(2017)af van de omstandigheden van het geval, de specifieke ligging, de feitelijke situatie, het bestemmingsplan en de aard van de omgeving. Bij de beantwoording van deze vraag dient volgens de rechtspraak van de Afdeling te worden beoordeeld of het voorgaande bestemmingsplan binnen het gebied reeds een stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca mogelijk maakt, of het gebied op grond van het voorgaande plan kan worden beschouwd als bij een bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur. De rechtbank heeft terecht overwogen dat er met betrekking tot de onderhavige gronden al sprake is van een stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, met daaraan ondergeschikte bedrijvigheid (aan huis), aansluitend bij de dorpskern en dus behorend bij een bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing en openbare, sociaal culturele voorzieningen/infrastructuur. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het bouwplan is voorzien binnen bestaand stedelijk gebied. Dat het projectgebied in het Provinciaal Omgevingsplan Limburg in het landelijk gebied ligt, deels in het buitengebied en deels in de bronsgroene landschapszone, en dat de gronden volgens de Contourenatlas Noord- en Midden Limburg buiten de contour Beesel valt, is in dit kader niet relevant en leidt dan ook niet tot een ander oordeel. Het betoog faalt.
- [appellant A] en anderen betogen dat de rechtbank heeft miskend dat het project in strijd is met het Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014 (hierna: POL 2014), de Omgevingsverordening Limburg 2014 en het Limburgs Kwaliteitsmenu. Volgens hen is het project in strijd met het POL, omdat het projectgebied is gelegen in het buitengebied en bronsgroene landschapszone en een zorggebouw met voorzieningen binnen deze gebieden niet passend is. In de bronsgroene landschapszone staan voorts behoud en versterking van de cultuurhistorische en landschappelijke waarden centraal waarbinnen het woonzorggebouw evenmin passend is. [appellant A] en anderen betogen verder dat de rechtbank ten onrechte het gebrek met betrekking tot artikel 2.2.3 van de Omgevingsverordening Limburg 2014 heeft gepasseerd en zich daarbij ten onrechte heeft gebaseerd op een enkele, schriftelijk noch mondeling onderbouwde, mededeling van het college. Zij voeren voorts aan dat het project is voorzien buiten de (rode) contour uit de contourenatlas en dat niet is voldaan aan de eisen die het Limburgs Kwaliteitsmenu in dat geval stelt. 4.
- In de ruimtelijke onderbouwing is in aanmerking genomen dat het besluitgebied op de kaart van het POL 2014 ligt in het landelijk gebied, meer specifiek in de zone ‘buitengebied’, terwijl de noordelijke rand behoort tot de bronsgroene landschapszone. Omdat voor de percelen in geding in het verleden ook al een bouwvergunning voor een woning was verleend (en ingetrokken), het bouwplan is voorzien binnen de bestemming ‘Wonen’, de rechten van het vigerende bestemmingsplan blijkens het POL 2014 leidend zijn en de gronden aansluiten bij ‘overig bebouwd gebied’ met gemengde woon/werkgebieden, is geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling plaatsvindt in bebouwd gebied en functioneel inpasbaar is. Een deel van de onbebouwd blijvende percelen met de nummers 24 en 25 die als tuin worden ingericht en deel uitmaken van het waterbergend rivierbed behoren blijkens de kaarten behorende bij de Omgevingsverordening tot de bronsgroene landschapszone. In zoverre is in de ruimtelijke onderbouwing geconcludeerd dat, gelet op de ligging van dit deel van het besluitgebied tussen bestaande bebouwing/in de bebouwde omgeving en gezien het huidige gebruik als akker, ter plaatse geen sprake is van de typische kernkwaliteiten van het rivierdal, zodat bescherming en versterking van die kernkwaliteiten op deze plaats dan ook niet aan de orde is en van negatieve effecten geen sprake is, zodat geen sprake is van strijd met de Omgevingsverordening op dit punt. 4.
- Het door [appellant A] en anderen aangevoerde biedt geen grond voor het oordeel dat het bouwplan in strijd is met het POL
- De rechtbank heeft terecht overwogen dat, in aanmerking genomen dat de gebiedstyperingen en de begrenzingen in het POL 2014 indicatief, globaal en niet perceelsnauwkeurig zijn, en dat bij de toepassing van deze begrenzingen moet worden gekeken naar de feitelijke situatie, het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de thans in geding zijnde planontwikkeling niet in strijd komt met het POL 2014 en de daarin geformuleerde uitgangspunten. Daarbij wordt mede in aanmerking genomen dat in de toelichting bij het POL 2014 staat dat de precieze begrenzing van het (bestaand) bebouwd gebied op gemeentelijk niveau gebeurt. Voor zover [appellant A] en anderen er op wijzen dat de bouwvergunning is ingetrokken, laat dit onverlet dat het grootste deel van het projectgebied een woonbestemming heeft en de bebouwing is voorzien op die woonbestemming. Uit de omstandigheid dat het woonzorggebouw een ander gebruik is dan de bestemming "Wonen" toelaat en de bebouwing deels buiten het bouwvlak is voorzien, volgt, anders dan [appellant A] en anderen betogen, niet dat het college zich niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat het project is voorzien binnen bebouwd gebied en functioneel inpasbaar is. Voor zover [appellant A] en anderen aanvoeren dat een deel van het bouwplan is voorzien op de bestemmingen "Agrarisch-onbebouwd" en "Groen, alsmede in de bronsgroene landschapszone bebouwing volstaan zij met een niet onderbouwde stelling. Het door [appellant A] en anderen aangevoerde biedt evenmin grond voor het oordeel dat het bouwplan in strijd is met het Limburgs Kwaliteitsmenu. Door de raad is de "Beleidsregel gemeentelijk kwaliteitsmenu wonen buitengebied" vastgesteld, waarbij het Limburgs Kwaliteitsmenu het kader vormde. Het bouwplan is hieraan getoetst. In de ruimtelijke onderbouwing is aangegeven dat de beleidsregel uitgangspunten bevat waarbinnen de gemeente aan initiatiefnemers voor ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied van de gemeente Beesel, gelegen buiten de rode contour zoals vastgesteld door Gedeputeerde staten van de provincie Limburg op 11 mei 2010, een kwaliteitsbijdrage vraagt, zulks ter uitwerking van het Limburgs Kwaliteitsmenu. In de ruimtelijke onderbouwing is geconcludeerd dat gezien de eerder verleende bouwvergunning en de vigerende woonbestemming in dit geval geen compensatie nodig is voor het bouwen buiten de rode contour. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat hoewel het besluitgebied oorspronkelijk niet binnen de rode contour lag in het onderhavige geval geen compensatie meer benodigd is. Daarbij heeft zij terecht in aanmerking genomen dat de contour indicatief is, dat het in geding zijnde bouwplan, gelet op de mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt, geen nieuwe ontwikkeling in de zin van een nieuw ruimtebeslag betreft, en dat de omstandigheid dat de bebouwing anders en meer wordt dan het bestemmingsplan toestaat in dit kader niet relevant is. 4.
- In artikel 2.2.3 van de Omgevingsverordening Limburg 2014 is bepaald waaraan een ruimtelijk plan dat voorziet in het toestaan van een nieuwe functie dient te voldoen. Daarbij dient de mogelijkheid te worden bezien om deze functie in leegstaande monumentale en beeldbepalende gebouwen onder te brengen. De toelichting bij het ruimtelijk plan dient een verantwoording te bevatten over de wijze waarop hieraan invulling is gegeven. De rechtbank heeft overwogen dat een kenbare verantwoording in het bestreden besluit ontbreekt, maar dat het college ter zitting daarover heeft verklaard dat dit aspect wel bij de voorbereiding van het bestreden besluit is betrokken en dat daarbij is gebleken dat er in de kern Beesel geen sprake is van beschikbare leegstaande monumentale of beeldbepalende gebouwen en dat de door [appellant A] en anderen genoemde alternatieven niet als zodanig zijn te duiden. De rechtbank is tot het oordeel gekomen dat het in zoverre niet voldoet aan het vereiste van een kenbare motivering als neergelegd in artikel 3:47, eerste lid, van de Awb, maar dat er aanleiding is dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren, omdat het college ter zitting deze verantwoording alsnog kenbaar heeft gemaakt. Toepassing van artikel 6:22 van de Awb is mogelijk indien aannemelijk is dat de belanghebbende door het gebrek in het bestreden besluit niet is benadeeld. Een gebrek dat herstel behoeft, leent zich in beginsel niet voor toepassing van deze bepaling. In gevallen waarin van het bestuursorgaan een bepaalde actie is vereist om het gebrek weg te nemen, kan er immers niet zonder meer van worden uitgegaan dat belanghebbenden door het gebrek niet zijn benadeeld. Alleen indien evident is dat belanghebbenden door het gebrek niet zijn benadeeld, kan bij het bestaan van een dergelijk gebrek toepassing worden gegeven aan artikel 6:22 van de Awb. Niet kan worden geoordeeld dat [appellant A] en anderen door het aan het besluit van 31 augustus 2016 klevende motiveringsgebrek niet zijn benadeeld. De rechtbank had dit gebrek daarom niet met toepassing van artikel 6:22 van de Awb mogen passeren, maar het bestreden besluit wegens dat gebrek dienen te vernietigen. Het betoog slaagt in zoverre.
- [appellant A] en anderen stellen zich voorts op het standpunt dat het besluit met betrekking tot de aspecten parkeren en verkeersaantrekkende werking niet van een goede ruimtelijke onderbouwing is voorzien. Volgens hen is de parkeerbehoefte niet juist berekend en is ten onrechte aangesloten bij de parkeernorm voor verpleeg- en verzorgingstehuizen van het Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in de Grond-, Water- en Wegenbouw en de Verkeerstechniek (hierna: CROW). In dat kader verwijzen zij naar het door hen overgelegde rapport van Rho van 5 juli
- Volgens [appellant A] en anderen had aangesloten moeten worden bij de in het gemeentelijk parkeerbeleid opgenomen parkeernorm voor seniorenwoningen, waaruit volgt dat de parkeerbehoefte vanwege het bouwplan 25,1 parkeerplaatsen bedraagt. [appellant A] en anderen wijzen er voorts op dat het gemeentelijk beleid voorschrijft dat parkeren zo veel mogelijk op eigen terrein moet plaatsvinden. Volgens hen is het parkeren op eigen terrein onvoldoende geborgd, nu dit niet als voorschrift aan de omgevingsvergunning is verbonden. De rechtbank heeft voorts ten onrechte niet bij haar beoordeling betrokken dat het in strijd is met het gemeentelijk parkeerbeleid om het openbaar groen en het kinderspeelveldje/parkje deels op te offeren om te voorzien in parkeerplaatsen. [appellant A] en anderen voeren verder aan dat de rechtbank heeft miskend dat het aan- en afleveren op eigen terrein niet is geborgd. Zij betogen voorts dat de rechtbank heeft miskend dat er een substantiële verkeersaantrekkende werking uitgaat van het woonzorggebouw en dat ten onrechte geen rekening is gehouden met de slechte infrastructuur van de straat waar het woonzorggebouw is voorzien. 5.
- Het college heeft de parkeerbehoefte vanwege het bouwplan berekend op 11 parkeerplaatsen. Het college heeft daarbij een norm voor een verpleeg- en verzorgingstehuis in niet-stedelijk gebied van 0,5 parkeerplaats per wooneenheid, gebaseerd op de ‘Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie’ van het CROW (publicatie 317), gehanteerd. Voor de inpandige bedrijfswoning dient volgens het college uitgegaan te worden van minimaal twee parkeerplaatsen. Het bouwplan voorziet in 13 parkeerplaatsen. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat nu de parkeerbehoefte 11 parkeerplaatsen bedraagt met de aanleg van 13 parkeerplaatsen ruim voldoende in de parkeerbehoefte wordt voorzien. Het door [appellant A] en anderen in hoger beroep aangevoerde biedt geen grond voor het oordeel dat het college de parkeerbehoefte niet juist heeft berekend. De rechtbank heeft terecht overwogen dat geen grond bestaat voor het oordeel dat het college zich niet op CROW-normen heeft mogen baseren en dat het college bij de toepassing van deze normen in redelijkheid ervan heeft kunnen uitgaan dat de norm voor een verpleeg- en verzorgingstehuis, die inclusief bezoekers en personeel is, voldoende aansluit bij de concrete situatie van het geplande woonzorggebouw voor huisvesting van demente bejaarden. Voor het oordeel dat het college aan had moeten sluiten bij de norm voor seniorenwoningen bestaat, gelet op de omstandigheid dat het woonzorggebouw voorziet in huisvesting van hulpbehoevende demente ouderen, geen grond. De parkeernorm ziet voorts, anders dan waar het rapport van Rho van uitgaat, niet alleen op de bewoners maar ook op bezoekers en personeel. De rechtbank heeft voorts terecht overwogen dat het college er in redelijkheid voor heeft kunnen kiezen om bij de toepassing van deze parkeernorm uit te gaan van de minima. Voor het oordeel dat aan de omgevingsvergunning het voorschrift had moeten worden verbonden dat het parkeren op eigen terrein moet plaatsvinden, bestaat verder geen grond. Aannemelijk is dat bewoners, bezoekers en personeel van het woonzorggebouw zoveel mogelijk op de parkeerplaatsen waarin het bouwplan voorziet zullen parkeren en voorts is aannemelijk dat er in voldoende parkeerplaatsen is voorzien uitgaande van de parkeernorm voor verpleeg- en verzorgingstehuizen. Voor zover [appellant A] en anderen aanvoeren dat de rechtbank ten onrechte niet bij haar beoordeling heeft betrokken dat het in strijd is met het gemeentelijk parkeerbeleid om het openbaar groen en het kinderspeelveldje deels op te offeren om te voorzien in parkeerplaatsen, wordt overwogen dat de parkeerplaatsen zijn voorzien op gronden die in eigendom zijn van Sine MetU, zodat van openbaar groen of openbaar gebied geen sprake is. Het door [appellant A] en anderen aangevoerde biedt voorts geen grond voor het oordeel dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het aan- en afleveren op eigen terrein niet is geborgd. De rechtbank heeft overwogen dat uit de tekeningen die deel uit maken van de verleende omgevingsvergunning blijkt dat er een (personeels)ingang aan de zijkant van het gebouw is, aansluitend bij het parkeerterrein en dat het parkeerterrein voldoende ruim is om te manoeuvreren en dat dit er toe leidt dat leveranciers aan de zijkant van het woonzorggebouw zullen laden en lossen. De enkele omstandigheid dat dit niet als voorschrift aan de omgevingsvergunning is verbonden, biedt onvoldoende grond voor het oordeel dat het aan- en afleveren op eigen terrein niet is geborgd. De rechtbank heeft voorts terecht overwogen dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat onaanvaardbare gevolgen van realisatie van het woonzorggebouw voor verkeersoverlast en verkeerscirculatie niet te verwachten zijn. Het college is uitgegaan van 42 motorvoertuigbewegingen per etmaal voor personeel, bezoekers, bevoorrading en de bewoners van de bedrijfswoning wat een toename van 34,5 verkeersbewegingen oplevert ten opzichte van de situatie dat ter plaatse in overeenstemming met het bestemmingsplan een vrijstaande koopwoning zou worden gerealiseerd en heeft deze toename aanvaardbaar geacht. [appellant A] en anderen hebben de berekeningen van de verkeersbewegingen niet bestreden. Het door [appellant A] en anderen aangevoerde biedt geen grond voor het oordeel dat het college de toename van het aantal verkeersbewegingen niet aanvaardbaar heeft kunnen achten. Voor zover zij aanvoeren dat in ieder geval rekening had moeten worden gehouden met de slechte infrastructuur, betreft dit een enkele niet onderbouwde stelling die door het college wordt betwist. Het betoog faalt.
- [appellant A] en anderen betogen dat de rechtbank heeft miskend dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd dat het woonzorggebouw stedenbouwkundig inpasbaar is. Volgens hen is de rechtbank ten onrechte uitgegaan van een footprint van 10 bij 6 m en is bovendien nog sprake van een opslaggebouw/loods. Voorts voeren [appellant A] en anderen aan dat voor zover in de situatieschets bomen zijn opgenomen als tegemoetkoming aan hun belangen, geen voorschriften zijn opgenomen in de vergunning over het moment waarop deze aangeplant dienen te worden, welke bomen er aangeplant dienen te worden en van welke grootte, of er ook een onderhoudsverplichting geldt en of er ook een herplantplicht geldt als de bomen dood gaan. 6.
- De hoofdbebouwingsmassa van het woonzorggebouw bestaat uit twee bouwlagen (plus souterrain) en een derde bouwlaag in de vorm van een setback. De bouwhoogte inclusief setback bedraagt gemeten vanaf het peil 9,595 m. In de ruimtelijke onderbouwing is uiteengezet dat het gebruik van het woonzorggebouw, zorgwonen voor een specifieke doelgroep (dementerende ouderen), past in de omgeving omdat het qua ruimtelijke uitstraling vergelijkbaar is met (regulier) wonen. Qua vormgeving past het woonzorggebouw volgens de ruimtelijke onderbouwing ook in de omgeving, waar overwegend sprake is van wonen in ruim opgezette vrijstaande woningen bestaande uit twee bouwlagen met een kap waar het nieuwe gebouw fungeert als een eindoplossing in de straat. Door de vormgeving van de derde laag als setback acht het college de ruimtelijke impact van de derde bouwlaag vrij beperkt en door de bouwvorm en het gebruik van natuurlijke materialen vanuit stedenbouwkundig oogpunt goed inpasbaar in de omgeving, terwijl de bouwhoogte slecht in beperkte mate afwijkt van de bebouwing in de omgeving. De ligging aan de entree van het woongebied rechtvaardigt de bouwmassa van het woonzorggebouw, alsmede het onderscheidende architectonisch accent in het straatbeeld. Verder is toegelicht dat, om aan de zienswijzen van omwonenden tegemoet te komen, het gebouw op 6 m (in plaats van 3 m) van de perceelgrens met het perceel Juffrouw Hensenlaan 4 is gesitueerd en een slaapkamerraam is verplaatst van de zijgevel naar de achtergevel. In de ruimtelijke onderbouwing is geconcludeerd dat het woonzorggebouw zowel in functioneel als ruimtelijk en stedenbouwkundig opzicht goed ingepast is in de omgeving en er ruimtelijk gezien geen zwaarwegende negatieve effecten voor de omgeving optreden. De rechtbank heeft overwogen dat in de ruimtelijke onderbouwing voldoende is gemotiveerd dat het woonzorggebouw in stedenbouwkundig en ruimtelijk opzicht inpasbaar is in de directe omgeving en dat het college de conclusie van die motivering in redelijkheid heeft kunnen volgen. Het door [appellant A] en anderen in hoger beroep aangevoerde biedt geen grond voor een ander oordeel. De stelling dat de rechtbank ten onrechte is uitgegaan van een footprint van 10 bij 6 m en dat bovendien nog sprake is van een opslaggebouw/loods, biedt daarvoor geen grond. [appellant A] en anderen hebben niet aangegeven van welke footprint wel moet worden uitgegaan en waarom gelet daarop en op de aanwezigheid van een opslaggebouw het project ruimtelijk gezien niet inpasbaar is in de omgeving. Het college heeft er met betrekking tot de bomen voorts op gewezen dat deze zijn opgenomen op de situatietekening en in de ruimtelijke onderbouwing die beide deel uitmaken van de omgevingsvergunning en dat de bomen op die manier zijn geborgd. Voor het oordeel dat aan de omgevingsvergunning een voorschrift met betrekking tot de bomen had moeten worden verbonden bestaat geen grond. Het betoog faalt.
- [appellant A] en anderen betogen dat het college niet in redelijkheid omgevingsvergunning heeft kunnen verlenen voor het project. Volgens hen zijn hun belangen onvoldoende meegewogen en worden zij door het verlenen van de omgevingsvergunning onevenredig in hun belangen geraakt. [appellant A] en anderen stellen zich op het standpunt dat sprake is van alternatieve locaties en dat het college, gelet hierop, niet het algemeen belang maar het belang van Sine MetU Vastgoed zwaarder heeft laten wegen dan hun belangen. 7.
- Het door [appellant A] en anderen aangevoerde biedt onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de gevolgen van de realisering van het woonzorggebouw voor hun woon- en leefklimaat en de waarde van hun woning zodanig zijn in verhouding tot de met het woonzorggebouw gediende belangen dat het college in redelijkheid geen omgevingsvergunning heeft kunnen verlenen. De enkele omstandigheid dat [appellant A] en anderen nadelige gevolgen ondervinden van de realisering van het woonzorggebouw is onvoldoende voor een dergelijk oordeel. Het college dient voorts te beslissen omtrent het verlenen van een omgevingsvergunning voor het project, zoals daarvoor vergunning is aangevraagd. Indien een project op zichzelf aanvaardbaar is, kan het bestaan van alternatieven slechts dan tot het onthouden van medewerking nopen, indien op voorhand duidelijk is dat door verwezenlijking van de alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren. [appellant A] en anderen hebben in hoger beroep niet gewezen op alternatieve locaties en volstaan met de stelling dat zij alternatieve locaties hebben aangedragen en zij zich afvragen of het college deze serieus heeft beoordeeld en waaruit dat blijkt. Voor zover de rechtbank heeft overwogen dat het college tijdens de zitting heeft gesteld en toegelicht dat uit onderzoek is gebleken dat de concreet door [appellant A] en anderen aangedragen alternatieven niet geschikt of beschikbaar waren om een met het thans in geding zijnde woonzorggebouw (technisch en/of financieel) vergelijkbaar resultaat te behalen voor huisvesting en zorg voor dementerende ouderen in de kern Beesel, volstaan [appellant A] en anderen in hoger beroep met de stelling dat dit een enkele stelling van het college is die door hen wordt betwist. Voor het oordeel dat sprake is van alternatieve locaties waarvan op voorhand duidelijk is dat daar een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren, biedt het door [appellant A] en anderen aangevoerde geen grond. Uit het voorgaande volgt dat geen grond bestaat voor het oordeel dat het college in redelijkheid geen medewerking aan het project heeft kunnen verlenen. Het betoog faalt.
- [appellant A] en anderen hebben voor het overige volstaan met een verwijzing naar het in beroep aangevoerde, waarop de rechtbank in de aangevallen uitspraak is ingegaan. Zij hebben in hoger beroep niet uiteengezet, dat en waarom de desbetreffende overwegingen van de rechtbank onjuist dan wel onvolledig zijn. Het in zoverre aangevoerde kan daarom niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden.
- Het hoger beroep is, gelet op hetgeen onder 4.3 is overwogen, gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 31 augustus 2016 alsnog gegrond verklaren en dat besluit vernietigen.
- De Afdeling ziet aanleiding met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten, gelet op het navolgende. Voor zover [appellant A] en anderen betogen dat de rechtbank ten onrechte het gebrek met betrekking tot de Omgevingsverordening Limburg 2014 heeft gepasseerd volstaan zij met het ongemotiveerd bestrijden van hetgeen het college ter zitting bij de rechtbank heeft toegelicht. Het door hen in hoger beroep aangevoerde biedt dan ook geen grond om te twijfelen aan het standpunt van het college.
- Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het hoger beroep gegrond; II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Limburg van 18 december 2017 in zaken nrs. 16/3148, 3150, 3165, 3166, 3167, 3168, 3169, 3170, 3171 en 3172; III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond; IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Beesel van 31 augustus 2016, kenmerk OV/UV-2015/294; V. bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit geheel in stand blijven; VI. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Beesel tot vergoeding van bij [appellant A], [appellant B], [appellant C], [appellante D], [appellant E], [appellante F], [appellant G] en [appellante H] in verband met de behandeling van het beroep en hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.048,00 (zegge: tweeduizendachtenveertig euro) met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen; VII. gelast dat het college van Beesel aan [appellant A], [appellant B], [appellant C], [appellante D], [appellant E], [appellante F], [appellant G] en [appellante H] het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van € 421,00 (zegge: vierhonderdeenentwintig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen. Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. E.A. Minderhoud en mr. E.J. Daalder, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Kos, griffier. w.g. Lubberdink w.g. Kos voorzitter griffier Uitgesproken in het openbaar op 30 januari 2019
- BIJLAGE Wet algemene bepalingen omgevingsrecht Artikel 2.1, eerste lid, luidt: "Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit: a. het bouwen van een bouwwerk, […] c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan […] […]" Artikel 2.12, eerste lid, luidt: "Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en: a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening: 1˚. met toepassing van de in het bestemmingsplan of de beheersverordening opgenomen regels inzake afwijking, 2˚. in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of 3˚. in overige gevallen, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat; [..]" Besluit ruimtelijke ordening Artikel 3.1.6, tweede lid, zoals dat luidde tot 1 juli 2017: "De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende voorwaarden: a. er wordt beschreven dat de voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele regionale behoefte; b. indien uit de beschrijving, bedoeld in onderdeel a, blijkt dat sprake is van een actuele regionale behoefte, wordt beschreven in hoeverre in die behoefte binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan worden voorzien door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins, en; c. indien uit de beschrijving, bedoeld in onderdeel b, blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan plaatsvinden, wordt beschreven in hoeverre wordt voorzien in die behoefte op locaties die, gebruikmakend van verschillende middelen van vervoer, passend ontsloten zijn of als zodanig worden ontwikkeld." Artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder h, luidt: "In dit besluit en de hierop berustende bepalingen wordt verstaan onder bestaand stedelijk gebied: bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur." Artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, luidt: "In dit besluit en de hierop berustende bepalingen wordt verstaan onder stedelijke ontwikkeling: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen." Artikel 5.20 luidt: "Voor zover de omgevingsvergunning wordt verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de wet, zijn de artikelen 3.1.2, 3.1.6 en 3.3.1, eerste lid, van het Bro van overeenkomstige toepassing".