(2007)(toen en nu) geen extra recreatiewoningen toestaat. Bovendien heeft [appellant sub 3A] op 29 maart 2016 een verzoek om handhaving tegen de recreatiewoningen ingediend. Gelet op het voorgaande heeft de raad op goede gronden besloten om niet te komen tot een positieve bestemming dan wel dat nader te onderzoeken.
- Artikel 3.2.2 van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro) luidt: "Behoudens voor zover uit de Richtlijnen 79/409/EEG en 92/43/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand onderscheidenlijk van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna beperkingen voortvloeien ten aanzien van ten tijde van de inwerkingtreding van een bestemmingsplan bestaand gebruik, worden in een bestemmingsplan de volgende regels van overgangsrecht ten aanzien van gebruik opgenomen:
- Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
- Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het eerste lid, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
- Indien het gebruik, bedoeld in het eerste lid, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
- Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan." Artikel 3.2.3 van het Bro luidt "Indien toepassing van het overeenkomstig artikel 3.2.2 in het plan opgenomen overgangsrecht gebruik zou kunnen leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard voor een of meer natuurlijke personen die op het tijdstip van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan grond en opstallen gebruikten in strijd met het voordien geldende bestemmingsplan, kan de gemeenteraad met het oog op beëindiging op termijn van die met het bestemmingsplan strijdige situatie, in het plan persoonsgebonden overgangsrecht opnemen." 9.
- Aan de gronden waarop de recreatiewoningen van [appellant sub 2] en [appellanten sub 1] staan, is in het bestemmingsplan "Reparatie Duingebied" de bestemming "Natuur - 1" toegekend. Gebouwen zijn daar niet toegestaan en evenmin is het gebruik van bestaande gebouwen voor recreatie bij recht toegestaan. In de artikelen 8 en 9 is evenwel overgangsrecht opgenomen voor twee recreatiewoningen, die van [appellant sub 2] en [appellanten sub 1]. Artikel 8, lid 8.2 van de planregels luidt: "Voor gebruik luidt het overgangsrecht als volgt: a. het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet; b. het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in dit lid onder a, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind; c. indien het gebruik, bedoeld in dit lid onder a, na de inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten; d. dit lid onder a is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan." Artikel 9 van de planregels luidt: "In afwijking van het bepaalde in artikel 8.2 mag het van het plan afwijkende gebruik, inhoudende het gebruik als recreatiewoning, waarbij uitsluitend de recreatiewoning [locatie 3]ZB tevens voor recreatieve verhuur mag worden gebruikt, van de in de bij deze regels horende bijlage 1 opgesomde recreatiewoningen, worden voortgezet, doch uitsluitend door de eigenaar/eigenaren ten tijde van het raadsbesluit van 29 september 2016 (bijlage 1 bij de toelichting) en niet door diens rechtsopvolgers." In bijlage 1 van de regels zijn als eigenaren van de [locatie 1] vermeld [appellant sub 2B] en [appellant sub 2A]. Als eigenaren van de [locatie 2] zijn vermeld de heer [appellant sub 1B] en [appellant sub 1A]. 9.
- Artikel 5a, eerste lid, van de ten tijde van het plan geldende PRV luidt: "Een bestemmingsplan kan uitsluitend voorzien in een nieuwe stedelijke ontwikkeling als deze ontwikkeling in overeenstemming is met de binnen de regio gemaakte schriftelijke afspraken". Artikel 9 en artikel 14 van de PRV waren ten tijde van het vaststellen van het plan komen te vervallen. 9.
- De Afdeling stelt voorop dat geen bouwvergunningen zijn overgelegd waaruit blijkt dat de woningen [locatie 1] en [locatie 2] voor 1972 met vergunning zijn gerealiseerd. De Afdeling gaat er daarom van uit dat de woningen ten tijde van het vaststellen van dat plan niet legaal waren opgericht. Verder hebben [appellanten sub 3] de juistheid van diverse documenten, waaronder een aantal verklaringen, een inschrijfkaart bij de gemeente en taxatieverslagen, onvoldoende bestreden. De Afdeling acht het op grond daarvan aannemelijk dat ten tijde van het bestemmingsplan van 1972 de recreatiewoningen op de percelen [locatie 1] en [locatie 2] feitelijk bestonden en werden gebruikt voor recreatie. Over het betoog dat de raad in het verleden geen ruimtelijke bezwaren zag tegen de woningen, overweegt de Afdeling dat de raad ter zitting heeft gemotiveerd dat hij, ook gelet op de uitspraak van de Afdeling, de PRV in acht dient te nemen en dat daarbij een eerder ingenomen standpunt over de ruimtelijke aanvaardbaarheid bij de toets aan artikel 5a van de PRV niet van belang is. De raad heeft zich terecht op dit standpunt gesteld. Gelet hierop en omdat de woningen zonder vergunning zijn opgericht, heeft de raad terecht de recreatiewoningen niet als zodanig bestemd. Over het vertrouwensbeginsel overweegt de Afdeling dat de toelichting bij het vorige bestemmingsplan geen toezegging aan [appellant sub 2] bevat dat in een volgend bestemmingsplan een positieve bestemming aan zijn recreatiewoning zal worden toegekend. Het betoog van [appellant sub 2] faalt in zoverre. 9.
- De Afdeling ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of de raad in redelijkheid heeft mogen kiezen voor het toekennen van persoonsgebonden overgangsrecht of dat hij voor een uitsterfregeling had moeten kiezen. De Afdeling wijst er daarbij op dat persoonsgebonden overgangsrecht, vanwege haar ingrijpende aard in de eigendomspositie van een burger, slechts in uiterste gevallen voor opnemen in het plan in aanmerking komt. De Afdeling stelt hierbij voorop dat de stelling van [appellanten sub 3] dat uit de uitspraak van de Afdeling van 24 december 2014 voortvloeit dat niet in persoonlijk overgangsrecht mocht worden voorzien omdat handhavend kon worden opgetreden, berust op een onjuiste lezing van overweging 33.6 van die uitspraak. Hun betoog faalt dan ook in zoverre. De raad heeft bij zijn besluitvorming een afweging gemaakt tussen enerzijds de omstandigheid dat de recreatiewoningen al tientallen jaren worden gebruikt zonder dat daar handhavend tegen is opgetreden en dat het onbillijk is om zonder een vorm van overgangsrecht het gebruik niet langer toe te staan. De raad heeft daarentegen ook betrokken dat [appellanten sub 3] een verzoek om handhaving gericht tegen de illegale bebouwing hebben ingediend en dat de recreatiewoningen zeer dicht bij hun woning staan. Verder heeft de raad betrokken dat het niet aannemelijk is dat aan het gebruik voor recreatie vanzelf een einde komt, omdat hetzij de woningen binnen de familie blijven of worden verkocht aan derden. Tot slot heeft de raad meegewogen dat het moeilijk is om precies vast te stellen wanneer het recreatief gebruik gestaakt is en dat daardoor de bestemming "Natuur" niet op enig moment verwezenlijkt zou worden. Onder deze omstandigheden ziet de Afdeling geen aanleiding om te oordelen dat de raad niet alle betrokken belangen heeft meegewogen bij zijn beslissing. Voorts heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat in dit geval het niet aannemelijk is dat het recreatief gebruik binnen afzienbare tijd zal eindigen en dat het niet aannemelijk is dat met het opnemen van een uitsterfregeling het gebruik van het perceel op termijn in overeenstemming zal worden gebracht met de bestemming "Natuur - 1". Omdat het gebruik van de recreatiewoningen bij het opnemen van een uitsterfregeling nog lange tijd kan voortbestaan en een uitsterfregeling in dit geval dus geen uitkomst biedt, heeft de raad in dit geval in redelijkheid een persoonsgebonden overgangsrecht voor de woningen van [appellant sub 2] en [appellanten sub 1] kunnen opnemen. Het betoog van [appellant sub 2] en [appellanten sub 1] kan daarom niet slagen. Conclusie
- De beroepen zijn ongegrond.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: verklaart de beroepen ongegrond. Aldus vastgesteld door mr. E.A. Minderhoud, voorzitter, en mr. J. Kramer en mr. D.A. Verburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. W.S. van Helvoort, griffier. w.g. Minderhoud w.g. Van Helvoort voorzitter griffier Uitgesproken in het openbaar op 25 september 2019 361.