← Nederland

ECLI:NL:RVS:2019:3097

201804279/1/R1.Datum uitspraak: 11 september 2019 AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen:

  1. appellant sub 1], wonend te Eerbeek, gemeente Brummen, en anderen,
  2. [ appellant sub 2], wonend te Eerbeek, gemeente Brummen,
  3. [ appellant sub 3], wonend te Eerbeek, gemeente Brummen,
  4. [ appellant sub 4], wonend te Eerbeek, gemeente Brummen,
  5. [ appellant sub 5A] en [appellant sub 5B], beiden wonend te Eerbeek, gemeente Brummen (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 5]),
  6. [ appellant sub 6A] en [appellant sub 6B], beiden wonend te Eerbeek, gemeente Brummen,
  7. Gelderse Natuur en Milieufederatie (hierna: GNMF), gevestigd te Arnhem,
  8. [ appellant sub 8A] en [appellant sub 8B], beiden wonend te Eerbeek, gemeente Brummen,
  9. [ appellant sub 9A] en [appellant sub 9B], beiden wonend te Eerbeek, gemeente Brummen,
  10. [ appellant sub 10A] en [appellant sub 10B], beiden wonend te Eerbeek, gemeente Brummen (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 10]),
  11. [ appellant sub 11A] en [appellant sub 11B], beiden wonend te Eerbeek, gemeente Brummen (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 11]),
  12. [ appellant sub 12A] en [appellant sub 12B], beiden wonend te Eerbeek, gemeente Brummen (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 12]),
  13. [ appellant sub 13A] en [appellant sub 13B], beiden wonend te Eerbeek, gemeente Brummen (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 13]),
  14. [ appellant sub 14A] en [appellant sub 14B], beiden wonend te Eerbeek, gemeente Brummen (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 14]),
  15. [ appellant sub 15], wonend te Brummen,
  16. [ appellant sub 16A] en [appellant sub 16B], beiden wonend te Eerbeek, gemeente Brummen (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 16]),
  17. [ appellant sub 17A] en [appellant sub 17B], beiden wonend te Delft (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 17]),
  18. [ appellant sub 18], wonend te Oegstgeest,
  19. [ appellant sub 19A] en [appellant sub 19B], beiden wonend te Eerbeek, gemeente Brummen (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 19]),
  20. [ appellant sub 20A] en [appellant sub 20B], beiden wonend te Eerbeek, gemeente Brummen (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 20]),
  21. [ appellant sub 21], wonend te Klarenbeek, gemeente Apeldoorn,
  22. [ appellante sub 22], gevestigd te Eerbeek, gemeente Brummen, en anderen,
  23. Romvan B.V., gevestigd te Eerbeek, gemeente Brummen, en [appellante sub 23A], gevestigd te Wetteren, België (hierna tezamen en in enkelvoud: Romvan B.V.),
  24. [ appellant sub 24A] en [appellant sub 24B], beiden wonend te Eerbeek, gemeente Brummen (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 24]),
  25. [ appellante sub 25], h.o.d.n. [bedrijf A], gevestigd te Eerbeek, gemeente Brummen, en anderen (hierna: [appellante sub 25] en anderen), en
  26. het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Brummen (hierna: het college),
  27. de raad van de gemeente Brummen, verweerders. Procesverloop Bij besluit van 9 januari 2018 heeft het college voor verschillende woningen in Eerbeek hogere waarden als bedoeld in de Wet geluidhinder (hierna: Wgh) vastgesteld voor de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting vanwege het industrieterrein Eerbeek-Zuid te Eerbeek. Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] beroep ingesteld. Ook is beroep ingesteld door [belanghebbende A] en [belanghebbende B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [belanghebbende]). Bij besluit van 15 maart 2018 heeft de raad het bestemmingsplan "Eerbeek" vastgesteld. Tegen dit besluit hebben alle appellanten en [belanghebbende] beroep ingesteld. De raad en het college hebben een verweerschrift ingediend. De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht. Een aantal partijen heeft zienswijzen daarop naar voren gebracht. Een aantal partijen heeft nadere stukken ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 en 5 juni 2019, waar appellanten in persoon zijn verschenen en/of zich hebben doen vertegenwoordigen. Een aantal appellanten is niet verschenen en heeft zich evenmin doen vertegenwoordigen. De raad en het college hebben zich doen vertegenwoordigen. Voorts is een aantal belanghebbenden als partij gehoord. De Afdeling heeft op de zitting tevens het beroep van [belanghebbende] behandeld. De Afdeling heeft de behandeling van het beroep van [belanghebbende] na de zitting afgesplitst van deze procedure en voortgezet onder zaak nr. 201804279/2/R
  28. Bij besluit van 9 juli 2019 heeft het college nieuwe hogere waarden vastgesteld voor de gronden [locatie 1] en [locatie 2] en voor de bestaande woning op het perceel [locatie 3]. Overwegingen Wettelijke bepalingen en planregels
  29. De (wettelijke) bepalingen en relevante planregels die ten grondslag liggen aan de hierna volgende rechtsoverwegingen, zijn opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. De bijlage maakt deel uit van deze uitspraak. Nieuwe beroepsgronden
  30. Vaststaat dat de Crisis- en herstelwet (hierna: Chw) van toepassing is op het plan. Een aantal appellanten heeft na afloop van de beroepstermijn nieuwe beroepsgronden aangevoerd. Ingevolge artikel 1.6a van de Chw kunnen na afloop van de termijn voor het instellen van beroep geen nieuwe beroepsgronden meer worden aangevoerd. De Afdeling zal daarom de beroepsgronden die na afloop van de beroepstermijn zijn aangevoerd buiten beschouwing laten. Het hogerewaardenbesluit Het beroep van [appellant sub 1] en anderen Inleiding
  31. Het beroep van [appellant sub 1] en anderen is ingediend namens [appellant sub 1], [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B]. Zij zijn onder meer eigenaar van de percelen [locatie 4] en [locatie 5], welke percelen deel uitmaken van één kadastraal perceel bekend als gemeente Hall, sectie E, nummer
  32. [appellant sub 1] exploiteert op het perceel [locatie 4] een autohandel en woont aan de [locatie 5]. Het college heeft bij besluit van 9 januari 2018 onder meer een hogere waarde vastgesteld voor de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting van 51 dB(A) voor de woning aan de [locatie 5]. Het hogerewaardenbesluit van 9 juli 2019 heeft geen betrekking op hun percelen. Ontvankelijkheid
  33. Het college betoogt dat het beroep van [appellant sub 1] en anderen niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat zij alleen een pro forma zienswijze naar voren hebben gebracht. 4.
  34. Ingevolge de artikelen 3:11, 3:15 en 3:16 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) gelezen in samenhang met artikel 110c, eerste lid, van de Wgh, wordt het ontwerpbesluit ter inzage gelegd voor de duur van zes weken en kunnen gedurende deze termijn zienswijzen naar voren worden gebracht bij het college. Ingevolge artikel 8:1 van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 8:6 en artikel 2 van bijlage 2 en met artikel 6:13, kan geen beroep worden ingesteld tegen het besluit tot vaststelling van hogere waarden voor de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting door een belanghebbende die over het ontwerpbesluit niet tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht, tenzij hem redelijkerwijs niet kan worden verweten dit te hebben nagelaten. 4.
  35. Door [appellant sub 1] en anderen is tijdig een pro forma zienswijze naar voren gebracht over het ontwerp hogerewaardenbesluit onder aankondiging van een aanvulling van de gronden. Het kenbaar maken door [appellant sub 1] en anderen van niet nader toegelichte bezwaren is onvoldoende om te kunnen worden beschouwd als het inbrengen van zienswijzen als bedoeld in artikel 3:15 van de Awb. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld in haar uitspraak van 1 april 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1010) brengt het zorgvuldigheidsbeginsel echter met zich dat, indien een besluit met de in afdeling 3.4 van de Awb neergelegde uniforme openbare voorbereidingsprocedure wordt voorbereid, zoals in dit geval, de indiener van de binnen de wettelijke termijn ingebrachte niet nader toegelichte bezwaren onverwijld in de gelegenheid wordt gesteld om deze binnen twee weken van gronden te voorzien. Nu het college ter zitting heeft erkend dat hij dit heeft nagelaten, kan [appellant sub 1] en anderen redelijkerwijs niet worden verweten dat zij geen zienswijzen tegen het ontwerp hogerewaardenbesluit naar voren hebben gebracht. Daarom bestaat geen aanleiding hun beroep in zoverre niet-ontvankelijk te verklaren. Inhoudelijk
  36. [ appellant sub 1] en anderen kunnen zich niet verenigen met de vaststelling van de hogere waarde voor de woning aan de [locatie 5]. 5.
  37. Uit paragraaf 5.6 van de plantoelichting volgt dat door de vaststelling van het plan het gezoneerde industrieterrein Eerbeek-Zuid wordt verkleind. Een aantal woningen, waaronder de woning aan de [locatie 5], die voorheen op het gezoneerde industrieterrein zelf lagen, komen daardoor binnen de gewijzigde geluidzone te liggen. Uit het door de Omgevingsdienst Veluwe IJssel opgestelde rapport van 16 maart 2017 "Onderzoek geluid-industrielawaai Eerbeek Zuid ten behoeve van het bestemmingsplan" (hierna: het rapport van 16 maart 2017), welk rapport als bijlage 21 bij de plantoelichting is gevoegd, volgt dat bij het vaststellen van hogere waarden als uitgangspunt wordt gehanteerd dat voor woningen in de geluidzone waar ter plaatse een geluidbelasting is berekend van maximaal 50 dB(A) een hogere waarde dient te worden vastgesteld van 51 dB(A). Uit het rapport van 16 maart 2017 volgt verder dat de geluidbelasting op de gevel van de woning aan de [locatie 5] ten hoogste 43 dB(A) betreft. 5.
  38. Nu op grond van het plan ter plaatse van de woning aan de [locatie 5] bewoning is toegestaan als bedoeld in artikel 1 van de Wgh, is de Afdeling van oordeel dat - anders dan [appellant sub 1] en anderen veronderstellen - voor deze woning op grond van artikel 55, vierde lid, van de Wgh een hogere waarde kan worden vastgesteld. Of sprake is van een bedrijfswoning dan wel een burgerwoning is hierbij niet van belang. [appellant sub 1] en anderen hebben verder geen inhoudelijke gronden aangevoerd tegen het hogerewaardenbesluit. Gelet hierop bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het hogerewaardenbesluit in strijd met het recht is vastgesteld. Het betoog faalt. Conclusie
  39. Het beroep van [appellant sub 1] en anderen, voor zover gericht tegen het hogerewaardenbesluit, is ongegrond. Het beroep van [appellant sub 2] Inleiding
  40. [ appellant sub 2] is eigenaar van en woonachtig op het perceel [locatie 3] te Eerbeek. Het perceel heeft een oppervlakte van 10.078 m². [appellant sub 2] wenst op onbebouwde delen van zijn perceel twee woningen te bouwen. De onbebouwde gedeelten van het perceel worden hierna aangeduid als [locatie 2] en [locatie 1]. Het college heeft op 13 februari 2013 aan [appellant sub 2] omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een woning op het perceel Juliana van Stolberglaan ongenummerd (naast [locatie 3]). Dit betreft de gronden aangeduid als [locatie 1]. Het college heeft bij besluit van 9 januari 2018 onder meer een hogere waarde vastgesteld voor de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting van 52 dB(A) voor de voorziene woning aan de [locatie 1]. Voor de gronden aan de [locatie 2] was geen hogere waarde vastgesteld. Voor de bestaande woning op het perceel [locatie 3] gold op grond van artikel 57, eerste lid, onder a, van de Wgh een voorkeursgrenswaarde van 55 dB(A). Bij besluit van 9 juli 2019 heeft het college hogere waarden vastgesteld voor de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting van 53 dB(A) voor de gronden aan de [locatie 1] en [locatie 2]. Voor de woning op het perceel [locatie 3] is met het besluit van 9 juli 2019 de voorkeursgrenswaarde van 55 dB(A) verlaagd naar 53 dB(A). Het hogerewaardenbesluit van 9 juli 2019
  41. Het college is met het hogerewaardenbesluit van 9 juli 2019 geheel tegemoetgekomen aan het beroep van [appellant sub 2], voor zover gericht tegen het hogerewaardenbesluit van 9 januari
  42. Gelet op het bepaalde in artikel 6:19 eerste lid, van de Awb heeft [appellant sub 2] derhalve geen belang bij een beroep tegen het hogerewaardenbesluit van 9 juli 2019 en is geen beroep van rechtswege ontstaan. Het hogerewaardenbesluit van 9 januari 2018
  43. Het hogerewaardenbesluit van 9 juli 2019 wordt met deze uitspraak onherroepelijk. Hieruit volgt dat het hogerewaardenbesluit van 9 januari 2018 geen betekenis meer heeft voor de gronden van [appellant sub 2]. Onder deze omstandigheden en nu ook overigens niet is gebleken van enig belang, heeft [appellant sub 2] geen belang meer bij een inhoudelijke bespreking van zijn beroep tegen het hogerewaardenbesluit van 9 januari
  44. Het beroep van [appellant sub 2], voor zover gericht tegen het hogerewaardenbesluit van 9 januari 2018, is in zoverre niet-ontvankelijk. Conclusie
  45. Het beroep van [appellant sub 2], voor zover gericht tegen het hogerewaardenbesluit van 9 januari 2018, is niet-ontvankelijk. Het bestemmingsplan Inleiding
  46. In Eerbeek zijn van oudsher papierfabrieken gevestigd. Door de vraag naar arbeid in de papierfabrieken, groeide het aantal woningen. Deze werden dicht rondom de fabrieken gebouwd. Fabrieken en woningen staan hierdoor nog steeds dicht bij elkaar. Het bestemmingsplan "Eerbeek" biedt een juridisch-planologisch kader voor delen van de kern van Eerbeek waaronder het industrieterrein Eerbeek-Zuid en de woningen aan de Tullekenweg. Met het plan wordt tevens de bestaande geluidzone rondom het industrieterrein aangepast. Toetsingskader
  47. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Het Burgersterrein Inleiding
  48. Het zogenoemde Burgersterrein, met een omvang van ongeveer 6 hectare, ligt ten noorden van de kruising van de spoorlijn met de Loubergweg in het noordoostelijke deel van het plangebied. Uit het deskundigenbericht volgt dat ter plaatse tot ongeveer 2009 een transport- en distributiebedrijf gevestigd was. In 2012 is de bedrijfsbebouwing van dit bedrijf gesloopt. Sindsdien is het Burgersterrein braakliggend. Uit paragraaf 2.2 van de plantoelichting volgt dat verschillende bedrijven op het bedrijventerrein "Eerbeek-Zuid" te kennen hebben gegeven het Burgersterrein te willen gebruiken ten behoeve van hun logistieke activiteiten. Om die reden voorziet het bestemmingsplan ter plaatse in een logistiek centrum. [appellant sub 4], [appellanten sub 6], [appellant sub 5] en [appellant sub 3] kunnen zich niet met deze invulling van het Burgersterrein verenigen. Ontvankelijkheid [appellant sub 3]
  49. [ appellant sub 3] woont aan de [locatie 6] ten zuidoosten van het plangebied, op een afstand van ongeveer 1 km van het Burgersterrein. Hij vreest een aantasting van zijn woon- en leefklimaat als gevolg van het voorziene logistieke centrum op het Burgersterrein door een verslechtering van de luchtkwaliteit ter plaatse van zijn woning. 14.
  50. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 23 augustus 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2271) is het uitgangspunt dat degene die rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit die het besluit - zoals een bestemmingsplan of een vergunning - toestaat, in beginsel belanghebbende is bij dat besluit. Het criterium ‘gevolgen van enige betekenis’, dat is vermeld in de uitspraak van de Afdeling van 16 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:737, dient als correctie op dit uitgangspunt. Gevolgen van enige betekenis ontbreken indien de gevolgen wel zijn vast te stellen, maar de gevolgen van de activiteit voor de woon-, leef- of bedrijfssituatie van betrokkene dermate gering zijn dat een persoonlijk belang bij het betrokken besluit ontbreekt. Daarbij wordt acht geslagen op de factoren afstand tot, zicht op, planologische uitstraling van en milieugevolgen (onder andere geur, geluid, licht, trilling, emissie, risico) van de activiteit die het besluit toestaat, waarbij die factoren zo nodig in onderlinge samenhang worden bezien. Ook aard, intensiteit en frequentie van de feitelijke gevolgen kunnen van belang zijn. 14.
  51. Daargelaten of [appellant sub 3] vanaf zijn perceel en/of vanuit zijn woning zicht heeft op het Burgersterrein, is een afstand van 1 km, mede gelet op de aard en omvang van de voorziene ontwikkeling op het Burgersterrein, te groot om een rechtstreeks bij het bestreden plandeel betrokken belang te kunnen aannemen. [appellant sub 3] heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd in verband waarmee zou moeten worden geoordeeld dat ondanks deze afstand een objectief en persoonlijk belang van hem rechtstreeks door het bestreden plandeel wordt geraakt. Een louter gevoel van betrokkenheid bij een besluit, hoe sterk dat gevoel ook is, is daarvoor niet voldoende. De conclusie is dat [appellant sub 3] geen belanghebbende is bij het bestreden plandeel als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb en dat hij daartegen ingevolge artikel 8:1 van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb, geen beroep kan instellen. 14.
  52. Het beroep van [appellant sub 3] is niet-ontvankelijk. [appellant sub 4]
  53. [ appellant sub 4] woont aan de [locatie 7] op een afstand van ongeveer 480 m van het Burgersterrein. 15.
  54. Met inachtneming van hetgeen reeds hiervoor onder 14.1 is overwogen, overweegt de Afdeling dat daargelaten of [appellant sub 4] vanaf zijn perceel en/of vanuit zijn woning zicht heeft op het Burgersterrein, een afstand van 480 m, mede gelet op de aard en omvang van de ontwikkeling die met het bestreden plandeel mogelijk wordt gemaakt, te groot is om een rechtstreeks bij het bestreden plandeel betrokken belang te kunnen aannemen. [appellant sub 4] heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd in verband waarmee zou moeten worden geoordeeld dat ondanks deze afstand een objectief en persoonlijk belang van hem rechtstreeks door het bestreden plandeel wordt geraakt. Een louter gevoel van betrokkenheid bij een besluit, hoe sterk dat gevoel ook is, is daarvoor niet voldoende. Evenmin voldoende is de omstandigheid dat zijn zoon bij het naar school fietsen gebruik maakt van dezelfde route als het logistieke verkeer van en naar het Burgersterrein. Daarmee heeft [appellant sub 4] een onvoldoende onderscheidend belang ten opzichte van andere gebruikers van diezelfde route. De conclusie is dat [appellant sub 4] geen belanghebbende is bij het bestreden plandeel voor het Burgersterrein als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb. Gelet hierop kan hij daartegen ingevolge artikel 8:1 van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb, geen beroep instellen. 15.
  55. Het beroep van [appellant sub 4], voor zover gericht tegen het plandeel met de bestemming "Bedrijventerrein" wat betreft het Burgersterrein, is niet-ontvankelijk. Inhoudelijk
  56. [ appellant sub 5] woont aan de [locatie 8] direct ten zuiden van het Burgersterrein. [appellanten sub 6] zijn sinds 2006 eigenaar van de percelen [locatie 9]-[locatie 10] die op een afstand van ongeveer 75 m ten zuidwesten van het Burgersterrein liggen. Blijkens de verbeelding is aan deze percelen de bestemming "Gemengd" toegekend. [appellanten sub 6] exploiteren ter plaatse een bedrijf in kunststoffabricage en wonen in de bijbehorende bedrijfswoning. [appellant sub 5] en [appellanten sub 6] vrezen een aantasting van hun woon- en leefklimaat onder meer als gevolg van de voorziene activiteiten op het Burgersterrein. Alternatieve locaties en alternatieve invulling Burgersterrein
  57. [ appellant sub 5] en [appellanten sub 6] betogen dat onvoldoende onderzoek is gedaan naar alternatieve locaties voor een logistiek centrum ten behoeve van de papierindustrie in Eerbeek. Hiertoe voeren zij aan dat het Burgersterrein een ongeschikte locatie is, gezien de ligging midden in een woongebied. [appellanten sub 6] wijzen er in dit verband nog op dat [belanghebbende C] en [belanghebbende] te kennen hebben gegeven dat de locatie van het gewenste logistieke centrum voor hen van ondergeschikt belang is. 17.
  58. Als bijlage 6 is bij de plantoelichting de notitie "Nut en noodzaak Logistiek Centrum Burgersterrein" gevoegd. Hierin wordt het belang van het behoud van de bestaande papierfabrieken voor de werkgelegenheid in Eerbeek benadrukt. Van cruciaal belang wordt het bieden van ruimte aan de papierindustrie voor uitbreiding geacht om aldus continuïteit op lange termijn te waarborgen. Er bestaat volgens de notitie met name een behoefte aan ruimte voor bijbehorende logistieke activiteiten die gepaard gaan met industriële groei, waarbij vooral gedacht moet worden aan opslag gereed product, laden en lossen van vrachtauto's, opstal van transportmaterieel, aanpassing van lokale infrastructuur enzovoorts. Momenteel worden deze logistieke activiteiten verspreid over meerdere locaties in Eerbeek en omstreken, wat veel verkeersbewegingen oplevert. Door het bundelen van activiteiten kunnen logistieke processen volgens de notitie gezamenlijk uitgevoerd worden. Het Burgersterrein is volgens de notitie - gezien haar omvang van ongeveer 6 hectare, haar centrale ligging tussen de relevante bedrijven en haar vigerende bestemming - als locatie uitermate geschikt om in de groeibehoefte van de papierindustrie met een logistiek centrum te voorzien. [appellant sub 5] en [appellanten sub 6] hebben niet aannemelijk gemaakt dat de notitie "Nut en noodzaak Logistiek Centrum Burgersterrein" dusdanige gebreken of leemten in kennis bevat dat de raad zich hierop bij de vaststelling van het bestemmingsplan niet heeft mogen baseren. 17.
  59. Uit de stukken volgt dat geen onderzoek is gedaan naar alternatieve locaties voor een logistiek centrum ten behoeve van de papierindustrie in Eerbeek. In hetgeen is aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad daarvan in het onderhavige geval niet in redelijkheid heeft kunnen afzien. De Afdeling begrijpt het standpunt van de raad aldus dat hij niet ontkent dat mogelijk alternatieve locaties bestaan voor een logistiek centrum voor de papierindustrie verder verwijderd van een woongebied dan het Burgersterrein. Nu het Burgersterrein echter sinds 2012 braak ligt, zag de raad zich gesteld voor de opdracht om een ruimtelijk aanvaardbare invulling te vinden voor het Burgersterrein die economisch uitvoerbaar is. Gelet hierop en gezien de behoefte vanuit de papierindustrie in Eerbeek aan extra ruimte voor logistieke bedrijvigheid om een einde te kunnen maken aan de nu zeer verspreide opslag van eindproducten elders in de regio en de vele verkeersbewegingen die daarmee gepaard gaan, stelt de raad onder meer te hebben onderzocht in hoeverre het Burgersterrein in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening kan worden ingevuld met logistieke bedrijvigheid ten behoeve van de omliggende papierindustrie. Dit acht de Afdeling niet onredelijk. Hierbij neemt de Afdeling onder meer de conclusies uit de notitie "Nut en noodzaak Logistiek Centrum Burgersterrein" in aanmerking. Dat de papierindustriebedrijven naar gesteld te kennen zouden hebben gegeven dat de locatie voor hun logistieke activiteiten van ondergeschikt belang is, maakt dat niet anders. Voorts neemt de Afdeling in aanmerking dat de raad alternatieve invullingen van het Burgersterrein heeft onderzocht. De resultaten van dit onderzoek staan beschreven in het milieueffectrapport "PlanMER Bestemmingsplan Eerbeek", van 30 mei 2017 (hierna: het planMER) opgesteld door Royal HaskoningDHV. In het planMER wordt gekozen voor een voorkeursalternatief dat uitgaat van de ontwikkeling van een distributiecentrum op het Burgersterrein. Het betoog faalt. 17.
  60. [appellanten sub 6] betogen verder terecht dat in het planMER wordt geconcludeerd dat een invulling van het Burgersterrein ten behoeve van woningbouw milieutechnisch gezien minder negatieve effecten heeft dan een invulling van het Burgersterrein met bedrijvigheid. De raad heeft echter, onder verwijzing naar de door het college van gedeputeerde staten van de provincie Gelderland vastgestelde "Beleidsregels geur bedrijven niet-veehouderijen) Gelderland 2017" (hierna: het Gelders geurbeleid), toegelicht dat nieuwe woningen op het Burgersterrein, gezien de ligging daarvan in de geurcontour van twee papierfabrieken, in strijd is met het provinciaal uitgangspunt om geen nieuwe hindersituaties te laten ontstaan, hetgeen [appellanten sub 6] niet hebben bestreden. Alleen al daarom is de Afdeling van oordeel dat de raad in redelijkheid heeft kunnen afzien van woningbouw - in welke vorm dan ook - als alternatieve invulling voor het Burgersterrein. Het betoog faalt. 17.
  61. Dat de raad in het onderhavige geval in redelijkheid heeft kunnen afzien van een onderzoek naar alternatieve locaties voor een logistiek centrum, maakt nog niet dat de thans voorziene planologische invulling van het Burgersterrein als logistiek centrum in overeenstemming mocht worden geacht met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling zal hierna, aan de hand van de beroepsgronden van [appellant sub 5] en [appellanten sub 6], beoordelen of dit het geval is. Bouw- en gebruiksmogelijkheden
  62. [ appellant sub 5] en [appellanten sub 6] betogen dat het plan voor het Burgerterrein voorziet in te ruime en te globale bouwmogelijkheden. [appellant sub 5] voert in dit verband aan dat ten onrechte is voorzien in een verruiming van het bebouwingspercentage van het terrein van 60 naar
  63. De ruimtelijke aanvaardbaarheid hiervan is volgens hem niet beoordeeld. Ditzelfde geldt voor de voorziene afwijkingsbevoegdheden als vervat in artikel 4, lid 4.4, van de planregels waarmee het bij recht voorziene bebouwingspercentage kan worden verhoogd van 80 naar
  64. Voorts kan daarmee de bouwhoogte op een korte afstand van zijn woning worden verhoogd van 13 m naar 26 m. De raad kan deze ruime bouwmogelijkheden niet rechtvaardigen met een verwijzing naar de voorgaande planologische rechten die veertig jaar geleden zijn vastgesteld, aldus [appellant sub 5]. [appellanten sub 6] hebben deze beroepsgrond, in tegenstelling tot [appellant sub 5], niet nader geconcretiseerd. 18.
  65. De raad stelt zich op het standpunt dat de voorziene bouwmogelijkheden geen onaanvaardbare gevolgen hebben voor het woon- en leefklimaat van [appellant sub 5] en [appellanten sub 6]. In dit verband wijst de raad er onder meer op dat slechts toepassing kan worden gegeven aan de voorziene afwijkingsbevoegdheid als wordt voldaan aan de toepassingsvoorwaarden als vervat in artikel 4.4, onder e, van de planregels. Op grond hiervan mag toepassing van de afwijkingsbevoegdheid niet leiden tot onevenredige aantasting van de bouw- en gebruiksmogelijkheden van de nabijgelegen gronden, zoals die van [appellant sub 5], en het straat- en bebouwingsbeeld. 18.
  66. Blijkens de verbeelding is aan het Burgersterrein de bestemming "Bedrijventerrein" toegekend met de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - logistiek centrum" en grotendeels de aanduiding "bouwvlak". Aan de gronden van het Burgersterrein met de aanduiding "bouwvlak" zijn tevens de aanduidingen "maximum bouwhoogte 13" en "maximum bebouwingspercentage 80%" toegekend. Aan het perceel van [appellant sub 5] is de bestemming "Wonen" toegekend. 18.
  67. De Afdeling stelt vast dat voor het noordelijke gedeelte van het Burgersterrein ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan geen bestemmingsplan gold als bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro), doch slechts de voorschriften van stedenbouwkundige aard uit de Bouwverordening 2013 die is vastgesteld door de raad. Hiertoe overweegt de Afdeling dat het uitbreidingsplan "Herziening Uitbreidingsplan 1961", vastgesteld door de raad op 17 april 1961 en gedeeltelijk goedgekeurd door het college van gedeputeerde staten op 21 februari 1962, nog onder de Woningwet 1901 tot stand is gekomen. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 10 maart 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BL7012), moet uit de artikelen 9.3.2 en 9.1.4, vierde lid, van de Invoeringswet Wro, in onderlinge samenhang bezien, worden afgeleid dat de onder de Woningwet 1901 tot stand gekomen uitbreidingsplannen hun rechtsgevolg behouden tot vijf jaar na inwerkingtreding van de Wro. Dit betekent dat het uitbreidingsplan "Herziening Uitbreidingsplan 1961" zijn rechtsgevolg per 1 juli 2013 heeft verloren en dat derhalve voor het noordelijke gedeelte van het Burgersterrein ten tijde van de vaststelling van het thans voorliggende plan geen planologisch regime meer gold. Op 29 november 2014 is de Reparatiewet BZK 2014 (Stb. 2014, 458) in werking getreden. Bij deze wet is onder meer de Woningwet gewijzigd. Ingevolge artikel XXIII, onder C, van de Reparatiewet is artikel 8, vijfde lid, van de Woningwet, dat zag op de opname van voorschriften van stedenbouwkundige aard in een bouwverordening, komen te vervallen. Artikel 133, tweede lid, van de Woningwet, zoals dit is toegevoegd ingevolge artikel XXIII, onder H, van de Reparatiewet BZK 2014 luidt: "Voor gebieden waar op het tijdstip van inwerkingtreding van de Reparatiewet BZK 2014 geen bestemmingsplan als bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening van toepassing is, blijven de artikelen 1, eerste lid, onderdeel g, 7b, eerste lid, 8, vijfde en zevende lid, 10 en 12, derde lid, zoals die laatstelijk luidden voor het tijdstip van inwerkingtreding van de Reparatiewet BZK 2014, van toepassing tot het tijdstip van het van toepassing worden van een bestemmingsplan voor dat gebied, doch uiterlijk tot 1 juli 2018." Gelet hierop en met inachtneming van artikel 8, vijfde lid, van de Woningwet, zoals deze luidde voor het tijdstip van inwerkingtreding van de Reparatiewet BZK 2014, golden ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan nog steeds de voorschriften van stedenbouwkundige aard uit de Bouwverordening 2013, zoals bijvoorbeeld de voorschriften over de maximaal toegestane bouwhoogte. Artikel 2.5.24, eerste lid, van de Bouwverordening luidt: "De hoogte van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist, mag niet meer bedragen dan 15 meter." 18.
  68. In het deskundigenbericht staat dat voor het resterende overgrote (zuidelijke) gedeelte van het Burgersterrein voorheen het bestemmingsplan "Eerbeek Zuid 1971" gold dat is vastgesteld door de raad op 23 december 1971 en gedeeltelijk goedgekeurd door het college van gedeputeerde staten van Gelderland op 29 januari
  69. Daarin was aan het Burgersterrein overwegend de bestemming "Handel en nijverheid klasse C" toegekend. Aan de west-, zuid- en oostrand van het Burgersterrein was enerzijds gedeeltelijk de bestemming "Voorerf - klasse A" en anderzijds de bestemming "Bermen, openbaar groen of plantsoen" toegekend. Aan het perceel van [appellant sub 5] waren voorheen de bestemmingen "Handel en nijverheid klasse C", Voorerf - klasse A" en "Bermen, openbaar groen of plantsoen" toegekend. Bij besluit van de raad van 28 april 1977, goedgekeurd door het college van gedeputeerde staten op 2 november 1977, is artikel 18 van de planvoorschriften voor de bestemming "Handel en nijverheid klasse C" van het bestemmingsplan "Eerbeek Zuid 1971" gewijzigd. 18.
  70. Met inachtneming van het voorgaande stelt de Afdeling vast dat de bij recht voorziene maximale bouwhoogte op het zuidelijke gedeelte van het Burgersterrein is verlaagd van 18 m naar 13 m. Verder staat vast dat het college de bij recht voorziene bouwhoogte van 18 m op het zuidelijke gedeelte van het Burgersterrein voorheen kon verhogen naar maximaal 25 m. Op grond van het voorliggende bestemmingsplan kan het college onder de voorwaarden als vervat in artikel 4, lid 4.4, van de planregels de bij recht voorziene bouwhoogte verhogen naar 26 m. Ten aanzien van het voorziene bebouwingspercentage is, daargelaten enige nuanceverschillen, voornamelijk relevant dat het voorliggende bestemmingsplan bij recht voorziet in een bebouwingspercentage van 80 dat onder de voorwaarden als vervat in artikel 4, lid 4.4, van de planregels kan worden verhoogd naar 100, terwijl het voorgaande bestemmingsplan voor het zuidelijke gedeelte van het Burgerterrein bij recht voorzag in een bebouwingspercentage van 60 met een mogelijkheid tot verhoging naar
  71. 18.
  72. [appellant sub 5] woont sinds 1984 in de woning op het perceel [locatie 8] direct ten zuiden van het bouwvlak dat ten behoeve van het Burgersterrein is voorzien. In het deskundigenbericht staat dat de woning van [appellant sub 5] een voormalige bedrijfswoning betreft die toebehoorde aan het bedrijf dat voorheen op het Burgersterrein gevestigd was en die met de bestemming "Handel en nijverheid klasse C" als zodanig was bestemd. In het voorliggende bestemmingsplan is de bestemming "Wonen" aan het perceel [locatie 4] toegekend. De afstand tussen deze woonbestemming en het bouwvlak van het Burgersterrein bedraagt ongeveer 10 m. Tot de woning van [appellant sub 5] bedraagt de afstand ongeveer 12 m. 18.
  73. In zijn algemeenheid komt een bouwhoogte van 13 m voor een bedrijventerrein de Afdeling niet onredelijk voor. [appellant sub 5] heeft echter aangevoerd dat de raad heeft miskend dat de voorziene bouwhoogte (inclusief de mogelijkheid tot verhoging van de bouwhoogte naar 26 m) op het Burgersterrein ter hoogte van zijn woning ertoe leidt dat zijn woning in een 'klankkast' komt te liggen vanwege de bestaande hoge hal ten zuiden van zijn woning. [appellant sub 5] heeft in dit verband onder meer gewezen op het klankkasteffect als gevolg van de spoorweg die tussen zijn woning en de hoge bedrijfshal ten zuiden van zijn woning ligt. Aan deze spoorweg is de bestemming "Verkeer - Railverkeer" toegekend, waar op grond van artikel 17, lid 17.1, aanhef en onder a, van de planregels alleen recreatief railverkeer is toegestaan. De spoorlijn wordt blijkens het deskundigenbericht in de zomermaanden dagelijks gebruikt, waarbij de stoomtrein tweemaal daags voorbij Eerbeek komt. In het voorjaar en najaar rijdt de trein voornamelijk in het weekend. Voor het overige zijn er nog enkele bijzondere evenementen en feestdagen waarop de trein rijdt. [appellant sub 5] heeft dit niet bestreden. Gelet op de aard en situering van de geluidbron ten opzichte van de woning en eventueel toekomstige bebouwing op het Burgersterrein, acht de raad de verwachte klankkasteffecten vanwege het railverkeer verwaarloosbaar. De Afdeling is van oordeel dat de raad zich in redelijkheid op dit standpunt heeft kunnen stellen. Dat [appellant sub 5] in de zomermaanden nu juist buiten in zijn tuin verblijft, maakt dat, gelet op de geringe frequentie dat de recreatieve treinen voorbijkomen, niet anders. Verder heeft [appellant sub 5] in dit verband gewezen op de gevolgen van het geluid afkomstig van evenementen in het centrum van Eerbeek dat hij al waarneemt. In het deskundigenbericht staat echter dat het aannemelijk is dat eventuele (toekomstige) bebouwing op het Burgersterrein aan de noordzijde van zijn woning dit geluid juist afschermt. [appellant sub 5] heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit onjuist is. In zijn zienswijze op het deskundigenbericht en ter zitting heeft [appellant sub 5] echter toegelicht dat hij voornamelijk vreest voor een aantasting van zijn akoestisch woon- en leefklimaat door het klankkasteffect ook vanwege wegverkeersgeluid, in het bijzonder vanwege het vrachtverkeer van en naar het Burgersterrein. Hij heeft daarbij naar het oordeel van de Afdeling terecht gesteld dat het plan er niet aan in de weg staat dat het Burgersterrein wordt ontsloten via de weg die langs zijn woning loopt. Uit het deskundigenbericht volgt dat het Burgersterrein in het verleden ook gedeeltelijk via de Stationsstraat ontsloten is geweest. Gezien de ligging van het Burgersterrein ten opzichte van de papierfabrieken in de omgeving lijkt dit ook een voor de hand liggende wijze van ontsluiten. De raad heeft echter te kennen gegeven dat hij abusievelijk de aanduiding "ontsluiting uitgesloten" niet tevens ter hoogte van de woning van [appellant sub 5] aan het Burgersterrein heeft toegekend. Gelet hierop moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Ten overvloede overweegt de Afdeling dat de raad bij zijn stellingname niet heeft onderkend dat, gelet op artikel 4, lid 4.5.1, aanhef en onder e, van de planregels, met de toekenning van de aanduiding "ontsluiting uitgesloten" alleen een ontsluiting voor vrachtverkeer wordt uitgesloten en niet tevens voor overig autoverkeer (bestelwagens, personenwagens enzovoort). Anders dan de raad ter zitting heeft gesteld, kan naar het oordeel van de Afdeling niet worden verondersteld dat de uitsluiting van een ontsluiting voor vrachtverkeer in de praktijk met zich brengt dat ter plaatse evenmin een ontsluiting voor overig autoverkeer wordt aangelegd. 18.
  74. Alleen al gezien het vorenstaande ziet de Afdeling in hetgeen [appellant sub 5] heeft aangevoerd aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de voorziene bouwhoogte (inclusief de mogelijkheid als vervat in artikel 4, lid 4.4, onder a, van de planregels om deze te verhogen tot 26 m) geen onaanvaardbare gevolgen heeft voor het woon- en leefklimaat van [appellant sub 5]. De omstandigheid dat het voorgaande bestemmingsplan voor het zuidelijke gedeelte bij recht voorzag in een hogere bouwhoogte, maakt dit niet anders, omdat de raad zich bij de vaststelling van een bestemmingsplan opnieuw ervan dient te vergewissen dat het voorziene planologische regime in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. Het betoog slaagt. 18.
  75. Ten aanzien van het voorziene bebouwingspercentage van het bouwvlak (inclusief de mogelijkheid als vervat in artikel 4, lid 4.4, van de planregels om dit te verruimen tot 100) op het zuidelijke gedeelte van het Burgersterrein onderkent de raad dat is voorzien in een verruiming ten opzichte van het voorgaande bestemmingsplan. De raad acht deze verruiming, alsook de voorziene afwijkingsbevoegdheid van artikellid 4.4, onder c, van de planregels, echter gerechtvaardigd, omdat de voorziene bebouwingspercentages volgens hem noodzakelijk zijn om het terrein geschikt te maken voor logistieke activiteiten. In dit verband heeft de raad ter zitting toegelicht dat de logistieke activiteiten voorts het opslaan van goederen omvatten en dat daarvoor gebouwen met grote oppervlakten nodig zijn in verband met inpandige vervoersbewegingen en de daarbij benodigde manoeuvreerruimte voor vrachtwagens. De Afdeling leidt uit de nota van zienswijzen echter af dat de raad bij deze stellingname ervan is uitgegaan dat bij de uitwerking van het logistiek centrum aan de zijde van de stationsomgeving een groene inkadering wordt voorzien. [appellant sub 5] betoogt terecht dat de aanleg en instandhouding van deze groene inkadering niet in de planregels is gewaarborgd, nog daargelaten dat niet duidelijk is wat de raad precies onder 'groene inkadering' verstaat. Alleen al gezien het vorenstaande ziet de Afdeling in hetgeen [appellant sub 5] heeft aangevoerd aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het voorziene bebouwingspercentage (inclusief de mogelijkheid als vervat in artikel 4, lid 4.4, onder c, van de planregels om dit te verruimen tot 100) geen onaanvaardbare gevolgen heeft voor het woon- en leefklimaat van [appellant sub 5]. Het betoog slaagt. 18.
  76. Nu [appellanten sub 6] hun beroep in zoverre niet hebben geconcretiseerd, ziet de Afdeling in hetgeen zij hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad ten behoeve van het Burgersterrein heeft voorzien in te ruime en te globale bouwmogelijkheden. Het betoog faalt. Verkeer
  77. [ appellant sub 5] en [appellanten sub 6] vrezen verkeersoverlast als gevolg van het voorziene logistieke centrum op het Burgersterrein. [appellant sub 5] voert hiertoe aan dat het bestemmingsplan onvoldoende waarborg biedt om te voorkomen dat het zwaartepunt van het verkeer van en naar het logistieke centrum bij zijn woning komt te liggen. Met artikel 4, lid 4.5.4, van de planregels heeft de raad volgens hem in redelijkheid niet kunnen volstaan. Voorts betoogt [appellant sub 5] dat in het verkeersonderzoek dat ten grondslag is gelegd aan het bestemmingsplan ten onrechte 2012 als referentiejaar is gehanteerd. Dit is volgens hem niet representatief, gezien de economische situatie destijds. [appellanten sub 6] hebben ter zitting toegelicht dat zij vrezen voor een ontsluiting tussen Mayr-Melnhof en het Burgersterrein over hun perceel. Ter onderbouwing van hun betoog wijzen zij op het zogenoemde "Plan van aanpak Masterplan Centrum Eerbeek" van november 2018 (hierna: het Masterplan), opgesteld door de gemeente Brummen, waarin de ontsluiting over hun perceel staat ingetekend. 19.
  78. Ten behoeve van het bestemmingsplan is een verkeersonderzoek verricht waarvan de resultaten zijn neergelegd in paragraaf 4.3 van het planMER. In het planMER zijn de gewenste ontwikkelingen/ambities beschreven en vertaald naar MER-alternatieven 1, 2, 3A, 3B en 3C. Alternatieven 2 en 3C gaan uit van een invulling van het Burgersterrein met logistieke bedrijvigheid. Alternatieven 1, 3A en 3B gaan uit van een invulling van het Burgersterrein met woningbouw. In paragraaf 4.3.3, dat ziet op de effecten op langzaam verkeer, staat het volgende: "Bij een invulling van het Burgersterrein als woongebied (alt 1, 3A en 3B) is het aantal voertuigen op de wegen rond dit terrein, waaronder de Stuijvenburchstraat, hoger dan bij invulling met bedrijvigheid (Alt 2 en 3C). In alle alternatieven zal er meer vrachtverkeer gaan rijden in Eerbeek. Bij invulling van het Burgersterrein met bedrijvigheid (Alt 2 en 3C) zal er meer extra vrachtverkeer gaan rijden dan in alternatief 1, 3A en 3B. Dit extra vrachtverkeer afkomstig van het Burgersterrein zal niet over de Stuijvenburchstraat (mogen) rijden, maar zorgt bij menging van verkeer echter wel voor extra veiligheidsrisico’s op andere wegen (bijv. op Loubergweg). Ten opzichte van de referentiesituatie wordt het effect van alle alternatieven als licht negatief beoordeeld (0/-)." 19.
  79. In het verkeersonderzoek zoals opgenomen in paragraaf 4.3 van het planMER zijn de effecten van de ontwikkelingsmogelijkheden die het onderhavige plan biedt, op de verkeerssituatie bepaald met het Regionaal Verkeersmodel - Stedendriehoek 2014 (hierna: RVMK) dat uitgaat van het verkeersmodeljaar
  80. Voor zover [appellant sub 5] betoogt dat het gehanteerde referentiejaar 2012 in het verkeersonderzoek niet representatief is, overweegt de Afdeling het volgende. In het deskundigenbericht staat dat het gebruikelijk is om bij een verkeersonderzoek uit te gaan van een regionaal verkeersmodel. Hier is blijkens het deskundigenbericht gebruik gemaakt van het RVMK dat in 2012 is opgesteld. Het planMER is 5 jaar later (in 2017) opgesteld. Het had volgens het deskundigenbericht dan ook voor de hand gelegen om te beoordelen in hoeverre de gekozen uitgangssituatie

(2012)afwijkt van de huidige situatie
(2017). Het deskundigenbericht acht echter van belang dat de raad heeft toegelicht dat uit een vergelijking met de groeiaannames in het Regionaal Verkeersmodel (RVMK) en de groei vanuit de actuele verkeerstellingen (permanente provinciale tellussen) blijkt dat de aangenomen groei in het model in lijn ligt met de groei die feitelijk uit de permanente telgegevens volgt. Gelet hierop ziet de Afdeling in hetgeen [appellant sub 5] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat in het verkeersonderzoek niet mocht worden uitgegaan van 2012 als referentiejaar. 19.
  1. In het deskundigenbericht staat dat de raad heeft toegelicht dat het Burgersterrein via de N786 wordt aangereden en dat de hoofdontsluiting van het voorziene logistieke centrum aan de oostkant van het terrein, aan de kant van de Loubergweg wordt voorzien. De Afdeling stelt vast dat de aanleg en instandhouding van een ontsluiting aan de Loubergweg niet in de planregels is gewaarborgd en, zoals hiervoor reeds in 18.7 is overwogen, een ontsluiting via de Stationstraat planologisch niet is uitgesloten. Voorts hebben [appellanten sub 6] onder verwijzing naar het Masterplan terecht gesteld dat een ontsluiting van het Burgersterrein via hun perceel planologisch evenmin is uitgesloten. Het Masterplan dateert weliswaar van na vaststelling van het bestreden besluit, maar het bevestigt dat de raad zich ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan onvoldoende heeft vergewist van de relevante feiten en omstandigheden. In het Masterplan staat onder meer dat vorm moet worden gegeven aan een tracé voor de verbindingsweg tussen het voorziene logistieke centrum op het Burgersterrein en Mayr Melnhof. Het gebied dat wordt begrensd door het spoor en de Coldenhovenseweg ter hoogte van Mayr Melnhof is aangewezen als zoekgebied voor die verbinding. Ter zitting heeft de raad in dit verband desgevraagd toegelicht dat voor een ontsluiting over de percelen [locatie 9]-[locatie 10] een aanpassing van het bestemmingsplan vereist is. Onder verwijzing naar artikel 4, lid 4.1, onder ad, van de planregels volgt de Afdeling dit betoog van de raad niet. Omdat de raad zich onvoldoende heeft vergewist van de relevante feiten en omstandigheden, heeft de raad zich naar het oordeel van de Afdeling niet in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het voorziene logistieke centrum op het Burgersterrein geen onaanvaardbare verkeershinder voor [appellanten sub 6] en [appellant sub 5] met zich brengt. De betogen slagen. 19.
  2. Ter zitting heeft de raad in verband met het beroep van [appellant sub 5] nog toegelicht dat bij de daadwerkelijke ontwikkeling van het Burgersterrein als logistiek centrum de woonbestemming van het perceel van [appellant sub 5] met toepassing van de wijzigingsbevoegdheid als vervat in artikel 33, lid 33.2, van de planregels zal worden omgezet in de bestemming "Bedrijventerrein" en dat de woning van [appellant sub 5] in dat geval minnelijk zal worden verworven. Wat daar ook van zij, de omzetting van de woonbestemming van het perceel van [appellant sub 5] naar de bestemming "Bedrijventerrein" betreft een bevoegdheid van het college en geen verplichting. De omzetting van de woonbestemming naar de bestemming "Bedrijventerrein" is daarmee onvoldoende gewaarborgd, zodat de raad hier bij de vaststelling van het bestemmingsplan niet zonder meer van uit heeft kunnen gaan. De wijzigingsbevoegdheid uit artikel 4, lid 4.8, van de planregels
  3. [ appellant sub 5] betoogt dat de ruimtelijke aanvaardbaarheid van de toepassing van de wijzigingsbevoegdheid die is neergelegd in artikel 4, lid 4.8, van de planregels, niet is aangetoond. 20.
  4. Vaststaat dat het college met de toepassing van de wijzigingsbevoegdheid uit artikel 4, lid 4.8, van de planregels de mogelijkheid om op het Burgersterrein een logistiek centrum op te richten kan verwijderen, indien het logistieke centrum niet binnen drie jaar na inwerkingtreding van het plan is gerealiseerd en er geen redenen zijn om aan te nemen dat de activiteiten op korte termijn gerealiseerd gaan worden. Het college zal de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - logistiek centrum" bij toepassing van die wijzigingsbevoegdheid moeten vervangen door de aanduidingen "bedrijf tot en met categorie 2", "bedrijf tot en met categorie 3.1", "bedrijf tot en met categorie 3.2" en/of "bedrijf tot en met categorie 4.1" met toepassing van zogenoemde inwaartse milieuzonering. In de niet nader gemotiveerde stelling van [appellant sub 5] dat de ruimtelijke aanvaardbaarheid bij de toepassing van deze wijzigingsbevoegdheid op voorhand niet gegeven is, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid artikel 4, lid 4.8, van de planregels heeft kunnen vaststellen. Hierbij neemt de Afdeling, onder verwijzing naar de voorwaarden als vervat in lid 4.8, in aanmerking dat bij de toepassing van de wijzigingsbevoegdheid het principe van de zogenoemde inwaartse milieuzonering moet worden toegepast. Verder mag de toepassing blijkens lid 4.8 niet onaanvaardbaar zijn voor het woon- en leefklimaat van omwonenden en mag er geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de bouw- en gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken. Het betoog faalt. De algemene wijzigingsbevoegdheid uit artikel 31, lid 31.4.4, van de planregels
  5. Aan het perceel van [appellant sub 5] is onder meer de aanduiding "milieuzone - geurzone 2" toegekend. [appellant sub 5] stelt dat in artikel 31, lid 31.4.4, van de planregels, welk artikel ziet op de verwijdering van de aanduiding "milieuzone - geurzone 2", in de zinsnede "dan wel de vergunde geurbelasting is beperkt" onvoldoende waarborg te vinden is. 21.
  6. [appellant sub 5] heeft desgevraagd niet kunnen toelichten wat hij met deze beroepsgrond bedoelt. Gelet hierop ziet de Afdeling in hetgeen [appellant sub 5] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat artikel 31, lid 31.4.4, van de planregels niet in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening of anderszins in strijd is met het recht. Het betoog faalt. Conclusie
  7. In hetgeen [appellant sub 5] en [appellanten sub 6] hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, wat betreft het plandeel met de bestemming "Bedrijventerrein" voor het zogenoemde Burgersterrein, in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb is vastgesteld.
  8. Om onomkeerbare gevolgen te voorkomen ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb bij wijze van voorlopige voorziening te bepalen dat voor het Burgersterrein het voorbereidingsbesluit, dat is vastgesteld door de raad bij besluit van 26 oktober 2017, kenmerk BR17.0060, in werking treedt en te bepalen dat deze voorlopige voorziening vervalt op het moment dat de raad een nieuw bestemmingsplan heeft vastgesteld voor het Burgersterrein en dit in werking is getreden. De Afdeling is zich ervan bewust dat het besluit van de raad van 26 oktober 2017, anders dan deze voorlopige voorziening, niet zag op het Burgersterrein. Het beroep van GNMF - De papierindustrie Inleiding
  9. GNMF kan zich niet verenigen met de voorziene uitbreiding van de papierindustrie in het plangebied. Zij richt zich in het bijzonder tegen artikel 4, leden 4.2.2, 4.2.5, 4.4, 4.5.2 en 4.6, van de planregels. Hiermee wordt volgens GNMF voorzien in uitbreidingen van onder meer de papierfabrieken Mayr Melnhof en [belanghebbende C] die gepaard gaan met extra grondwateronttrekkingen. Grondwateronttrekkingen leiden volgens haar tot een verdere verdroging van de bodem, met extra verzuring tot gevolg. Inhoudelijk Kernkwaliteiten Gelders Natuur Netwerk
  10. GNMF stelt dat de voorziene uitbreiding van de papierindustrie in strijd is met de Omgevingsverordening Gelderland, omdat verdere verdroging van de bodem nadelige gevolgen heeft voor de te beschermen kernkwaliteiten en de omgevingscondities van het Gelders Natuur Netwerk. 25.
  11. In het planMER staat dat het Gelders Natuur Netwerk en de Groene Ontwikkelingszone binnen het plangebied niet grondwaterafhankelijk zijn, omdat het hier gaat om droog bos. Daarmee is aantasting van de kernkwaliteiten als gevolg van verdroging blijkens het PlanMER niet aan de orde. Gelet hierop en nu GNMF haar betoog in zoverre onvoldoende heeft geconcretiseerd, ziet de Afdeling in hetgeen GNMF heeft aangevoerd geen aanleiding voor het betoog dat het bestemmingsplan in strijd met de Omgevingsverordening Gelderland is vastgesteld. Het betoog faalt. Natura 2000-gebieden
  12. GNMF vreest voorts significant negatieve effecten voor de Natura 2000-gebieden Veluwe en Landgoederen Brummen als gevolg van de extra grondwateronttrekkingen die gepaard gaan met de voorziene uitbreiding van de papierindustrie. In het planMER en de daarin geïntegreerde passende beoordeling wordt volgens GNMF onvoldoende inzichtelijk gemaakt wat de effecten zijn voor de natte natuur en de indirecte effecten op verzuring van de bodem in relatie tot verschillende instandhoudingsdoelstellingen. Hiertoe voert GNMF, kort gezegd, aan dat uit de passende beoordeling niet volgt in hoeverre de cumulatie van andere (toekomstige) grondwateronttrekkingen in de beoordeling is betrokken. In dit verband wijst GNMF bijvoorbeeld op de autonome groei van het drinkwatergebruik in Gelderland met 30% en de opgave om hiervoor waterwingebieden te reserveren en Nationale Reserves Diep Grondwater aan te wijzen. Onder verwijzing naar het arrest HvJ EU 26 april 2017, C-142/16, ECLI:EU:C:2017:301 (Kolencentrale Moorburg) stelt GNMF verder dat de in de passende beoordeling genoemde maatregelen ten onrechte als mitigerende maatregelen zijn aangemerkt, dat de doeltreffendheid van de genoemde maatregelen ten onrechte niet vaststaan en dat een aantasting van de natuurlijke kenmerken van de Natura 2000-gebieden ten onrechte niet uitgesloten wordt. Verder voert GNMF onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 6 augustus 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2942, onder 50.10 aan dat met artikel 4, lid 4.5.2, onder b, van de planregels, in strijd met de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) onderzoek naar de effecten op de omliggende Natura 2000-gebieden wordt doorgeschoven. 26.
  13. De raad stelt zich op het standpunt dat alleen voorzien is in een uitbreiding van de productiecapaciteit van Mayr Melnhof van 200.000 ton per dag naar 275.000 ton per dag, hetgeen volgens de raad leidt tot extra grondwateronttrekking van maximaal 1 miljoen m3 water per jaar. Met artikel 4, lid 4.5.2, aanhef en onder b, van de planregels, stelt de raad dat significant negatieve effecten op omliggende Natura 2000-gebieden door verdroging als gevolg van een toename van grondwateronttrekking zijn uitgesloten. Ten aanzien van [belanghebbende C] stelt de raad dat het plan niet voorziet in een uitbreiding van de productiecapaciteit die leidt tot meer grondwateronttrekkingen dan op grond van de bestaande Wnb-vergunning van [belanghebbende C] is toegestaan. 26.
  14. Blijkens de verbeelding is aan het terrein van de papierfabriek Mayr Melnhof de bestemming "Bedrijventerrein" toegekend met onder meer de aanduidingen "specifieke vorm van bedrijf - papier- en kartonfabriek", "maximum bouwhoogte 15m" en "maximum bebouwingspercentage 80%". Aan het gedeelte van het terrein van [belanghebbende C] dat ten noorden van de Coldenhovenseweg ligt is de bestemming "Bedrijventerrein" toegekend met onder meer de aanduidingen "specifieke vorm van bedrijf - papier- en kartonfabriek", "maximum bouwhoogte 15m" en "maximum bebouwingspercentage 80%". Aan het gedeelte van het terrein van [belanghebbende C] dat ten zuiden van de Coldenhovenseweg ligt, is de bestemming "Bedrijventerrein" toegekend met de aanduidingen "bedrijf tot en met categorie 4.1", "maximum bouwhoogte 15m" en "maximum bebouwingspercentage 80%". 26.
  15. Direct ten zuiden van het plangebied, aan de overzijde van de Harderwijkerweg (N786), ligt het Natura 2000-gebied Veluwe. Op een afstand van ongeveer 2 km ligt het Natura 2000-gebied Landgoederen Brummen. 26.
  16. Ten behoeve van het bestemmingsplan is het planMER opgesteld. Hierin staat dat de voorziene uitbreiding van de productiecapaciteit van Mayr-Melnhof gepaard zal kunnen gaan met een toename (maximaal 1 miljoen m3 per jaar) aan grondwateronttrekkingen. Op basis van een eerste globale berekening is gebleken dat het effect van de uitbreiding reikt tot binnen de Natura 2000-gebieden Veluwe en Landgoederen Brummen die onder meer zijn aangewezen voor grondwaterafhankelijke habitattypen. In het beheerplan van Natura 2000-gebied Landgoederen Brummen (provincie Gelderland, 2016) is aangegeven dat de industriële onttrekkingen in Eerbeek invloed hebben op de grondwaterstromen naar het Natura 2000-gebied. Hierdoor neemt de kweltoename blijkens het planMER (beperkt) af. Op voorhand kan volgens het PlanMER dan ook niet worden uitgesloten dat extra grondwateronttrekkingen in Eerbeek een significant negatief effect hebben op de grondwaterafhankelijke habitattypen in Landgoederen Brummen en de Veluwe. Derhalve is ten behoeve van de voorziene uitbreiding van Mayr Melnhof een passende beoordeling opgesteld als bedoeld in artikel 2.8, eerste lid, van de Wnb. 26.4.
  17. In de passende beoordeling - die is geïntegreerd in het planMER - wordt bevestigd dat door de extra grondwateronttrekking van 1 miljoen m3 per jaar ten behoeve van Mayr Melnhof (de vergunde grondwateronttrekking is blijkens de passende beoordeling 3 miljoen m3 ) de contour met verlaging van de grondwaterstand tot binnen Natura 2000-gebieden Veluwe en Landgoederen Brummen reikt. Ten aanzien van het Natura 2000-gebied Veluwe wordt geconcludeerd dat significant negatieve effecten op het Natura 2000-gebied uitgesloten zouden kunnen worden, maar dat het beheerplan voor dit gebied (ten tijde van de opstelling van het planMER) nog niet definitief is vastgesteld en dat daarnaast een ecologische onderbouwing ontbreekt. Ten aanzien van het Natura 2000-gebied Landgoederen Brummen wordt onder verwijzing naar het beheerplan (provincie Gelderland 2016) bevestigd dat de industriële onttrekkingen in Eerbeek invloed hebben op de grondwaterstromen naar het Natura 2000-gebied en dat hierdoor de kweltoename (beperkt) afneemt. Nu de contour van de grondwateronttrekking ten behoeve van Mayr Melnhof tussen de Veluwe en Landgoederen Brummen ligt, kan volgens de passende beoordeling een negatieve invloed op de grondwaterstromen richting Landgoederen Brummen niet worden uitgesloten. Om die reden kan dan ook niet worden uitgesloten dat extra onttrekkingen in Eerbeek een significant negatief effect hebben op de grondwaterafhankelijke habitattypen in Landgoederen Brummen en Veluwe, aldus de passende beoordeling. 26.4.
  18. Volgens de passende beoordeling zijn er verschillende opties aan (nog te onderzoeken) maatregelen die significant negatieve effecten als gevolg van verdroging binnen de Veluwe en Landgoederen Brummen kunnen voorkomen/opheffen, met als uiterste maatregel het gebruik van drinkwater, waardoor er volgens de passende beoordeling in het geheel geen extra grondwateronttrekkingen plaats zullen vinden. Het onderzoek naar de uiteindelijke (combinatie van) die maatregelen was ten tijde van de opstelling van het planMER nog niet afgerond, zodat significant negatieve effecten ten gevolge van extra grondwateronttrekkingen nog niet met zekerheid kunnen worden uitgesloten, aldus de passende beoordeling. 26.
  19. De Afdeling stelt allereerst vast dat de passende beoordeling is beperkt tot een beoordeling van de gevolgen van de extra grondwateronttrekkingen ten behoeve van de voorziene uitbreiding van Mayr Melnhof. Op de gronden in het plangebied met de bestemming "Bedrijventerrein" met de aanduidingen "bedrijf tot en met categorie 3.1", "bedrijf tot en met categorie 3.2" of "bedrijf tot en met categorie 4.1", gelet op artikel 4, lid 4.1, onder b, c en d, van de planregels in samenhang bezien met de in bijlage 2 van de planregels opgenomen "Staat van bedrijfsactiviteiten", is echter eveneens voorzien in (bestaande, nieuwvestiging van en/of uitbreiding van bestaande) papier- en kartonfabrieken die gepaard kunnen gaan met een toename van de grondwateronttrekkingen. In de passende beoordeling is geen rekening gehouden met deze voorziene planologische activiteiten elders in het plangebied die gepaard kunnen gaan met grondwateronttrekkingen. Het gaat hier - zo blijkt uit het deskundigenbericht - om onder meer de bestaande papier- en kartonfabrieken Pillopak en [bedrijf B]. Voorts is onduidelijk in hoeverre in de passende beoordeling rekening is gehouden met de (vergunde) grondwateronttrekkingen van [belanghebbende C]. Evenmin zijn de cumulatieve effecten met andere plannen of projecten in de passende beoordeling betrokken. Alleen al omdat de cumulatieve effecten van de voorziene uitbreiding van Mayr Melnhof met overige planologisch voorziene (bestaande, nieuwvestiging van en/of uitbreiding van bestaande) papier- en kartonfabrieken en andere plannen en projecten niet inzichtelijk zijn gemaakt in de passende beoordeling, stelt GNMF terecht dat de raad zich bij de vaststelling van het bestemmingsplan niet heeft mogen baseren op de passende beoordeling. 26.
  20. Ten aanzien van het betoog van GNMF dat de raad zich ten onrechte heeft gebaseerd op de passende beoordeling, omdat de effecten van de mogelijke maatregelen die in de passende beoordeling worden genoemd onvoldoende vaststaan, overweegt de Afdeling het volgende. In de passende beoordeling staat dat significante negatieve effecten als gevolg van extra grondwateronttrekkingen ten behoeve van de uitbreiding van Mayr Melnhof ten tijde van de vaststelling van het planMER nog niet met zekerheid konden worden uitgesloten, omdat het onderzoek naar de uiteindelijke (combinatie van) die mitigerende maatregelen nog niet was afgerond. Niet gebleken is dat dit ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan anders was. Daargelaten of de in de passende beoordeling genoemde maatregelen kunnen worden aangemerkt als mitigerende maatregelen, overweegt de Afdeling dat instandhoudingsmaatregelen, passende maatregelen, autonome ontwikkelingen en beschermingsmaatregelen alleen in een passende beoordeling mogen worden betrokken als de verwachte voordelen daarvan ten tijde van die beoordeling vaststaan. De verwachte voordelen van dergelijke maatregelen staan niet vast indien ten tijde van de passende beoordeling nog niet is uitgewerkt hoe de voordelen tot stand zullen komen (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019;1603). Uit de voorliggende passende beoordeling volgt dat pas in het kader van het projectMER zal worden onderzocht hoe de voordelen van de maatregelen tot stand zullen komen. GNMF betoogt terecht dat dit al ten tijde van de passende beoordeling die aan het bestemmingsplan ten grondslag ligt had moeten vaststaan. Ook om die reden heeft de raad zich bij de vaststelling van het bestemmingsplan niet op de passende beoordeling mogen baseren. 26.
  21. De raad betoogt echter dat een aantasting van de natuurlijke kenmerken van de omliggende Natura 2000-gebieden als gevolg van een toename van de grondwateronttrekking ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan desalniettemin was uitgesloten, vanwege de opname van artikel 4, lid 4.5.2, van de planregels. Daargelaten dat dit artikellid alleen geldt voor activiteiten die vallen onder artikellid 4.1, onder h en i, van de planregels en niet tevens voor de activiteiten onder artikel 4, lid 4.1, onder b, c en d, van de planregels, hetgeen de raad na vaststelling van het bestemmingsplan heeft onderkend, overweegt de Afdeling het volgende. GNMF betoogt naar het oordeel van de Afdeling terecht dat als gevolg van artikel 4.5.2, onder b, van de planregels de beoordeling of - gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor de betrokken gebieden - de voorziene uitbreiding van Mayr Melnhof leidt tot een aantasting van de natuurlijke kenmerken van de Natura 2000-gebieden Veluwe en Landgoederen Brummen, wordt doorgeschoven naar een moment dat ligt na de vaststelling van het bestemmingsplan. Uit de bewoordingen van artikel 2.8, derde lid, van de Wnb volgt echter dat de daar bedoelde beoordeling moet worden gemaakt voordat het desbetreffende plan of project wordt vastgesteld. De beoordeling of het plan enig verslechterend of verstorend effect kan hebben, de beoordeling of het plan afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben, en de beoordeling of de zekerheid is verkregen dat de natuurlijke kenmerken van de Natura 2000-gebieden niet worden aangetast, behoren niet pas plaats te vinden bij de verlening van de vergunning op grond van de Wnb. 26.
  22. Gelet op het voorgaande heeft de raad zich naar het oordeel van de Afdeling ten onrechte op het standpunt gesteld dat met de passende beoordeling de op grond van artikel 2.8, derde lid, van de Wnb vereiste zekerheid is verkregen dat de voorziene uitbreiding van de papierindustrie in het plangebied, voor zover die leiden tot een toename van de grondwateronttrekking, de natuurlijke kenmerken van de Natura 2000-gebieden Landgoederen Brummen en Veluwe niet zal aantasten. Het betoog slaagt. 26.
  23. Ten aanzien van de voorziene uitbreiding van de papierfabriek [belanghebbende C] overweegt de Afdeling het volgende. Niet in geschil is dat het bestemmingsplan voorziet in uitbreidingsmogelijkheden voor [belanghebbende C]. [belanghebbende C] beschikt echter over een vergunning op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998, thans: de Wnb), verleend op 30 juni 2015 door het college van gedeputeerde staten van Gelderland, op grond waarvan zij 2.500.000 m3 grondwater per jaar mag onttrekken voor het productieproces. Aan deze vergunning ligt blijkens het deskundigenbericht een passende beoordeling ten grondslag. In het deskundigenbericht staat voorts dat in de huidige situatie ongeveer 457.000 m3 minder grondwater wordt onttrokken dan is vergund. De raad stelt dat ten aanzien van de voorziene uitbreidingsmogelijkheden van [belanghebbende C] kan worden volstaan met de passende beoordeling die ten grondslag is gelegd aan voormelde Nbw-vergunning, omdat de voorziene uitbreiding van [belanghebbende C] niet leidt tot een overschrijding van de al vergunde grondwateronttrekking. In hetgeen GNMF heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op dit standpunt heeft gesteld. Het betoog faalt. Conclusie
  24. In hetgeen GNMF heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in strijd met artikel 2.8, derde lid, van de Wnb is vastgesteld, voor zover het betreft artikel 4, lid 4.1, onder am, van de planregels, wat betreft de zinsnede "behoudens ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - mer-plichtig' waar de uitbreiding van een industriële installatie bestemd voor het vervaardigen van papier of karton overeenkomstig categorie C20.2 in onderdeel C van de bijlage behorende bij het Besluit milieueffectrapportage, is toegestaan, met dien verstande dat de totale productiecapaciteit na uitbreiding niet meer mag bedragen dan 275.000 ton per jaar", artikel 4.5.2, onder b, van de planregels alsmede de aanduidingen "specifieke vorm van bedrijf - mer-plichtig", "specifieke vorm van bedrijf - papier- en kartonfabriek", "specifieke vorm van bedrijf - golfkartonfabriek", "bedrijf tot en met categorie 3.1", "bedrijf tot en met categorie 3.2", "bedrijf tot en met categorie 4.1", voor zover met die aanduidingen is voorzien in papier- en kartonfabrieken die leiden tot extra grondwateronttrekkingen waarvoor ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan geen vergunning op grond van de Wnb (voorheen: Natuurbeschermingswet 1998) was verleend. Het beroep van GNMF is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd. Mayr Melnhof Inleiding
  25. De beroepen van [appellanten sub 8], [appellant sub 4], [appellanten sub 6] en [appellanten sub 9] zijn mede gericht tegen het planologische regime voor de papierfabriek Mayr Melnhof aan de Coldenhovenseweg
  26. [appellanten sub 8] wonen op het perceel [locatie 11] dat grenst aan de zuidkant van het terrein van Mayr Melnhof. [appellant sub 4] woont op het perceel [locatie 7] op een afstand van ongeveer 110 meter ten zuiden van het terrein van Mayr Melnhof. [appellanten sub 6] wonen op het perceel [locatie 9]-[locatie 10] op een afstand van ongeveer 10 meter ten oosten van het terrein van Mayr Melnhof. [appellanten sub 9] wonen aan de [locatie 12], eveneens op een afstand van ongeveer 10 meter ten oosten van het terrein van de papierfabriek. Zij vrezen allen een aantasting van hun woon- en leefklimaat. Inhoudelijk Bouwmogelijkheden
  27. [ appellanten sub 8], [appellant sub 4], [appellanten sub 6] en [appellanten sub 9] betogen dat voorzien is in te ruime bouwmogelijkheden. Hun belangen zijn volgens hen onvoldoende bij de besluitvorming betrokken. De omstandigheid dat voorheen voor het terrein van Mayr Melnhof geen planologisch regime gold kan de voorziene uitbreiding van de bouwmogelijkheden op het terrein van Mayr Melnhof volgens hen niet rechtvaardigen. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 29 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1814, stellen zij dat de raad had moeten volstaan met het als zodanig bestemmen van de bestaande (legale) situatie. Een stedenbouwkundige onderbouwing van de voorziene uitbreidingen ontbreekt volgens [appellanten sub 8] en [appellanten sub 6]. Voorts is volgens [appellanten sub 8], [appellanten sub 6] en [appellanten sub 9] het behoud van groen (bomen), de karakteristieke Eerbeekse beek en de karakteristieke jaren 30-woningen aan de Coldenhovenseweg - die de nadelige ruimtelijke gevolgen van het terrein van Mayr Melnhof voor hen verzachten - onvoldoende in de planregels gewaarborgd. 29.
  28. Blijkens de verbeelding is aan het terrein van de papierfabriek Mayr Melnhof en de percelen Coldenhovenseweg 14-38 met daarop vrijstaande woningen de bestemming "Bedrijventerrein" toegekend met de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - geluidzoneringsplichtig" en overwegend de aanduidingen "specifieke vorm van bedrijf - mer-plichtig", "specifieke vorm van bedrijf - papier- en kartonfabriek" en "maximum bebouwingspercentage 80%". Aan een strook grond in de zuidwestelijke hoek van het terrein zijn onder meer de aanduidingen "specifieke vorm van bedrijf - papier- en kartonfabriek opslag" en "maximum bebouwingspercentage 100" toegekend. Aan de zuidelijke, zuidwestelijke en oostelijke rand van het terrein is de aanduiding "maximum bouwhoogte 12 m" toegekend. Aan het midden- en noordelijke gedeelte van het terrein is de aanduiding "maximum bouwhoogte 15 m" toegekend. 29.
  29. In het deskundigenbericht staat dat een groenstrook ter hoogte van Mayr Melnhof aan de westzijde van de Coldenhovenseweg het straatbeeld een beeldbepalend groen karakter geeft. Deze groenstrook fungeert volgens het deskundigenbericht als een visuele buffer tussen de bedrijfsactiviteiten van Mayr Melnhof en de omliggende woningen aan de Coldenhovenseweg. Aan deze zogenoemde groenstrook is in het bestemmingsplan de bestemming "Bedrijventerrein" met onder meer de aanduiding "specifieke bouwaanduiding uitgesloten - bedrijfsgebouwen" toegekend. In de groenstrook staan vier als "bedrijfswoning" aangeduide villa's die eigendom zijn van Mayr Melnhof. Deze woningen worden blijkens het deskundigenbericht niet bewoond door werknemers van het bedrijf. De meest noordelijke villa, Coldenhovenseweg 14, is onder meer als bedrijfskantine in gebruik bij de papierfabriek. Ten zuiden van dit gebouw ligt een parkeerterrein voor personenvoertuigen van medewerkers van Mayr-Melnhof. Ten zuiden van het parkeerterrein staan de villa's Coldenhovenseweg 22 en
  30. De woning Coldenhovenseweg 22 is een leegstaand pand en de staat van onderhoud van de woning is tamelijk verwaarloosd. De woning Coldenhovenseweg 30 en de twee-onder-een-kap woningen Coldenhovenseweg 36/38 worden bewoond door oud-medewerkers van de fabriek en zijn goed onderhouden. Op de gronden rond de woningen zijn bosschages en gazons aanwezig. Met een houten schutting zijn de gazons en bosschages achter de woningen gescheiden van het terrein van de papierfabriek. De zijtuin van de woning Coldenhovenseweg 38 grenst aan de achtertuin van [appellanten sub 8]. 29.
  31. Onder verwijzing naar wat onder 18.3 is overwogen, overweegt de Afdeling dat het laatst geldende planologische regime, te weten het uitbreidingsplan "Herziening Uitbreidingsplan 1961", voor het terrein van Mayr Melnhof - behoudens het gedeelte aan de Poelkampstraat waar voorheen burgerwoningen stonden - per 1 juli 2013 zijn rechtsgevolg heeft verloren en dat dus ten tijde van de vaststelling van het voorliggende plan voor het overgrote gedeelte van het terrein geen planologische beperkingen golden als bedoeld in de Wro, maar slechts de voorschriften van stedenbouwkundige aard uit de Bouwverordening 2013 die is vastgesteld door de raad. Artikel 2.5.24, eerste lid, van de Bouwverordening luidt: "De hoogte van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist, mag niet meer bedragen dan 15 meter." Afgezien van de bouwhoogte golden voorheen geen nadere beperkingen wat betreft bouw- en/of gebruiksregels. 29.
  32. De Afdeling begrijpt de betogen [appellanten sub 8], [appellant sub 4], [appellanten sub 6] en [appellanten sub 9] zo dat zij door de voorziene bouwmogelijkheden op het terrein van Mayr Melnhof vrezen voor een onevenredige aantasting van hun woon- en leefklimaat vanwege een aantasting van hun uitzicht en de ruimtelijke beleving van hun directe woonomgeving. De Afdeling begrijpt het standpunt van de raad zo dat hij de voorziene bouwmogelijkheden op het terrein van Mayr Melnhof gerechtvaardigd acht. Enerzijds is dit volgens de raad zo omdat aan de belangen van direct omwonenden tegemoet is gekomen door de maximale bouwhoogte van 15 m aan de oost- west- en zuidelijke randen van het terrein van Mayr Melnhof te verlagen naar 12 m. Anderzijds is met de toekenning van de aanduiding "specifieke bouwaanduiding uitgesloten - bedrijfsgebouwen" volgens de raad voldoende geborgd dat bedrijfsbebouwing verder van de woningen van appellanten af komt te liggen en dat het bestaande groen aan de westzijde van de Coldenhovenseweg grotendeels behouden blijft. [appellanten sub 8] stellen echter terecht dat het plan er niet aan in de weg staat dat de groenstrook en de daarin aanwezige bomen plaats moeten maken voor bijvoorbeeld een nieuwe ontsluiting van het terrein van Mayr Melnhof op de Coldenhovenseweg en/of een parkeerterrein. Voor zover de raad betoogt dat, indien en voor zover Mayr Melnhof zou besluiten het terrein van de inrichting op andere wijze te ontsluiten, daarvoor een uitwegvergunning vereist is op grond van artikel 2.12 van de Algemene plaatselijke verordening (hierna: de APV), overweegt de Afdeling dat op voorhand niet is uitgesloten dat voornoemde vergunning verleend moet worden na een aanvraag daarvan door de initiatiefnemer (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 31 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1441). Ditzelfde geldt voor de wijziging van de milieuvergunning die volgens de raad noodzakelijk is. Voor zover de raad ten aanzien van de beeldbepalende bomen zich op het standpunt stelt dat het behoud van deze niet monumentale bomen voldoende gewaarborgd is in de APV, op grond waarvan een omgevingsvergunning vereist is om deze bomen te mogen kappen, overweegt de Afdeling eveneens dat op voorhand niet is uitgesloten dat voornoemde vergunning verleend moet worden na de aanvraag daarvan door de initiatiefnemer. Gelet op het vorenstaande heeft de raad zich naar het oordeel van de Afdeling ten onrechte op het standpunt gesteld dat het grotendeels behouden van de bestaande groenstrook voldoende gewaarborgd is. Alleen al gezien het vorenstaande ziet de Afdeling in hetgeen [appellanten sub 8], [appellanten sub 6] en [appellanten sub 9] hebben aangevoerd aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de voorziene bouwmogelijkheden op het terrein van Mayr Melnhof geen onevenredige aantasting van hun woon- en leefklimaat tot gevolg heeft vanwege een aantasting van hun uitzicht en de ruimtelijke beleving van hun directe woonomgeving. Gelet hierop moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. De betogen slagen. 29.
  33. Over de door [appellanten sub 8] gemaakte vergelijking met de gronden ter hoogte van de Poelkampstraat ten aanzien waarvan is voorzien in een voorwaardelijke verplichting tot de aanleg en instandhouding van een groene inpassing van het terrein en/of een groenstrook tussen woningbouw en het terrein van Mayr Melnhof, overweegt de Afdeling dat deze situatie verschilt van de aan de orde zijnde situatie omdat - in tegenstelling tot de gronden van [appellanten sub 8] - de percelen aan de Poelkampstraat direct grenzen aan het gedeelte van het terrein van Mayr Melnhof waar bedrijfsbebouwing is voorzien. In hetgeen [appellanten sub 8] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de door [appellanten sub 8] genoemde situatie overeenkomt met de nu aan de orde zijnde situatie. Het betoog faalt. 29.
  34. Voor zover [appellanten sub 8], [appellanten sub 6] en [appellanten sub 9] aanvoeren dat het behoud van de karakteristieke woningen aan de Coldenhovenseweg 14-38 had moeten worden gewaarborgd, overweegt de Afdeling het volgende. Aan de vrijstaande woningen op deze percelen is naast de bestemming "Bedrijventerrein" de aanduiding "bedrijfswoning" toegekend, zodat de woningen, althans het gebouw van de woning als zodanig, en het gebruik daarvan als bedrijfswoning planologisch zijn toegestaan. Ten aanzien van deze woningen is - anders dan de groenstrook - niet gebleken dat de raad het behoud daarvan als visuele buffer noodzakelijk acht uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen [appellant sub 8A], [appellanten sub 6] en [appellanten sub 9] hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op dit standpunt heeft gesteld. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat in het deskundigenbericht staat dat deze woningen niet zijn aangewezen als (gemeentelijk) monument of beschermd dorpsgezicht. Voor zover [appellanten sub 8] in dit verband nog aanvoeren dat de woningen op de percelen Coldenhovenseweg 14-38 nooit als bedrijfswoningen in gebruik zijn geweest en derhalve ten onrechte als zodanig zijn bestemd, overweegt de Afdeling dat, wat daar ook van zij, [appellanten sub 8] onvoldoende hebben geconcretiseerd waarom het bestemmen van deze woningen als reguliere woningen had uitgemaakt voor de functie van die woningen als visuele buffer. Het betoog faalt. 29.
  35. In hetgeen [appellant sub 4] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de voorziene bouwmogelijkheden op het terrein van Mayr Melnhof leiden tot een ernstige aantasting van zijn woon- en leefklimaat vanwege een aantasting van zijn uitzicht en de ruimtelijke beleving van zijn directe woonomgeving. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de afstand tussen het terrein van Mayr Melnhof en het perceel van [appellant sub 4] ongeveer 110 m bedraagt, dat daartussen (minimaal) drie rijen woningen staan en dat in het deskundigenbericht staat dat [appellant sub 4] vanaf zijn kantoor aan huis op de eerste verdieping slechts zicht heeft op een deel van de bebouwing (waaronder de schoorstenen) van Mayr-Melnhof. Voorts acht de Afdeling niet aannemelijk dat het behoud van voormelde groenstrook aan de Coldenhovenseweg, gelet op de ligging van het perceel van [appellant sub 4] ten opzichte daarvan, in positieve zin zou bijdragen aan zijn woon- en leefklimaat. Het betoog faalt. Eerbeekse Beek
  36. [ appellanten sub 8], [appellanten sub 6], [appellant sub 4] en [appellanten sub 9] richten zich voorts tegen de bestemming "Water", voor zover daarmee de Eerbeekse beek als zodanig is bestemd. Zij betogen dat het behoud van de Eerbeekse beek met die bestemming onvoldoende is gewaarborgd in de planregels. 30.
  37. Op en nabij het terrein van Mayr Melnhof loopt de Eerbeekse Beek. In het deskundigenbericht staat dat de beek in 2002 is omgeleid via de groenstrook aan de oostzijde van het terrein van Mayr Melnhof. Daarbij is de beek weer grotendeels bovengronds gekomen. Alleen in de zuid- en zuidoosthoek van het terrein ligt de beek op het fabrieksterrein nog ondergronds. Aan het gedeelte van de beek dat bovengronds ligt is de bestemming "Water" toegekend. 30.
  38. [appellant sub 4] woont op een afstand van ongeveer 110 m van het plandeel met de bestemming "Water", voor zover daarmee de Eerbeekse beek als zodanig is bestemd, en op minimaal ongeveer 160 m afstand van het plandeel met de bestemming "Water" wat betreft het gedeelte van de Eerbeekse beek dat op het terrein van Mayr Melnhof loopt. Niet is gebleken dat [appellant sub 4] zicht heeft op de Eerbeekse beek. Mede gelet op de aard en omvang is een afstand van minimaal 110 m naar het oordeel van de Afdeling te groot om een rechtstreeks bij het bestreden plandeel betrokken belang te kunnen aannemen. [appellant sub 4] heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd in verband waarmee zou moeten worden geoordeeld dat ondanks deze afstand een objectief en persoonlijk belang van hem rechtstreeks door het bestreden plandeel zou worden geraakt. Een louter gevoel van betrokkenheid bij een besluit, hoe sterk dat gevoel ook is, is daarvoor niet voldoende. De conclusie is dat [appellant sub 4] geen belanghebbende is bij het plandeel met de bestemming "Water" als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb en dat hij daartegen ingevolge artikel 8:1 van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb, geen beroep kan instellen. Het beroep van [appellant sub 4] is in zoverre niet-ontvankelijk. 30.
  39. Naar het oordeel van de Afdeling is het behoud van de Eerbeekse beek planologisch voldoende gewaarborgd. In het deskundigenbericht staat dat aan de beek in de vorm van een langgerekte onderbroken strook van ongeveer 1,5 à 2,5 m breed de bestemming "Water" is toegekend en dat het op grond van artikel 19, lid 19.3.1, onder a, van de planregels niet is toegestaan zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het college de waterloop te dempen. Hiermee is de Eerbeekse beek volgens de raad in overeenstemming met de aanbevelingen uit paragraaf 5.2.2 van de Cultuurhistorische onderlegger Eerbeek bestemd en daarmee voldoende beschermd. [appellanten sub 8] hebben onvoldoende geconcretiseerd waarom de raad zich ten onrechte op dit standpunt heeft gesteld. Voor zover [appellanten sub 8] in dat verband hebben aangevoerd dat de strook met de bestemming "Water" onvoldoende breed is, overweegt de Afdeling dat zij dit niet aannemelijk hebben gemaakt. Het betoog faalt. Flora- en faunawet
  40. Over het betoog van [appellanten sub 6] en [appellant sub 4] dat het plan is vastgesteld in strijd met de Flora- en faunawet (hierna: Ffw) in verband met de aanwezigheid van diersoorten overweegt de Afdeling het volgende. Op 1 januari 2017 is de Wnb in werking getreden en zijn de Nbw 1998 en Ffw ingetrokken. De vragen of voor de uitvoering van het bestemmingsplan een vrijstelling dan wel een ontheffing op grond van het soortenbeschermingsregime in de Wnb nodig is en zo ja, of deze ontheffing kan worden verleend, komen in beginsel pas aan de orde in een procedure op grond van de Wnb. Dat doet er niet aan af dat de raad het plan niet heeft kunnen vaststellen indien en voor zover hij op voorhand in redelijkheid heeft moeten inzien dat het soortenbeschermingsregime in de Wnb aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. [appellanten sub 6] hebben geen gegevens overgelegd die een begin van bewijs leveren dat zich ter plaatse te beschermen planten- en diersoorten bevinden. De enkele stelling dat zij ter plaatse geregeld beschermde diersoorten waarnemen acht de Afdeling in dit verband onvoldoende. Gelet op het voorgaande heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de Wnb niet op voorhand aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. Het betoog faalt. Milieuzonering
  41. [ appellanten sub 8] en [appellanten sub 6] betogen dat ten onrechte niet voorzien is in milieuzonering op het terrein van Mayr Melnhof. Met het voorziene planologische regime voor Mayr Melnhof kunnen zware milieubelastende activiteiten zich volgens [appellanten sub 8] uitbreiden tot hun perceelsgrens. 32.
  42. De raad stelt bestaand vergund gebruik als uitgangspunt te hebben gehanteerd bij de vaststelling van het planologisch regime voor het terrein van Mayr Melnhof en geen aanleiding te hebben gezien om de bestaande rechten van Mayr Melnhof niet te honoreren in het bestemmingsplan. 32.
  43. De Afdeling begrijpt het betoog van [appellanten sub 8] en [appellanten sub 6] zo dat de raad volgens hen ten onrechte niet heeft onderzocht in hoeverre binnen het planologische regime voor het terrein van Mayr Melnhof kan worden voorzien in zogenoemde inwaartse milieuzonering, waarbij in het midden van het terrein de meest belastende activiteiten worden geconcentreerd en aan de randen van het terrein de minst belastende activiteiten. De raad stelt in dit verband terecht dat bestaande rechten in beginsel als zodanig dienen te worden bestemd. Voorts acht de Afdeling het bieden van enige planologische flexibiliteit aan Mayr Melnhof bij de (her)inrichting van haar terrein in beginsel niet onredelijk. Naar het oordeel van de Afdeling had het in de voorliggende situatie, gezien de betrokken belangen van omwonenden, echter op de weg van de raad gelegen om te onderzoeken in hoeverre binnen het planologische regime voor het terrein van Mayr Melnhof kan worden voorzien in zogenoemde inwaartse milieuzonering, nu Mayr Melnhof voornemens is haar terrein (gedeeltelijk) opnieuw in te richten en daartoe - zoals de raad zelf stelt - concrete ontwikkelplannen heeft. In zoverre heeft de raad het bestemmingsplan niet met de vereiste zorgvuldigheid vastgesteld. Het betoog slaagt. Verkeer en parkeren
  44. [ appellanten sub 8], [appellant sub 4], [appellanten sub 6] en [appellanten sub 9] vrezen voor extra verkeeroverlast als gevolg van de voorziene uitbreiding van Mayr Melnhof. De voorziene uitbreiding genereert volgens [appellanten sub 8] een toename van 200 naar 376 vrachtwagenbewegingen. Zij stellen in de bestaande situatie al hinder te ondervinden van wachtend vrachtverkeer en zwaar vrachtwagenverkeer dat op korte afstand van hun woning langs rijdt. Een beoordeling van de verkeersveiligheid ontbreekt volgens [appellanten sub 8]. Voorts vrezen [appellanten sub 8] een nieuwe ontsluiting achter hun woning. Het verkeersonderzoek is volgens [appellanten sub 6] onvoldoende, omdat het is gebaseerd op bureauonderzoek waarbij 2012, een tijd van economische recessie, als referentiejaar is gebruikt. [appellanten sub 9] betogen dat voor zover de raad wijst op afspraken die de gemeente zou hebben gemaakt in een samenwerkingsovereenkomst met Mayr Melnhof, die afspraken door derden niet kunnen worden afgedwongen. 33.
  45. De raad erkent dat de voorziene uitbreiding van Mayr Melnhof zal leiden tot een toename van het aantal verkeersbewegingen tot maximaal 376 verkeersbewegingen. Deze toename past volgens de raad echter binnen de vergunde hoeveelheid transportbewegingen zoals opgenomen in de milieuvergunning uit
  46. De milieueffecten van deze toename zijn volgens de raad daarbij al beoordeeld en aanvaardbaar geacht. 33.
  47. In het deskundigenbericht staat dat het terrein van Mayr Melnhof in de bestaande situatie twee ontsluitingen heeft. Een van deze ontsluitingen ligt aan de noordoostkant van het terrein en komt uit op de Coldenhovenseweg ten noorden van het perceel Coldenhovenseweg
  48. Deze ontsluiting wordt blijkens het deskundigenbericht in de praktijk niet gebruikt voor zwaar transport/vrachtverkeer. Aan de zuidkant van het terrein ligt een ontsluiting die uitkomt op de Volmolenweg, op ongeveer 70 m ten westen van het perceel van [appellanten sub 8]. Deze ontsluiting wordt blijkens het deskundigenbericht van oudsher gebruikt voor zwaar transport en vrachtverkeer. Aan deze ontsluiting is de aanduiding "ontsluiting" toegekend. 33.
  49. De Afdeling stelt vast dat - anders dan bij het Burgersterrein - nergens op het terrein van Mayr Melnhof de aanduiding "ontsluiting uitgesloten" is voorzien, zodat gelet op artikel 4, lid 4.5.1, onder e, van de planregels overal op het terrein van Mayr Melnhof een ontsluiting kan worden aangelegd. Uit het deskundigenbericht volgt dat Mayr Melnhof voornemens is de ontsluiting voor verkeer van het bedrijf te verplaatsen. Voor zover de raad betoogt dat indien en voor zover Mayr Melnhof zou besluiten het terrein van de inrichting op andere wijze te ontsluiten, daarvoor een uitwegvergunning vereist is op grond van artikel 2.12 van de APV, overweegt de Afdeling, zoals reeds onder 29.4 is overwogen, dat op voorhand niet is uitgesloten dat voornoemde vergunning verleend moet worden na de aanvraag daarvan door de initiatiefnemer (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 31 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1441). 33.
  50. Aan het bestemmingsplan en/of het planMER ligt verder geen verkeersonderzoek ten grondslag waarin specifiek de gevolgen van de voorziene uitbreiding van Mayr Melnhof voor de verkeersveiligheid en -afwikkeling op de Volmolenweg en de Coldenhovenseweg inzichtelijk zijn gemaakt. In het deskundigenbericht staat dat het aandeel vrachtverkeer op de Volmolenweg vanwege het bestemmingsverkeer van en naar Mayr Melnhof (40%) buitengewoon hoog is en zal toenemen naar 60%. Gelet hierop en nu de raad blijkens het deskundigenbericht de verkeersproblematiek rondom het terrein in de bestaande situatie reeds erkent, ziet de Afdeling in hetgeen [appellanten sub 8], [appellanten sub6], [appellant sub 4] en [appellanten sub 9] hebben aangevoerd aanleiding voor het oordeel dat de raad zich - bij een ontbreken van een verkeersonderzoek - niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de voorziene uitbreidingen op het terrein van Mayr Melnhof geen onaanvaardbare gevolgen hebben voor de verkeersveiligheid en -afwikkeling in de directe omgeving van het terrein van Mayr Melnhof, in het bijzonder de Volmolenweg en de Coldenhovenseweg. In zoverre is het bestreden plandeel niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid. Het betoog slaagt alleen al daarom. 33.4.
  51. Wat betreft het betoog van de raad dat met de milieuvergunning uit 2006 al 376 verkeersbewegingen zijn vergund en daarbij als aanvaardbaar zijn beoordeeld en voor zover de raad, onder verwijzing naar de notitie "Effecten uitbreiding productiecapaciteit Mayr-Melnhof Eerbeek", van 3 oktober 2018 opgesteld door Arcadis, stelt dat de voorziene uitbreiding niet leidt tot extra verkeersbewegingen, overweegt de Afdeling het volgende. Daargelaten of met 376 vrachtwagenbewegingen in het kader van het voorliggende bestemmingsplan wordt uitgegaan van een representatieve invulling van de maximale planologische mogelijkheden, is het aantal van 376 vrachtwagenbewegingen in de milieuvergunning van 2006 blijkens het deskundigenbericht ontleend aan het akoestisch onderzoek "Mayr Melnhof Eerbeek B.V. t.b.v. Wm-vergunning" van 3 februari 2006 opgesteld door Adviesburo Van der Boom, welk onderzoek als bijlage bij de aanvraag voor de milieuvergunning uit 2006 was gevoegd. In dat onderzoek is voor de bedrijfssituatie uitgegaan van een maximaal aantal vrachtwagenbewegingen van 376 in de dagperiode (tussen 07.00 en 19.00 uur) bij een maximale productiecapaciteit van 200.000 ton per jaar. De enkele omstandigheid dat in het akoestisch rapport, dat onderdeel uitmaakt van de vergunning, voor de bedrijfssituatie is uitgegaan van 376 vrachtwagenbewegingen, maakt niet dat 376 vrachtwagenbewegingen zijn vergund en dit maximum als voorschrift aan die vergunning is verbonden. Het bevoegd gezag kan in zoverre niet handhavend optreden aan de hand van de milieuvergunning uit
  52. De stelling van de raad dat 376 vrachtwagenbewegingen zijn vergund met de milieuvergunning uit 2006 is dan ook onjuist. Dat in het aanvraagformulier van een revisievergunning van 13 januari 2014, die is verleend ten behoeve van de spreiding van de transportvrachten van werkdagen naar zaterdag en zondag, wordt verwezen naar een toelichting van Mayr Melnhof waarin ook wordt uitgegaan van een bedrijfssituatie met 376 vrachtwagenbewegingen, maakt dit niet anders. Ditzelfde geldt voor de verwijzing van Mayr Melnhof naar de vergunning van 21 december 2006 en de daarbij behorende aanvraag van 14 februari
  53. Evenmin volgt de Afdeling de raad in zijn betoog dat de vereiste beoordeling van de verkeersveiligheid en -afwikkeling in het kader van een goede ruimtelijke ordening al bij de verlening van de milieuvergunning in 2006 is beoordeeld en aanvaardbaar is geacht. Nog daargelaten dat in de milieuvergunning uit 2006 staat dat de verkeersaantrekkende werking van de inrichting niet is beschouwd, lag die vraag - anders dan bij de vaststelling van het voorliggende bestemmingsplan - bij de verlening van de milieuvergunning niet ter beoordeling voor. 33.
  54. Gelet op het voorgaande behoeft hetgeen [appellanten sub 8], [appellant sub 4], [appellanten sub 6] en [appellanten sub 9] ten aanzien van het aspect verkeer hebben aangevoerd geen bespreking meer.
  55. Voor zover [appellanten sub 8] betogen dat in verband met de voorziene uitbreiding van Mayr Melnhof een voorwaardelijke verplichting voor de aanleg en instandhouding van parkeer/wachtplaatsen voor vrachtverkeer op het terrein van Mayr Melnhof ontbreekt, overweegt de Afdeling ten overvloede, onder verwijzing naar artikel 30, lid 30.3, van de planregels dat dit betoog feitelijke grondslag mist. Op grond van artikel 30, lid 30.3, mogen gronden slechts worden bebouwd of gebruikt onder de voorwaarde dat op eigen terrein voldoende parkeergelegenheid wordt gerealiseerd en in stand wordt gehouden alsmede voor het laden en lossen van goederen voldoende voorzieningen worden getroffen op eigen terrein. Het betoog faalt. Geluid en trillingen
  56. [ appellanten sub 6], [appellanten sub 8] en [appellanten sub 9] vrezen een aantasting van hun woon- en leefklimaat als gevolg van de voorziene uitbreiding van Mayr Melnhof door geluidhinder en trillingen. Dat de hinder binnen de normen blijft, maakt volgens [appellanten sub 9] en [appellanten sub 8] niet dat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gegeven is. Voor zover uit akoestisch onderzoek zou volgen dat het maximale binnenniveau 38 dB bedraagt, is volgens [appellanten sub 8] niet duidelijk waarom dit als een aanvaardbaar binnenniveau kan worden aangemerkt, omdat wettelijke normen op dit punt volgens hen ontbreken. Ook voeren [appellanten sub 6] aan dat in het kader van de gecumuleerde geluidbelasting uit het planMER niet duidelijk volgt welke bedrijven zijn betrokken in het akoestisch onderzoek. 35.
  57. De raad stelt zich, zo is ter zitting ook gebleken, kort gezegd primair op het standpunt dat de voorziene uitbreiding van de productiecapaciteit van Mayr Melnhof van 200.000 naar 275.000 ton per jaar slechts kan plaatsvinden binnen de geluidruimte die is vastgelegd in de in 2006 verleende milieuvergunning. Ditzelfde geldt volgens de raad voor het aspect trillingen. Nu de beroepen van [appellanten sub 6], [appellanten sub 8] en [appellanten sub 9] tegen het plandeel met de bestemming "Bedrijventerrein" wat betreft het terrein van Mayr Melnhof reeds gegrond worden verklaard vanwege andere beroepsgronden die zij hebben aangevoerd en, gezien overwegingen 22, 27, 29.4, 32.2, 33.3, 33.4 en 33.4.1, nog valt te bezien of de raad is uitgegaan van een representatieve invulling van de maximale planologische mogelijkheden voor het terrein van Mayr Melnhof, volstaat de Afdeling ten aanzien van de aspecten geluid en trillingen er mee te overwegen dat de raad met voormelde stellingname onvoldoende blijk geeft van een beoordeling die vanuit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening vereist is. De Afdeling ziet in zoverre dan ook af van een verdere bespreking van de beroepsgronden van [appellanten sub 6], [appellanten sub 8], [appellanten sub 9]. Conclusie
  58. Gelet op hetgeen onder 29.3, 32.2 en 33.4 is overwogen ziet de Afdeling in hetgeen [appellanten sub 8], [appellanten sub 6], [appellanten sub 9] en [appellant sub 4] hebben aangevoerd aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, wat betreft het plandeel met de bestemming "Bedrijventerrein" voor het terrein van Mayr Melnhof aan de Coldenhovenseweg, in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb is vastgesteld.
  59. Om onomkeerbare gevolgen te voorkomen ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb bij wijze van voorlopige voorziening te bepalen dat voor het terrein van Mayr Melnhof het voorbereidingsbesluit, zoals dat is vastgesteld door de raad bij besluit van 26 oktober 2017, kenmerk BR17.0060, weer in werking treedt en te bepalen dat deze voorlopige voorziening vervalt op het moment dat de raad een nieuw bestemmingsplan heeft vastgesteld voor het terrein van Mayr Melnhof en dit besluit in werking is getreden. [belanghebbende C]
  60. [ appellanten sub 6] hebben ter zitting toegelicht dat ondanks dat zij in hun beroepschrift betogen dat de raad ten aanzien van het terrein van [belanghebbende C] aansluiting had moeten zoeken bij de bedrijven- en milieuzonering op basis van de VNG-brochure "Bedrijven en milieuzonering 2009", hun beroep geen betrekking heeft op het terrein van [belanghebbende C]. De Afdeling beschouwt deze beroepsgrond dan ook als ingetrokken. Het beroep van [appellant sub 10] Inleiding
  61. [ appellant sub 10] woont aan de [locatie 13], direct ten zuiden van het terrein van de papierfabriek van Mayr Melnhof, nabij de Coldenhovenseweg. Hij kan zich niet verenigen met de juridisch-planologisch voorziene uitbreiding van de papierfabriek Mayr Melnhof. Intrekking
  62. [ appellant sub 10] heeft ter zitting de beroepsgrond dat zijn zienswijze ten onrechte niet is beantwoord in de nota van zienswijzen, ingetrokken. Procedureel
  63. De Afdeling begrijpt het beroep van [appellant sub 10], mede naar aanleiding van hetgeen ter zitting is besproken, zo dat zijn gemachtigde ten onrechte niet op de hoogte is gebracht van de vaststelling van het bestemmingsplan. Deze beroepsgrond heeft betrekking op een mogelijke onregelmatigheid van na de datum van het bestreden besluit en kan om die reden de rechtmatigheid van het besluit niet aantasten. Deze mogelijke onregelmatigheid kan geen grond vormen voor de vernietiging van het bestreden besluit. Het betoog faalt. Inhoudelijk
  64. [ appellant sub 10] heeft zich in het beroepschrift voor het overige beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van zijn zienswijze van 9 augustus
  65. Gedurende de zienswijzentermijn heeft [appellant sub 10] drie verschillende zienswijzen naar voren gebracht bij de raad, waarvan twee zienswijzen door [appellant sub 10] zelfstandig zijn ingediend en die van 9 augustus 2017 door zijn gemachtigde. In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijzen, in het bijzonder onder nr. 56 van de nota van zienswijzen. Artikel 3:46 Awb verzet zich er niet tegen dat de raad de zienswijzen samengevat weergeeft. Dat niet op ieder argument ter ondersteuning van een zienswijze afzonderlijk is afgegaan, is op zichzelf geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit niet voldoende is gemotiveerd. [appellant sub 10] heeft in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn. Evenmin is gebleken dat bepaalde bezwaren of argumenten niet elders in de nota van zienswijzen of de overwegingen van het besluit zijn betrokken. Het betoog faalt. Conclusie
  66. Het beroep van [appellant sub 10] is ongegrond.
  67. Ten overvloede overweegt de Afdeling dat de raad voor het eerst ter zitting heeft gewezen op zijn besluit van 20 december 2018 waarbij hij het bestemmingsplan "Verleggen gastransportleiding N-559-05" heeft vastgesteld. Uit de plantoelichting bij dat bestemmingsplan volgt dat N.V. Nederlandse Gasunie voornemens is om de gastransportleiding N-559-05 die gedeeltelijk onder de Coldenhovenseweg/Loubergweg ligt, te verleggen. De bestaande leiding is blijkens de toelichting van dat plan van onvoldoende kwaliteit en het is niet mogelijk om de bestaande gastransportleiding op dezelfde plek te vervangen. Gelet op artikel 5 van de planregels van het nieuwe bestemmingsplan is voor het perceel van [appellant sub 10] de (dubbel)bestemming "Leiding - Gas" uit het voorliggende bestemmingsplan voor zijn gronden vervangen door de aanduiding "overige zone - leiding gas uitgesloten". [appellant sub 10] heeft toegelicht zich te kunnen verenigen met dit nieuwe bestemmingsplan. Het beroep van [appellanten sub 8] voor het overige
  68. [ appellanten sub 8] wonen aan de [locatie 11] direct ten zuiden van de papierfabriek Mayr Melnhof. Het beroep van [appellanten sub 8] is voorts gericht tegen het plandeel voor hun eigen perceel. Zij betogen dat hun bouwmogelijkheden ten onrechte zijn beperkt. Zo is de maximale bouwhoogte op hun perceel 10 meter, terwijl op het terrein van Mayr Melnhof bouwhoogtes van 12 meter en 15 meter zijn toegestaan. 45.
  69. Blijkens de verbeelding is aan het perceel van [appellanten sub 8] de bestemming "Wonen" toegekend met onder meer de aanduidingen "maximum goothoogte 6 m" en "maximum bouwhoogte 10 m". 45.
  70. Voorheen gold voor het perceel [locatie 11] het bestemmingsplan "Noorderenk/Eerbeekse Enk 1989", vastgesteld door de raad op 26 april 1990 en goedgekeurd door het college van gedeputeerde staten van Gelderland op 26 september
  71. Ingevolge artikel 8, lid 2.1, onder c, sub 2e, van de planvoorschriften bedroeg de maximum goothoogte eveneens 6 meter en was maximaal een bouwhoogte van 11 meter toegestaan. 45.
  72. De Afdeling stelt voorop dat in het algemeen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen. De raad stelt zich op het standpunt dat een bouwhoogte van 10 m voor de woning van [appellant sub 8A] aansluit bij de bouwhoogte van woningen in de directe omgeving van de hoek Volmolenweg/Coldenhovenseweg. De Afdeling acht dit niet onredelijk. Gelet hierop en nu verder ook niet is gebleken van concrete plannen van [appellanten sub 8] die uitgaan van een bouwhoogte hoger dan 10 meter ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad ten aanzien van het perceel van [appellanten sub 8] niet heeft kunnen volstaan met een bouwhoogte van 10 meter. Het betoog faalt. 45.
  73. Voor zover [appellanten sub 8] er op wijzen dat ten behoeve van het terrein van Mayr Melnhof wel is voorzien in een bouwhoogte van 12 tot 15 m, overweegt de Afdeling dat de raad zich op het standpunt heeft gesteld dat deze situatie verschilt van de aan de orde zijnde situatie, omdat het daar gaat om bebouwing op een bedrijventerrein en niet om woningbouw. In hetgeen [appellanten sub 8] hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door [appellanten sub 8] genoemde situatie niet overeenkomt met de nu aan de orde zijnde situatie. Het betoog faalt. Waardedaling
  74. Wat de eventueel nadelige invloed van het plan op de waarde van de woning van [appellanten sub 8] betreft, bestaat geen grond voor de verwachting dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat de raad bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan hij heeft gedaan. Het betoog faalt. Overig
  75. In hetgeen [appellanten sub 8] voor het overige hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het bestemmingsplan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening of voor het oordeel dat het besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Conclusie
  76. Gezien hetgeen onder 36 is overwogen is het beroep van [appellanten sub 8] gegrond, zodat het bestreden besluit, wat betreft het plandeel met de bestemming "Bedrijventerrein" voor het terrein van Mayr Melnhof aan de Coldenhovenseweg, dient te worden vernietigd. Het beroep van [appellant sub 4] voor het overige Informatieavond
  77. Voor zover [appellant sub 4] heeft aangevoerd dat hij niet is uitgenodigd voor een informatieavond over de bouwmogelijkheden van de papierfabriek Mayr Melnhof en dat hij derhalve niet in de gelegenheid is gesteld om in te spreken op dit punt, heeft hij ter zitting toegelicht dat dit geen beroepsgrond betreft. Overig
  78. In hetgeen [appellant sub 4] voor het overige heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het bestemmingsplan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening of voor het oordeel dat het besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Conclusie
  79. Gezien hetgeen onder 36 is overwogen is het beroep van [appellant sub 4] gegrond, zodat het bestreden besluit, wat betreft het plandeel met de bestemming "Bedrijventerrein" voor het terrein van Mayr Melnhof aan de Coldenhovenseweg, dient te worden vernietigd. Het beroep van [appellanten sub 6] voor het overige Artikel 2:4 van de Awb
  80. [ appellanten sub 6] voeren verder nog aan dat twee raadsleden van beraadslaging en één raadslid van stemming zijn uitgesloten. Het betreft de raadsleden J. Alberts, M. Wartena en M. Douma. Ondanks dat dit nadien (in een laat stadium) is gecorrigeerd, heeft dit volgens hen de procedure beïnvloed. 52.
  81. De Afdeling begrijpt het beroep van [appellanten sub 6] zo dat het bestemmingsplan in strijd met artikel 2:4 van de Awb is vastgesteld, omdat een aantal raadsleden met een zekere (persoonlijke) betrekking ten aanzien van het bestemmingsplan zou zijn weerhouden van beraadslaging en/of stemming. Artikel 2:4, tweede lid, van de Awb strekt ertoe de burger een waarborg te bieden voor naleving van de in het eerste lid neergelegde norm. Daartoe wordt, niet aan de in de bepaling bedoelde personen individueel, maar aan het tot besluiten bevoegd bestuursorgaan, een zorgplicht opgelegd die in elk geval inhoudt dat door het orgaan wordt voorkomen dat de besluitvorming niet meer voldoet aan de in het eerste lid neergelegde norm. Met het begrip "persoonlijk" is blijkens de wetgeschiedenis van de totstandkoming van artikel 2:4 van de Awb (Kamerstukken II, 1988/89, 21 221, nr. 3, blz. 55) gedoeld op ieder belang dat niet behoort tot de belangen die het bestuursorgaan uit hoofde van de hem opgedragen taak behoort te behartigen. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, (uitspraak van 6 februari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ0796) volgt uit artikel 2:4 van de Awb in het algemeen niet dat een persoon die deel uitmaakt van een democratisch gekozen bestuursorgaan zoals de gemeenteraad en die bij een besluit belanghebbende is als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb, zich zou moeten onthouden van deelname aan de besluitvorming. 52.
  82. [appellanten sub 6] stellen weliswaar terecht dat de gemeenteraad niet kan verhinderen dat een lid deelneemt aan de besluitvorming en aan stemmingen, maar de Afdeling stelt vast dat dit in het voorliggende geval ook niet aan de orde is. Dit volgt uit de besluitenlijst van de raadsvergadering van 15 maart 2018 waarin staat dat de door [appellanten sub 6] genoemde raadsleden hun stem hebben uitgebracht bij de vaststelling van het bestemmingsplan. Gelet hierop en nu [appellanten sub 6] verder niet hebben geconcretiseerd op welke wijze de besluitvorming zou zijn beïnvloed door de gestelde uitsluiting van de beraadslaging van twee raadsleden, ziet de Afdeling in hetgeen [appellanten sub 6] hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat het bestemmingsplan in strijd met artikel 2:4 van de Awb is vastgesteld. Het betoog faalt. [locatie 9]-[locatie 10]
  83. Het beroep van [appellanten sub 6] is voorts gericht tegen het plandeel "Gemengd" wat betreft hun percelen [locatie 9]-[locatie 10]. Zij betogen dat de gebruiksmogelijkheden van hun percelen ten onrechte zijn beperkt, hetgeen het voor hen lastig maakt om te schakelen naar een andere bedrijfsvoering. Voorts betogen zij dat zij een bedrijf exploiteren met milieucategorie 4.1, terwijl op hun percelen alleen activiteiten met milieucategorie 3.1 zijn toegestaan. Daarnaast betogen zij dat hun bouwmogelijkheden zijn beperkt. Zo is de bouwhoogte verlaagd van 18 meter naar 10 meter en mogen zij niet langer losstaande doch slechts inpandige (bedrijfs)woningen bouwen. Daarnaast voeren ze aan dat het aantal (bedrijfs)woningen niet meer dan één woning per aanduiding mag bedragen. Voorheen was dit volgens [appellanten sub 6] twee. Verder stellen zij dat de bestaande (legale) bebouwing op hun gronden ten onrechte niet als zodanig is bestemd. Gelet op het voorgaande vrezen zij een belemmering van hun bedrijfsvoering en een waardedaling van hun gronden. 53.
  84. Blijkens de verbeelding is aan de percelen [locatie 9]-[locatie 10] de bestemming "Gemengd" toegekend met de aanduidingen "maximum bebouwingspercentage 60", "maximum bouwhoogte 10", "specifieke vorm van gemengd - 2", "geluidzone - industrie" en gedeeltelijk "milieuzone - geurzone 1" en gedeeltelijk "milieuzone - geurzone 2" en "specifieke vorm van bedrijf - kunststofverwerkend bedrijf" en "overige zone - wonen op bedrijventerrein". Aan het noordelijke gedeelte van het gebouw op de percelen [locatie 9]-[locatie 10] is eveneens de aanduiding "bedrijfswoning" toegekend en aan het zuidelijke gedeelte van het gebouw de aanduiding "wonen". 53.
  85. Ten aanzien van het betoog van [appellanten sub 6] dat de gebruiksmogelijkheden van hun percelen ten opzichte van het voorgaande bestemmingsplan zijn beperkt, overweegt de Afdeling dat, wat daar ook van zij, in het algemeen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen. De raad heeft toegelicht dat hij met betrekking tot het bedrijventerrein Eerbeek-Zuid zogenoemde inwaartse milieuzonering heeft toegepast. Voor een aantal bedrijven, waaronder het bedrijf van [appellanten sub 6] en papierfabriek Mayr Melnhof, is echter een maatbestemming opgenomen omdat zij een hogere milieucategorie kennen dan op basis van inwaartse zonering ter plaatse zou zijn toegestaan. Voor de maatbestemmingen is voor de milieueffecten specifiek naar de daar aanwezige bedrijven gekeken, aldus de raad. 53.2.
  86. In het deskundigenbericht staat dat [appellanten sub 6] op de percelen [locatie 9]-[locatie 10] een bedrijf in kunststoffabricage (onder andere 3D-printing) exploiteren. Met de toekenning van de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - kunststofverwerkend bedrijf" zijn deze activiteiten, die in bijlage 2 van de planregels worden aangemerkt als milieucategorie 4.1, volgens het deskundigenbericht als zodanig bestemd. Voorts zijn met de toekenning van de aanduiding "specifieke vorm van gemengd - 2" aan de percelen [locatie 9]-[locatie 10] op grond van artikel 9, lid 9.1, onder d, van de planregels ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van gemengd - 2" tevens bedrijfsmatige activiteiten die staan vermeld in de categorieën A en B van de bij deze regels behorende "Staat van bedrijfsactiviteiten - functiemenging - 2" zoals opgenomen in bijlage 4 van de planregels toegestaan. Verder zijn gelet op artikel 9, lid 9.1, onder b, van de planregels ook dienstverlening en maatschappelijke voorzieningen op de percelen toegestaan. In hetgeen [appellanten sub 6] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid met voormelde gebruiksmogelijkheden heeft kunnen volstaan. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de bestaande bedrijfsactiviteiten op de percelen van [appellanten sub 6] als zodanig zijn bestemd en dat niet is gebleken van concrete plannen van [appellanten sub 6] om de bedrijfsvoering te wijzigen naar een bedrijfsactiviteit die niet is toegestaan op grond van het voorziene planologische regime. Het betoog faalt. 53.2.
  87. Voor zover het beroep van [appellanten sub 6] zo moet worden begrepen dat de papierfabriek Mayr Melnhof aan de Coldenhovenseweg 12 meer flexibiliteit is geboden wat betreft de gebruiksmogelijkheden, overweegt de Afdeling dat zij dit betoog niet volgt. Blijkens de verbeelding zijn aan het terrein van Mayr Melnhof de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - papier- en kartonfabriek" en gedeeltelijk de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - papier- en kartonfabriek opslag" toegekend. Gelet op 4, lid 4.1, onder h en j, van de planregels is op het terrein van Mayr Melnhof uitsluitend een papier- en kartonfabriek (en opslag) toegestaan, terwijl op het perceel van [appellanten sub 6] veel meer gebruiksmogelijkheden zijn voorzien dan alleen de bestaande bedrijfsactiviteit. Het betoog faalt. 53.
  88. Ten aanzien van de planologisch voorziene (bedrijfs)woningen op de percelen [locatie 9]-[locatie 10] overweegt de Afdeling het volgende. De Afdeling begrijpt het betoog van [appellanten sub 6] in zoverre aldus dat zij enerzijds betogen dat de raad een gedeelte van hun bedrijfswoning niet als zodanig heeft bestemd vanwege de toekenning van de aanduiding "woning" en anderzijds dat zij zich er niet mee kunnen verenigen dat de twee voorziene (bedrijfs)woningen in het voorliggende plan - in tegenstelling tot in het voorgaande bestemmingsplan - op een vaste locatie op het perceel moeten worden opgericht. Op grond van het voorgaande bestemmingsplan "Eerbeek Zuid 1971" mochten op grond van artikel 18, tweede lid, onder e, van de planvoorschriften op de gronden met de bestemming "Handel en nijverheid klasse C" per bedrijf ten hoogste twee eengezinshuizen worden gebouwd, dan wel aanwezig zijn. 53.3.
  89. In het deskundigenbericht staat dat op 27 oktober 2004 een reguliere bouwvergunning is verleend voor het veranderen van een showroom/magazijn, het realiseren van een inpandige dienstwoning en het plaatsen van een garage/berging. Op 9 januari 2006 is voor hetzelfde perceel aan Decla een reguliere bouwvergunning verleend voor het inpandig verplaatsen/vergroten van de reeds vergunde bedrijfswoning. Hieruit en uit hetgeen ter zitting is besproken leidt de Afdeling af dat thans slechts één bedrijfswoning op het perceel aanwezig is. [appellanten sub 6] hebben ter zitting toegelicht dat hun bestaande bedrijfswoning op de verdieping ([locatie 10]) (overeenkomstig de verleende vergunningen) is gerealiseerd en dat het bedrijfsgedeelte van het gebouw voornamelijk op de benedenverdieping is gevestigd ([locatie 9]). 53.3.
  90. [appellanten sub 6] stellen terecht dat hun bedrijfswoning met de toekenning van de aanduidingen "bedrijfswoning" en "woning" niet als zodanig is bestemd. De raad heeft erkend dat dit abusievelijk niet is gebeurd. Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid Het betoog slaagt in zoverre. 53.3.
  91. Verder stellen [appellanten sub 6] terecht dat in het voorgaande bestemmingsplan niet het vereiste werd gesteld dat de voorziene bedrijfswoningen inpandig en/of op een specifieke locatie op het perceel moesten worden opgericht. Zoals hiervoor overwogen, kunnen in het algemeen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten worden ontleend en kan de raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen. De raad heeft echter onvoldoende inzichtelijk gemaakt waarom is gekozen voor een plansystematiek waarbij de voorziene (bedrijfs)woningen op het perceel alleen ter plaatse van de woningaanduidingen mogen worden opgericht. Ook in zoverre slaagt het betoog. 53.
  92. Ten aanzien van het betoog van [appellanten sub 6] dat de voorziene bouwhoogte op de percelen [locatie 9]-[locatie 10] ten onrechte is verlaagd, overweegt de Afdeling nog eens dat in het algemeen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen. De raad stelt dat de bouwhoogte op het perceel van [appellanten sub 6] is verlaagd van 18 meter naar 10 meter, omdat dit recht doet aan de bestaande situatie en een bouwhoogte van 18 meter forse gevolgen heeft voor de ruimtelijke uitstraling en het bestaande straatbeeld. In hetgeen [appellanten sub 6] hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op dit standpunt heeft kunnen stellen. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de bouwhoogte van het bestaande gebouw op de percelen [locatie 9]-[locatie 10] blijkens het deskundigenbericht 7 meter bedraagt en dat niet is gebleken van concrete plannen van [appellanten sub 6] die uitgaan van een bouwhoogte hoger dan 10 meter. Over de door [appellanten sub 6] gemaakte vergelijking met de voorziene bouwhoogte op het terrein van Mayr Melnhof, overweegt de Afdeling dat op het terrein van Mayr Melnhof blijkens het deskundigenbericht gebouwen aanwezig zijn van 15 meter hoog. In hetgeen [appellanten sub 6] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door [appellanten sub 6] genoemde situatie niet overeenkomt met de thans aan de orde zijnde situatie. Het betoog faalt. Artikel 41, tweede lid, van de Wgh
  93. [ appellanten sub 6] betogen dat de nieuwe geluidzone in strijd met artikel 41, tweede lid, van de Wgh is vastgesteld. Hiertoe voeren zij aan dat door de aanpassing van de zone hun uitbreidings- en groeimogelijkheden worden beperkt. 54.
  94. De Afdeling overweegt dat met dit artikellid beoogd is te voorkomen dat een wijziging van een geluidzone ertoe leidt dat de geluidzone kleiner wordt vastgesteld dan de berekende 50 dB(A)- geluidcontour vanwege de vergunde geluidproductie van alle bedrijven op een gezoneerd industrieterrein tezamen, en dat daardoor de vergunningsvoorschriften van die bedrijven dusdanig zouden moeten worden aangescherpt om alsnog aan die geluidcontour te voldoen. Uit paragraaf 5.6 van de plantoelichting volgt dat door de vaststelling van het plan het gezoneerde industrieterrein Eerbeek-Zuid wordt verkleind. De percelen van [appellanten sub 6] aan de [locatie 9]/[locatie 10], die voorheen op het gezoneerde industrieterrein zelf lagen, komt daardoor binnen de gewijzigde geluidzone te liggen. Reeds daarom valt naar het oordeel van de Afdeling niet in te zien waarom het bestemmingsplan ten aanzien van hun perceel in strijd met artikel 41, tweede lid, van de Wgh is vastgesteld. Het betoog faalt. Waardevermindering
  95. Wat de eventueel nadelige invloed van het plan op de waarde van de percelen van [appellanten sub 6] betreft, bestaat geen grond voor de verwachting dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat de raad bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan hij heeft gedaan. Het betoog faalt. Overig
  96. In hetgeen [appellanten sub 6] voor het overige hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het bestemmingsplan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening of voor het oordeel dat het besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Conclusie
  97. Gezien hetgeen onder 22, 36, 53.3.2 en 53.3.3 is overwogen is het beroep van [appellanten sub 6] gegrond, zodat het bestreden besluit,

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.