zoals die was op het moment dat tot toepassing van artikel 9f, zesde lid, van de Elektriciteitswet 1998 werd besloten. Eventuele latere vertraging in de besluitvorming is daarom niet van betekenis. Naar het oordeel van de Afdeling is in dit geval voldaan aan de voorwaarde dat redelijkerwijs niet was te verwachten dat coördinatie door het college van gedeputeerde staten de besluitvorming in betekenende mate zou versnellen. Daarbij is van belang dat het windpark op het grondgebied van slechts één gemeente - namelijk de toenmalige gemeente Binnenmaas - zou komen te liggen, dat de raad en het college van die gemeente wilden meewerken aan de realisatie van het windpark, dat op gemeentelijk niveau ook gecoördineerde besluitvorming mogelijk was en dat kan worden aangenomen dat het gemeentebestuur meer specifieke kennis heeft over de lokale situatie. 20.
- Gelet op het voorgaande was het college van burgemeester en wethouders het bevoegd gezag voor de verlening van de omgevingsvergunningen. De betogen falen. TOEPASSING COÖRDINATIEREGELING
- Bij de voorbereiding van de bestreden besluiten is toepassing gegeven aan de coördinatieregeling als bedoeld in artikel 3.30, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wro. De raad heeft hiertoe besloten bij besluit van 20 februari
- 21.
- De gemeente Barendrecht betoogt dat de raad niet had mogen besluiten om de coördinatieregeling uit de Wro toe te passen. Volgens haar is de raad er ten onrechte van uitgegaan dat de Elektriciteitswet 1998 hiervoor een grondslag biedt. De gemeente Barendrecht betoogt dat uit artikel 9e van de Elektriciteitswet 1998 volgt dat alleen provinciale staten bevoegd zijn om een plan voor het aanleggen en uitbreiden van een windpark met een vermogen van 5 tot 100 MW voor te bereiden en vast te stellen. Bovendien maakt de Coördinatieverordening Wro gemeente Binnenmaas 2013 (hierna: de coördinatieverordening) gecoördineerde voorbereiding volgens de gemeente Barendrecht niet mogelijk als er een milieueffectrapport moet worden gemaakt. Volgens de gemeente Barendrecht geldt dit laatste ook voor de omgevingsvergunningen. 21.
- Uit hetgeen onder 19 en 20 is overwogen, volgt dat de raad bevoegd was om een bestemmingsplan vast te stellen en dat er in dit geval geen verplichting tot coördinatie op provinciaal niveau bestond. Daarom staat alleen nog ter beoordeling of de raad mocht besluiten om op gemeentelijk niveau de coördinatieregeling uit artikel 3.30 van de Wro toe te passen. 21.
- Op grond van artikel 3.30, eerste lid, van de Wro kan de raad zowel gevallen als categorieën van gevallen aanwijzen waarin de verwezenlijking van een onderdeel van het gemeentelijk ruimtelijk beleid het wenselijk maakt dat de voorbereiding en bekendmaking van een bestemmingsplan wordt gecoördineerd met de voorbereiding en bekendmaking van andere besluiten. In de gemeentelijke coördinatieverordening zijn categorieën van gevallen aangewezen waarin de coördinatieregeling wordt toegepast. Dat betekent echter niet dat de raad daarnaast geen specifieke gevallen voor coördinatie meer mocht aanwijzen. De raad heeft met zijn coördinatiebesluit van 20 februari 2017 het windpark Oude Maas aangewezen als geval als bedoeld in artikel 3.30, eerste lid, van de Wro. Daarom is niet van belang of het windpark ook valt onder een van de categorieën van gevallen die zijn aangewezen in de coördinatieverordening. Het betoog faalt. PROCEDURELE BEROEPSGRONDEN
- Duykerzight voert aan dat zij geen reactie op haar inspraakreactie over het voorontwerp van het bestemmingsplan heeft ontvangen, terwijl in de ontvangstbevestiging was vermeld dat zij zo snel mogelijk nader bericht zou ontvangen. Zij stelt ook dat zij in afwachting van die reactie aanvankelijk geen zienswijze over het ontwerpplan heeft ingediend en daardoor slechts weinig tijd heeft gehad voor het indienen van een zienswijze. 22.
- De Awb en de Wro bevatten procedureregels voor de totstandkoming van een bestemmingsplan. Die regels gaan over de fase vanaf het moment waarop een ontwerpplan ter inzage wordt gelegd. In dit geval is eerst een voorontwerpplan ter inzage gelegd. De Awb en de Wro bevatten geen regels over de inspraak over voorontwerpplannen. De raad heeft dan ook niet in strijd gehandeld met de wettelijke regels over de bestemmingsplanprocedure. Onder omstandigheden kan de manier waarop met een inspraakreactie over het voorontwerp wordt omgegaan echter wel in strijd zijn met het zorgvuldigheidsbeginsel. Naar het oordeel van de Afdeling is dat hier niet het geval. De Afdeling overweegt daartoe het volgende. De inspraakreactie van Duykerzight over het voorontwerpplan is niet afzonderlijk beantwoord, maar is vanwege het grote aantal inspraakreacties gebundeld behandeld in de "Nota inspraak en vooroverleg ex art. 3.1.1 Bro voorontwerpbestemmingsplan en M.E.R. ‘Windpark Oude Maas’". De raad stelt dat de nota digitaal aan Duykerzight is toegestuurd, maar Duykerzight stelt dat zij deze niet heeft ontvangen. Wat daarvan ook zij, uit de stukken blijkt dat de nota in ieder geval als bijlage met het ontwerpplan ter inzage is gelegd. Duykerzight kon dus al aan het begin van de termijn voor het naar voren brengen van zienswijzen over het ontwerpplan kennis nemen van de beantwoording van de inspraakreacties over het voorontwerp. Het betoog faalt.
- Bij besluit van 30 mei 2017 heeft het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland met toepassing van artikel 3.2, eerste lid, van de Verordening, zoals dat voor 1 april 2019 luidde, ontheffing verleend van artikel 2.3.2, eerste lid, van de Verordening, zoals dat voor 1 april 2019 luidde. Wind van Voren en anderen en [appellant sub 6] voeren aan dat de verleende ontheffing ten onrechte niet tijdig met het ontwerpplan ter inzage is gelegd. Volgens hen heeft dit stuk niet vanaf het begin van de termijn ter inzage gelegen. 23.
- In artikel 3:11, eerste lid, van de Awb is het volgende bepaald: "Het bestuursorgaan legt het ontwerp van het te nemen besluit, met de daarop betrekking hebbende stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling van het ontwerp, ter inzage." 23.
- Het besluit tot verlening van een ontheffing van de Verordening is een op het ontwerpplan betrekking hebbend stuk dat redelijkerwijs nodig is voor een beoordeling van het ontwerpplan. Dit besluit moest daarom met het ontwerpplan ter inzage worden gelegd. De ontheffing is op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl, gepubliceerd als een van de bijlagen bij het ontwerpplan. Niet gebleken is dat dit stuk pas later op de landelijke voorziening is geplaatst. Daarnaast is niet gebleken dat de ontheffing niet vanaf het begin van de termijn met het ontwerpplan en de overige stukken op het gemeentehuis van de toenmalige gemeente Binnenmaas ter inzage heeft gelegen. Het betoog mist feitelijke grondslag.
- [appellant sub 5] voert aan dat de raad de zienswijze die hij over het ontwerpplan naar voren heeft gebracht slechts algemeen heeft beantwoord en onvoldoende in de besluitvorming heeft betrokken. Duykerzight voert eveneens aan dat de raad onvoldoende is ingegaan op de ingediende zienswijzen over het ontwerpplan. Daarnaast is volgens haar tijdens de mondelinge behandeling van de zienswijzen in de vergadering van de raadscommissie niet serieus ingegaan op de zienswijzen. 24.
- Artikel 3:46 van de Awb verzet zich er niet tegen dat de raad de zienswijzen samengevat weergeeft. Dat niet op ieder argument ter ondersteuning van een zienswijze afzonderlijk is ingegaan, is op zichzelf geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit niet voldoende is gemotiveerd. Niet is gebleken dat bepaalde bezwaren of argumenten niet in de overwegingen zijn betrokken. In hetgeen Duykerzight heeft aangevoerd over de mondelinge behandeling van de zienswijzen ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat het plan op dit punt onzorgvuldig is voorbereid. De betogen falen.
- Wind van Voren en anderen betogen dat de besluiten zijn voorbereid in strijd met het Verdrag van Aarhus. Ter zitting hebben Wind van Voren en anderen in het bijzonder naar voren gebracht dat het plan en de omgevingsvergunningen gedeeltelijk zijn gebaseerd op beslissingen over de locatiekeuze die al bij de vaststelling van de Verordening zijn genomen. Volgens hen is daardoor geen reële inspraak geboden op een moment dat alle opties nog open waren. Wind van Voren en anderen stellen in verband met het Verdrag van Aarhus verder dat het Compensatieplan Natuurnetwerk Nederland (hierna: het compensatieplan) ten onrechte niet met de ontwerpbesluiten ter inzage is gelegd. Daarnaast stellen zij dat actuele gegevens en concrete metingen ontbreken en dat daarom geen doeltreffende toegang tot volledige en actuele informatie over het milieu is geboden. Dit geldt volgens hen in het bijzonder voor informatie over geluidhinder en de hinderlijkheid van windturbinegeluid. 25.
- De Afdeling begrijpt het betoog over reële inspraak op een moment dat alle opties nog open waren zo, dat Wind van Voren en anderen zich beroepen op artikel 6, vierde, lid van het Verdrag van Aarhus. Artikel 6, vierde lid, van het Verdrag van Aarhus stemt inhoudelijk overeen met artikel 6, vierde lid, van Richtlijn 2011/92/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (PB 2012, L 26; hierna: de mer-richtlijn). Omdat deze richtlijn in dit geval van toepassing is, zal verder in het midden worden gelaten of aan het Verdrag van Aarhus in zoverre rechtstreekse werking toekomt. De Afdeling verwijst op dit punt naar haar uitspraak over het windpark De Drentse Monden en Oostermoer, onder
- De Afdeling heeft in overweging 28 van die uitspraak geoordeeld dat artikel 6, vierde lid, van de mer-richtlijn correct is geïmplementeerd in het nationale recht, omdat uit de nationale regelgeving neergelegd in de Wet milieubeheer, de Wro en de Awb volgt dat een ieder zienswijzen naar voren kan brengen over het ontwerpplan of ontwerpbesluit met inbegrip van het milieueffectrapport. De Afdeling heeft verder overwogen dat op het moment dat een ieder zienswijzen naar voren kan brengen over het ontwerpplan of ontwerpbesluit met inbegrip van het milieueffectrapport, nog geen beslissing over het ontwerpplan of ontwerpbesluit is genomen. Inspraak over het ontwerpplan of ontwerpbesluit is naar het oordeel van de Afdeling vroegtijdige inspraak op een moment dat alle opties open zijn en doeltreffende inspraak kan plaatsvinden. Dit betekent dat Wind van Voren en anderen zich niet rechtstreeks kunnen beroepen op artikel 6, vierde lid, van de mer-richtlijn. Vervolgens toetst de Afdeling of aan de nationaalrechtelijke bepalingen over inspraak is voldaan. Het ontwerpplan en de ontwerpbesluiten hebben met ingang van 26 juni 2017 gedurende zes weken ter inzage gelegen. De kennisgeving van de terinzagelegging is gepubliceerd in de Staatscourant en in een lokaal huis-aan-huisblad. De ontwerpbesluiten en de daarop betrekking hebbende stukken konden in het gemeentehuis van Binnenmaas en op internet worden geraadpleegd. Zoals hiervoor is overwogen, treffen de beroepsgronden over gebreken in de terinzagelegging geen doel. Dit geldt ook voor het betoog dat het compensatieplan niet met het ontwerpplan en de ontwerpbesluiten ter inzage is gelegd. Uit de stukken blijkt namelijk dat versie 1.0 van het compensatieplan van 14 juni 2017 met de ontwerpen ter inzage is gelegd. Niet gebleken is dat de raad en het college op het moment van de terinzagelegging beschikten over een recentere versie van het compensatieplan. Voor het overige is niet in geschil dat is voldaan aan de wettelijke vereisten voor de terinzagelegging en de kennisgeving daarvan, zodat een ieder de mogelijkheid heeft gehad om door het indienen van een mondelinge of schriftelijke zienswijze zijn reactie op de ontwerpbesluiten te geven. 25.
- Voor zover Wind van Voren en anderen betogen dat in strijd met het Verdrag van Aarhus geen doeltreffende toegang tot volledige en actuele informatie over het milieu is geboden, omdat actuele gegevens en metingen ontbreken, overweegt de Afdeling het volgende. De Afdeling ziet in hetgeen Wind van Voren en anderen hebben aangevoerd in zijn algemeenheid geen aanleiding voor het oordeel dat de milieuinformatie die bij de voorbereiding van de bestreden besluiten is gebruikt en ter inzage is gelegd onvoldoende actueel is. Daarbij is mede van belang dat het milieueffectrapport en alle daarbij behorende onderzoeken in 2017 zijn opgesteld. Voor zover het informatie betreft over geluid, laagfrequent geluid en de gevolgen daarvan voor de gezondheid, verwijst de Afdeling naar hetgeen hierna bij de bespreking van de beroepsgronden over die onderwerpen wordt overwogen. De artikelen 4 en 5 van het Verdrag van Aarhus zijn door de Europese Unie als verdragspartij omgezet in Richtlijn 2003/4/EG inzake de toegang van het publiek tot milieu-informatie (PB 2003, L 041). Wind van Voren en anderen hebben hun betoog niet verder geconcretiseerd, maar de Afdeling begrijpt het betoog zo dat Wind van Voren en anderen zich in het bijzonder beroepen op artikel 8 van Richtlijn 2003/4/EG. In het eerste lid van die bepaling is - in aanvulling op het Verdrag van Aarhus - bepaald dat de lidstaten er, voor zover mogelijk, voor zorgen dat door hen of op hun verzoek samengestelde informatie actueel, nauwkeurig en vergelijkbaar is. De artikelen 4 en 5 van het Verdrag van Aarhus en artikel 8 van Richtlijn 2003/4/EG zijn in het Nederlandse recht niet zo geïmplementeerd dat hieruit volgt dat de desbetreffende milieuinformatie ter inzage gelegd moet worden bij de voorbereiding van besluiten, maar zijn geïmplementeerd in de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob). Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, onder meer in haar uitspraak van 5 september 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BB2931, kan de vraag naar de rechtstreekse werking van bepalingen van een richtlijn alleen rijzen in gevallen van incorrecte implementatie of indien de volledige toepassing van de richtlijn niet daadwerkelijk is verzekerd. Artikel 8 van Richtlijn 2003/4/EG is geïmplementeerd in artikel 2 van de Wob. Niet is gebleken dat deze bepaling, voor zover hier van belang, op incorrecte wijze is geïmplementeerd. Hetgeen Wind van Voren en anderen hebben aangevoerd geeft ook geen aanleiding voor het oordeel dat deze implementatie niet correct is. De Afdeling zal daarom toetsen of aan deze nationaalrechtelijke bepaling is voldaan. In artikel 2, eerste lid, van de Wob is bepaald dat een bestuursorgaan bij de uitvoering van zijn taak, onverminderd het elders bij wet bepaalde, informatie verstrekt overeenkomstig deze wet en daarbij uitgaat van het algemeen belang van openbaarheid van informatie. In het tweede lid is bepaald dat het bestuursorgaan er zo veel mogelijk zorg voor draagt dat de informatie die het overeenkomstig deze wet verstrekt, actueel, nauwkeurig en vergelijkbaar is. De Afdeling overweegt dat artikel 2 van de Wob betrekking heeft op het verstrekken van informatie aan het publiek. Artikel 2 van de Wob bepaalt echter niets over de manier waarop het bevoegd gezag de desbetreffende milieuinformatie moet gebruiken bij zijn besluitvorming. Het betoog kan daarom niet slagen. 25.
- De betogen falen. OBJECTIVITEIT EN UITGANGSPUNTEN ONDERZOEKEN
- [appellant sub 10] betoogt dat de onderzoeken van Bosch & Van Rijn die aan het plan ten grondslag zijn gelegd niet objectief zijn, omdat ze in opdracht van de initiatiefnemers zijn uitgevoerd. Wind van Voren en anderen betogen dat de schijn van partijdigheid en vooringenomenheid is gewekt en dat de raad en het college hiermee in strijd met artikel 2:4 van de Awb hebben gehandeld. In de eerste plaats voeren zij aan dat de raad en het college zich bij de besluitvorming hebben gebaseerd op adviezen en onderzoeken van Bosch & Van Rijn, terwijl dat bureau in deze zaak ook in opdracht van de initiatiefnemers heeft gewerkt. Daarnaast stellen zij dat Bosch & Van Rijn te veel invloed heeft gehad op de inhoud van de besluiten. In dit verband hebben Wind van Voren en anderen onder meer gesteld dat Bosch & Van Rijn het milieueffectrapport en de plantoelichting heeft opgesteld en dat door de initiatiefnemers en de gemeente, met begeleiding van Bosch & Van Rijn, gezamenlijk naar een doel is toegewerkt zonder dat van kritische toetsing sprake is geweest. Materieel zijn de besluiten volgens hen vrijwel volledig tot stand gekomen onder invloed van de initiatiefnemers en Bosch & Van Rijn als hun adviseur. Ter ondersteuning van hun betoog hebben Wind van Voren en anderen correspondentie overgelegd tussen medewerkers van de gemeente, Bosch & Van Rijn en de initiatiefnemers. 26.
- Ten behoeve van het plan en het milieueffectrapport zijn verschillende onderzoeken gedaan door Bosch & Van Rijn. Het milieueffectrapport en de plantoelichting zijn eveneens door dit bureau opgesteld. 26.
- Volgens de raad en het college is Bosch & Van Rijn een gespecialiseerd adviesbureau dat veel ervaring heeft met de ontwikkeling van windparken. Bosch & Van Rijn heeft in samenwerking met de initiatiefnemers en verweerders het plan en het milieueffectrapport opgesteld. Dit maakt volgens de raad en het college echter niet dat dit bureau partijdig is. Zij stellen dat het milieueffectrapport is getoetst door de onafhankelijke Commissie voor de milieueffectrapportage. Het plan en de omgevingsvergunningen zijn tevens beoordeeld door de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid en de stukken zijn voorgelegd aan verschillende bestuursorganen zoals Rijkswaterstaat, het waterschap en de Veiligheidsregio Zuid-Holland. Daarnaast hebben verweerders twee externe bureaus om onafhankelijk advies gevraagd; een van die bureaus heeft ook het milieueffectrapport beoordeeld. De raad en het college zijn van mening dat de onderzoeken en adviezen deugdelijk zijn en dat deze stukken daarom aan het plan en de omgevingsvergunningen ten grondslag konden worden gelegd. Verweerders bestrijden verder dat Bosch & Van Rijn de inhoud van de besluiten heeft bepaald. Volgens de raad en het college hebben zij hierover zelfstandig beslist. 26.
- Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak over het windpark De Drentse Monden en Oostermoer, onder 44.2, is het enkele feit dat onderzoeken zijn uitgevoerd in opdracht van het bevoegd gezag of de initiatiefnemer van een project geen reden om op voorhand te twijfelen aan de juistheid en de objectiviteit van de inhoud van die onderzoeken. Dat Bosch & Van Rijn zowel in opdracht van de initiatiefnemers als van verweerders onderzoek heeft uitgevoerd, is naar het oordeel van de Afdeling evenmin een reden om de juistheid en de objectiviteit van de inhoud van de onderzoeken op voorhand te betwijfelen. Dat geldt te meer nu verweerders de onderzoeksrapporten van Bosch & Van Rijn ook door andere instanties en bureaus hebben laten beoordelen. Gelet hierop ziet de Afdeling in hetgeen Wind van Voren en anderen en [appellant sub 10] hebben aangevoerd geen grond voor het oordeel dat de raad en het college de door Bosch & Van Rijn opgestelde onderzoeksrapporten niet aan het plan en de omgevingsvergunningen ten grondslag hadden mogen leggen. Voor zover Wind van Voren en anderen concrete bezwaren naar voren hebben gebracht over de juistheid van de inhoud van de onderzoeksrapporten van Bosch & Van Rijn, zal de Afdeling daarop ingaan bij de behandeling van de beroepsgronden over de desbetreffende onderwerpen, zoals geluid. 26.
- Uit de uitspraak van 17 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:141 over het windpark Spui (hierna: uitspraak over het windpark Spui), onder 9.1, volgt dat de enkele omstandigheid dat het bevoegd gezag zich bij het nemen van het bestreden besluit heeft laten adviseren door een adviesbureau dat ook werkzaamheden verricht voor de initiatiefnemer op zichzelf onvoldoende is om aan de onpartijdigheid van het bevoegd gezag te twijfelen of om vooringenomenheid van het bevoegd gezag aan te nemen. De omstandigheid dat de raad en het college bij de beoordeling van de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het windpark Oude Maas gebruik hebben gemaakt van de onderzoeken van Bosch & Van Rijn, dat ook werkzaamheden verricht voor de initiatiefnemers, is op zichzelf dan ook onvoldoende om aan te nemen dat in dit geval de schijn van partijdigheid is gewekt. Ter beoordeling staat of in dit geval niettemin de schijn van partijdigheid is gewekt, gelet op de rol die Bosch & Van Rijn en de initiatiefnemers volgens Wind van Voren en anderen in het besluitvormingsproces hebben gehad. De Afdeling stelt hierbij, onder verwijzing naar overweging 9.1 van de uitspraak over het windpark Spui, voorop dat er bij een samenwerking tussen het bestuursorgaan en de initiatiefnemer dan wel de adviseur van de initiatiefnemer die dezelfde ontwikkeling voorstaan, in beginsel van moet worden uitgegaan dat ieder van hen zijn eigen verantwoordelijkheid behoudt. Uit de correspondentie die Wind van Voren en anderen bij hun nadere stuk van 23 november 2018 hebben overgelegd blijkt dat tussen de initiatiefnemers, Bosch & Van Rijn en de gemeente sprake is geweest van een nauwe samenwerking waarbij veelvuldig overleg heeft plaatsgevonden. Uit de overgelegde correspondentie kan naar het oordeel van de Afdeling echter niet worden afgeleid dat de raad en het college bij de besluitvorming hun eigen verantwoordelijkheid hebben miskend. Zo kan uit de overgelegde correspondentie bijvoorbeeld niet worden afgeleid dat onderzoeksresultaten bewust onjuist zijn weergegeven, dat sprake is geweest van een samenspanning of dat bepaalde gegevens bewust niet zijn verstrekt. Ook overigens hebben Wind van Voren en anderen naar het oordeel van de Afdeling niet aannemelijk gemaakt dat Bosch & Van Rijn feitelijk de inhoud van de besluiten hebben bepaald. Dat de raad en het college gebruik hebben gemaakt van adviezen en onderzoeken van Bosch & Van Rijn en dit bureau teksten hebben laten opstellen, betekent niet dat verweerders niet zelfstandig een besluit hebben genomen over de inhoud van het plan en de omgevingsvergunningen. 26.
- De betogen falen. MILIEUEFFECTRAPPORTAGE
- Volgens de gemeente Barendrecht is in het milieueffectrapport en de onderzoeken die in dat kader zijn opgesteld ten onrechte niet uitgegaan van de maximale mogelijkheden die het plan biedt. Zij stelt dat bij het bepalen van de milieueffecten is uitgegaan van een ashoogte van 117 m, terwijl het plan een ashoogte van 128,5 m mogelijk maakt. De gemeente Barendrecht betoogt dat de raad bij de voorbereiding van het plan op dit punt ten onrechte geen aanvullend onderzoek heeft gedaan. 27.
- De raad stelt dat in de onderzoeken per milieuaspect rekening is gehouden met het worstcasescenario. Dat is niet in alle gevallen een windturbine met de grootst mogelijke ashoogte. Volgens de raad is, waar relevant, ook rekening gehouden met een ashoogte tot 130 m. 27.
- Uit de stukken blijkt dat onder meer voor de aspecten geluid, slagschaduw en externe veiligheid rekening is gehouden met een ashoogte van maximaal 130 m. De gemeente Barendrecht heeft niet nader aangeduid voor welke milieuaspecten in de onderzoeken een type windturbine met een ashoogte van minder dan 128,5 m is gehanteerd en waarom dat volgens haar voor die milieuaspecten niet is te beschouwen als worstcasescenario. De Afdeling ziet daarom geen aanleiding om aan te nemen dat in het milieueffectrapport en de bijbehorende onderzoeken niet is uitgegaan van een invulling van de mogelijkheden van het plan die voor de onderzochte milieuaspecten het meest ongunstig is. Wat de gemeente Barendrecht heeft aangevoerd geeft dan ook geen grond voor het oordeel dat de milieugevolgen van het plan in deze onderzoeken zijn onderschat. Het betoog faalt.
- [appellant sub 10], [appellant sub 5], [appellant sub 4] en Rivierpark de Oude Maas stellen dat de feitelijke situatie onjuist en misleidend is weergegeven in de stukken. Dit geldt met name voor de visualisaties van de windturbines. De windturbines zijn hierop volgens hen te klein weergegeven. 28.
- Volgens de raad zijn de visualisaties op de gebruikelijke wijze uitgevoerd en zijn de windturbines daarbij op de juiste schaal ingetekend. De raad stelt dat niet is uitgegaan van het blikveld van een mens, omdat dat zo breed is dat er nauwelijks nog informatie op de visualisaties zichtbaar zou zijn. De visualisaties geven volgens de raad daardoor niet een te beperkte voorstelling, maar geven de windturbines juist eerder nadrukkelijker weer dan ze in werkelijkheid worden waargenomen. 28.
- De Afdeling gaat ervan uit dat appellanten doelen op de visualisaties die als bijlage 4 bij het MER zijn gevoegd. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat de visualisaties een beeld geven van wat er te verwachten is en wat de verschillen tussen de alternatieven zijn. Niet gebleken is dat de raad zich bij de beoordeling van de effecten van het windpark op bijvoorbeeld het landschap alleen heeft laten leiden door de visualisaties. De Afdeling gaat er daarom van uit dat de visualisaties niet doorslaggevend zijn geweest voor de besluitvorming. Gelet hierop hoeft de vraag of de visualisaties in alle opzichten een juiste weergave geven niet te worden beantwoord. Het betoog faalt. DRAAGVLAK
- Wind van Voren en anderen en Duykerzight betogen dat er onvoldoende draagvlak voor het windpark bestaat. Wind van Voren en anderen stellen dat uit onderdeel 4.2.1 van het Energieakkoord volgt dat onder meer overheden actief moeten bijdragen aan de versterking van het maatschappelijk draagvlak. Bij de besluitvorming is volgens hen echter ten onrechte geen aandacht geschonken aan het draagvlak. 29.
- De raad stelt dat bij de besluitvorming rekening is gehouden met de ingebrachte zienswijzen. Daarnaast is een afstand van ten minste 900 m tot woonkernen aangehouden en is bij de positionering van de windturbines rekening gehouden met onder meer natuurwaarden en nabijgelegen woningen. Om het draagvlak voor het windpark te vergroten heeft de raad de Verordening Regiofonds Hoeksche Waard vastgesteld. Windenergieprojecten storten eenmalig € 15.000 per MW in dit fonds. Verder is de Nota Fondsen Ruimtelijke Ontwikkelingen vastgesteld, waarin is opgenomen dat de exploitanten van de windturbines een eenmalige bijdrage van € 10.000 per MW leveren aan het Fonds Vitaal Binnenmaas. De raad stelt dat 331 zienswijzen zijn ingebracht. Gelet op het aantal huishoudens in Binnenmaas en Barendrecht kan daaruit volgens de raad niet worden afgeleid dat het draagvlak geheel ontbreekt. Bovendien is draagvlak bij de vaststelling van een bestemmingsplan volgens hem niet doorslaggevend. De raad stelt verder dat het Energieakkoord geen harde voorwaarden bevat waaraan de raad bij de besluitvorming is gebonden. 29.
- Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak over het windpark De Drentse Monden en Oostermoer, onder 47.1, is er geen wettelijke regel die bepaalt dat een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling alleen mogelijk mag worden gemaakt als daarvoor voldoende draagvlak bestaat bij de bewoners, ondernemers en belangenorganisaties in het gebied. Het bestaan van draagvlak is dan ook niet beslissend voor de rechtmatigheid van de besluiten die voor het windpark zijn genomen. De verwijzing van Wind van Voren en anderen naar het Energieakkoord leidt niet tot een andere conclusie. Paragraaf 4.2.1 van het Energieakkoord benadrukt het belang van versterking van het draagvlak en noemt onder meer participatie in het windpark als manier om meer draagvlak te creëren. Uit het Energieakkoord volgt echter niet dat een windpark planologisch alleen mag worden toegestaan als er genoeg draagvlak bij de omwonenden is. Dit betekent niet dat het aspect draagvlak geen enkele rol speelt in de besluitvorming. Het streven naar draagvlak vormt, zoals ook blijkt uit het Energieakkoord, een aspect dat zich vertaalt in de belangenafweging die het bevoegd gezag bij de beoordeling van de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het nieuwe windpark dient te maken. Dit betreft een afweging tussen de nationale, provinciale en gemeentelijke belangen bij een duurzame energievoorziening en onder meer de belangen van omwonenden. Zoals de Afdeling in haar uitspraak over het windpark De Drentse Monden en Oostermoer heeft overwogen, is het ontbreken van draagvlak op lokaal niveau in de belangenafweging niet zonder meer het meest zwaarwegend. De vraag of de belangen van omwonenden bij de besluitvorming over het windpark Oude Maas goed in beeld zijn gebracht en afgewogen, zal hierna aan de hand van de beroepsgronden over onder meer de locatiekeuze, de hinder door geluid en slagschaduw en de aantasting van de landschappelijke waarden worden beoordeeld. Op zichzelf beschouwd kan de omstandigheid dat een aanzienlijk aantal omwonenden bezwaren heeft tegen de realisatie van het windpark dan ook niet tot vernietiging van de bestreden besluiten leiden. De betogen falen. NUT EN NOODZAAK
- [appellant sub 4] en Rivierpark de Oude Maas betogen dat het rendement van de windturbines onzeker is. Zij stellen in de eerste plaats dat het feitelijke rendement van windturbines in zijn algemeenheid vaak veel lager is dan geraamd. Daarnaast stellen zij dat het windpark Oude Maas in een relatief windarm gebied komt te liggen. In dat licht had de raad na afweging van alle belangen en gelet op de gevolgen van het windpark voor de omwonenden niet voor een windpark op deze plaats mogen kiezen, aldus [appellant sub 4] en Rivierpark de Oude Maas. 30.
- De raad bestrijdt dat het rendement van het windpark veel lager zal zijn dan is berekend. Hij stelt dat het windpark dat in het plan mogelijk is gemaakt naar de huidige inzichten rendabel kan worden geëxploiteerd. Daarnaast stelt de raad dat ook minder windrijke gebieden geschikt zijn voor windparken. 30.
- In het milieueffectrapport is berekend dat het voorkeursalternatief een energieopbrengst zal hebben van ongeveer 61 GWh per jaar. Bij die berekening is rekening gehouden met de meteorologische gegevens van de gekozen locatie, waaronder de gemiddelde windsnelheden. Dat er in het plangebied minder wind is dan in sommige andere delen van Nederland, betekent niet dat de energieopbrengst en het vermogen van het windpark lager zullen zijn dan waarvan de raad bij de vaststelling van het plan is uitgegaan. [appellant sub 4] en Rivierpark de Oude Maas hebben hun stelling dat het rendement van windturbines in zijn algemeenheid vaak veel lager is dan geraamd niet met concrete gegevens onderbouwd. De Afdeling ziet daarin dan ook geen reden om aan te nemen dat de berekende energieopbrengst van ongeveer 61 GWh per jaar niet kan worden gehaald. Nu hetgeen is aangevoerd geen aanleiding geeft om aan de berekende energieopbrengst van het windpark te twijfelen, kan ook het betoog over de belangenafweging niet slagen.
- Het plan maakt windturbines mogelijk met een tiphoogte van maximaal 187 m. In een eerder stadium bestond het voornemen om windturbines met een tiphoogte van maximaal 160 m te plaatsen. [appellant sub 6] voert aan dat de noodzaak van de verhoogde tiphoogte niet vaststaat. Ter zitting heeft hij hierover gesteld dat er bomen worden gekapt voor het windpark en dat er geen berekeningen zijn waaruit blijkt welk effect de bomenkap heeft voor de windvang. Volgens [appellant sub 6] maakt de bomenkap de verhoging van de tiphoogte mogelijk onnodig. De raad had volgens [appellant sub 6] daarom niet voor een verhoging van de tiphoogte mogen kiezen, ook gelet op de gevolgen voor omwonenden. 31.
- De raad heeft aan zijn keuze om de maximale tiphoogte te verhogen naar 187 m in de eerste plaats ten grondslag gelegd dat lagere windturbines niet rendabel zijn. Volgens de raad zijn de hogere windturbines noodzakelijk om het plan financieel uitvoerbaar te laten zijn. Daarnaast is een hogere tiphoogte nodig voor het goed en veilig functioneren van de windturbines. De raad verwijst op dat punt ook naar een brief van de initiatiefnemers van 4 november 2016 aan het college van burgemeester en wethouders. Daarin hebben de initiatiefnemers uiteengezet dat de kans van slagen van het project met windturbines met een tiphoogte van 160 m in het geding komt, omdat zes fabrikanten hebben laten weten dat de turbulentie door de beperkte hoogte in combinatie met de aanwezige bomen te groot is. De initiatiefnemers hebben het college daarom verzocht een hogere tiphoogte toe te staan. 31.
- De Afdeling overweegt in de eerste plaats dat de energieopbrengst van de windturbines voor de raad niet de enige reden is geweest om de maximale tiphoogte te verhogen. Zoals de raad heeft toegelicht, heeft de keuze voor een hogere tiphoogte ook te maken met het goed en veilig functioneren van de windturbines vanwege turbulentie op lagere hoogte. De door [appellant sub 6] bedoelde bomenkap brengt daar geen verandering in, nu niet is gebleken dat de bomen die de turbulentie veroorzaken zullen worden gekapt. Daarnaast worden er bomen gekapt om de plaatsing en het draaien van de windturbines fysiek mogelijk te maken. De Afdeling gaat ervan uit dat dit ook zou gebeuren bij een tiphoogte van maximaal 160 m. Naar het oordeel van de Afdeling kan daarom worden aangenomen dat de raad bij het vergelijken van de energieopbrengsten er voor beide situaties van is uitgegaan dat er bomen worden gekapt. Een eventueel verschil in windvang is daardoor niet aan de orde. [appellant sub 6] heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit onjuist is. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat de raad het nut en de noodzaak van een verhoging van de tiphoogte naar maximaal 187 m voldoende heeft onderbouwd. Het betoog faalt.
- [appellant sub 6] voert aan dat er niet vijf windturbines nodig zijn om de taakstelling van 15 MW te halen. Omdat de windturbines ten opzichte van eerdere voornemens zijn verhoogd en in de vergunningaanvraag rekening is gehouden met een vermogen tot 5 MW per windturbine, kan volgens [appellant sub 6] zeker één windturbine minder worden geplaatst. 32.
- De omgevingsvergunningen staan een vermogen van maximaal 5 MW per windturbine toe. Met vier windturbines met een vermogen van 3,75 MW kan een totaal vermogen van 15 MW worden gehaald. De raad vindt het echter vanwege de landschappelijke effecten en de economische haalbaarheid niet wenselijk om slechts vier windturbines met een bepaald minimumvermogen toe te staan. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat één ononderbroken lijnopstelling van vijf windturbines het landschap minder verstoort dan twee losse clusters van twee windturbines. De Afdeling is van oordeel dat de raad zich in redelijkheid op dit standpunt heeft kunnen stellen, mede gelet op het provinciale beleid, dat uitgaat van plaatsing van windturbines in aaneengesloten opstellingen. Daarnaast heeft de raad erop gewezen dat de provincie Zuid-Holland voor de locatie Oude Maas een taakstelling van ten minste 15 MW heeft bepaald. Ook om die reden kon de raad naar het oordeel van de Afdeling een aantal van vijf windturbines met een vergund gezamenlijk vermogen van meer dan 15 MW in redelijkheid noodzakelijk achten. De raad hoefde het vermogen van het windpark niet op voorhand te beperken tot 15 MW, verdeeld over vier windturbines. Het betoog faalt. LOCATIEKEUZE
- [appellant sub 3], [appellant sub 1], Wind van Voren en anderen en de gemeente Barendrecht voeren beroepsgronden aan over de locatiekeuze.
- [appellant sub 3] betoogt dat de raad zich ten onrechte gebonden heeft geacht aan de door de provincie vastgestelde zoekgebieden. De raad had volgens hem een eigen afweging over de locatiekeuze moeten maken. [appellant sub 1] voert aan dat de zuidoever van de Oude Maas niet geschikt is voor een windpark. Volgens hem is het eiland Tiengemeten een betere locatie voor de windturbines, omdat het eiland niet bewoond is en de afstanden tot woningen groter zijn. 34.
- De raad heeft voor de locatie langs de Oude Maas gekozen, omdat die locatie door provinciale staten in de Verordening en de VRM is aangewezen als locatie voor windenergie. Vervolgens heeft de raad onderzocht en afgewogen of hij een windpark op die plaats ruimtelijk aanvaardbaar acht. Uit de onderzoeken die zijn verricht, blijkt de geschiktheid van deze locatie. De raad stelt zich op het standpunt dat alle geschikte windenergielocaties nodig zijn om de doelstellingen op provinciaal en landelijk niveau te bereiken. Nu de locatie Oude Maas geschikt is voor windenergie, is dat volgens de raad doorslaggevend en is niet van belang of een andere locatie ook goed of beter is. 34.
- De locatie Oude Maas is in de VRM aangewezen als locatie voor een windpark met een vermogen van ten minste 15 MW. In artikel 2.4.1, eerste lid, van de Verordening, zoals dit voor 1 april 2019 luidde, is bepaald dat een bestemmingsplan nieuwe windturbines alleen toelaat op gronden binnen de locaties voor windenergie die op kaart 10 bij de Verordening zijn weergegeven. Een van die locaties is de locatie Oude Maas. De raad is bij de vaststelling van een bestemmingsplan gebonden aan de Verordening. Dit betekent dat de raad alleen een windpark mogelijk kan maken op een locatie die op kaart 10 bij de Verordening (oud) is aangewezen. Reeds daarom kan het betoog dat de raad ook andere gebieden dan de provinciale zoekgebieden als alternatieve locatie had moeten onderzoeken niet slagen. Dit geldt ook voor het eiland Tiengemeten - dat overigens niet tot het grondgebied van de voormalige gemeente Binnenmaas behoort -, aangezien dit op kaart 10 bij de Verordening (oud) niet is aangewezen als locatie voor windenergie. Voor zover is betoogd dat de raad zonder meer voor de locatie uit de Verordening en de VRM heeft gekozen, overweegt de Afdeling dat bij de voorbereiding van het plan een groot aantal onderzoeken is uitgevoerd naar de gevolgen van de windturbines voor de omgeving. Op grond van de uitkomsten van die onderzoeken is de raad tot de conclusie gekomen dat een windpark op deze locatie ruimtelijk aanvaardbaar is. Of de raad die conclusie mocht trekken, komt nader aan de orde bij de bespreking van de beroepsgronden over onder meer geluidhinder, slagschaduw, veiligheid en landschap. De betogen falen.
- De gemeente Barendrecht stelt dat het windpark bewust zo ver mogelijk van de woonwijken van de gemeente Binnenmaas en vlakbij de grens van de gemeente Barendrecht wordt geplaatst. Volgens haar heeft de raad te weinig rekening gehouden met de gevolgen voor het woon- en leefklimaat van de inwoners van Barendrecht en worden de inwoners van Barendrecht onevenredig benadeeld door het windpark op deze locatie. De gemeente Barendrecht wijst erop dat er in de gemeente al veel gezondheids- en veiligheidsrisico’s zijn en weinig natuur en recreatiemogelijkheden. Daarnaast zijn er volgens haar ook andere zoekgebieden voor windturbines in de Hoeksche Waard. De raad kon de locatiekeuze daarom niet uitsluitend baseren op het feit dat de locatie door de provincie is aangewezen, aldus de gemeente Barendrecht. [appellant sub 3] betoogt eveneens dat de omgeving van Barendrecht al zwaar belast is door een zeer hoge bevolkingsdichtheid, rijkswegen, spoorwegen en een drukke vaarweg over de Oude Maas. Het is volgens hem onwenselijk om de omgeving verder te belasten met windturbines. 35.
- De locatie voor het windpark Oude Maas is op provinciaal niveau vastgelegd in de VRM en op kaart 10 bij de Verordening (oud). De afstand tot de gemeente Barendrecht ligt daarmee grotendeels vast. Zoals hiervoor is overwogen, biedt de Verordening geen ruimte om windturbines te plaatsen op andere, niet aangewezen locaties. Binnen het aangewezen gebied is het maar zeer beperkt mogelijk om de windturbines - waarmee minimaal 15 MW aan vermogen moet worden gehaald - dichter bij of verder weg van de woonwijken van Barendrecht te situeren. De raad heeft naar voren gebracht dat alle in de VRM en de Verordening aangewezen windenergielocaties nodig zijn om te voldoen aan de nationale en provinciale taakstellingen voor windenergie op land. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich in redelijkheid op dit standpunt kunnen stellen. Dit betekent dat de raad andere aangewezen locaties aan de randen van de Hoeksche Waard niet als mogelijke alternatieve locaties voor het windpark Oude Maas hoefde te beschouwen, maar kon beschouwen als locaties waar eveneens windturbines kunnen worden geplaatst. Voor zover is aangevoerd dat Barendrecht al zwaar belast is, overweegt de Afdeling het volgende. De raad mocht bij de vaststelling van het plan uitgaan van de door provinciale staten aangewezen locatie voor het windpark. Zoals onder 34.2 is overwogen, is bij de voorbereiding van het plan een groot aantal onderzoeken uitgevoerd naar de gevolgen van de windturbines voor de omgeving - ook buiten het grondgebied van Binnenmaas - en heeft de raad op basis van die onderzoeken geconcludeerd dat een windpark op deze locatie ruimtelijk aanvaardbaar is. Bij de bespreking van de beroepsgronden over onder meer geluidhinder, slagschaduw en veiligheid zal worden beoordeeld of de raad die conclusie heeft kunnen trekken. Daarbij zal, waar relevant, ook de huidige belasting van het woon- en leefklimaat in Barendrecht worden betrokken. De betogen falen.
- Wind van Voren en anderen voeren aan dat de locatiekeuze voor het windpark in strijd is met de plaatsingscriteria uit de Nota Wervelender, die op 26 januari 2011 door provinciale staten van Zuid-Holland is vastgesteld, en de Verordening. Volgens hen volgt uit de Nota Wervelender en de Verordening dat windturbines langs technische infrastructuur, grootschalige bedrijvigheid en grootschalige scheidslijnen tussen land en water moeten worden geplaatst. Volgens Wind van Voren en anderen is bij de gekozen locatie geen grootschalige bedrijvigheid en technische infrastructuur aanwezig. 36.
- De Nota Wervelender bevat een actualisatie van de plaatsingsvisie voor windturbines in Zuid-Holland. In paragraaf 3.3 van de Nota Wervelender worden de vrijwaringsgebieden genoemd waar windturbines ongewenst zijn, zoals nationale landschappen. Volgens de Nota Wervelender is de plaatsing van windturbines aan de randen van de vrijwaringsgebieden onder voorwaarden mogelijk; daarbij gaat de voorkeur uit naar de combinatie met open wateren, dammen, dijken, hoofdinfrastructuur en grootschalige bedrijventerreinen. De Afdeling stelt voorop dat de raad bij de vaststelling van een bestemmingsplan niet is gebonden aan provinciaal beleid, zoals de Nota Wervelender. De raad moet echter wel rekening houden met dit beleid en het in zijn belangenafweging betrekken. Uit figuur 3 in paragraaf 3.3 van de Nota Wervelender blijkt dat het plangebied binnen het nationaal landschap Hoeksche Waard ligt, zodat het om die reden deel uitmaakt van een vrijwaringsgebied als bedoeld in de Nota Wervelender. Toch komt de Afdeling niet toe aan een beoordeling of is voldaan aan de voorwaarden uit de Nota Wervelender voor het plaatsen van windturbines aan de randen van een vrijwaringsgebied. Op het moment dat het plan werd vastgesteld, was het plangebied namelijk in de Verordening en de VRM al specifiek aangewezen als locatie voor windenergie. Naar het oordeel van de Afdeling betekent dit dat de Nota Wervelender ten tijde van de vaststelling van het plan, in ieder geval voor zover het de locatie Oude Maas betreft, niet meer het geldende provinciale beleid was voor de plaatsing van windturbines in landschappelijk of cultuurhistorisch waardevolle gebieden. 36.
- De door Wind van Voren en anderen genoemde vereisten voor het plaatsen van windturbines staan niet in artikel 2.4.1 van de Verordening, zoals dat vóór 1 april 2019 luidde. Op grond van die bepaling is alleen vereist dat de windturbines worden gerealiseerd binnen de gebieden die daartoe zijn aangewezen op kaart 10 bij de Verordening (oud). De regels van de Verordening bevatten geen nadere eisen over de situering van de windturbines binnen het plaatsingsgebied. Het plan is op dit punt dan ook niet in strijd met de Verordening, zoals die voor 1 april 2019 luidde. 36.
- De door Wind van Voren en anderen bedoelde plaatsingsvisie is wel opgenomen in de VRM. Zoals hiervoor is overwogen, is de raad bij de vaststelling van een bestemmingsplan niet gebonden aan provinciaal beleid, zoals de VRM, maar moet hij wel rekening houden met dit beleid. In paragraaf 4.4.2 van de VRM, zoals die ten tijde van de vaststelling van het plan luidde, staat dat de aangewezen locaties het resultaat zijn van een afweging tussen eisen vanuit windenergie en voorwaarden vanuit landschap en ruimtelijke kwaliteit. De locaties combineren windenergie met technische infrastructuur, grootschalige bedrijvigheid en grootschalige scheidslijnen tussen land en water. Daarnaast is vermeld dat in gebieden die vanuit landschappelijk, cultuurhistorisch, ecologisch of recreatief oogpunt kwetsbaar zijn, plaatsing van windturbines is uitgesloten. In de uitspraak over het windpark Spui, onder 20.3, heeft de Afdeling geoordeeld dat de in de VRM genoemde criteria, inhoudende dat windenergie wordt gecombineerd met technische infrastructuur, grootschalige bedrijvigheid en grootschalige scheidslijnen tussen land en water, niet cumulatief zijn. Niet in geschil is dat het windpark Oude Maas op een grootschalige scheidslijn tussen land en water komt te staan. Dat op die plaats niet ook grootschalige bedrijvigheid of technische infrastructuur aanwezig zijn, betekent niet dat het plan in strijd is met de plaatsingscriteria uit de VRM. Het betoog faalt. TYPE EN OMVANG VAN DE WINDTURBINES Bestemmingsplan
- De gemeente Barendrecht betoogt dat het type en de omvang van de windturbines niet precies genoeg in het plan zijn vastgelegd. Het plan is daarmee volgens haar rechtsonzeker. 37.
- Artikel 4, lid 4.2, aanhef en onder c, van de planregels bevat regels voor de omvang van de windturbines. De ashoogte moet ten minste 117 m en ten hoogste 128,5 m bedragen en de rotordiameter moet ten minste 117 m en ten hoogste 140 m bedragen. De tiphoogte van de windturbines bedraagt ten hoogste 187 m. De raad heeft dus een bandbreedte voor de ashoogte en de rotordiameter in de planregels opgenomen. Daarmee wordt het de initiatiefnemers ook mogelijk gemaakt pas in een later stadium een keuze voor het type windturbine te maken. Uit de planregels volgt wat de minimale en maximale omvang van de windturbines is. Bij de beoordeling van de gevolgen van het windpark is rekening gehouden met een worstcasescenario, doordat per milieuaspect de meest ongunstige invulling van de bandbreedte is onderzocht. Naar het oordeel van de Afdeling is de regeling in het plan niet in strijd met de rechtszekerheid.
- De gemeente Barendrecht voert verder aan dat het plan niet waarborgt dat vijf identieke windturbines geplaatst worden. Artikel 4, lid 4.2, van de planregels verplicht daar volgens haar niet toe. De gemeente Barendrecht vindt het voor de landschappelijke inpassing en het beperken van visuele hinder noodzakelijk dat de vijf windturbines identiek zijn. 38.
- De verbeelding bevat vijf bestemmingsvlakken met de bestemming "Bedrijf - Windturbine". Onderdeel d van artikel 4, lid 4.2, van de planregels bepaalt dat binnen de bestemmingsvlakken "Bedrijf - Windturbine" de ashoogte, rotordiameter en vormgeving van de windturbines hetzelfde moeten zijn. Omdat op grond van onderdeel a van deze bepaling per bestemmingsvlak slechts één windturbine mag worden gebouwd, kan onderdeel d niet betekenen dat binnen één bestemmingsvlak de windturbines identiek moeten zijn. Naar het oordeel van de Afdeling kan onderdeel d van artikel 4, lid 4.2, van de planregels daarom alleen zo worden begrepen dat de vijf windturbines die het plan binnen de bestemmingsvlakken met de bestemming "Bedrijf - Windturbine" mogelijk maakt identiek moeten zijn. Het betoog faalt. Omgevingsvergunning
- De gemeente Barendrecht voert aan dat de omgevingsvergunning en de daarbij behorende aanvragen onvoldoende concreet en objectief begrensd zijn, omdat de marges voor de afmetingen van de windturbines te ruim zijn. De omgevingsvergunningen bevatten een bandbreedte van 117 tot 140 m voor de rotordiameter en 117 tot 128,5 m voor de ashoogte. 39.
- Het college stelt zich op het standpunt dat de aanvragen ondanks de bandbreedte voor de ashoogte en de rotordiameter voldoende concreet zijn. De aanvragen konden daarom worden getoetst aan de wettelijke eisen. 39.
- In de aanvragen zijn voor de ashoogte en de rotordiameter bandbreedtes vermeld. De omgevingsvergunningen zijn op dit punt conform de aanvragen verleend. Bij de beoordeling van de aanvragen heeft het college binnen de bandbreedtes per milieuaspect een bestcasescenario en een worstcasescenario in beeld gebracht. Voor de verlening van de vergunning heeft het college de worstcasesituatie bepalend geacht. Anders dan de gemeente Barendrecht betoogt, is niet vereist dat in de vergunningaanvraag en bij de vergunningverlening al een keuze wordt gemaakt voor het type windturbine of voor een precieze ashoogte en rotordiameter. De Afdeling verwijst bij wijze van voorbeeld naar de uitspraak over het windpark Spui en naar haar uitspraken van 4 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2225, en 14 december 2016, ECLI:NL:RVS:2016:
- Het college heeft daarom in dit geval kunnen volstaan met het verbinden van een voorschrift aan de vergunning dat uiterlijk drie weken voor aanvang van de bouwwerkzaamheden alle constructietekeningen en berekeningen ter controle moeten worden ingediend en dat deze gegevens voor aanvang van de werkzaamheden door bouw- en woningtoezicht moeten zijn goedgekeurd. Het betoog faalt. D’OULTREMONT
- In paragraaf 3.2.3 van het Activiteitenbesluit milieubeheer (hierna: het Activiteitenbesluit) en paragraaf 3.2.3 van de Activiteitenregeling milieubeheer (hierna: de Activiteitenregeling) zijn bepalingen opgenomen die zijn gericht op het voorkomen en/of beperken van onder meer geluidhinder, hinder door slagschaduw en lichtschittering en externe veiligheidsrisico’s van windturbines. Wind van Voren en anderen betogen dat deze bepalingen moeten worden beschouwd als een plan of programma zoals bedoeld in artikel 2 van richtlijn 2001/42 (hierna: de SMB-richtlijn). Volgens hen hebben de in het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling opgenomen bepalingen voor windturbines aanzienlijke milieugevolgen, zodat op grond van artikel 3 van de SMB-richtlijn een milieueffectrapport moet worden gemaakt. Dat is volgens hen ten onrechte achterwege gebleven. Wind van Voren en anderen verwijzen ter ondersteuning van hun betoog naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 27 oktober 2016, D’Oultremont e.a., ECLI:EU:C:2016:816, (hierna: het arrest D’Oultremont), waarin het Hof onder meer heeft bepaald dat algemene regels ook een plan of programma kunnen zijn als bedoeld in artikel 2 van de SMB-richtlijn. 40.
- De raad heeft bij de beoordeling of het bestemmingsplan "Windpark Oude Maas" strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening aansluiting gezocht bij de bepalingen die in het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling zijn opgenomen voor het in werking hebben van een windturbine. Uit de planstukken blijkt dat de raad het plan onder meer niet in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening acht als de geluid- en slagschaduwnormen die voor windturbines zijn neergelegd in het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling bij woningen van derden worden overschreden. Het windpark Oude Maas kan, afhankelijk van de keuze voor het type windturbine, bij woningen van derden leiden tot een overschrijding van deze geluid- en slagschaduwnormen. In de plantoelichting staat dat deze overschrijdingen met geluidbeperkende maatregelen en met een stilstandvoorziening kunnen worden voorkomen. Voor slagschaduw is in de planregels een voorschrift opgenomen dat meer bescherming biedt dan het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling. De geluidbeperkende maatregelen zijn niet neergelegd in de planregels. Hieraan ligt ten grondslag dat de normen uit het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling rechtstreeks werkend en handhaafbaar zijn, waardoor de naleving van deze normen volgens de raad niet nader hoeft te worden geborgd in de planregels. Dit is echter anders indien gelet op het betoog van Wind van Voren en anderen moet worden geconcludeerd dat de bepalingen die voor het in werking hebben van een windturbine zijn opgenomen in het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling wegens strijd met hoger recht buiten toepassing moeten worden gelaten en dus niet langer rechtstreeks werkend en handhaafbaar zijn. Gelet hierop ziet de Afdeling aanleiding om in verband met het bestemmingsplan het betoog van Wind van Voren en anderen over het arrest D’Oultremont inhoudelijk te beoordelen. 40.
- Het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling zijn algemeen verbindende voorschriften. Ingevolge artikel 8:3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb kan tegen een algemeen verbindend voorschrift geen beroep worden ingesteld. Deze bepaling staat evenwel niet in de weg aan de mogelijkheid van exceptieve toetsing. Deze toetsing houdt in dit geval in dat de rechter een niet door de formele wetgever gegeven voorschrift buiten toepassing dient te laten, indien dit voorschrift in strijd is met een hogere regeling. 40.
- Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak over windlocatie Battenoord, onder 29.5 en volgende, vormen de bepalingen die voor het in werking hebben van een windturbine zijn opgenomen in het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling geen plan of programma als bedoeld in artikel 2 van de richtlijn, zodat reeds om deze reden uit het bepaalde in artikel 2 van de SMB-richtlijn geen plicht om een plan-MER te maken kan voortvloeien. De Afdeling ziet in het aangevoerde dan ook geen aanleiding de in het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling opgenomen bepalingen voor het in werking hebben van een windturbine wegens strijd met hoger recht buiten toepassing te laten. Het betoog faalt.
- Wind van Voren en anderen hebben ook in verband met de omgevingsvergunningen betoogd dat ten onrechte geen plan-MER is gemaakt voor de in het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling opgenomen bepalingen voor het in werking hebben van een windturbine. Gelet op hiervoor is overwogen, slaagt deze beroepsgrond niet. GELUID
- Verschillende appellanten vrezen geluidhinder vanwege de windturbines in het windpark Oude Maas.
- De Afdeling bespreekt hierna eerst de beroepsgronden die betrekking hebben op de geluidnormen uit het Activiteitenbesluit. Vervolgens komen de beroepsgronden over het akoestisch onderzoek aan de orde. Daarna zal de Afdeling achtereenvolgens ingaan op de geluidbelasting op recreatiewoningen en cumulatie van geluidhinder. Geluidnormen
- In artikel 3.14a, eerste lid, van het Activiteitenbesluit is bepaald dat een windturbine of een combinatie van windturbines ten behoeve van het voorkomen of beperken van geluidhinder moet voldoen aan de norm van ten hoogste 47 dB Lden en aan de norm van ten hoogste 41 dB Lnight op de gevel van gevoelige gebouwen. Deze geluidnormen gelden per windturbine of combinatie van windturbines. Het oostelijke en het westelijke deel van het windpark Oude Maas vormen elk een combinatie van windturbines als bedoeld in artikel 3.14a, eerste lid, van het Activiteitenbesluit.
- De raad heeft bij de vaststelling van het plan aansluiting gezocht bij de geluidnormen uit artikel 3.14a, eerste lid, van het Activiteitenbesluit. De raad is er daarbij van uitgegaan dat de rechtstreeks werkende geluidnormen uit artikel 3.14a van het Activiteitenbesluit toereikend zijn om een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te waarborgen. Het college is bij de verlening van de omgevingsvergunningen eveneens uitgegaan van de rechtstreeks werkende geluidnormen uit artikel 3.14a, eerste lid, van het Activiteitenbesluit. Omdat het windpark Oude Maas uit twee afzonderlijke inrichtingen bestaat, is in de omgevingsvergunning bepaald dat de geluidbelasting vanwege het oostelijke deelpark op de gevel van de woning Boonsweg 44 niet hoger mag zijn dan 46 dB Lden. Hiermee wordt volgens het college gewaarborgd dat het geluidniveau vanwege de twee inrichtingen samen niet hoger is dan 47 dB Lden. - Hoogte van de in artikel 3.14a van het Activiteitenbesluit neergelegde geluidnormen in het algemeen
- Wind van Voren en anderen betogen dat de gehanteerde geluidnormen uit artikel 3.14a, eerste lid, van het Activiteitenbesluit niet toereikend zijn om onaanvaardbare geluidhinder te voorkomen. Bij de vaststelling van artikel 3.14a, eerste lid, van het Activiteitenbesluit is volgens hen op basis van een vergelijking van de normwaarde van 47 dB Lden met de dosis-effectrelatie aangenomen dat 9% van de omwonenden ernstige hinder ondervindt bij een geluidniveau van 47 dB Lden. Volgens Wind van Voren en anderen is dit percentage in werkelijkheid hoger. Ter onderbouwing stellen zij dat het percentage is gebaseerd op slechts een beperkt aantal onderzoeken in Nederland en Zweden. Ter zitting hebben Wind van Voren en anderen gesteld dat een van deze onderzoeken bovendien is uitgevoerd in een heuvelachtig landschap, wat een drukkend effect heeft op de hinderbeleving. Het percentage gehinderden kent daardoor een grote onzekerheidsmarge. Daarnaast stellen Wind van Voren en anderen dat de normen zijn gebaseerd op kleinere windturbines van ongeveer 80 tot 100 m hoog. Bij grote windturbines zoals die in het windpark Oude Maas worden gerealiseerd, treedt volgens hen meer hinder op en garanderen de normen niet dat het percentage ernstig gehinderden beperkt blijft tot 9%. In dat verband wijzen zij erop dat bij een nachtelijk stabiele atmosfeer hogere windsnelheden kunnen ontstaan in de hogere luchtlagen. Dit zijn de zogeheten geostrofe windeffecten. Hierdoor kan in de avond- en nachtperiode een hogere geluidemissie optreden. Juist bij grote windturbines zoals het plan en de omgevingsvergunningen mogelijk maken, is dit volgens Wind van Voren en anderen het geval. Bij de keuze voor de grenswaarde van 47 dB Lden is hiermee volgens hen onvoldoende rekening gehouden. Wind van Voren en anderen stellen verder dat de inzichten over de hinderlijkheid van windturbinegeluid in de afgelopen jaren zijn gewijzigd. De veranderde inzichten zijn echter niet verdisconteerd in de geluidnormen in artikel 3.14a, eerste lid, van het Activiteitenbesluit. Die normen zijn volgens hen namelijk een beleidsneutrale vertaling van de voorheen geldende normen en zijn gebaseerd op verouderde onderzoeken. Wind van Voren en anderen hebben in hun nadere stuk van 23 november 2018 in het bijzonder verwezen naar de gewijzigde aanbevelingen van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) van 10 oktober 2018, waarin voor windturbinegeluid een geluidniveau wordt aanbevolen van ten hoogste 45 dB Lden. Daarnaast stellen Wind van Voren en anderen in dit verband dat windturbines impulsachtig geluid veroorzaken, waardoor extra hinder optreedt. Hiervoor moet volgens hen een straffactor van 5 dB worden gehanteerd. Als die factor wordt toegepast, moeten de berekende geluidcontouren worden herzien en komen er woningen binnen de contour van 47 dB Lden te liggen. Het windpark kan dan niet zonder nadere maatregelen worden toegestaan. [appellant sub 10] betoogt eveneens dat de geluidnormen uit het Activiteitenbesluit onvoldoende bescherming bieden tegen geluidhinder. In dat verband betoogt hij dat bij de windturbines sprake is van extra hinder door impulsachtig geluid. 46.
- De raad en het college stellen zich op het standpunt dat van de geluidnormen uit artikel 3.14a, eerste lid, van het Activiteitenbesluit kon worden uitgegaan. Zij stellen dat de normstelling is gebaseerd op een dosis-effectrelatie waarbij de praktijk is verwerkt in de hoogte van de normen. Bij het opstellen van de geluidnormen is onderkend dat op de geluidcontour sprake kan zijn van 9% ernstig gehinderden. Op grotere afstand nemen de geluidbelasting en het percentage ernstig gehinderden snel af. De raad en het college stellen dat de normen in artikel 3.14a van het Activiteitenbesluit niet afhankelijk zijn van de hoogte van de windturbines. Er is volgens hen geen objectieve aanwijzing dat bij hogere windturbines op de geluidcontour sprake zal zijn van meer dan 9% ernstig gehinderden. Volgens de raad en het college geven nieuwe inzichten geen aanleiding om niet meer aan te sluiten bij de geluidnormen uit artikel 3.14a van het Activiteitenbesluit. Zij zien, onder verwijzing naar overweging 21.1 van de uitspraak van 20 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3504, over het windpark De Veenwieken (hierna: de uitspraak over het windpark De Veenwieken), geen aanleiding om een straffactor voor impulsachtig geluid toe te passen, omdat de norm al is gebaseerd op het specifieke windturbinegeluid. 46.
- De Afdeling stelt voorop dat zij in verschillende uitspraken over de ruimtelijke besluitvorming voor nieuwe windparken al een oordeel heeft gegeven over de vraag of het bevoegd gezag bij de beoordeling van de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het plan heeft kunnen aansluiten bij de in artikel 3.14a, eerste lid, van het Activiteitenbesluit neergelegde geluidnorm van 47 dB Lden. De Afdeling verwijst hierbij onder meer naar haar uitspraak over het windpark De Drentse Monden en Oostermoer. In deze uitspraak zijn in overweging 98 en verder betogen beoordeeld die vergelijkbaar zijn met hetgeen Wind van Voren en anderen en [appellant sub 10] in deze procedure naar voren hebben gebracht. Zo is onder meer ingegaan op de betogen over het hinderlijke karakter van windturbinegeluid dat als pulserend en fluctuerend wordt aangeduid, het verschijnsel amplitudemodulatie, de omstandigheid dat de norm is gebaseerd op beperkt onderzoek uit Zweden en Nederland, het percentage ernstig gehinderden, de geostrofe windeffecten en de gestelde nieuwe wetenschappelijke inzichten in verband waarmee een toeslag van 5 dB op het Lden zou moeten worden toegepast. Ten aanzien van het betoog dat de geluidnormen in artikel 3.14a, eerste lid, van het Activiteitenbesluit zijn gebaseerd op veel kleinere windturbines verwijst de Afdeling ook naar de uitspraak over windlocatie Battenoord, onder 33.
- De Afdeling ziet in deze betogen geen aanknopingspunten voor het oordeel dat bij de beoordeling van de ruimtelijke aanvaardbaarheid van een windpark niet kan worden aangesloten bij de in artikel 3.14a, eerste lid, van het Activiteitenbesluit neergelegde geluidnorm van 47 dB Lden. 46.
- Wind van Voren en anderen hebben ter onderbouwing van hun standpunt dat er nieuwe inzichten zijn over de hinderlijkheid van windturbinegeluid verwezen naar de gewijzigde aanbevelingen van de WHO van 10 oktober
- De Afdeling stelt voorop dat de bestreden besluiten worden getoetst aan de hand van de feiten en het recht dat gold ten tijde van het nemen van die besluiten. De gewijzigde aanbevelingen van de WHO dateren van na de besluitvorming over het windpark Oude Maas. De Afdeling kan deze gewijzigde aanbevelingen daarom in beginsel niet in haar beoordeling betrekken (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 21 november 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3748, onder 7.4). Voor zover Wind van Voren en anderen hebben betoogd dat de gewijzigde aanbevelingen van de WHO een codificatie zijn van nieuwe inzichten over het hinderlijke karakter en de gezondheidseffecten van windturbinegeluid, die al ten tijde van het nemen van de bestreden besluiten bij verweerders bekend hadden kunnen en moeten zijn, hebben zij dit standpunt niet nader onderbouwd. De Afdeling ziet daarom geen aanleiding om de gewijzigde aanbevelingen van de WHO die dateren van na het nemen van de bestreden besluiten alsnog in de beoordeling te betrekken. 46.
- De betogen falen. - Gezondheidseffecten in relatie tot de hoogte van in artikel 3.14a van het Activiteitenbesluit neergelegde geluidnormen
- [appellant sub 10], Wind van Voren en anderen en [appellant sub 6] betogen dat de geluidnorm van 47 dB Lden uit artikel 3.14a, eerste lid, van het Activiteitenbesluit onvoldoende bescherming biedt tegen negatieve gezondheidseffecten. Zij betogen met name dat de windturbines laagfrequent geluid veroorzaken dat schadelijk is voor mensen. Wind van Voren en anderen betogen dat gezondheidsschade kan ontstaan bij de geluidniveaus die op grond van artikel 3.14a, eerste lid, van het Activiteitenbesluit mogen optreden, onder meer door slaapverstoring. Dit geldt voor "normaal" geluid, maar volgens Wind van Voren en anderen kunnen vooral gezondheidsklachten ontstaan door laagfrequent geluid. Zij stellen dat er in het akoestisch onderzoek, onder verwijzing naar een brief van de staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu aan de voorzitter van de Tweede Kamer van 31 maart 2014 (Kamerstukken II 2013/14, 33 612, nr. 22), ten onrechte van is uitgegaan dat van laagfrequent geluid geen andere effecten zijn te verwachten dan van "normaal" geluid. Wind van Voren en anderen stellen dat in verschillende onderzoeken een relatie wordt gelegd tussen laagfrequent geluid en gezondheidsklachten bij omwonenden. In het bijzonder wijzen zij op de publicaties "Wind turbine noise; seems to affect health adversely and an independent review of evidence is needed" uit het British Medical Journal (2012, nr. 344) en "Windmolens maken wel degelijk ziek; Toepassing voorzorgsbeginsel en beter onderzoek zijn nodig" van S. van Manen uit Medisch Contact (22 maart 2018, nr. 12). Uit deze artikelen blijkt volgens hen dat laagfrequent geluid van windturbines zodanige negatieve gevolgen heeft voor de gezondheid dat niet langer kan worden aangenomen dat de geluidnorm van 47 dB Lden voldoende bescherming biedt. Volgens Wind van Voren en anderen moet op grond van het voorzorgsbeginsel een zwaarwegend gewicht worden toegekend aan het voorkomen van gezondheidsrisico’s voor omwonenden. Daarnaast stellen Wind van Voren en anderen in dit verband dat de aanname dat laagfrequent geluid geen andere effecten veroorzaakt dan "normaal" geluid gebaseerd is op verouderde onderzoeken, die nog uitgaan van oudere, lagere windturbines. De grote windturbines die het plan mogelijk maakt, veroorzaken volgens Wind van Voren en anderen meer laagfrequent geluid, wat tot gezondheidsklachten bij omwonenden kan leiden. [appellant sub 6] wijst erop dat het plan en de omgevingsvergunningen ruimte bieden voor windturbines met een vermogen van 5 MW. Hij stelt eveneens dat deze grotere en zwaardere windturbines meer laagfrequent geluid veroorzaken. Dit is volgens [appellant sub 6] onvoldoende onderzocht. Wind van Voren en anderen en [appellant sub 6] hebben in hun nadere stuk van 23 november 2018 ook verwezen naar de gewijzigde aanbevelingen van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) van 10 oktober
- Daarin wordt vanwege nadelige gezondheidseffecten voor windturbinegeluid een geluidniveau aanbevolen van ten hoogste 45 dB Lden. 47.
- In onder meer de uitspraak over het windpark De Drentse Monden en Oostermoer is de Afdeling onder 119.2 nader ingegaan op de effecten van windturbinegeluid op de gezondheid. In het deskundigenbericht dat in die procedure is uitgebracht, is vermeld dat er op basis van de huidige wetenschappelijke inzichten geen bewijs is voor directe effecten van windturbines op de gezondheid. In de uitspraak over het windpark De Drentse Monden en Oostermoer is in dit verband verwezen naar het onderzoeksrapport van het RIVM en de GGD getiteld "Health effects related to wind turbine sound" uit 2017 (hierna: rapport van het RIVM uit 2017) dat een overzicht bevat van de conclusies van recente wetenschappelijke onderzoeken met betrekking tot de gezondheidseffecten van het geluid van windturbines. In het rapport van het RIVM uit 2017 is ingegaan op de hinderlijkheid van met name het typerende ritmische karakter van het geluid van windturbines, aangeduid als amplitudemodulatie, zo heeft de Afdeling overwogen. Volgens het rapport van het RIVM uit 2017 is er een relatie tussen slaapverstoring die op individuele basis is gemeld en ergernis over het geluid van windturbines, maar is onvoldoende wetenschappelijk bewijs beschikbaar voor een directe relatie tussen gezondheidsrisco’s en het geluid van windturbines, zo staat in de uitspraak over het windpark De Drentse Monden en Oostermoer. Daarbij is vermeld dat volgens het rapport van het RIVM uit 2017 de langdurige ergernis over de hinder van windturbines en het gevoel dat de kwaliteit van de leefomgeving is verminderd of zal verminderen negatieve gevolgen kunnen hebben voor het welzijn en de gezondheid. Dit is echter niet uniek voor windturbines, maar geldt ook voor andere stressoren, zo staat vermeld in het rapport van het RIVM uit
- In dit verband is over laagfrequent geluid overwogen dat in het rapport van het RIVM uit 2017 is geconcludeerd dat er geen wetenschappelijk bewijs beschikbaar is dat de gestelde gezondheidsrisico’s van laagfrequent geluid van windturbines ondersteunt. De Afdeling verwijst in dit verband ook naar de overwegingen 120.2 en 120.3 van de uitspraak over het windpark De Drentse Monden en Oostermoer waar onder verwijzing naar de uitspraak van 4 mei 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1228, over het windpark Wieringermeer is overwogen dat het aangevoerde geen grond biedt voor het oordeel dat verweerders zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat de geluidnorm van 47 dB Lden voldoende bescherming biedt tegen laagfrequent geluid. De Afdeling heeft op basis van het vorenstaande in de uitspraak over het windpark De Drentse Monden en Oostermoer geconcludeerd dat verweerders zich in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan niet zal leiden tot onaanvaardbare gevolgen voor de gezondheid door geluid dat door de windturbines wordt veroorzaakt, waaronder laagfrequent geluid. Daarbij heeft de Afdeling ook overwogen dat het voorzorgsbeginsel niet zo ver strekt dat op basis van publicaties waarin slechts een mogelijk verband wordt gelegd tussen windturbines en gezondheidsklachten, van de vaststelling van het plan had moeten worden afgezien. 47.
- De door Wind van Voren en anderen en [appellant sub 6] genoemde publicaties zijn voor de Afdeling geen aanleiding om tot een andere conclusie te komen. In het artikel uit het British Medical Journal uit 2012 wordt verwezen naar verschillende studies waaruit zou blijken dat er een verband bestaat tussen geluid en gezondheidseffecten. Een groot deel van deze studies is meegenomen in het rapport van het RIVM uit
- In de publicatie van S. van Manen in Medisch Contact wordt ervoor gepleit om op grond van het voorzorgsbeginsel onderzoek te verrichten naar gezondheidsproblemen vanwege windturbines. De overgelegde publicaties geven geen grond voor de conclusie dat er een direct verband is tussen windturbines en gezondheidsklachten. 47.
- Het betoog van Wind van Voren en anderen en [appellant sub 6] dat de grote windturbines die het plan en de omgevingsvergunningen mogelijk maken meer laagfrequent geluid veroorzaken, kan hieraan niet afdoen. Zoals hiervoor is overwogen, is er geen aanleiding om onaanvaardbare gezondheidseffecten door laagfrequent geluid te verwachten als aan de geluidnorm van 47 dB Lden wordt voldaan. De Afdeling ziet in hetgeen Wind van Voren en anderen en [appellant sub 6] naar voren hebben gebracht geen grond om eraan te twijfelen dat windturbines met een vermogen van maximaal 5 MW zo veel meer laagfrequent geluid veroorzaken in verhouding tot de "normale" geluidbelasting, dat de hierboven weergegeven conclusies niet meer geldig zijn. Op dit punt verwijst de Afdeling ook naar overweging 120.4 van de uitspraak over het windpark De Drentse Monden en Oostermoer. Daarin heeft de Afdeling in haar oordeel betrokken dat door de ministers naar voren was gebracht dat een toename van 1 tot 3 dB in het laagfrequente deel van het geluidspectrum pas beperkt zal kunnen toenemen bij windturbinevermogens van 6 à 7 MW en dat in het deskundigenbericht in die zaak was bevestigd dat niet is te verwachten dat het laagfrequent geluid bij grotere windturbines een substantieel groter aandeel zal krijgen. 47.
- Wind van Voren en anderen en [appellant sub 6] hebben in verband met de gezondheidseffecten van windturbinegeluid verwezen naar de gewijzigde aanbevelingen van de WHO van 10 oktober
- Gelet op hetgeen onder 46.3 is overwogen, laat de Afdeling deze aanbevelingen bij de beoordeling van de bestreden besluiten buiten beschouwing. 47.
- De betogen falen. - Jaargemiddelde norm
- [appellant sub 10] voert aan dat de grenswaarden van 47 dB Lden en 41 dB Lnight jaargemiddelden zijn waarbij stilstandperiodes meetellen. Dit betekent volgens hem dat de geluidbelasting op de momenten dat de windturbines draaien hoger mag zijn dan deze waarden, zodat er op die momenten extra hinder is. Duykerzight voert aan dat pieken in de geluidbelasting ten onrechte worden geëgaliseerd door uit te gaan van berekende gemiddelden. 48.
- De Afdeling heeft een identiek betoog beoordeeld in onder meer de uitspraken over de windparken De Veenwieken en Spui. De Afdeling verwijst naar overweging 24.1 van de uitspraak over het windpark De Veenwieken en overweging 31.1 van de uitspraak over het windpark Spui. In de in die zaken opgestelde notities van onder meer Bosch & Van Rijn en het adviesbureau Pondera Consult is ingegaan op de vraag hoe de jaargemiddelde geluidbelasting, waarop de geluidnormen voor windturbines zijn gebaseerd, zich verhoudt tot de geluidniveaus die zich maximaal op een bepaald moment (momentane geluidniveau) bij hogere windsnelheden kunnen voordoen. Hierover overweegt de Afdeling het volgende. 48.
- Zoals in de uitspraken over de windparken De Veenwieken en Spui is overwogen en zoals ook is vermeld in het deskundigenbericht dat in deze procedure is opgesteld, is Lden het gewogen jaargemiddelde van het equivalente geluidniveau met een toeslag van 5 dB voor de avondperiode en een toeslag van 10 dB voor de nachtperiode. Lnight is het gemiddelde equivalente geluidniveau over alle nachtperioden in een jaar zonder de toeslag van 10 dB. In de uitspraak over het windpark De Veenwieken is onder verwijzing naar de in die procedure overgelegde notitie van Pondera Consult vermeld dat het maximale bronvermogen van een windturbine dat (momentaan) optreedt bij hogere windsnelheden 3 tot 5 dB hoger ligt dan het jaargemiddelde ongewogen geluidniveau, afhankelijk van de specifieke windturbine. Omdat de wettelijke geluidnorm van 47 dB Lden uitgaat van een gewogen jaargemiddeld geluidniveau waarin een straffactor voor de avond en nacht is meegenomen, zal in de praktijk de maximaal optredende geluidbelasting vrijwel altijd onder de 47 dB liggen, zo is in de uitspraak over het windpark De Veenwieken vermeld. Dit komt overeen met de uitspraak over het windpark Spui, waar onder verwijzing naar de in die procedure overgelegde notitie van Bosch & Van Rijn is vermeld dat als gevolg van de straffactoren in de Lden-methodiek het in de praktijk vrijwel niet kan voorkomen dat ter plaatse van een woning waar aan de wettelijke jaargemiddelde geluidnorm van 47 dB Lden wordt voldaan, een momentaan geluidniveau optreedt van 47 dB. In het deskundigenbericht over het windpark Oude Maas is eveneens vermeld dat de maximaal optredende geluidbelasting (het momentane geluidniveau op een bepaald moment) vrijwel altijd onder het gewogen jaargemiddelde geluidniveau van 47 dB Lden zal liggen. 48.
- De Afdeling ziet in hetgeen [appellant sub 10] en Duykerzight naar voren hebben gebracht geen aanleiding om te twijfelen aan wat over het momentane geluidniveau van windturbines is vermeld in de uitspraken over de windparken De Veenwieken en Spui en in het deskundigenbericht in deze zaak. Voor de woning van [appellant sub 10] en de woningen in het appartementencomplex Duykerzight geldt dat de maximale geluidbelasting onder de wettelijke norm van 47 dB Lden blijft. Daarom kan ervan worden uitgegaan dat de maximaal optredende geluidbelasting op de woningen vrijwel steeds minder dan 47 dB zal zijn. Wat [appellant sub 10] en Duykerzight op dit punt hebben aangevoerd, geeft daarom geen aanleiding voor het oordeel dat de jaargemiddelde normen van 47 dB Lden en 41 dB Lnight onvoldoende bescherming bieden tegen een onaanvaardbare momentane geluidbelasting bij hun woningen. Het betoog faalt. - Conclusie
- Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is de Afdeling van oordeel dat verweerders bij het nemen van de bestreden besluiten van de geluidnormen uit artikel 3.14a, eerste lid, van het Activiteitenbesluit mochten uitgaan. De raad kon er bij de vaststelling van het plan in redelijkheid van uitgaan dat deze geluidnormen toereikend zijn om een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te waarborgen en om onaanvaardbare gezondheidseffecten door geluid te voorkomen. Het college kon bij de verlening van de omgevingsvergunningen eveneens uitgaan van de rechtstreeks werkende geluidnormen uit artikel 3.14a van het Activiteitenbesluit. Akoestisch onderzoek
- Bij de voorbereiding van de bestreden besluiten is onderzoek gedaan naar de geluidbelasting vanwege het windpark. De resultaten hiervan zijn weergegeven in het rapport "Windpark Oude Maas. Akoestisch onderzoek t.b.v. MER en vergunningen" van Bosch & Van Rijn van 29 mei 2017 (hierna: het akoestisch onderzoek). De raad en het college hebben op grond van dit rapport geconcludeerd dat aan de geluidnormen uit artikel 3.14a, eerste lid, van het Activiteitenbesluit kan worden voldaan. Afhankelijk van het type windturbine dat wordt gekozen moet daarbij eventueel als geluidbeperkende maatregel gedurende een aantal uren per etmaal een geluidreducerende modus worden toegepast.
- Een aantal appellanten voert beroepsgronden aan over de juistheid van het akoestisch onderzoek. - Rekenmethode
- Duykerzight, [appellant sub 4] en Rivierpark de Oude Maas stellen dat de grote windturbines die geplaatst zullen worden nog nergens in gebruik zijn. Duykerzight betwijfelt daarom of de gebruikte rekenmodellen wel bruikbaar zijn. [appellant sub 4] en Rivierpark de Oude Maas betogen dat te gemakkelijk is aangenomen dat met deze grote windturbines aan de geldende normen kan worden voldaan. Duykerzight betoogt daarnaast dat de geluidbelasting niet berekend, maar gemeten had moeten worden. In het akoestisch onderzoek is volgens haar bewust de rekenmethode gebruikt die het meest gunstig is voor de initiatiefnemers. Duykerzight stelt in dat verband onder meer dat wordt uitgegaan van berekende gemiddelden, terwijl de omwonenden dat anders ervaren. Daarnaast stelt Duykerzight dat er geen transparante controlemethodes zijn waarmee omwonenden kunnen nagaan of aan de gestelde uitgangspunten wordt voldaan. [appellant sub 5] betoogt dat de geluidbelasting niet volgens de juiste methode is bepaald. De geluidbelasting is berekend met een rekenmodel, maar volgens [appellant sub 5] blijkt uit wetenschappelijk onderzoek dat de resultaten van het rekenmodel niet overeenkomen met de daadwerkelijk gemeten geluidbelasting. De bestreden besluiten zijn daarom volgens hem op onjuiste gronden genomen. 52.
- Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat bij de berekening van de geluidbelasting gebruik is gemaakt van de wettelijk voorgeschreven specifieke rekenmethode voor windturbinegeluid. Dit is het Reken- en meetvoorschrift windturbines (hierna: RMW), dat is opgenomen in bijlage 4 bij de Activiteitenregeling. 52.
- In het RMW is voorgeschreven dat de geluidbelasting die de windturbines veroorzaken op bijvoorbeeld woningen wordt bepaald door een berekening. De manier waarop de berekening moet worden uitgevoerd, is eveneens in het RMW vastgelegd. Anders dan Duykerzight heeft betoogd, was het dus niet mogelijk om een rekenmethode te kiezen die zo gunstig mogelijk is voor de initiatiefnemers. 52.
- Voor zover Duykerzight betoogt dat een jaargemiddelde norm niet geschikt is om onaanvaardbare hinder te voorkomen, verwijst de Afdeling naar hetgeen hierover onder 48.1 en volgende is overwogen. 52.
- Uit het RMW volgt dat de geluidbelasting wordt berekend en niet gemeten. Reeds hierom kan het betoog van Duykerzight dat de geluidbelasting had moeten worden berekend niet slagen. Om de geluidbelasting op woningen te berekenen, moet volgens het RMW overigens wel gebruik worden gemaakt van metingen van de geluidemissie van de windturbines. Dat is in dit geval ook gebeurd. 52.
- Duykerzight, [appellant sub 4] en Rivierpark de Oude Maas hebben hun stelling dat de rekenmodellen niet bruikbaar zijn, omdat nog geen windturbines van deze hoogte in gebruik zijn, niet geconcretiseerd. [appellant sub 5] heeft de stelling dat uit wetenschappelijk onderzoek blijkt dat de resultaten van het rekenmodel niet overeenkomen met de daadwerkelijk gemeten geluidbelasting ook niet nader geconcretiseerd. De Afdeling ziet daarom in hetgeen deze appellanten hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de rekenmethode uit het RMW niet geschikt is en daarom niet had mogen worden toegepast voor de berekening van de geluidbelasting. De Afdeling betrekt daarbij ook dat de raad heeft gesteld dat de rekenmodellen geen beperking bevatten voor de omvang van de windturbines en dat er geen aanwijzingen zijn dat het gebruikte model niet toereikend is voor hogere windturbines. 52.
- Voor zover Duykerzight met haar betoog over het ontbreken van transparante controlemethodes bedoelt dat de geluidnormen uit het Activiteitenbesluit niet handhaafbaar en controleerbaar zijn, verwijst de Afdeling naar de uitspraak over het windpark De Drentse Monden en Oostermoer, onder
- Zoals daar is overwogen, voorziet het RMW in een emissievoorschrift waarmee steekproefsgewijs de door de fabrikant opgegeven geluidvermogenniveaus van de windturbines per windklassesnelheid kunnen worden gecontroleerd en kan vervolgens op basis van het jaargemiddelde geluidvermogen het immissieniveau bij normaal gebruik worden vastgesteld en worden getoetst aan de normen voor de jaargemiddelde geluidbelasting Lden en Lnight. Ervan uitgaande dat derden in beginsel zelf emissiemetingen kunnen laten verrichten door een akoestisch bureau conform het RMW, heeft de Afdeling in de uitspraak over het windpark De Drentse Monden en Oostermoer geconcludeerd dat er geen grond bestaat voor het oordeel dat de normen uit artikel 3.14a, eerste lid, van het Activiteitenbesluit niet handhaafbaar en controleerbaar zijn. Duykerzight heeft niets naar voren gebracht wat aanleiding geeft om op dit punt nu tot een ander oordeel te komen. 52.
- De betogen falen. - Ondergrond en windgegevens
- In het akoestisch onderzoek is onder meer berekend waar in de omgeving van het windpark de geluidbelasting van de windturbines 47 dB Lden bedraagt. In het akoestisch onderzoek is dit als contour weergegeven. Een aantal appellanten betoogt dat de 47 dB Lden-contour in het akoestisch onderzoek niet op de juiste wijze is bepaald. De geluidbelasting is volgens hen hoger dan in het akoestisch onderzoek is berekend. 53.
- Wind van Voren en anderen, [appellant sub 4] en Rivierpark de Oude Maas betogen dat er in de berekeningen geen rekening mee is gehouden dat de overheersende windrichting zuidwest is. Daarnaast is volgens hen te weinig rekening gehouden met de ondergrond, namelijk het open water van de Oude Maas. Volgens hen draagt het geluid over deze ondergrond verder dan over land. Vanwege deze factoren zou de geluidcontour volgens Wind van Voren en anderen, [appellant sub 4] en Rivierpark de Oude Maas aan de noordkant verder moeten reiken dan aan de zuidkant, maar in het geluidonderzoek is de contour vrijwel symmetrisch weergegeven. [appellant sub 1] en [appellant sub 6] voeren aan dat bij de berekening van de geluidbelasting niet genoeg rekening is gehouden met de wind en overheersende windrichting en met het gegeven dat geluid ver draagt over water. [appellant sub 10] stelt ook dat het geluid over water verder draagt dan over land en dat hiermee in het akoestisch onderzoek te weinig rekening is gehouden. Hij vreest dat hij daardoor geluidhinder zal ondervinden bij zijn woning, die zich buiten de 47 dB Lden-contour bevindt. 53.
- Volgens de raad zijn de berekeningen uitgevoerd volgens de standaardrekenmethode die in het RMW is voorgeschreven. Daarbij is rekening gehouden met de windsnelheden en windrichting en met de mate van absorptie en reflectie van verschillende bodemsoorten, waaronder water. In paragraaf 2.1 van het akoestisch onderzoek is toegelicht op welke manier de ondergrond is meegenomen in de berekening. Water is daar als "harde bodem" aangemerkt. In het akoestisch onderzoek is volgens de raad dan ook te zien dat de geluidcontouren op het water een grotere afstand tot de windturbines hebben. Voor het windaanbod is volgens paragraaf 2.4 van het akoestisch onderzoek gebruik gemaakt van langjarige gegevens van het KNMI. De raad stelt dat uit de rekenmethode uit het RMW volgt dat de overheersende windrichting pas effect heeft bij een afstand tussen windturbine en ontvanger van ten minste tienmaal de som van de hoogte van de bron en de hoogte van de ontvanger. Op korte afstand van de windturbines heeft de overheersende windrichting daarom volgens de raad maar zeer beperkt effect. 53.
- De geluidbelasting is berekend met behulp van de standaardrekenmethode die in het RMW is vastgelegd. De rekenmethode houdt rekening met de bodemdemping. De bodemdemping is onder meer afhankelijk van de aard van de bodem. In verband daarmee bevat paragraaf 3.11.2 van het RMW verschillende bodemfactoren voor harde bodems, absorberende bodems en gedeeltelijk absorberende bodems. In het deskundigenbericht wordt op grond van nadere informatie die bij Bosch & Van Rijn is opgevraagd geconcludeerd dat voor het water de juiste bodemfactor is toegepast, namelijk bodemfactor 0 voor harde bodems. Dit geldt niet alleen voor de rivier de Oude Maas, maar ook voor de Gaatkensplas nabij de woning van [appellant sub 10]. 53.
- De windsnelheid is een van de elementen die op grond van paragraaf 3.4 van het RMW worden betrokken in de bepaling van het jaargemiddelde geluidvermogen per octaafband van de windturbines, de emissieterm LE. De emissieterm LE is een van de factoren die worden gebruikt in de berekening van de geluidbelasting op een bepaalde plaats. De windsnelheid is dus verdisconteerd in de standaardrekenmethode uit het RMW. Uit paragraaf 3.4.3 van het RMW volgt dat bij de bepaling van de windsnelheidsverdeling gebruik wordt gemaakt van langjarige gegevens van het KNMI. In het akoestisch onderzoek is gebruik gemaakt van deze gegevens. Appellanten hebben niet gesteld dat in dit geval niet van deze gegevens mocht worden uitgegaan. 53.
- Het RMW houdt bij de berekening van de geluidbelas
🔗 Naar officiële bron
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.