(9060)" rust op het perceel de bestemming "Bedrijventerrein" met de zone-aanduiding B. Volgens de bestemmingsomschrijving in artikel 3 van de planregels zijn in dat geval bedrijven tot en met categorie 3 van de Bedrijvenlijst in bijlage 1 bij het bestemmingsplan toegestaan. Via een wijzigingsbevoegdheid in artikel 3, onder H, kan evenwel voor deze gronden worden toegestaan dat ook categorie 4 bedrijven zich vestigen. Volgens de bedrijvenlijst zijn puinbrekerijen en -malerijen die minder dan 100.000 ton puin per jaar verwerken, zoals hier aan de orde, ingedeeld in categorie
- Nu de wijzigingsbevoegdheid door het college niet is aangewend, staat daarmee gelet op het voorgaande vast dat de puinbrekerij in strijd is met de voor het perceel geldende bestemming. Hetgeen [appellante] heeft aangevoerd, doet daar niet aan af. Er is daarom een omgevingsvergunning in verband met het met het bestemmingsplan strijdige gebruik vereist. De rechtbank is terecht tot dat oordeel gekomen. Het betoog faalt.
- [appellante] betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat het college de omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan niet in redelijkheid heeft mogen weigeren. Zij voert daartoe aan dat zij verschillende maatregelen heeft genomen om eventuele overlast van de puinbreker op de nieuwe locatie, die op grotere afstand ligt van omliggende woningen dan de bestaande locatie, zo veel mogelijk te beperken. Daarnaast is volgens [appellante] ten onrechte nieuw gemeentelijk beleid in aanmerking genomen, waaruit zou volgen dat bedrijvigheid zoals zij die uitvoert op het bedrijventerrein niet langer gewenst is. Dit blijkt niet uit dat beleid, aldus [appellante]. Verder heeft de rechtbank miskend dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het aspect trillingshinder aan vergunningverlening in de weg staat. Of de puinbreker voldoet aan de Richtlijn Trillingshinder van de Stichting Bouwresearch kan eerst worden gemeten als op de betreffende locatie daadwerkelijk puin wordt gebroken. Dat kon nog niet gebeuren. De Omgevingsdienst heeft om die reden geadviseerd om ter zake de voorwaarde aan de vergunning te verbinden dat dit wordt gemeten bij de eerste maal dat op de nieuwe locatie puin wordt gebroken. De rechtbank heeft verder miskend dat ook wat de door het college genoemde cumulatie van ruimtelijke effecten betreft, het besluit ondeugdelijk is gemotiveerd. 7.
- [appellante] betoogt terecht dat de rechtbank niet heeft onderkend dat aan het besluit geen deugdelijke motivering ten grondslag is gelegd. Zoals uit het voorgaande volgt, heeft het college bij de afweging van belangen in verband met het besluit geen rekening gehouden met de omstandigheid dat [appellante] reeds sinds 25 april 2012 beschikt over een milieuvergunning die haar het gebruik toestaat van een mobiele puinbreker in de inrichting op het perceel [locatie 2] voor maximaal 12 maal per jaar. Hoewel niet bepalend voor de vraag of een omgevingsvergunning in afwijking van het bestemmingsplan kan worden verleend, dient daar rekening mee te worden gehouden bij de beoordeling van de onderhavige aanvraag. Temeer nu is gebleken dat de opstelplaats voor de mobiele puinbreker verder van omliggende woningen is gelegen dan de eerder vergunde opstelplaats en de aanvraag van 14 september 2016 wat de milieuvergunning betreft, opnieuw voor verlening in aanmerking komt. [appellante] betoogt over eventuele trillingshinder verder terecht dat nog niet vastgesteld is kunnen worden of aan de ter zake gehanteerde Richtlijn kan worden voldaan en dat de Omgevingsdienst in het aanvullende onderzoek van 14 maart 2018 heeft geadviseerd om dat te ondervangen door het verbinden van voorschriften aan de vergunning. De rechtbank heeft gelet op het voorgaande ten onrechte de rechtsgevolgen van het besluit in stand gelaten. De overige door [appellante] aangevoerde beroepsgronden kunnen buiten bespreking blijven. Het betoog slaagt. Conclusie
- Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover de rechtsgevolgen van het besluit van 15 mei 2018 in stand zijn gelaten. Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht te bepalen dat tegen het nieuw te nemen besluit slechts bij haar beroep kan worden ingesteld.
- Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het hoger beroep gegrond; II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 5 oktober 2018, zaak nr. 18/2564, voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Dronten van 15 mei 2018, kenmerk U18.006285/GO/AH, in stand zijn gelaten; III. bepaalt dat tegen het te nemen nieuwe besluit slechts bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld; IV. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Dronten tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1024,00 (zegge: duizendvierentwintig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; V. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Dronten aan [appellante] het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 508,00 (zegge: vijfhonderdacht euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt. Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, voorzitter, en mr. J.Th. Drop en mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, leden, in tegenwoordigheid van mr. D.L. Bolleboom, griffier. w.g. Hagen w.g. Bolleboom voorzitter griffier Uitgesproken in het openbaar op 6 november 2019
- BIJLAGE Algemene wet bestuursrecht Artikel 8:113, tweede lid: Indien de uitspraak van de hoger beroepsrechter ertoe strekt dat het bestuursorgaan een nieuw besluit neemt, kan de uitspraak tevens inhouden dat beroep tegen dat besluit slechts kan worden ingesteld bij de hoger beroepsrechter. Wet algemene bepalingen omgevingsrecht Artikel 2.1, eerste lid: Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit: a. het bouwen van een bouwwerk, b. (…), c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, een beheersverordening, een exploitatieplan, de regels gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening of een voorbereidingsbesluit voor zover toepassing is gegeven aan artikel 3.7, vierde lid, tweede volzin, van die wet, d. (…), e. 1°. het oprichten, 2°. het veranderen of veranderen van de werking of 3°. het in werking hebben van een inrichting of mijnbouwwerk, (…). i. het verrichten van een andere activiteit die behoort tot een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorie activiteiten die van invloed kunnen zijn op de fysieke leefomgeving. Artikel 2.12, eerste lid: Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en: a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening: 1°. met toepassing van de in het bestemmingsplan of de beheersverordening opgenomen regels inzake afwijking, 2°. in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of 3°. in overige gevallen, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat. Bestemmingsplan "Bedrijventerreinen