(6): Metal removal, coating removal, automatic sorting, manual sorting, homogenisation and quality controls." Bij de kennisgeving is een processchema en een procesbeschrijving gevoegd. De procesbeschrijving vermeldt onder meer dat "the remaining plastics and non-ferrous metals are extracted by a third aspiration point". Daarna wordt het glas verkleind en in drie fracties gescheiden. In het onder 7.1 vermelde toestemmingsbesluit van 12 juli 2017 is beschreven welke handelingen in de inrichting in Son plaatsvinden. Uiteengezet is dat de afvalstoffen worden ontdaan van de verpakking en dat de beeldbuizen worden gebroken in een voorbreekinstallatie. Vervolgens worden de eventueel aanwezige ijzeronderdelen met magneetbanden uit de afvalstroom gehaald. Daarna worden kunststoffen en non-ferro metalen uit het materiaal afgezogen. In alle processtappen wordt het vrijkomende fluorescentiepoeder afgezogen. Al het glas wordt gebroken tot een fractie van <28 mm. De fractie gereinigd glas wordt vervolgens elders ingezet voor de productie van betonblokken. 12.2. De staatssecretaris heeft niet aannemelijk gemaakt dat het CRT-glas in de inrichtingen van [appellante] wordt gestort, in plaats van tijdelijk opgeslagen ten behoeve van verwerking overeenkomstig de kennisgevingen. Dat de staatssecretaris de toepassing van het CRT-glas in beton niet langer als nuttige toepassing wil aanmerken, betekent niet dat [appellante] de afvalstoffen heeft verwerkt op een wijze die niet in overeenstemming is met de kennisgevingen. De enkele stelling dat begin 2018 een grote hoeveelheid CRT-glas op het terrein in Helmond werd aangetroffen, is voorts niet voldoende om te kunnen concluderen dat [appellante] afvalstoffen niet binnen 30 dagen en ook niet binnen een jaar na ontvangst definitief verwerkt. Daarbij is in aanmerking genomen dat [appellante] bestrijdt dat verwerking van overgebracht CRT-glas niet binnen de in artikel 16, aanhef en onder e, van de EVOA gestelde termijn plaatsvindt. Ter zitting heeft [appellante] nog toegelicht dat niet al het glas dat op het terrein aanwezig is met kennisgeving uit het buitenland is overgebracht. 12.3. Uit de bij de kennisgeving gevoegde informatie blijkt dat het over te brengen glas lood kan bevatten. De procesbeschrijving vermeldt niet dat lood uit het glas wordt verwijderd. Niet in geschil is dat lood niet kan worden afgezogen, maar alleen door verhitting uit het glas kan worden verwijderd. Verhitting is in de kennisgeving niet als reinigingsstap vermeld. Hieruit volgt dat, voor zover de staatssecretaris zich op het standpunt stelt dat uit de kennisgevingen volgt dat [appellante] het lood uit het CRT-glas zou verwijderen, dat standpunt niet juist is. In de kennisgevingen wordt die suggestie ook niet gewekt. 12.4. Het betoog slaagt. 13. Uit het voorgaande volgt dat aan de intrekkingsbesluiten eveneens ten onrechte artikel 9, achtste lid, aanhef en onder d, van de EVOA ten grondslag is gelegd. Conclusie 14. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit op bezwaar dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 9, achtste lid, van de EVOA. De Afdeling zal zelf in de zaak voorzien door de vijftien besluiten van 12 januari 2018 en 15 januari 2018 te herroepen en te bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. 15. De staatssecretaris dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het beroep gegrond; II. vernietigt het besluit van de staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat van 22 juni 2018, met de kenmerken B-4-18-0033.001, B-4-18-0047.001, B-4-18-0048.001, B-4-18-0049.001, B-4-18-0050.001, B-4-18-0052.001, B-4-18-0053.001, B-4-18-0054.001, B-4-18-0055.001, B-4-18-0056.001, B-4-18-0057.001, B-4-18-0058.001, B-4-18-0059.001, B-4-18-0060.001 en B-4-18-0062.001; III. herroept de besluiten van 12 januari 2018, kenmerken ILT-EVOA-2018-002, ILT-EVOA-2018-003, ILT-EVOA-2018-004, ILT-EVOA-2018-006, ILT-EVOA-2018-008, ILT-EVOA-2018-009, ILT-EVOA-2018-010, ILT-EVOA-2018-011, ILT-EVOA-2018-012, ILT-EVOA-2018-013, ILT-EVOA-2018-014, ILT-EVOA-2018-015, ILT-EVOA-2018-016, ILT-EVOA-2018-017, en het besluit van 15 januari 2018, kenmerk ILT-EVOA-2018-018; IV. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit; V. veroordeelt de staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.024,00 (zegge: duizendvierentwintig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; VI. gelast dat de staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat aan [appellante] het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 338,00 (zegge: driehonderdachtendertig euro) vergoedt. Aldus vastgesteld door mr. R. Uylenburg, voorzitter, en mr. G.M.H. Hoogvliet en mr. J.Th. Drop, leden, in tegenwoordigheid van mr. Y.C. Visser, griffier. w.g. Uylenburg w.g. Visser voorzitter griffier Uitgesproken in het openbaar op 6 november 2019 148. BIJLAGE EVOA - Verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen (Pb 2006 L 190) Artikel 2 Definities Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder: […] 7. "voorlopige nuttige toepassing": nuttige-toepassingshandelingen R 12 en R 13 als omschreven in bijlage II B van Richtlijn 2006/12/EG; […] 34. „overbrenging": het vervoer van voor nuttige toepassing of verwijdering bestemde afvalstoffen dat plaatsvindt of gepland is plaats te hebben:
- a)tussen een land en een ander land […]. Artikel 3 Algemeen procedureel kader 1. Overbrengingen van de volgende afvalstoffen vallen onder de procedure van voorafgaande schriftelijke kennisgeving en toestemming, als vastgelegd in deze titel: […]
- b)indien bestemd voor nuttige toepassing:
- i)de afvalstoffen van bijlage IV, inclusief inter alia de afvalstoffen die worden genoemd in de bijlagen II en VIII bij het Verdrag van Bazel;
- ii)de afvalstoffen van bijlage IV A; iii) de afvalstoffen die niet onder één code van bijlage III, III B, IV of IV A vallen;
- iv)mengsels van afvalstoffen die niet onder één code van bijlage III, III B, IV of IV A vallen, tenzij zij staan vermeld in bijlage III A. Artikel 4 Kennisgeving […] 6. Reikwijdte van de kennisgeving De kennisgeving bestrijkt de overbrenging van de afvalstoffen vanaf de oorspronkelijke plaats van verzending en omvat de voorlopige en niet-voorlopige nuttige toepassing of verwijdering. […]. Artikel 9 Toestemming van de bevoegde autoriteit van bestemming, van verzending en van doorvoer en termijnen voor vervoer, nuttige toepassing of verwijdering 1. De bevoegde autoriteiten van verzending, van bestemming en van doorvoer beschikken over een termijn van 30 dagen na de datum van de ontvangstbevestiging door de bevoegde autoriteiten van bestemming uit hoofde van artikel 8 om een van de volgende, schriftelijk gemotiveerde besluiten te nemen over de aangemelde overbrenging:
- a)toestemming zonder voorwaarden;
- b)aan voorwaarden verbonden toestemming, overeenkomstig artikel 10; of
- c)bezwaar, overeenkomstig de artikelen 11 en 12. […] 2. De bevoegde autoriteiten van bestemming, van verzending en, voorzover van toepassing, van doorvoer zenden de kennisgever binnen de in lid 1 bedoelde termijn van 30 dagen hun schriftelijk besluit en de redenen daarvoor toe, met afschrift aan de overige betrokken bevoegde autoriteiten. […] 8. De betrokken bevoegde autoriteiten trekken hun toestemming in, wanneer zij er kennis van krijgen dat: a. de samenstelling van de afvalstoffen niet overeenstemt met hetgeen in de kennisgeving is vermeld; of b. de aan de overbrenging verbonden voorwaarden niet worden nageleefd; of c. de afvalstoffen niet conform de vergunning van de inrichting waarin de genoemde handeling plaatsvindt, nuttig worden toegepast of verwijderd; of d. de afvalstoffen zullen worden of zijn overgebracht, nuttig toegepast of verwijderd op een wijze die niet in overeenstemming is met de in het kennisgevings- en vervoersdocument vermelde of daarbij gevoegde informatie. Artikel 15 Aanvullende voorschriften inzake voorlopige nuttige toepassing en verwijdering Voor transporten van afvalstoffen die bestemd zijn voor voorlopige nuttige toepassing of verwijdering gelden de volgende aanvullende voorschriften: […] b. de bevoegde autoriteiten van verzending en van bestemming kunnen alleen dan toestemming geven voor een transport dat bestemd is voor een voorlopige nuttige toepassing of verwijdering, wanneer er geen gronden voor bezwaar zijn in de zin van artikel 11 of 12 voor het transport naar de inrichting waar de daaropvolgende al dan niet voorlopige nuttige toepassing of verwijdering zal plaatsvinden; […]. Kaderrichtlijn Afvalstoffen - Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 betreffende afvalstoffen en tot intrekking van een aantal richtlijnen (PB 2008 L 312/) Artikel 13 Bescherming van de menselijke gezondheid en het milieu De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat het afvalstoffenbeheer geen gevaar oplevert voor de gezondheid van de mens en geen nadelige gevolgen heeft voor het milieu, met name:
- a)zonder risico voor water, lucht, bodem, fauna en flora;
- b)zonder geluids- of stankhinder te veroorzaken; en tevens
- c)zonder schade te berokkenen aan natuur- en landschapsschoon. Artikel 18 Verbod op het mengen van gevaarlijke afvalstoffen 1. De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat gevaarlijke afvalstoffen niet worden gemengd met andere categorieën gevaarlijke afvalstoffen, noch met andere afvalstoffen, stoffen of materialen. Onder mengen wordt ook het verdunnen van gevaarlijke stoffen verstaan. 2. In afwijking van lid 1 mogen de lidstaten toestaan dat er wordt gemengd, op voorwaarde dat:
- a)er wordt gemengd door een inrichting of onderneming die over een vergunning overeenkomstig artikel 23 beschikt;
- b)de bepalingen van artikel 13 worden nageleefd en de negatieve gevolgen van het afvalbeheer op de menselijke gezondheid en het milieu niet worden vergroot; en tevens
- c)de handeling in kwestie in overeenstemming is met de beste beschikbare technieken. Artikel 23 Afgifte van vergunningen 1. De lidstaten bepalen dat inrichtingen en ondernemingen die voornemens zijn afval te verwerken, daarvoor van de bevoegde instantie een vergunning dienen te verkrijgen. In die vergunningen worden in elk geval de volgende elementen gespecificeerd:
- a)soorten en hoeveelheden van de afvalstoffen die mogen worden verwerkt;
- b)voor elk type vergunde handeling, de technische en andersoortige voorschriften die op de betrokken locatie van toepassing zijn;
- c)de te nemen veiligheids- en voorzorgsmaatregelen;
- d)de voor elk type handeling toe te passen methode;
- e)monitoring- en controlehandelingen voor zover noodzakelijk;
- f)bepalingen inzake sluiting en nazorg voor zover noodzakelijk. […]. Artikel 24 Vrijstelling van de vergunningsvereisten De lidstaten kunnen inrichtingen en ondernemingen vrijstellen van het bepaalde in artikel 23, lid 1, voor onderstaande handelingen:
- a)verwijdering van hun eigen niet-gevaarlijke afvalstoffen op de plaats van productie, of
- b)nuttige toepassing van afvalstoffen. Artikel 25 Voorwaarden voor vrijstelling 1. Wanneer een lidstaat vrijstellingen wenst te verlenen overeenkomstig artikel 24, legt hij voor elk type activiteit algemene voorschriften vast waarin wordt gespecificeerd op welke soort en hoeveelheid afvalstoffen een vrijstelling betrekking heeft en welke verwerkingsmethode moet worden gebruikt. Deze voorschriften zijn erop gericht te garanderen dat afval overeenkomstig artikel 13 wordt verwerkt. In het geval van verwijderingshandelingen, bedoeld in artikel 24, onder a), moeten in deze voorschriften de beste beschikbare technieken in aanmerking worden genomen. 2. Naast de algemene voorschriften waarin lid 1 voorziet, stellen de lidstaten specifieke voorwaarden vast voor vrijstellingen met betrekking tot gevaarlijke afvalstoffen, inclusief types activiteiten, alsmede alle andere noodzakelijke eisen met betrekking tot de uitvoering van verschillende vormen van nuttige toepassing en waar dit relevant is, grenswaarden voor het gehalte aan gevaarlijke stoffen in de afvalstoffen en emissiegrenswaarden. 3. De lidstaten stellen de Commissie in kennis van de krachtens de leden 1 en 2 vastgestelde algemene voorschriften. Wet milieubeheer Artikel 1.1 1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: […] gevaarlijke afvalstof: afvalstof die een of meer van de in bijlage III bij de kaderrichtlijn afvalstoffen genoemde gevaarlijke eigenschappen bezit; […] kaderrichtlijn afvalstoffen: richtlijn nr. 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 19 november 2008 betreffende afvalstoffen en tot intrekking van een aantal richtlijnen (PbEU L 312); […]. Artikel 10.1 1. Een ieder die handelingen met betrekking tot afvalstoffen verricht of nalaat en die weet of redelijkerwijs had kunnen weten dat daardoor nadelige gevolgen voor het milieu ontstaan of kunnen ontstaan, is verplicht alle maatregelen te nemen of na te laten die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd, teneinde die gevolgen zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken. […] 3. Het is een ieder verboden bedrijfsmatig of in een omvang of op een wijze alsof deze bedrijfsmatig was, handelingen met betrekking tot afvalstoffen te verrichten, indien daardoor, naar hij weet of redelijkerwijs had kunnen weten, nadelige gevolgen voor het milieu ontstaan of kunnen ontstaan. 4. Onder handelingen als bedoeld in het derde lid wordt in ieder geval verstaan: inzamelen of anderszins in ontvangst nemen, bewaren, nuttig toepassen, verwijderen, vervoeren of verhandelen van afvalstoffen of bemiddelen bij het beheer van afvalstoffen. 5. De verboden, bedoeld in het tweede en derde lid, gelden niet voor zover deze handelingen betreffen, die degene die deze verricht, uitdrukkelijk zijn toegestaan bij of krachtens deze wet of een in artikel 13.1, tweede lid, genoemde wet of de EG-verordening overbrenging van afvalstoffen. Artikel 10.2 1. Het is verboden zich van afvalstoffen te ontdoen door deze - al dan niet in verpakking - buiten een inrichting te storten, anderszins op of in de bodem te brengen of te verbranden. 2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan, indien het belang van de bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet, voor daarbij aangegeven categorieën van gevallen vrijstelling worden verleend van het verbod, bedoeld in het eerste lid. 3. Indien toepassing is gegeven aan het tweede lid, kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur in het belang van de bescherming van het milieu regels worden gesteld met betrekking tot het zich ontdoen van afvalstoffen als bedoeld in het eerste lid. Artikel 10.52 1. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen in het belang van de bescherming van het milieu regels worden gesteld omtrent het beheer van bij de maatregel aangewezen categorieën van bedrijfsafvalstoffen. 2. Bij de maatregel kunnen in ieder geval regels worden gesteld, inhoudende een verbod bij de maatregel aangewezen categorieën van bedrijfsafvalstoffen buiten een inrichting nuttig toe te passen of te verwijderen zonder vergunning van het bestuursorgaan dat daartoe bij de maatregel is aangewezen. […] Artikel 10.54 1. Het is verboden gevaarlijke afvalstoffen buiten een inrichting nuttig toe te passen of te verwijderen. 2. Het verbod geldt niet voor handelingen die aan degene die gevaarlijke afvalstoffen inzamelt, uitdrukkelijk zijn toegestaan krachtens artikel 10.47, 10.48 of 10.54a, tweede lid. 3. Artikel 10.2, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing. Artikel 10.54a 1. Het is verboden gevaarlijke afvalstoffen te mengen, daaronder mede begrepen verdunnen, met andere bij ministeriële regeling aangewezen categorieën gevaarlijke afvalstoffen of met andere bij ministeriële regeling aangewezen afvalstoffen, stoffen of materialen. 2. Het verbod, bedoeld in het eerste lid, geldt niet voor zover het mengen van gevaarlijke afvalstoffen is toegestaan krachtens een omgevingsvergunning. 3. Onze Minister bepaalt bij ministeriële regeling in welke gevallen gevaarlijke afvalstoffen die in strijd met het eerste lid zijn gemengd, gescheiden dienen te worden. Wet algemene bepalingen omgevingsrecht Artikel 1.1 […] 3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden categorieën inrichtingen aangewezen als bedoeld in artikel 1.1, vierde lid, van de Wet milieubeheer, waarvan het oprichten, het veranderen of veranderen van de werking of het in werking hebben moet worden onderworpen aan een voorafgaande toetsing, gezien de aard en de omvang van de nadelige gevolgen die de inrichtingen voor het milieu kunnen veroorzaken. Bij de maatregel worden als categorie in ieder geval aangewezen de inrichtingen waartoe een IPPC-installatie behoort. […]. Artikel 2.1 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit: […] e. 1°. het oprichten, 2°. het veranderen of veranderen van de werking of 3°. het in werking hebben van een inrichting of mijnbouwwerk, […] i. het verrichten van een andere activiteit die behoort tot een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorie activiteiten die van invloed kunnen zijn op de fysieke leefomgeving. Besluit omgevingsrecht Artikel 2.1 Inrichting […] 2. Als categorieën vergunningplichtige inrichtingen worden aangewezen de categorieën inrichtingen waartoe een IPPC-installatie behoort en de categorieën die als zodanig zijn aangewezen in bijlage I, onderdeel B, en onderdeel C. […]. Artikel 2.2a Activiteiten die van invloed kunnen zijn op de fysieke leefomgeving (milieu) […] 2. Als categorieën activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder i, van de wet, voor zover deze plaatsvinden binnen een inrichting als bedoeld in artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer worden tevens aangewezen: […] f. het mengen van afvalstoffen voor het vervaardigen van betonmortel of betonwaren binnen een inrichting als bedoeld in categorie 11.1, onder b, van onderdeel C van bijlage I; […] 3. Als categorie activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder i, van de wet, voor zover deze plaatsvinden binnen een inrichting als bedoeld in artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer, wordt tevens aangewezen het oprichten, het veranderen of veranderen van de werking of het in werking hebben van een inrichting als bedoeld in categorie 11.3, onderdeel c, onder 2° en 3°, van onderdeel C, van bijlage I. […] 9. Het eerste tot en met het achtste lid zijn niet van toepassing indien de activiteit deel uitmaakt van een IPPC-installatie. Besluit bodemkwaliteit Artikel 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt, tenzij anders bepaald, verstaan onder: […] Bouwstof: materiaal waarin de totaalgehalten aan silicium, calcium of aluminium tezamen meer dan 10 gewichtsprocent van dat materiaal bedragen, uitgezonderd vlakglas, metallisch aluminium, grond of baggerspecie, dat is bestemd om te worden toegepast; […] Toepassen van bouwstoffen: in een werk aanbrengen of houden van bouwstoffen, alsmede het laten verrichten daarvan. Voor de toepassing van de bij of krachtens dit besluit gestelde regels wordt onder «het toepassen van bouwstoffen in een oppervlaktewaterlichaam» mede verstaan het toepassen van bouwstoffen op of in de bodem of oever van een oppervlaktewaterlichaam; […] Werk: bouwwerk, weg- of waterbouwkundig werk of anderszins functionele toepassing van een bouwstof, uitgezonderd het verondiepen of het dempen van een oppervlaktewaterlichaam en het ophogen van de bodem ten behoeve van woonwijken en industrieterreinen; Werkzaamheid: een bij regeling van Onze Minister aangewezen handeling als bedoeld in artikel 11A.2, tweede lid, van de Wet milieubeheer, die wordt uitgevoerd met betrekking tot bodem, grond, baggerspecie, bouwstoffen of bodemenergiesystemen. Artikel 18 1 Het is verboden een werkzaamheid uit te voeren in strijd met het daarvoor geldende normdocument. 2 Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover het afwijken van het normdocument bij wettelijk voorschrift is toegestaan. Activiteitenbesluit milieubeheer Artikel 1.2 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: […] inrichting type C: een inrichting die behoort tot een categorie van inrichtingen die op grond van artikel 1.1, derde lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is aangewezen; […]. Artikel 2.4 […] 2. Emissies van zeer zorgwekkende stoffen naar de lucht worden zoveel mogelijk voorkomen dan wel, indien dat niet mogelijk is, tot een minimum beperkt. […].