201807635/1/A3. Datum uitspraak: 27 november 2019 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], mede voor zijn minderjarige zoon, wonend te Warmond, gemeente Teylingen, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 6 augustus 2018 in zaak nr. 17/1001 in het geding tussen: [appellant] en het college van burgemeester en wethouders van Teylingen. Procesverloop Bij besluit van 31 mei 2016 heeft het college een verzoek van [appellant] om de van hem en zijn minderjarige kinderen in de basisregistratie personen (hierna: de brp) geregistreerde nationaliteit te wijzigen in 'staatloos', afgewezen. Het college heeft de registratie gewijzigd in "nationaliteit onbekend". Bij besluit van 4 januari 2017 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij besluit van 4 april 2018 heeft het college de afwijzing van het verzoek om wijziging van de brp gehandhaafd. Bij uitspraak van 6 augustus 2018 heeft de rechtbank het beroep van [appellant] tegen de besluiten van 4 januari 2017 en 4 april 2018 ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld. Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. [appellant] heeft nadere stukken ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 mei 2019, waar [appellant], bijgestaan door mr. H.M.A.E. van Ooijen, advocaat te Amsterdam, vergezeld door tolk L. Makaddam, en het college, vertegenwoordigd door mr. E.J.M. Rietveld, V.M.M. van Winsen en P.C.L. Kwinkelenberg, zijn verschenen. Overwegingen Inleiding 1. [appellant] en zijn [zoon] stonden in de brp geregistreerd met de Libische onderscheidenlijk de Libanese nationaliteit. [appellant] heeft verzocht om de geregistreerde nationaliteit te wijzigen in 'staatloos'. Het college heeft dit verzoek afgewezen. Volgens [appellant] is dat onterecht. Het kan volgens hem niet zo zijn dat hij wel als staatloze Palestijn uit Libië een verblijfsvergunning asiel heeft gekregen, maar dat wordt geweigerd om de staatloosheid in de brp te registreren. Regelgeving 2. De relevante bepalingen uit het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM), de Wet basisregistratie personen (hierna: de Wet brp) en de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) zijn opgenomen in een bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak. Besluiten van het college 3. Bij het besluit van 31 mei 2016 heeft het college geweigerd om in de brp te registreren dat [appellant] staatloos is. Dat de Immigratie- en Naturalisatiedienst (hierna: de IND) wisselende informatie heeft gegeven, waaronder ook een brief dat [appellant] staatloos is, is geen grond voor registratie van staatloosheid. [appellant] heeft onvoldoende aangetoond dat hij staatloos is. Het specialistisch team 1RVN van de afdeling juridische zaken van de IND heeft de dossiers onderzocht en is tot de conclusie gekomen dat de nationaliteit van [appellant] niet kan worden bepaald. Dit is vastgelegd in een brief van de IND van 10 mei 2016 en in een mededeling als bedoeld in artikel 2.17 van de Wet brp van 11 mei 2016. De overgelegde registratiekaart van de United Nations Relief and Works Agency for Palestine Refugees in the Near East (hierna: UNRWA) wordt volgens het Bureau Documenten van de IND niet gebruikt om de identiteit of nationaliteit mee vast te stellen. Het overgelegde Libische rijbewijs is volgens een algemeen ambtsbericht Libië geen identiteitsdocument. Met deze documenten is daarom de staatloosheid van [appellant] niet aangetoond, aldus het college. 4. Bij het besluit van 4 januari 2017 heeft het college de afwijzing van het verzoek van [appellant] gehandhaafd. Op basis van de overgelegde documenten en na overleg met de IND en de Nederlandse Vereniging voor Burgerzaken (hierna: de NVVB) is de conclusie dat de nationaliteit van [appellant] onbekend is. Dat in de asielprocedure geloofwaardig is geacht dat [appellant] staatloos Palestijn is, maakt nog niet dat daarmee de staatloosheid vaststaat. Voor de vaststelling van staatloosheid zijn authentieke documenten nodig, die in dit geval ontbreken. Het in bezwaar overgelegde Identification Affidavit voldoet ook niet, omdat dit slechts een eigen verklaring van [appellant] is. De geboorteakte en het rijbewijs uit Libië zijn wellicht echt, maar op basis van deze documenten kan de nationaliteit niet worden vastgesteld. Verder heeft de IND op grond van artikel 2.17 van de Wet brp meegedeeld dat de nationaliteit van [appellant] onbekend is. De IND heeft nooit een mededeling op grond van artikel 2.17 van de Wet brp afgegeven waarin staat dat [appellant] staatloos is. Het is begrijpelijk dat [appellant] stelt dat hij in een onmogelijke bewijspositie terechtkomt, gelet op het feit dat het aantonen van staatloosheid niet eenvoudig is. De vraag of bewijsnood bestaat bij het aantonen van staatloosheid, dient echter in een procedure naar aanleiding van een verzoek tot naturalisatie aan de orde te komen. Gelet op de uitspraak van de Afdeling van 30 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3179, behoefde niet nader te worden onderzocht of [appellant] staatloos is en levert de weigering geen inmenging in het door artikel 8 van het EVRM beschermde recht op familie- of gezinsleven op, aldus het college. Aanvullingen gedurende het beroep 5. In beroep heeft [appellant], in aanvulling op de eerder overgelegde documenten, een verklaring van de UNRWA van 2 oktober 2017 overgelegd, waarin staat dat [appellant] in Libanon is geregistreerd als Palestijnse vluchteling. Op verzoek van de rechtbank heeft het college de IND om een nieuwe mededeling als bedoeld in artikel 2.17 van de Wet brp gevraagd. Bij brief van 7 november 2017 heeft de IND geweigerd een nieuwe mededeling te verstrekken. Daartoe is gesteld dat de nieuw overgelegde documenten niet van invloed zijn op de nationaliteit die door de IND in de toelatingsprocedure is geregistreerd. 6. Vervolgens heeft de rechtbank het college opgedragen in een aanvullend besluit te beoordelen of [appellant] op grond van de artikelen 2.8 en 2.15 van de Wet brp als staatloos in de brp kan worden ingeschreven op basis van de UNRWA-verklaring in combinatie met het in het Refugee Records Information System (hierna: RRIS) van de UNRWA geregistreerde Libanese identiteitsbewijs voor Palestijnse vluchtelingen. Bij aanvullend besluit van 4 april 2018 heeft het college de afwijzing van het verzoek om [appellant] als staatloze in de brp te registreren, gehandhaafd. Het college heeft daartoe informatie ingewonnen bij de NVVB, de IND en het team Identiteitsfraude/Basisinformatie van de gemeente Amsterdam. Omdat geen documenten voorhanden zijn over de ouders van [appellant], is onbekend of [appellant] via zijn ouders de Libische nationaliteit kan hebben verkregen. Het Bureau Documenten van de IND heeft op 24 januari 2018 te kennen gegeven dat de UNRWA-kaart en het Libanese identiteitsbewijs wat betreft de verschijningsvorm in grote lijnen corresponderen met het beschikbare vergelijkingsmateriaal. Over de verschijningsvorm van de UNRWA-verklaring kan volgens het Bureau Documenten geen uitspraak worden gedaan, omdat vergelijkingsmateriaal ontbreekt. Omdat de UNRWA-kaart, het Libanese identiteitsbewijs en de UNRWA-verklaring kopieën zijn, kan het Bureau Documenten geen uitspraak doen over de echtheid en de opmaak en afgifte van deze documenten. Op grond van de ingewonnen informatie is het college gebleven bij het standpunt dat de registratie in de brp niet kan worden gewijzigd in staatloos. Kopieën van documenten zijn geen brondocumenten voor aanpassing van de brp. Ook zijn de overgelegde documenten ten minste tien jaar geleden afgegeven. Nu [appellant] pas in 2014 in Nederland is gekomen, kan niet worden nagegaan of in de tussentijd wellicht een andere nationaliteit kan zijn verkregen. Aangevallen uitspraak 7. De rechtbank heeft overwogen dat [appellant] terecht heeft betoogd dat het college in het besluit van 4 januari 2017 ten onrechte de nadruk heeft gelegd op de mededeling als bedoeld in artikel 2.17 van de Wet brp, in plaats van zelf eerst te beoordelen of [appellant] op grond van artikel 2.15 van die wet als staatloze in de brp kan worden geregistreerd. De rechtbank heeft aanleiding gezien dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren, omdat het college het gebrek in het aanvullende besluit van 4 april 2018 heeft hersteld en niet is gebleken dat [appellant] daardoor is benadeeld. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college in het aanvullende besluit voldoende gemotiveerd waarom de gestelde staatloosheid van [appellant] niet op basis van de verklaring van de UNRWA, in combinatie met de in het RRIS geregistreerde identiteitsbewijs, kan worden vastgesteld en geregistreerd. Daartoe heeft het college terecht gesteld dat het door [appellant] overgelegde identiteitsbewijs en de UNRWA-kaart kopieën zijn, die niet op echtheid kunnen worden gecontroleerd. Daarom kan niet van deze documenten worden uitgegaan. De enkele stelling van [appellant] dat de UNRWA-kaart in de asielprocedure echt is bevonden, doet daar niet aan af. Ook de verklaring van de UNRWA kan niet leiden tot vaststelling van de staatloosheid van [appellant], aangezien zijn identiteit niet kan worden vastgesteld. Bovendien zijn dit geen brondocumenten. De overige door [appellant] overgelegde documenten heeft het college voldoende bij de besluitvorming betrokken, zoals blijkt uit het verweerschrift in bezwaar en uit het besluit van 31 mei 2016. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de gestelde staatloosheid van [appellant] niet kan worden vastgesteld en op grond van artikel 2.15 van de Wet brp niet in de brp kan worden ingeschreven. Het college was vervolgens gehouden om, in overeenstemming met de mededeling van de IND als bedoeld in artikel 2.17 van de Wet brp, de nationaliteit van [appellant] als 'onbekend' te registreren. Voor zover [appellant] heeft betoogd dat de IND in de gehele asielprocedure van zijn staatloosheid is uitgegaan, is overwogen dat de beoordeling van de geloofwaardigheid in het kader van de asielprocedure van andere aard is dan de vaststelling van de staatloosheid. Dit laatste is geen zelfstandige toets in de asielprocedure. De wijze waarop de IND in het kader van de mededeling als bedoeld in artikel 2.17 de nationaliteit vaststelt, kan in deze procedure niet aan de orde worden gesteld, nu het college niet bevoegd is om van de mededeling af te wijken. De mededeling kan ook niet worden aangemerkt als advies. Artikel 3:9 van de Awb is dan ook niet van toepassing. Voor zover [appellant] een beroep heeft gedaan op artikel 8 van het EVRM, heeft de rechtbank verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van 30 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3179. In die uitspraak heeft de Afdeling overwogen dat de weigering om de staatloosheid van de betrokkene vast te stellen geen inmenging in het recht op familie- of gezinsleven oplevert. Daartoe is in die uitspraak overwogen dat die weigering geen consequenties heeft voor het verblijfsrecht van betrokkene, dat hem in staat stelt tot het uitoefenen van familieleven in Nederland. Er is geen aanleiding om ten aanzien van het recht op identiteit van die uitspraak af te wijken. Dit recht maakt, gelet op de gewenste betrouwbaarheid van de in de brp opgenomen gegevens, niet dat een onjuiste nationaliteit in de brp moet worden geregistreerd. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om prejudiciële vragen te stellen over het begrip 'staatloze'. Beoordeling van het hoger beroep Bewijskracht overgelegde documenten 8. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij met de overgelegde documenten niet heeft aangetoond dat hij staatloos is. Hij voert aan dat reeds in de asielprocedure is vastgesteld dat de UNRWA-kaart echt is. Verder staat in een e-mail van 24 januari 2018 van het Bureau Documenten van de IND dat de verschijningsvorm van zowel de UNRWA-kaart als het Libanese identiteitsbewijs voor Palestijnse vluchtelingen in grote lijnen overeenkomt met het beschikbare vergelijkingsmateriaal. Verder voert [appellant] aan dat met de overgelegde documenten zijn identiteit kan worden vastgesteld. Daartoe stelt hij dat die identiteit tijdens de asielprocedure ook niet ter discussie gestaan. Verder heeft de rechtbank volgens hem ten onrechte overwogen dat de UNRWA-kaart, het identiteitsbewijs en de verklaring van de UNRWA niet kunnen worden aangemerkt als brondocumenten in de zin van artikel 2.15 van de Wet brp. Het identiteitsbewijs is afgegeven door het directoraat-generaal voor politieke zaken en vluchtelingen van het Libanese Ministerie van Binnenlandse Zaken en Gemeenten. Deze instantie is bevoegd om volgens het recht in Libanon een identiteitsbewijs voor Palestijnse vluchtelingen af te geven. Dit volgt volgens [appellant] uit een rapport van de United Nations High Commissioner for Refugees (UNHCR) over de status van Palestijnse vluchtelingen in Libanon. Verder is de UNRWA de bevoegde autoriteit om de Palestijnse afkomst te registreren in het RRIS. Deze registratie is volgens hem met voldoende zorgvuldigheid omkleed. [appellant] voert verder aan dat is voldaan aan de voorwaarden die in een e-mail van de IND van 11 mei 2016 staan: "Indien de UNRWA-card echt is én betrokkenen op de een of andere manier zich alsnog voldoende identificeren, kan in combinatie met de reeds overgelegde geboorteakte van [appellant] m.i. wel geconcludeerd worden tot staatloosheid." 8.1. Zoals de rechtbank, onder verwijzing naar de uitspraken van de Afdeling van 10 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:305, en 12 oktober 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2704, heeft overwogen, staat voorop dat de gegevens in de brp betrouwbaar en duidelijk moeten zijn. De gebruikers van de gegevens moeten erop kunnen vertrouwen dat de gegevens in beginsel juist zijn. Voor het wijzigen van eenmaal in de brp opgenomen gegevens moet, gelet op het systeem van de Wet brp, onomstotelijk vaststaan dat deze gegevens feitelijk onjuist zijn. Het bewijs daarvoor kan alleen worden geleverd door overlegging van de juiste brondocumenten. 8.2. Gegevens over een andere dan de Nederlandse nationaliteit moeten met toepassing van artikel 2.15 van de Wet brp in de brp worden geregistreerd. Ingevolge het eerste lid moeten die gegevens in eerste instantie (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.