(1993)rekening mee moeten houden dat in dat gebied woningen zouden worden gerealiseerd. Dat nog niet vaststond dat dit zou gebeuren, maakt niet dat geen voorzienbaarheid kan worden tegengeworpen, nu, zoals hiervoor onder 6.1 is weergegeven, een ontwikkeling voorzienbaar is als de mogelijkheid van die ontwikkeling zodanig kenbaar was dat hier ten tijde van de aankoop rekening mee had kunnen worden gehouden. Dat is, gelet op de inhoud van de Kadernotitie, het geval. Dat, naar [appellant] stelt, de omgeving van zijn perceel in de beleidstukken en de planologische regimes na 1994 niet als woningbouwlocatie is geduid, maakt het voorgaande niet anders. Zoals hiervoor onder 6.1 is weergegeven, is voor het antwoord op de vraag of een planologische verandering buiten het eigen perceel voor de aanvrager voorzienbaar was alleen de planologische situatie ten tijde van de aankoop van het eigen perceel van belang. 6.
- Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de planologische wijziging alleen al op grond van de Kadernotitie voorzienbaar was. Hetgeen [appellant] over de folder heeft aangevoerd, behoeft daarom geen bespreking meer. 6.
- Het betoog faalt.
- Nu de planologische wijziging voorzienbaar was, blijft door [appellant] geleden planschade voor zijn rekening. Dit betekent dat de vraag of de door TOG uitgevoerde planvergelijking juist is, geen bespreking meer behoeft. Conclusie
- Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. I.S. Ouwehand, griffier. w.g. Hagen w.g. Ouwehand lid van de enkelvoudige kamer griffier Uitgesproken in het openbaar op 2 oktober 2019 752.