(2009), aldus de notitie. Een opstelling van negen windturbines leidt volgens de notitie tot een robuust project dat leidt tot concentratie van windturbines en behoort tot de beschreven voorkeursgebieden uit het POL 2014. Provinciale staten hebben de commissie m.e.r. gevraagd of de oplegnotitie voldoende informatie bevat om het milieubelang volwaardig te kunnen wegen bij het besluit over het windpark. Provinciale staten hebben de commissie m.e.r. niet gevraagd de eerder gemaakte MER opnieuw te beoordelen omdat de eerdere MER al was voorzien van een positief toetsingsadvies. In haar advies van 10 juli 2018 heeft de commissie m.e.r. extra informatie nodig geoordeeld waaronder "een toelichting waarom de locatie ‘Greenport’ vergelijkbaar, geschikter of minder geschikt is ten opzichte van mogelijke andere locaties voor windparken in Limburg". Naar aanleiding van dit verzoek van de commissie m.e.r. is aan de Anteagroup opdracht gegeven om voor de provincie Limburg een locatiestudie te verrichten. Dit heeft geleid tot het rapport "Zoekgebieden Windenergie Limburg, locatiestudie zoekgebieden voor windenergie Provincie Limburg" van 16 augustus 2018 (hierna: het alternatievenrapport). Met dit rapport is beoogd inzicht te geven in de relatieve geschiktheid van locatie Greenport, ten opzichte van mogelijk ook geschikte alternatieve locaties in de provincie Limburg. 18.1. In het MER staat dat het gaat om een project uit bijlage II van de Chw en dat om die reden in het MER geen locatiealternatieven hoefden te worden onderzocht. Voor zover hiermee wordt gedoeld op artikel 1.11, eerste lid, van de Chw, stellen [appellant sub 6] en anderen en [appellant sub 3] terecht dat deze stelling in het MER onjuist is, nu het hier niet gaat om een MER op grond van artikel 7.23, van de Wet milieubeheer (een besluitMER), maar om een MER op grond van artikel 7.7 van de Wet milieubeheer (een planMER). Wat hier ook van zij, in haar advies van 10 juli 2018 "Windpark Greenport Venlo" heeft de commissie voor de milieueffectrapportage (hierna: de commissie m.e.r.) geconstateerd dat een vergelijking ontbreekt van de locaties die binnen de provincie voor windturbineparken in aanmerking komen. Het was volgens de commissie niet aan de gemeenten Venlo en Horst aan de Maas om een vergelijking met locaties buiten hun gemeenten te maken bij het afwegen van de ruimtelijke inrichting van hun grondgebied. Wel is het volgens de commissie m.e.r. aan provinciale staten om bij een procedure voor een provinciaal inpassingsplan de locatiekeuze breder te onderbouwen dan alleen het grondgebied van een specifieke gemeente. Duidelijk moest volgens de commissie m.e.r. worden of de locatie op Greenport vergelijkbaar, geschikter of minder geschikt is dan andere mogelijke locaties in Limburg. Om die reden hebben provinciale staten alsnog een onderzoek verricht naar alternatieve locaties voor het windpark. De resultaten hiervan zijn neergelegd in het alternatievenrapport dat is verankerd in de notitie aanvulling MER. 18.2. Partijen verschillen van mening over de vraag of provinciale staten gehouden waren om alternatieven te onderzoeken die zijn gelegen buiten het zoekgebied uit de structuurvisie Klavertje 4-gebied. Volgens vaste rechtspraak moeten redelijkerwijs in aanmerking te nemen alternatieven worden beschreven en beoordeeld rekening houdend met het doel en de geografische werking van het plan. De gekozen alternatieven moeten realistisch zijn. Welke alternatieven in een plan-MER redelijkerwijs in beschouwing moeten worden genomen is, zo heeft de Afdeling vaker geoordeeld, afhankelijk van de omstandigheden van het geval. 18.3. Voor zover [appellant sub 6] en anderen en [appellant sub 3] betogen dat provinciale staten redelijkerwijs geen gebruik hebben kunnen maken van het MER dat door de gemeente Venlo is opgesteld, overweegt de Afdeling dat zij dit betoog niet volgt. Hierbij heeft de Afdeling in aanmerking genomen dat, zoals onder 10.3 en 18 is vermeld, ter aanvulling op dat MER de notitie aanvulling MER is opgesteld. 18.4. De Afdeling constateert dat het inpassingsplan een tweeledig doel heeft. Het primaire uitgangspunt van het inpassingsplan is blijkens het MER echter het voornemen van initiatiefnemer Etriplus om in lijn met de ambitie uit de structuurvisie Klavertje 4-gebied een windpark van minimaal 30 MW te realiseren binnen het zoekgebied uit de structuurvisie Klavertje 4-gebied. Die ambitie is neergelegd in paragraaf 4.1. van de structuurvisie. Daarin hebben de opstellers van die visie, de gemeenteraden Horst aan de Maas, Peel en Maas en Venlo, in nauwe samenspraak met het bestuur van de provincie Limburg te kennen gegeven het Klavertje 4-gebied zoveel mogelijk energieneutraal te willen ontwikkelen. Uit paragraaf 6.5. van de structuurvisie blijkt dat wordt ingezet op de realisering van het Klavertje 4-gebied als energieneutraal gebied en op termijn wordt zelfs energie-export geambieerd. Gezien paragraaf 5.6. van de structuurvisie moet een en ander plaatsvinden met inachtneming van onder meer waarborgen voor een goed woon- en leefklimaat. Naast dit door provinciale staten onderschreven primaire uitgangspunt van het initiatief - de ontwikkeling van Greenport Venlo als energieneutraal gebied - beogen provinciale staten met de ontwikkeling van dit windpark tevens bij te dragen aan de door de rijksoverheid opgelegde, uiterlijk in 2020 te realiseren, provinciale taakstelling voor windenergie. 18.5. Tegen de achtergrond van het primaire doel - de ontwikkeling van duurzame energie met het oog op een energieneutraal Klavertje-4 gebied - kan naar het oordeel van de Afdeling niet worden gezegd dat er buiten het Klavertje 4-gebied redelijkerwijs in aanmerking te nemen alternatieven zijn. Omdat het primaire doel locatiespecifiek is, zijn er daarvoor, anders dan voor het aan de provinciale taakstelling gerelateerde doel voor windenergie, buiten het Klavertje-4 gebied geen andere locaties aan te wijzen waar dat primaire doel ook kan worden gerealiseerd. Uitgaande van het primaire doel moet dan ook worden geoordeeld dat provinciale staten niet gehouden waren om alternatieve locaties voor het Klavertje-4 gebied in beschouwing te nemen. Daarvan uitgaande komt de Afdeling niet toe aan een inhoudelijke bespreking van de beroepsgronden van appellanten over alternatieve locaties elders in de provincie Limburg. Die gronden gaan immers uit van de veronderstelling dat provinciale staten gehouden waren alternatieven buiten het Klavertje-4 gebied in beschouwing te nemen en wel in het bijzonder om te bezien of die locatie wellicht beter geschikt zou zijn dan de locatie in het Klavertje 4-gebied. In aanmerking genomen voorts dat het beroep van appellanten zich niet richt tegen de in de MER beoordeelde inrichtingsalternatieven - de mogelijke opstellingen binnen het zoekgebied van de structuurvisie - moet worden geconcludeerd dat, uitgaande van het primaire doel niet kan worden geoordeeld dat het MER-alternatievenonderzoek gebrekkig is. Tegen deze achtergrond zal de Afdeling de beroepsgronden die appellanten hebben aangevoerd tegen het alternatievenonderzoek van Antea niet bespreken. Alternatieven-Locatiekeuze POL 19. [appellant sub 6] en anderen en [appellant sub 3] stellen dat het bestemmingsplan in strijd met het Provinciaal omgevingsplan Limburg 2014 (hierna: het POL) voorziet in windturbines buiten het voorkeursgebied zoals dat in het POL is aangewezen. Zij wijzen erop dat de voorkeursgebieden uit het POL niet overeenstemmen met de structuurvisie Klavertje 4-gebied en dat enkele windturbines buiten het voorkeursgebied zijn voorzien. 19.1. In paragraaf 5.5.4 van het POL staat het provinciale beleid geformuleerd voor windturbineopstellingen met een mast hoger dan 25 m. Dit beleid bestaat uit een combinatie van realisatiestrategie (hoe) en plaatsingsvisie (waar). De plaatsingsvisie (kaart 5) ziet erop dat nieuwe ontwikkelingen met name plaatsvinden in de voorkeursgebieden. Een voorkeursgebied is blijkens het POL bijvoorbeeld een locatie waar een cluster van ten minste zes turbines kan worden opgesteld. Het Nationaal landschap Zuid-Limburg, de Natura 2000-gebieden en het winterbed van de Maas acht het provinciebestuur blijkens het POL niet geschikt; deze gebieden zijn in het POL dan ook uitgesloten van de plaatsing van windturbines. 19.2. Niet in geschil is dat niet alle windturbines zijn voorzien op gronden die in het POL zijn aangewezen als voorkeursgebied. De Afdeling stelt met provinciale staten vast dat het POL windturbines met een mast hoger dan 25 m alleen uitsluit in de uitsluitingsgebieden Nationaal landschap Zuid-Limburg, de Natura 2000-gebieden en het winterbed van de Maas. Dit uitgangspunt is ook neergelegd in artikel 2.10.2 van de Omgevingsverordening. Het POL bepaalt niet, zoals [appellant sub 6] en anderen en [appellant sub 3] menen, dat windturbines alleen gerealiseerd mogen worden in voorkeursgebieden. Anders dan appellanten ziet de Afdeling dan ook niet dat het inpassingsplan in strijd is met het POL. Gelet hierop volgt de Afdeling deze appellanten evenmin in hun stelling dat provinciale staten niet hadden mogen kiezen voor deze locatie omdat de voorkeursgebieden uit het POL niet overeenstemmen met de structuurvisie Klavertje-4 en het POL het oog heeft op ten minste zes windturbines. Het betoog dat de windturbines ten onrechte buiten het zoekgebied in de Goudgroene natuurzone zijn voorzien, wordt hierna besproken onder 22-22.12. Het betoog faalt. Natuur 20. De Afdeling zal hierna de beroepsgronden van appellanten bespreken die betrekking hebben op de door hen gestelde strijdigheid met de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) en de gestelde strijd met de Omgevingsverordening Limburg 2014 (hierna: de Omgevingsverordening), voor zover deze betrekking heeft op de Goudgroene natuurzone en de Bronsgroene landschapszone. Hierbij zal ook worden stilgestaan bij de vraag of de relativiteit verhindert dat de bezwaren van appellanten inhoudelijk worden besproken. Wnb-gebiedsbescherming 21. [appellant sub 6] en anderen en [appellant sub 3] betogen dat het plan in strijd met artikel 2.7, eerste lid, van de Wnb is vastgesteld. Hiertoe voeren zij onder meer aan dat uit het rapport "Natuurtoets Windpark Greenport Venlo", van 25 augustus 2017 (hierna: de Natuurtoets), opgesteld door Arcadis blijkt dat uit een berekening met Aerius volgt dat de effecten van stikstofdepositie op omliggende Natura 2000-gebieden tijdens de aanlegfase onder de toelaatbare grens van 0,05 mol stikstofdepositie per hectare per jaar blijven. Deze grens van 0,05 mol stikstofdepositie per hectare per jaar hangt volgens hen onlosmakelijk samen met het Programma Aanpak Stikstof (hierna: PAS), omdat de depositieruimte die voor activiteiten met een dergelijke depositie beschikbaar wordt gesteld, is gestoeld op de depositieruimte die in het kader van het PAS is/wordt gecreëerd. Uit het arrest van 7 november 2018 van het Hof van Justitie van de Europese Unie, ECLI:EU:C:2018:882 volgt dat het PAS in zijn huidige vorm niet in overeenstemming is met de Europese Habitatrichtlijn, aldus het betoog van [appellant sub 6] en anderen en [appellant sub 3]. 21.1. Provinciale staten en het college betogen dat artikel 8:69a van de Awb aan een vernietiging van de bestreden besluiten in de weg staat. 21.2. De bepalingen in de Wnb over de beoordeling van projecten en andere handelingen die gevolgen kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied, strekken ter bescherming van het behoud van de natuurwaarden in deze gebieden. Uit de uitspraak van de Afdeling van 13 juli 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BR1412, volgt dat de individuele belangen van burgers bij het behoud van een goede kwaliteit van hun leefomgeving, waarvan een Natura 2000-gebied deel uitmaakt, zo verweven kunnen zijn met het algemene belang dat de Wnb beoogt te beschermen, dat niet kan worden geoordeeld dat de betrokken normen van de Wnb kennelijk niet strekken tot bescherming van hun belangen. Het meest nabij het plangebied gelegen Natura 2000-gebied is het Natura 2000-gebied Maasduinen op een afstand van ongeveer 6,6 km. De afstand tussen dit gebied enerzijds en de woningen van [appellant sub 6] en anderen en [appellant sub 3] anderzijds bedraagt ten minste 5,2 km. Gelet op deze afstand bestaat naar het oordeel van de Afdeling geen duidelijke verwevenheid tussen de algemene belangen die de Wnb beoogt te beschermen en de individuele belangen van [appellant sub 6] en anderen en [appellant sub 3] bij het behoud van een goede kwaliteit van hun woon- en leefomgeving. De ingeroepen normen van de Wnb strekken kennelijk niet tot bescherming van de belangen van [appellant sub 6] en anderen en [appellant sub 3]. Dit leidt ertoe dat de Afdeling de beroepsgronden van deze appellanten die betrekking hebben op de bescherming van Natura 2000-gebieden buiten inhoudelijke bespreking laat, omdat artikel 8:69a van de Awb aan vernietiging op die gronden in de weg staat. Omgevingsverordening 22. Windturbines 4, 7, 8 en 9 zijn voorzien op gronden die zijn aangewezen als Goudgroene natuurzone als bedoeld in artikel 2.6.1, onder a, van de Omgevingsverordening Limburg 2014. Deze zogenoemde Goudgroene natuurzone vormt het Limburgse deel van het Natuurnetwerk Nederland (hierna: NNN). Een ruimtelijk plan dat betrekking heeft op een gebied dat deel uitmaakt van de Goudgroene natuurzone mag op grond van artikel 2.6.2 van de Omgevingsverordening geen nieuwe activiteiten mogelijk maken die de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied aantasten. Artikel 2.6.3 van de Omgevingsverordening bevat een uitzondering op deze regel. Windturbines 5 en 6 zijn voorzien op gronden die zijn aangewezen als Bronsgroene landschapszone als bedoeld in artikel 2.7.2 van de Omgevingsverordening. De Bronsgroene landschapszone maakt geen onderdeel uit van het NNN. Artikel 2.7.2 van de Omgevingsverordening bepaalt dat de toelichting bij een ruimtelijk plan dat betrekking heeft op een gebied in de Bronsgroene landschapszone, een beschrijving bevat van de in het plangebied voorkomende kernkwaliteiten, de wijze waarop met de bescherming en versterking van de kernkwaliteiten is omgegaan en hoe de negatieve effecten zijn gecompenseerd. De kernkwaliteiten in de Bronsgroene landschapszone zijn het groene karakter, het visueel ruimtelijk kader, het cultuurhistorisch erfgoed en het reliëf. 22.1. [appellant sub 2], [appellant sub 6] en anderen en [appellant sub 3] kunnen zich niet verenigen met de omstandigheid dat een aantal windturbines is voorzien op gronden binnen het NNN. [appellant sub 6] en anderen en [appellant sub 3] wijzen er nadrukkelijk op dat het inpassingsplan in zoverre in strijd met artikelen 2.6.2, 2.6.3 van de Omgevingsverordening Limburg is vastgesteld. Voorts betogen [appellant sub 6] en anderen en [appellant sub 3] dat in strijd met artikel 2.7.2 van de omgevingsverordening windturbines zijn voorzien op gronden binnen de Bronsgroene landschapszone. [appellant sub 2] betoogt dat turbine 4 en 8 zijn geplaatst in een grondwaterafhankelijk natuurgebied. Hij betoogt dat als een windproject de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied aantast, het windproject niet is toegestaan tenzij er een dwingende reden van openbaar belang is, er geen reële alternatieven zijn en er compensatie plaatsvindt die niet mag leiden tot areaalverlies, samenhang en kwaliteit van de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied. 22.2. Provinciale staten stellen zich op het standpunt dat artikel 8:69a Awb in de weg staat aan vernietiging wegens strijd met artikelen 2.6.2 en 2.7.2 van de Omgevingsverordening. Toepasselijkheid artikelen 2.6.2, 2.6.3 en 2.7.2 van de Omgevingsverordening 22.3. De Afdeling stelt voorop dat de artikelen 2.6.2, 2.6.3 en 2.7.2 van de Omgevingsverordening uitsluitend gelden voor een ruimtelijk plan als bedoeld in artikel 2.1.1 van de Omgevingsverordening. Een provinciaal inpassingsplan is geen ruimtelijke plan als bedoeld in dat artikel, zodat provinciale staten reeds daarom niet rechtstreeks gebonden zijn aan de artikelen 2.6.2, 2.6.3 en 2.7.2 van de Omgevingsverordening (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van bijvoorbeeld 14 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2754, r.o. 5.2). Reeds daarom faalt het betoog van [appellant sub 6] en anderen en [appellant sub 3] dat het inpassingsplan in strijd met artikelen 2.6.2, 2.6.3 en 2.7.2 van de Omgevingsverordening is vastgesteld. Dat voormelde artikelen uit de Omgevingsverordening niet op dit plan van toepassing zijn, laat onverlet dat provinciale staten bij de vaststelling van het plan uit beleidsoogpunt rekening hebben gehouden met de gedeeltelijke ligging van de windturbines in de goudgroene natuurzone en de bronsgroene landschapszone. Relativiteit 22.4. De bepalingen van de Omgevingsverordening die handelen over de Goudgroene natuurzone en de Bronsgroene landschapszone strekken ter bescherming van de natuurwaarden respectievelijk de landschappelijke kwaliteiten van de desbetreffende gebieden. Het belang van [appellant sub 6] en anderen en [appellant sub 3] bij hun beroep is er in gelegen dat zij gevrijwaard wensen te blijven van de ruimtelijke gevolgen van de voorziene windturbines in hun woon- en leefomgeving. Dit neemt echter niet weg dat de individuele belangen van burgers bij het behoud van een goede kwaliteit van hun woon- en leefomgeving, zo verweven kunnen zijn met het algemene belang van provinciale staten bij het behoud van de natuurwaarden en de landschappelijke kwaliteiten van onderscheidenlijk de Goudgroene natuurzone en de Bronsgroene landschapszone, dat niet kan worden geoordeeld dat die normen kennelijk niet strekken tot bescherming van de individuele belangen van burgers. In dit geval is dat het geval indien de gronden binnen de Goudgroene natuurzone of Bronsgroene landschapszone waar volgens [appellant sub 6] en anderen en de aantasting plaatsvindt, deel uitmaken van hun woon- en leefomgeving. De Afdeling zal hierna achtereenvolgens de beroepsgronden en de eventuele toepasselijkheid van artikel 8:69a van de Awb bespreken voor
- a)de Goudgroene natuurzone en de Bronsgroene landschapszone waarin windturbines zijn voorzien en
- b)de overige als Goudgroene natuurzone en Bronsgroene landschapszone gekwalificeerde gebieden in het bijzonder Koelbroek en Crayelheide.
- a)de Goudgroene natuurzone en de Bronsgroene landschapszone waarin windturbines zijn voorzien [appellant sub 6] en anderen en [appellant sub 3] 22.5. Van de personen die behoren tot de groep van [appellant sub 6] en anderen en [appellant sub 3], woont [appellant sub 6A] aan de [locatie 1], op de kortste afstand tot een voorziene windturbine, te weten windturbine 9. De afstand tussen het perceel van [appellant sub 6A] en de desbetreffende windturbine bedraagt ongeveer 660 meter. Gezien deze afstand tussen de voorziene windturbines en de woningen van [appellant sub 6] en [appellant sub 3] is niet aannemelijk dat de effecten van de voorziene windturbines voor de natuurwaarden en/of cultuurhistorische waarden ter plaatse en/of in de directe omgeving van de voorziene windturbines, effect zullen hebben op de woon- en leefomgeving van [appellant sub 6] en anderen en [appellant sub 3]. Dat [appellanten sub 6B] wonen in een gebied dat is aangeduid als Bronsgroene landschapszone maakt dit niet anders, nu dit deel op een grote afstand van de voorziene windturbines ligt en niet een aaneengesloten gebied vormt met het deel van de Bronsgroene landschapszone waarin de windturbines zijn voorzien. De ingeroepen normen strekken kennelijk niet tot bescherming van de belangen van [appellant sub 6] en anderen en [appellant sub 3]. Dit leidt ertoe dat de Afdeling de beroepsgronden van deze appellanten die betrekking hebben op de bescherming van de Goudgroene natuurzone en de Bronsgroene landschapszone buiten inhoudelijke bespreking laat, omdat artikel 8:69a van de Awb in de weg staat aan een vernietiging op die gronden. [appellant sub 2] 22.6. [appellant sub 2] woont aan de [locatie 2] op een afstand van ongeveer 30 meter van de Goudgroene zone en op een afstand van ongeveer 350 meter van de voorziene windturbine 4 en minimaal meer dan een kilometer van windturbine 7,8 en 9, waar volgens [appellant sub 2] wezenlijke aantasting plaatsvindt. Gezien de afstand van de woning van [appellant sub 2] tot windturbines 7,8 en 9 is niet aannemelijk dat de effecten van de voorziene windturbines voor de natuurwaarden en/of cultuurhistorische waarden ter plaatse en/of in de directe omgeving van windturbine 7, 8 en 9 effect zullen hebben op de woon- en leefomgeving van [appellant sub 2]. De conclusie is dat geen nauwe verwevenheid is komen vast te staan tussen het belang van [appellant sub 2] bij het behoud van een goede kwaliteit van zijn woon- en leefomgeving met het algemene belang dat de provincie met het behoud van de Goudgroene natuurzone beogen te beschermen ter plaatse en in de directe omgeving van windturbines 7, 8 en 9. Dit leidt ertoe dat de Afdeling de beroepsgronden van [appellant sub 2], voor zover die betrekking hebben op de bescherming van de Goudgroene natuurzone ter plaatse van windturbines 7, 8 en 9 buiten bespreking laat, omdat artikel 8:69a van de Awb in de weg staat aan een vernietiging op die gronden. Dit geldt, gezien de geringere afstand van de woning van [appellant sub 2] tot (de directe omgeving van) windturbine 4, niet voor zover [appellant sub 2] beroepsgronden heeft aangevoerd in verband met windturbine 4. 22.7. Niet in geschil is dat de plaatsing van windturbine 4 de ter plaatse aanwezige kenmerken en waarden aantast. Voor zover [appellant sub 2] betwist dat een dwingende reden van openbaar belang deze plaatsing rechtvaardigt, overweegt de Afdeling, onder verwijzing naar overweging 16-16.4, dat zij dit betoog niet volgt. 22.8. Voor zover [appellant sub 2] stelt dat er reële alternatieven zijn, overweegt de Afdeling dat zij dit betoog evenmin volgt. Naast hetgeen reeds onder 17-19.2 is overwogen, neemt de Afdeling hierbij in aanmerking dat provinciale staten hebben toegelicht dat in het kader van de integrale afweging op inrichtingsniveau is onderzocht of het mogelijk was om de windturbines buiten de Goudgroene zone te realiseren. Onder verwijzing naar paragraaf 1.2.4 van de Natuurtoets en het MER bleek optimalisatie van windturbineposities binnen het zoekgebied - zodanig dat deze buiten de goudgroene zones komen te liggen - volgens provinciale staten niet mogelijk. Dit was volgens provinciale staten onder meer gelegen in de beperkingen vanuit externe veiligheid. Zo was het bijvoorbeeld vanwege deze beperkingen niet mogelijk om windturbines in noordwestelijke richting in het verlengde van de lijnopstelling te plaatsen. Ook hing dit samen met het gegeven dat ter hoogte van Meierhoeve (gelegen tussen windturbine 4 en 5) geen windturbine mogelijk was in verband met de geluidbelasting hiervan op woningen. Een verplaatsing van de lijnopstelling van windturbines naar de westzijde van de spoorlijn was ook niet mogelijk. De beschikbare ruimte tussen de spoorlijn en de private bedrijfspercelen was daarvoor te beperkt. Een verplaatsing van de lijnopstelling van windturbines in oostelijke richting (dus verder van de spoorlijn
- af)was ook niet mogelijk. Een dergelijke verschuiving zou meebrengen dat windturbine 4 voor een te grote geluidbelasting zou zorgen voor woningen in Meierhoeve. Het betoog faalt. 22.9. Resteert de vraag of negatieve effecten waar mogelijk zijn beperkt, als bedoeld in de laatste voorwaarde, onder c, van artikel 2.6.3 van de omgevingsverordening. In dit verband stelt [appellant sub 2] dat in het mitigatie- en compensatieplan ten onrechte geen compensatie is opgenomen voor rivier- en beekbegeleidend bos. In het MER staat dat de kenmerken van het gedeelte waar windturbine 4 wordt geplaatst bestaat uit "Rivier- en beekbegeleidend bos" en "Droog bos met productie". Voor het Rivier- en beekbegeleidend bos is geen compensatieopgave voorzien. In het deskundigenbericht staat dat dit is gebaseerd op de Natuurtoets. Daarin is beschreven dat ter plaatse van de kraanopstelplaats bij windturbine 4 moerasruigte met jonge wilgenopslag aanwezig is, wat volgens het deskundigenbericht niet in tegenspraak is met kaart 7 van bijlage 10 bij het beroepschrift van [appellant sub 2]. Daarbij is in dezelfde paragraaf een afbeelding (figuur 4) opgenomen waaruit blijkt dat de geluidscontour van windturbine 4, die is gebruikt om de compensatieopgaven vanwege geluid te bepalen, een klein deel van een gebied beslaat dat is aangeduid als Rivier- en beekbegeleidend bos. Het gaat om een zo klein oppervlak (minder dan 0,2 ha), dat de compensatieopgave vanwege de geluidscontour van windturbine 4 op Rivier- en beekbegeleidend bos is afgerond tot 0 ha. De kraanopstelplaats bij windturbine 4 is niet voorzien ter plaatse van het Rivier- en beekbegeleidend bos (zie figuur 4 in paragraaf 4.3 van de Natuurtoets). In zoverre bestaat volgens het deskundigenbericht dan ook geen aanleiding om aan te nemen dat het in gebruik nemen van de kraanopstelplaatsen bij windturbine 4 leidt tot effecten op het natuurdoeltype Rivier- en beekbegeleidend bos. De Afdeling ziet in hetgeen [appellant sub 2] naar aanleiding van het deskundigenbericht naar voren heeft gebracht geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de bevindingen van de deskundige. Voor de door van Lieshout geuite twijfel of de deskundige een goed beeld had van de situatie bij windturbine 4, ziet de Afdeling geen grond. In dit verband merkt de Afdeling op dat, anders dan [appellant sub 2] kennelijk meent, de deskundige ook de door hem overgelegde kaart bij zijn beschouwing heeft betrokken. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten in zoverre niet in redelijkheid hebben kunnen afzien van compensatie van Rivier- en beekbegeleidend bos ten behoeve van windturbine 4. Het betoog faalt.
- b)de overige als Goudgroene natuurzone en Bronsgroene landschapszone gekwalificeerde gebieden in het bijzonder Koelbroek en Crayelheide. 22.10. Voor zover [appellant sub 6] en anderen en [appellant sub 3] vrezen voor een aantasting van de gebieden Koelbroek en Crayelheide overweegt de Afdeling het volgende. Koelbroek en Crayelheide liggen beide ten zuiden van de voorziene windturbines. Vast staat dat deze gebieden grotendeels binnen de Goudgroene natuurzone liggen en gedeeltelijk binnen de Bronsgroene landschapszone. De Afdeling stelt vast dat deze gebieden gedeeltelijk - zowel voor zover deze zijn aangewezen als Goudgroene natuurzone als Bronsgroene landschapszone - deel uitmaken van de woon- en leefomgeving van een aantal personen behorend tot de groep van [appellant sub 6] en anderen. Voorts hebben [appellant sub 6] en anderen in hun brief van 14 februari 2019 erop gewezen dat [appellant sub 6C], één van de personen verenigd in het beroep van [appellant sub 6] en anderen, gronden heeft binnen de hier bedoelde Goudgroene natuurzone. 22.11. In hetgeen [appellant sub 6] en anderen en [appellant sub 3] hebben aangevoerd ziet de Afdeling echter geen aanleiding voor het oordeel dat het inpassingsplan leidt tot een aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van de gebieden Koelbroek en Crayelheide, voor zover deze zijn gekwalificeerd als Goudgroene natuurzone. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat zich tussen deze gebieden en de voorziene windturbines onder meer de rijksweg A73, de provinciale weg N556 en het treinspoor tussen treinstations Horst-Sevenum en Blerick bevinden. [appellant sub 6] en anderen en [appellant sub 3] hebben niet aannemelijk hebben gemaakt dat het voorziene windpark leidt tot een wezenlijke aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van de gebieden voor zover die binnen de Goudgroene natuurzone liggen. Dat de windturbines vanaf de in de Goudgroene natuurzone gelegen gronden van [appellant sub 6C] zichtbaar zullen zijn, maakt dat niet anders, omdat de provincie binnen de Goudgroene zone slechts streeft naar behoud en beheer van de reeds aanwezige natuur en de ontwikkeling van nieuwe natuur. Het betoog faalt. 22.12. Ten aanzien van de door [appellant sub 6] en anderen gestelde aantasting van de gebieden Koelbroek en Crayelheide, voor zover die zijn aangemerkt als Bronsgroene landschapszone, overweegt de Afdeling het volgende. [appellant sub 6] en anderen en [appellant sub 3] stellen dat de gebieden Koelbroek en Crayelheide van zeer hoge cultuurhistorische en archeologische waarde zijn vanwege de oude Maasmeander in Koelbroek en het coulisselandschap van Crayelheide. De vrije horizon is volgens [appellant sub 6] en anderen en [appellant sub 3] essentieel voor de beleving. Dit hebben provinciale staten volgens hen onvoldoende onderkend. Zij wijzen in dit verband op het provinciale Natuurbeheerplan. Wat hier ook van zij, de Afdeling stelt vast dat het gedeelte van de Bronsgroene landschapszone waarop het beroep ziet is gelegen op een afstand van minimaal 690 meter van de voorziene windturbines. Gelet hierop alsmede op de omstandigheid dat zich tussen de Bronsgroene landschapszone in Koelbroek en Crayelheide en de voorziene windturbines onder meer de rijksweg A73, de provinciale weg N556 en het treinspoor tussen treinstations Horst-Sevenum en Blerick bevinden, ziet de Afdeling geen aanleiding om aan te nemen dat het inpassingsplan leidt tot een ernstige aantasting van het groene karakter, het visueel-ruimtelijk karakter, het cultuurhistorisch erfgoed en het reliëf van de bronsgroene landschapszone in Koelbroek en Crayelheide. Het betoog faalt. Horizonvervuiling 23. [appellant sub 6] en anderen en [appellant sub 3] betogen dat de negen windturbines zijn voorzien in het uitloopgebied van Blerick dat voor hen een groene buffer vormt tussen de oprukkende industrie en het stedelijk gebied. De voorziene windturbines zijn volgens hen niet passend in het landschap en leiden tot horizonvervuiling. De visualisatiestudie die aan het inpassingsplan ten grondslag is gelegd geeft volgens [appellant sub 6] en anderen en [appellant sub 3] geen goede indruk van de (visuele) gevolgen van de windturbines op het landschap. Hiertoe voeren zij onder meer aan dat nagenoeg geen visualisaties zijn gemaakt vanuit het gebied Crayelheide. 23.1. In paragraaf 5.1 van de plantoelichting, is onder verwijzing naar het rapport "Visualisaties windturbines" van Arcadis van 4 april 2017, ingegaan op de landschappelijke gevolgen van het plan. In het rapport zijn de verschillende varianten van het windpark (inclusief de in het inpassingsplan vastgelegde variant) vanaf twaalf posities rond het plangebied in beeld gebracht met behulp van montagefoto's. Provinciale staten stellen de impact van de windturbines voor het landschap te hebben onderkend, maar hechten een groter gewicht aan het openbaar belang dat gediend is met de komst van de windturbines. 23.2. In het deskundigenbericht staat dat het windpark aanzienlijke gevolgen heeft voor het landschap in en rondom het plangebied. Dat het windpark is geprojecteerd ten noorden van de spoorlijn Venlo - Eindhoven en deels op het bedrijventerrein Greenport, is niet vanuit alle windrichtingen als zodanig herkenbaar en verzacht als zodanig niet per se de landschappelijke gevolgen, aldus het deskundigenrapport. 23.3. De stelling van [appellant sub 6] en anderen en [appellant sub 3] dat provinciale staten de impact van de windturbines op het landschap hebben miskend, omdat het rapport "Visualisaties Windturbines" geen realistische en volledige impressie geeft, volgt de Afdeling niet. In dit verband kan de Afdeling er niet aan voorbij zien dat provinciale staten ter zitting hebben medegedeeld dat de statenleden tevens een rondleiding in het gebied hebben gehad om een indruk te krijgen van de gevolgen van de windturbines voor het landschap en de omwonenden. Gelet hierop en gezien het rapport "Visualisaties Windturbines" ziet de Afdeling geen aanleiding om ervan uit te gaan dat provinciale staten onvoldoende op de hoogte waren van de visuele impact van het windpark op de omgeving. De omstandigheid dat bezien vanuit de natuurgebieden Crayelheide en Koelbroek, ten zuiden van het windpark, en vanuit de omgeving van de Heierkerkweg 36, ten noorden van het plangebied, het uitzicht en de openheid van het landschap zal worden aangetast, acht de Afdeling op zich beschouwd onvoldoende voor het oordeel dat provinciale staten niet in redelijkheid meer gewicht hebben kunnen hechten aan de belangen die met de realisatie van de windturbines zijn gemoeid, dan aan het belang van het ongewijzigde behoud van het landschap. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking hetgeen zij hiervoor onder 16-16.4 over nut en noodzaak heeft overwogen. Dat, zoals [appellant sub 6] en anderen en [appellant sub 3] stellen provinciale staten van de provincie Flevoland, bij het Windpark Noordoostpolder vanwege horizonvervuiling hebben afgezien van plaatsing van windturbines, maakt de afweging van provinciale staten van Limburg naar het oordeel van de Afdeling niet onredelijk. 23.4. De stelling dat het woon- en leefklimaat van [appellant sub 6] en anderen en [appellant sub 3] onaanvaardbaar wordt aangetast, volgt de Afdeling evenmin. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking de afstand van de turbines tot de woningen, nog daargelaten of alle personen behorend tot de groep van van [appellant sub 6] en anderen en [appellant sub 3] daadwerkelijk zicht hebben op het landschap en de voorziene windturbines. Het betoog faalt. Verlichting 24. [appellant sub 6] en anderen en [appellant sub 3] vrezen hinder als gevolg van de obstakelverlichting die op de windturbines zal worden aangebracht. Zij betogen dat het inpassingsplan onvoldoende waarborgen biedt om lichthinder voor omwonenden te voorkomen. Hiertoe voeren zij aan dat aan de hand van het inpassingsplan niet op voorhand kan worden vastgesteld hoe de verlichting er exact uit komt te zien en geen handhaving kan worden afgedwongen als er overlast ten gevolge van de verplichting wordt ondervonden. 24.1. Uit paragraaf 5.9 van de plantoelichting en het MER volgt dat obstakelverlichting op de windturbines nodig is uit een oogpunt van luchtvaartveiligheid. Provinciale staten stellen, onder verwijzing naar paragraaf 4.3.11 van het MER en de notitie aanvulling MER en paragraaf 5.9 van de plantoelichting, dat lichthinder veroorzaakt door obstakelverlichting weliswaar een vorm van visuele hinder is die als hinderlijk kan worden ervaren, maar dat de verlichting zich op een grote hoogte bevindt, waardoor de verlichtingssterkte op leefniveau verwaarloosbaar is en in vergelijking tot bijvoorbeeld de verlichting van omliggende bedrijventerreinen geen invloed heeft op de donkerte in het gebied. Verder wijzen provinciale staten nog op de algemene zorgplicht uit art. 2.1, eerste lid, in samenhang met lid 2, onder h, van het Activiteitenbesluit waarin geborgd is dat lichthinder voor de omgeving zoveel mogelijk moet worden voorkomen, dan wel, indien dat niet mogelijk is, dat lichthinder tot een aanvaardbaar niveau zal moeten worden beperkt. 24.2. Naar het oordeel van de Afdeling hebben provinciale staten gelet op de hiervoor beschreven omstandigheden redelijkerwijs kunnen afzien van het stellen van concrete eisen aan obstakelverlichting in de planregels. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat in het deskundigenbericht de stelling van provinciale staten over de beperkte impact van de obstakelverlichting op de omgeving wordt onderschreven. Overigens is door middel van een maatwerkvoorschrift in de omgevingsvergunning een voorziening getroffen ter beperking van de lichthinder en hebben provinciale staten te kennen gegeven dat Windpark Greenport Venlo B.V. - die Etriplus inmiddels heeft opgevolgd als houder van de omgevingsvergunning - aan de bewoners rond de noordelijke turbines heeft toegezegd dat een vast brandend licht op deze turbines zal worden geplaatst. Het betoog faalt. Geluid [appellant sub 1] en anderen, [appellant sub 2], [appellant sub 3] en [appellant sub 6] en anderen 25. [appellant sub 1] en anderen, [appellant sub 2], [appellant sub 3] en [appellant sub 6] en anderen betogen dat zij ernstige overlast zullen ondervinden van het geluid van de windturbines. Ook vrezen zij voor de gevolgen van het laagfrequente geluid voor hun gezondheid. Zij bestrijden de deugdelijkheid van de in artikel 3.14a, eerste lid, van het Activiteitenbesluit opgenomen normen voor de geluidbelasting van windturbines, te weten: 47 dB Lden en 41 dB Lnight. Volgens hen bieden deze geluidnormen onvoldoende bescherming tegen geluidoverlast en tegen de gevolgen van laagfrequent geluid voor de gezondheid. Ook indien wordt aangetoond dat aan deze geluidnormen kan worden voldaan, betekent dit volgens [appellant sub 1] en anderen, [appellant sub 2], [appellant sub 3] en [appellant sub 6] en anderen niet dat geen sprake zal zijn van onaanvaardbare geluidhinder en van nadelige gevolgen voor de gezondheid. [appellant sub 1] en anderen, [appellant sub 2], [appellant sub 3] en [appellant sub 6] en anderen hebben ook beroepsgronden aangevoerd die zijn gericht tegen het verrichte geluidonderzoek en de op grond daarvan getrokken conclusie dat ter plaatse van de in de omgeving van het windpark gelegen woningen kan worden voldaan aan de geluidnormen van 47 dB Lden en 41 dB Lnight. [appellant sub 6] en anderen en [appellant sub 3] hebben ter nadere onderbouwing van dit betoog twee (tegen)rapporten overgelegd. Dit betreft het rapport "Windturbinepark Greenport Venlo; second opinion geluid en laagfrequent geluid" van 24 oktober 2017 en het rapport "Windturbinepark Greenport te Venlo, reactie naar aanleiding van beantwoording raadsvraag van 23 februari 2018" van 27 februari 2018, beide van bureau Peutz. 25.1. In artikel 3.14a, eerste lid, van het Activiteitenbesluit is bepaald dat een windturbine of een combinatie van windturbines ten behoeve van het voorkomen of beperken van geluidhinder voldoet aan de norm van ten hoogste 47 dB Lden en aan de norm van ten hoogste 41 dB Lnight op de gevel van gevoelige gebouwen. Deze normen zijn rechtstreeks van toepassing op windturbines die in bedrijf zijn. Artikel 3.14a, eerste lid, van het Activiteitenbesluit is niet rechtstreeks van toepassing op het inpassingsplan. Provinciale staten hebben bij het vaststellen van het inpassingsplan voor de invulling van de norm van een goede ruimtelijke ordening van artikel 3.1 van de Wro, aansluiting gezocht bij artikel 3.14a, eerste lid, van het Activiteitenbesluit. Volgens provinciale staten volgt uit het onderzoek dat ten grondslag is gelegd aan het inpassingsplan dat de windturbines, nadat zij in bedrijf worden genomen, kunnen voldoen aan de geluidgrenswaarden van artikel 3.14a, eerste lid, van het Activiteitenbesluit. 25.2. De Afdeling zal in het navolgende eerst de beroepsgronden bespreken die zijn gericht tegen de deugdelijkheid van de geluidnormen van het Activiteitenbesluit. Daarna bespreekt de Afdeling de beroepsgronden die zich richten tegen het geluidonderzoek dat ten grondslag is gelegd aan het standpunt van provinciale staten dat de geluidbelasting vanwege het windpark kan voldoen aan de geluidnormen en daarom aanvaardbaar zal zijn. Geluidnormen 47 dB Lden en 41 dB Lnight Hoogte van geluidnormen, jaargemiddelde geluidbelasting en handhaafbaarheid 26. In het kader van het betoog dat de geluidnormen van 47 dB Lden en 41 dB Lnight onvoldoende bescherming bieden tegen geluidhinder, hebben [appellant sub 1] en anderen, [appellant sub 2], [appellant sub 3] en [appellant sub 6] en anderen aangevoerd dat deze normen zijn gebaseerd op verouderd en ten tijde van het vaststellen van het inpassingsplan niet langer representatief onderzoek van TNO naar de hinderlijkheid van windturbinegeluid. Moderne windturbines zijn aanmerkelijk groter dan de windturbines waarop de desbetreffende onderzoeken uit de periode vóór 2010 betrekking hadden. [appellant sub 1] en anderen, [appellant sub 2], [appellant sub 3] en [appellant sub 6] en anderen voeren ook aan dat de normen ten onrechte geen rekening houden met de omstandigheid dat het geluid van windturbines extra hinderlijk is vanwege het pulserende karakter ervan, de gevolgen van amplitudemodulatie en de gevolgen van het verschijnsel van geostrofe wind gedurende de nachtperiode. Verder voeren genoemde appellanten aan dat een norm die is gebaseerd op een jaargemiddelde geluidbelasting niet geschikt is voor het voorkomen of beperken van hinder, omdat een overschrijding van de norm als het ware wordt gecompenseerd doordat de windturbines op bepaalde momenten niet of nauwelijks in bedrijf zullen zijn. Daar komt bij dat de jaargemiddelde geluidbelasting van windturbines niet meetbaar is en dat daarom de normen niet kunnen worden gehandhaafd. Ten slotte hebben [appellant sub 1] en anderen, [appellant sub 2], [appellant sub 3] en [appellant sub 6] en anderen aangevoerd dat de geluidnormen onvoldoende rekening houden met de hinder vanwege laagfrequent geluid. 26.1. De Afdeling heeft in haar eerdere uitspraken geoordeeld over gelijkluidende bezwaren over de geluidnormen voor windturbines van ten hoogste 47 dB Lden en ten hoogste 41 dB Lnight op geluidgevoelige objecten. In dit verband wordt in het bijzonder verwezen naar de uitspraak van 21 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:616, over het windpark De Drentse Monden en Oostermoer. De Afdeling heeft in overweging 101 van die uitspraak een geluidnorm die is gebaseerd op jaargemiddelden aanvaardbaar bevonden. In overweging 105 heeft de Afdeling naar aanleiding van de opmerking van de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening (StAB) dat er signalen zijn dat vanwege de amplitudemodulatie wordt gesuggereerd een straffactor van 5 dB toe te passen, geoordeeld dat die signalen en de in dat verband gedane suggestie onvoldoende zijn voor het oordeel dat de in het Activiteitenbesluit neergelegde geluidnormen onverbindend moeten worden geacht dan wel buiten toepassing moeten worden gelaten. In overweging 106 wordt - in verband met de meetbaarheid en handhaafbaarheid - verwezen naar het emissievoorschrift uit het "Reken- en meetvoorschrift windturbines", aan de hand waarvan de geluidemissie kan worden gecontroleerd. Ook heeft de Afdeling in de uitspraak over het windpark De Drentse Monden en Oostermoer overwegingen gewijd aan het laagfrequent geluid. In overweging 120 is geoordeeld dat geen aanleiding is gevonden om te twijfelen aan de juistheid van het uitgangspunt dat geen afzonderlijke beoordeling van het laagfrequente geluid noodzakelijk is. 26.2. In hetgeen [appellant sub 1] en anderen, [appellant sub 2], [appellant sub 3] en [appellant sub 6] en anderen in zoverre hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding thans anders te oordelen over de geluidnormen van artikel 3.14a van het Activiteitenbesluit dan zij heeft gedaan in de uitspraak over het windpark De Drentse Monden en Oostermoer. Het betoog faalt. 27. [appellant sub 2] stelt tevens dat het inpassingsplan is vastgesteld in strijd met het uitgangspunt geformuleerd in het alternatievenrapport, waarbij een afstand van 350 m tot individuele woningen en 500 m tot groepen woningen is aangehouden. Provinciale staten stellen dat het hier gaat om een afstand die in het alternatievenrapport in het kader van geluid is gehanteerd als een eerste afbakening van mogelijke zoekgebieden voor windturbines en niet om een afstand die bij de beoordeling van het inpassingsplan op enige wijze normerend is geweest voor de aanvaardbaarheid van geluidbelasting. De Afdeling ziet geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van dit standpunt van provinciale staten. Het betoog faalt. Laagfrequent geluid en gezondheid 28. [appellant sub 1] en anderen, [appellant sub 2], [appellant sub 3] en [appellant sub 6] en anderen betogen dat de normen voor de geluidbelasting van windturbines van 47 dB Lden en 41 dB Lnight onvoldoende bescherming bieden tegen de gevolgen van laagfrequent en in het bijzonder infrasoon geluid voor de gezondheid. Uit onderzoek volgt volgens hen dat vooral infrasoon geluid, dit betreft frequenties tot 30 Hz, nadelige lichamelijke en psychische effecten heeft op de gezondheid. Het gaat hierbij om onder meer slaapverstoring, psychische problemen, vermoeidheid, pijn, stijfheid, diabetes, hoge bloeddruk, gehoorschade, hart- en vaatziekten en hoofdpijn. Geluidisolatie is niet of nauwelijks effectief in het tegenhouden van infrasoon geluid, aldus [appellant sub 1] en anderen, [appellant sub 6] en anderen en [appellant sub 2]. Zij wijzen in dit verband op de op 10 oktober 2018 door de World Health Organization (hierna: WHO) gepubliceerde "Environmental noise guidelines for the European Region" (hierna: WHO-aanbevelingen 2018). Hierin wordt volgens hen voor de aanvaardbaarheid van de geluidbelasting van windturbines een Lden-norm van 45 dB aanbevolen, omdat een hogere geluidbelasting ernstige nadelige gezondheidseffecten heeft. Uit het geluidonderzoek dat ten grondslag ligt aan het inpassingsplan volgt volgens deze appellanten dat bij een aantal woningen in de nabijheid van het windpark niet zal worden voldaan aan de door de WHO aanbevolen geluidnorm van 45 dB Lden. [appellant sub 6] en anderen en [appellant sub 3] hebben een aantal onderzoeksrapporten en artikelen overgelegd, waaruit volgens hen volgt dat laagfrequent en infrasoon geluid leidt tot schade aan de gezondheid van de mens. Dit zijn de rapporten "Machbarkeitsstudie zu Wirkungen von Infraschall" van juni 2014, uitgebracht in opbracht van de Umweltbundesamt (Duitse milieuagentschap; hierna: UBA-rapport), "Gesundheitsgefahr durch die Anwendung überholter Normen und Richtlinien zur Bewertung von Schall, generiert durch grofe Windkraftanlagen" van 24 maart 2016 en het rapport "Beurteilung der infraschall-diskussion aus sicht eines biologen" van dr. Wolfgang Müller uit 2017 (hierna: het rapport van Müller). Verder hebben [appellant sub 6] en anderen en [appellant sub 3] gewezen op het artikel "The influence of periodic wind turbine noise on infrasound array measurements", gepubliceerd in de "Journal of Sound and Vibration 388
(2017)", en het artikel "Wind Turbine Infra and Low-Frequency Sound: Warning Signs That Were Not Heard" uit het "Bulletin of Science Technology & Society (2012/32)". Nu er verschillende rapporten zijn waaruit kan worden afgeleid dat windturbines met een hoogte als voorzien in het inpassingsplan tot gezondheidsschade kunnen leiden, hadden provinciale staten, gelet ook op het voorzorgsbeginsel, strengere (geluid)normen moeten hanteren. Dit betekent dat tussen de windturbines en omliggende woningen een aanmerkelijk grotere afstand aangehouden dient te worden, aldus [appellant sub 1] en anderen, [appellant sub 2], [appellant sub 3] en [appellant sub 6] en anderen. 28.
- Provinciale staten stellen dat, indien aan de geluidnormen van het Activiteitenbesluit kan worden voldaan, sprake is van een aanvaardbare geluidbelasting, ook wat betreft de gezondheidseffecten van laagfrequent en infrasoon geluid. De WHO-aanbevelingen 2018 zijn uitgebracht nadat het inpassingsplan is vastgesteld, zodat provinciale staten deze aanbevelingen niet hebben kunnen betrekken bij het nemen van de bestreden besluiten. Dat neemt niet weg dat de aanbevelingen, waren zij wel bekend geweest, niet zouden hebben geleid tot andere besluiten. 28.
- De Afdeling stelt voorop dat er geen wettelijke normen zijn voor (de aanvaardbaarheid van) laagfrequent geluid. De Afdeling heeft eerder, onder meer in 49.2 van haar uitspraak van 20 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3504, over het windpark Wieringermeer en onder 120.4 van haar uitspraak van 21 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:616, over het windpark De Drentse Monden en Oostermoer, geoordeeld dat onder verwijzing naar de brief van de staatssecretaris, de literatuurstudie van LBP Sight en onderzoeken van het RIVM in redelijkheid het standpunt kan worden ingenomen dat de geluidnormen voor windturbines van 47 dB Lden en 41 dB Lnight voldoende bescherming bieden tegen hinder van laagfrequent geluid. 28.
- In onder meer de uitspraak over het windpark De Drentse Monden en Oostermoer is de Afdeling in overweging 119.2 ingegaan op de gevolgen van windturbinegeluid voor de gezondheid. In het deskundigenbericht dat in die procedure is uitgebracht, is vermeld dat er op basis van de huidige wetenschappelijke inzichten geen bewijs is voor directe effecten van windturbines op de gezondheid. In de uitspraak over het windpark De Drentse Monden en Oostermoer is in dit verband verwezen naar - en geciteerd uit - het onderzoekrapport van de RIVM en de GGD getiteld "Health effects related to wind turbine sound" uit 2017 (hierna: rapport van het RIVM uit 2017) dat een overzicht bevat van de conclusies van 134 wetenschappelijke onderzoeken naar de gezondheidseffecten van het geluid van windturbines uit de periode 2009-
- In het rapport van het RIVM uit 2017 is ingegaan op de hinderlijkheid van met name het typerende ritmische karakter van het geluid van windturbines, aangeduid als amplitudemodulatie. Volgens het rapport van het RIVM is er een relatie tussen slaapverstoring die op individuele basis is gemeld en ergernis over het geluid van windturbines, maar is onvoldoende wetenschappelijk bewijs beschikbaar voor een directe relatie tussen gezondheidsrisco’s en het geluid van windturbines. De langdurige ergernis over de hinder van windturbines en het gevoel dat de kwaliteit van de leefomgeving is verminderd of zal verminderen kunnen negatieve gevolgen hebben voor het welzijn en de gezondheid. Dit is volgens het RIVM rapport echter niet uniek voor windturbines, maar geldt ook voor andere stressoren. Over laagfrequent geluid en infrageluid is in het rapport van het RIVM uit 2017 geconcludeerd dat er geen wetenschappelijk bewijs beschikbaar is dat ondersteunt dat dit geluid van windturbines de gestelde gezondheidsrisico’s heeft. 28.
- De Afdeling heeft op basis van de hiervoor vermelde overwegingen in de uitspraak over het windpark De Drentse Monden en Oostermoer geoordeeld dat de bij die zaak betrokken bestuursorganen zich in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het Rijksinpassingsplan niet zal leiden tot onaanvaardbare gevolgen voor de gezondheid door geluid dat door de windturbines wordt veroorzaakt, waaronder laagfrequent geluid en infrasoon geluid. 28.
- In de WHO-aanbevelingen 2018 worden aanbevelingen gegeven met betrekking tot (de aanvaardbaarheid van de belasting van) verkeers-, spoorweg-, luchtvaartgeluid, geluid vanwege windturbines en geluid vanwege "leisure-activiteiten". De Afdeling overweegt dat de bestreden besluiten getoetst moeten worden aan de hand van de feiten zoals die zich hebben voorgedaan en het recht dat gold ten tijde van het nemen van deze besluiten. De besluiten zijn genomen op 28 september
- De WHO-aanbevelingen zijn gepubliceerd op 10 oktober
- De (gewijzigde) aanbevelingen van de WHO zijn dus uitgebracht na de besluitvorming over het windpark. Gelet hierop kan de Afdeling de gewijzigde aanbevelingen niet in haar beoordeling betrekken. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 21 november 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3748, overweging 7.4, en de uitspraak van de Afdeling van 3 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1064, over de windlocatie Battenoord (overweging 33.6). Voor zover is betoogd dat de gewijzigde aanbevelingen van de WHO een codificatie zijn van nieuwe inzichten over het hinderlijke karakter en de gezondheidseffecten van windturbinegeluid, welke nieuwe inzichten reeds ten tijde van de vaststelling van het inpassingsplan bij provinciale staten bekend hadden kunnen en moeten zijn, stelt de Afdeling vast dat dit betoog niet nader is onderbouwd. De Afdeling ziet dan ook geen aanknopingspunten om op die grond de gewijzigde aanbevelingen van de WHO die dateren van na het bestreden besluit alsnog in de beoordeling te betrekken. 28.
- De overgelegde rapporten en artikelen waarop appellanten hebben gewezen, geven de Afdeling geen aanleiding voor een andersluidend oordeel over de gevolgen van het geluid van windturbines voor de gezondheid. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat uit bedoelde stukken niet blijkt dat er een causaal verband bestaat tussen windturbinegeluid, waaronder laagfrequent geluid en infrasoon geluid, en de gezondheid. 28.
- Het UBA-rapport is een literatuurstudie van het Duitse milieuagentschap over de gevolgen van laagfrequent en infrasoon geluid in het algemeen. In het rapport wordt tevens specifiek aandacht besteed aan het geluid van windturbines. Geconcludeerd wordt onder meer dat in het bijzonder personen met een verlaagde gehoordrempel hinder kunnen ervaren van laagfrequent geluid. In het rapport staat verder dat er momenteel geen wetenschappelijk gevalideerde kennis is over de negatieve effecten van infrageluid onder de gehoordrempel, hoewel er onderzoeken zijn waarin een (hypothetisch) verband wordt verondersteld. Het rapport beveelt nader onderzoek aan op dit terrein en biedt hiervoor een basiskader. In het UBA-rapport worden geen adviezen of richtlijnen gegeven over de aanvaardbaarheid van laagfrequent en infrasoon geluid. 28.
- Het rapport "Gesundheitsgefahr durch die Anwendung überholter Normen und Richtlinien zur Bewertung von Schall, generiert durch grofe Windkraftanlagen" is aan de orde geweest in de uitspraak van de Afdeling van 2 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3322, over het windpark Weert. Daarin heeft de Afdeling overwogen dat in genoemd rapport staat dat (laagfrequent) geluid van - de alsmaar hoger wordende - windturbines leidt tot nadelige effecten voor de gezondheid, vanwege in het bijzonder ook de verstoring van de nachtrust. Teneinde risico’s voor de gezondheid te voorkomen, wordt in het rapport een afstand geadviseerd tussen windturbines en woningen van bij voorkeur 15 en minimaal 10 maal de hoogte van de windturbine. [appellant sub 1] en anderen, [appellant sub 2], [appellant sub 3] en [appellant sub 6] en anderen hebben niet nader onderbouwd welke nieuwe inzichten dit rapport biedt ten opzichte van hetgeen over laagfrequent en infrasoon geluid en de gezondheid reeds aan de orde is geweest in de uitspraak van de Afdeling over het windpark De Drentse Monden en Oostermoer. 28.
- In het rapport van Müller worden vraagtekens geplaatst bij de veronderstelling dat infrasoon geluid van windturbines niet schadelijk is, omdat de frequentie van dit geluid onder de gehoordrempel ligt en dus in zoverre niet auditief waarneembaar (hoorbaar) is. In het rapport wordt onder meer gewezen op het onderzoek van prof. dr. Alves-Pereira, waaruit zou volgen dat langdurige blootstelling aan infrasoon geluid leidt tot fysieke en fysiologische veranderingen in de vorm van een verhoogde productie van collageen- en elastinevezels in het lichaam. In dat onderzoek zou een verband zijn aangetoond tussen infrasoon geluid van windturbines en geboorteafwijkingen bij dieren. Het rapport van Müller is niet aan de orde geweest in eerdere uitspraken van de Afdeling. Het onderzoek van Alves-Pereira is beoordeeld in het RIVM-rapport uit 2017 dat is besproken in overweging 28.3 hiervoor. In onder meer de uitspraak over het windpark Drentse Monden en Oostermoer heeft de Afdeling mede onder verwijzing naar dit rapport overwogen dat er geen bewijs is voor de conclusie dat er een direct verband is tussen windturbines en gezondheidsklachten. 28.
- Het artikel uit de "Journal of Sound and Vibration" bespreekt de gevolgen van infrasoon geduid van windturbines voor de meetstations voor infrageluid in het Beierse Woud en op Antarctica. Deze meetstations maken deel uit van het (internationale) monitoringsysteem in het kader van het "Kernstopverdrag" (Comprehensive Nuclear Test Ban Treaty/New York 1996). De stations staan in onderling gelijke afstanden over de hele aardbol verspreid en verrichten metingen van radioactiviteit, seismologische metingen en geluidsmetingen in de atmosfeer en in oceanen. Door middel van de meetgegevens wordt gemonitord of de verdragsluitende partijen zich houden aan de verplichtingen van het verdrag. Het artikel gaat niet over de eventuele gevolgen van infrasoon geluid voor de (menselijke) gezondheid. 28.
- In het artikel uit het "Bulletin of Science Technology & Society" wordt toegelicht dat er aanwijzingen zijn in de literatuur dat laagfrequent en infrasoon geluid van windturbines kan leiden tot hinder en slaapverstoring, in het bijzonder bij mensen die extra gevoelig zijn voor laagfrequent geluid. [appellant sub 6] en anderen en [appellant sub 3] hebben niet nader onderbouwd welke nieuwe inzichten dit rapport biedt. 28.
- Het onderzoek van prof. Vahl waar naar wordt verwezen in het artikel "Windmolens zijn stoorzenders voor het hart" is aan de orde geweest in de uitspraak van de Afdeling van 17 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:
- In die uitspraak heeft de Afdeling overwogen dat het artikel van Vahl alleen duidt op een mogelijk verband tussen infrageluid van windturbines en de gezondheid. In het artikel wordt geconcludeerd dat verder onderzoek nodig is naar de invloed van infrageluid op menselijk weefsel. Voorzorgsbeginsel
- Resteert de vraag of, zoals appellanten stellen, het voorzorgsbeginsel ertoe noopt dat vanwege gezondheidsrisico’s moet worden uitgegaan van een strengere geluidnorm. De Afdeling heeft eerder, onder meer in de uitspraak over het windpark De Drentse Monden en Oostermoer, geoordeeld dat het voorzorgsbeginsel niet zover strekt dat op grond daarvan in die zaak had moeten worden afgezien van het planologisch mogelijk maken van windturbines. De Afdeling ziet in dit geval aanleiding nader in te gaan op het beroep op het voorzorgsbeginsel. 29.
- Vooropgesteld wordt dat er geen wettelijke bepaling is die toepassing van het voorzorgsbeginsel voorschrijft bij het vaststellen van een planologische regeling voor windturbines. Voor zover wordt gewezen op artikel 191 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: VWEU) verwijst de Afdeling naar de uitspraak van het Hof van Justitie van 13 juli 2017 in zaak C-129/16, ECLI:EU:C:2017:547 (Túrkevei Tejtermelö Kft). In die uitspraak is onder 35 onder meer overwogen dat artikel 191, tweede lid, van het VWEU zich beperkt tot het omschrijven van de algemene doelstellingen van de Unie op milieugebied, terwijl de taak te beslissen over het met het oog op verwezenlijking van die doelstellingen te nemen maatregelen toekomt aan het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie. Onder 36 heeft het Hof van Justitie overwogen dat aangezien artikel 191, tweede lid, van het VWEU het optreden van de Unie betreft, die bepaling niet als zodanig kan worden ingeroepen door particulieren. Dit betekent echter niet dat het voorzorgsbeginsel daarom in een geval als dit geen toepassing kan vinden. Het effect van windturbines voor hinder voor omwonenden en op de volksgezondheid zijn mee te wegen belangen bij het besluit over vaststelling van een provinciaal inpassingsplan. Dit betekent dat voorzorg van betekenis kan zijn bij de door provinciale staten te maken afweging. Voor het antwoord op de vraag welke betekenis die voorzorg in het onderhavige geval kan toekomen, zoekt de Afdeling aansluiting bij de Mededeling van de Europese Commissie over het voorzorgsbeginsel (COM/2000/0001) van 2 februari 2000 (hierna: de mededeling). In de mededeling staat dat het voorzorgsbeginsel vooral van belang is voor risicobeheer. Het voorzorgsbeginsel moet volgens de mededeling worden bezien in het kader van een gestructureerde aanpak van een uit drie stappen bestaande risicoanalyse: risico-evaluatie, risicobeheer en risicomelding. Het voorzorgsbeginsel vindt, aldus de mededeling, toepassing wanneer een voorlopige objectieve wetenschappelijke evaluatie uitwijst dat er gegronde redenen zijn om te vrezen voor potentieel gevaarlijke gevolgen voor het milieu of de gezondheid van mensen, dieren of planten in een mate die onverenigbaar zouden kunnen zijn met een voor de Europese Unie gekozen beschermingsniveau. In situaties waarin er te weinig wetenschappelijke gegevens zijn om alle onzekerheden te kunnen kennen en de oorzaak-effect relaties wel worden vermoed maar niet zijn aangetoond, staan de politieke besluitvormers voor de keuze wel of niet handelen. Vanwege (onzekere) risico’s kan derhalve uit voorzorg al dan niet wordt besloten om maatregelen te nemen. Zoals ook de Europese Commissie stelt, is het beoordelen van een voor de maatschappij al dan niet aanvaardbaar risico primair een bestuurlijk politieke taak. 29.
- Provinciale staten hebben in dit geval geen aanleiding gevonden om uit voorzorg met het oog op een goed woon- en leefklimaat van omwonenden een andere geluidnorm te hanteren dan die neergelegd in het Activiteitenbesluit. Zij hebben geen gegronde redenen aanwezig geacht om vanwege de geluidproductie van windturbines te vrezen voor onaanvaardbare gevaarlijke gevolgen voor omwonenden. Aangezien deze standpuntbepaling een bij uitstek bestuurlijk politieke taak is, zal de Afdeling deze moeten respecteren tenzij provinciale staten daartoe in redelijkheid niet hadden kunnen besluiten. De Afdeling kan niet een eigen oordeel in de plaats stellen van het oordeel van provinciale staten. Ter beoordeling van de Afdeling staat of het besluit van provinciale staten op dit punt berust op voldoende kennis over de relevante feiten en belangen, deugdelijk is gemotiveerd en geen onevenredige gevolgen heeft voor belanghebbenden in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen. 29.
- Zoals hiervoor 28.3 reeds is overwogen, bestaat in de wetenschap geen eenduidigheid over het antwoord op de vraag of geluid van windturbines effect heeft op de gezondheid van mensen. Een directe oorzaak-effectrelatie tussen windturbinegeluid en gezondheid is blijkens het RIVM-rapport uit 2017 in de wetenschap - nog - niet gevonden. Tegen de achtergrond van de deze stand van zaken in de wetenschap over effecten van (laagfrequent) geluid van windturbines op in de nabijheid van die windturbines wonende mensen, kan naar het oordeel van de Afdeling niet worden gezegd dat het standpunt van provinciale staten over de gevolgen van laagfrequent geluid voor de gezondheid niet berust op voldoende kennis over de relevante feiten en belangen dan wel niet deugdelijk is gemotiveerd. Conclusie geluidnormen
- Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat hetgeen [appellant sub 1] en anderen, [appellant sub 2], [appellant sub 3] en [appellant sub 6] en anderen hebben aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat provinciale staten bij het vaststellen van het inpassingsplan niet hadden mogen aansluiten bij de geluidnormen uit het Activiteitenbesluit. Bezwaren tegen het akoestisch onderzoek
- De resultaten van onderzoek naar de geluidbelasting vanwege het windpark zijn vastgelegd in het rapport "Akoestisch onderzoek windpark Venlo" van bureau Arcadis van 30 mei
- Daarin staat dat bij de woningen aan de [locatie 2] en [locatie 3] de grenswaarde van 47 dB Lden met 2 dB wordt overschreden. De grenswaarde van 41 dB Lnight wordt bij deze woningen met 1 dB overschreden. Deze overschrijding is het gevolg van de geluidbelasting van windturbine
- Bij de woningen aan de [locatie 2] en [locatie 3] kan aan de grenswaarden worden voldaan door het gemiddelde bronvermogen van windturbine 4 in de nachtperiode met 4 dB te reduceren, naar 99 dB. Dit betekent dat het jaargemiddelde bronvermogen van deze turbine in de nachtperiode niet hoger mag zijn dan 99 dB. De noodzakelijke geluidreductie kan worden gerealiseerd door instelling van een zogenaamde "noise mode" voor de nachtperiode. Hierbij worden de rotorbladen onder een iets andere hoek gedraaid ten opzichte van de voor energieopbrengst optimale instelling. De bladen draaien dan minder snel waardoor er minder geluid wordt geproduceerd. Afronden van berekende geluidwaarden
- [appellant sub 2] betoogt dat de berekende geluidbelasting ten onrechte (naar beneden) is afgerond. Deze afronding heeft tot gevolg dat de normen van 47 dB Lden en 41 dB Lnight niet worden overschreden. De berekende - niet afgeronde - geluidwaarden moeten volgens [appellant sub 2] echter worden vergeleken met de geluidnormen en dan is wel sprake van een overschrijding. 32.
- De grenswaarden in artikel 3.14a, eerste lid, van het Activiteitenbesluit zijn gesteld zijn als een heel getal. Zoals in het deskundigenbericht staat, brengt dit mee dat de berekende waarden moeten worden afgerond alvorens toetsing aan de grenswaarden plaatsvindt. De wijze van afronding is niet aangegeven in het Reken- en meetvoorschrift windturbines, maar het is gebruikelijk dat afronding plaatsvindt op de wijze die is beschreven in de Handreiking rekenen en meten industrielawaai 1999, waarop ook het Reken- en meetvoorschrift windturbines is gebaseerd. De afrondingsregels uit deze handreiking houden in dat rekenresultaten overeenkomstig de Nederlandse norm NEN 1047 dienen te worden afgerond voordat wordt getoetst aan de norm. Hierbij geldt dat indien het af te ronden getal achter de komma op een 5 eindigt deze wordt afgerond naar het dichtstbijzijnde gehele even getal. De hoogste berekende geluidwaarden in de situatie met maatregelen bedragen 47,3 dB(A) Lden en 40,5 dB(A) Lnight. Deze waarden worden afgerond naar 47 dB(A) en 40 dB(A) voordat getoetst wordt aan de normen uit het Activiteitenbesluit. Bij deze gebruikelijke afrondingsresultaten wordt derhalve voldaan aan de normen uit het Activiteitenbesluit, aldus het deskundigenbericht. 32.
- De Afdeling ziet gelet op het voorgaande geen aanleiding voor het oordeel dat de wijze waarop de berekende waarden voor de geluidbelasting zijn afgerond, ondeugdelijk is. Vergelijk de uitspraak van 13 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3405, waar de Afdeling hierover in gelijke zin heeft geoordeeld (overweging 9.1). Onderzoek Deense norm
- [appellant sub 6] en anderen en [appellant sub 3] betogen dat het verrichte onderzoek naar de gevolgen van het laagfrequent geluid in het rapport "Onderzoek laagfrequent geluid windpark" van bureau Arcadis van 21 december 2017 ondeugdelijk is. De op grond van dit onderzoek getrokken conclusie dat kan worden voldaan aan de zogenoemde Deense norm voor laagfrequent geluid is volgens hen onjuist. Bij de verrichte berekening is ten onrechte uitgegaan van een onjuiste isolatiewaarde van de gevel van de betrokken woningen. Ter nadere onderbouwing van dit betoog hebben [appellant sub 6] en anderen en [appellant sub 3] een aantal notities van bureau Peutz overgelegd. 33.
- Volgens provinciale staten is aangetoond dat kan worden voldaan aan de geluidnormen van artikel 3.14a, eerste lid, van het Activiteitenbesluit. Gelet hierop bestaat geen aanleiding voor de aanname dat de geluidbelasting van het windpark onaanvaardbaar zal zijn, ook niet wat betreft de gevolgen van laagfrequent geluid. Dat bij het voorbereiden van het inpassingsplan ook is onderzocht in hoeverre kan worden voldaan aan de Deense norm voor laagfrequent geluid, doet hier niet aan af. Dit onderzoek is uitsluitend verricht op verzoek van omwonenden en dient slechts als nadere illustratie van de mogelijke akoestische gevolgen van het windpark, aldus provinciale staten. 33.
- De Afdeling ziet geen aanleiding eraan te twijfelen dat het onderzoek naar het laagfrequent geluid uitgaande van de Deense norm slechts ten overvloede is verricht om tegemoet te komen aan de wensen van omwonenden. Gelet daarop bestaat geen aanleiding inhoudelijk in te gaan op de bezwaren die zijn aangevoerd over de deugdelijkheid van dit onderzoek. Ook indien het onderzoek gebrekkig zou zijn, zou dit geen gevolgen hebben voor de rechtmatigheid van het inpassingsplan. Het betoog faalt. Voorwaardelijke verplichting bronvermogen windturbines
- [appellant sub 6] en anderen betogen dat de voorwaardelijke verplichting als vastgelegd in artikel 4, lid 4.1.3 en lid 4.2.3 van de planregels niet kan worden gehandhaafd en daardoor niet het beoogde effect zal hebben. Beoogd is de geluidemissie van de windturbines te begrenzen. De voorwaardelijke verplichting heeft echter betrekking op het jaargemiddelde geluidvermogen van de windturbines. Dit is afhankelijk van de windsnelheden in het desbetreffende jaar. Het jaargemiddelde geluidvermogen kan daarom pas achteraf worden berekend, op een moment derhalve dat handhaving vanwege een eventueel opgetreden overschrijding geen zin meer heeft, aldus [appellant sub 6] en anderen. 34.
- Volgens provinciale staten wordt met artikel 4, lid 4.1.3 en lid 4.2.3, van de planregels beoogd omwonenden van het windpark aanvullende zekerheid te verschaffen dat de geluidnormen van het Activiteitenbesluit worden nageleefd. Hiertoe is in de planregels het maximale bronniveau van de te realiseren windturbines begrensd. Een jaargemiddelde (emissie)norm voor het toegelaten bronvermogen is in overeenstemming met de wijze waarop in het Activiteitenbesluit en -regeling de geluidbelasting van windturbines wordt gereguleerd. De normen van 47 dB Lden en 41 dB Lnight zien immers ook op de jaargemiddelde geluidbelasting. In eerdere uitspraken heeft de Afdeling geoordeeld dat deze normen gehandhaafd kunnen worden. Provinciale staten stellen verder dat op grond van artikel 3.14e van de Activiteitenregeling de drijver van de inrichting gedurende de exploitatie van het windpark verplicht is een register bij te houden van de gegevens die noodzakelijk zijn voor het berekenen van de jaargemiddelde geluidsemissie van de windturbines. Aan de hand van de gemeten emissie van de windturbines kan het jaargemiddelde geluidvermogen worden berekend, ook door derden, aldus provinciale staten. 34.
- In artikel 4, lid 4.1.3, van de planregels is bij wijze van voorwaardelijke verplichting vastgelegd dat het jaargemiddelde bronvermogen van de windturbines ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - windturbine 1" bepaalde drempels niet mag overschrijden. In lid 4.2.3 is een vergelijkbare regeling opgenomen voor windturbines op gronden met de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - windturbine 2". 34.
- In het deskundigenbericht staat dat de keuze om voor het toegelaten bronvermogen aan te sluiten bij een jaargemiddelde norm in overeenstemming is met de systematiek van het Activiteitenbesluit en de -regeling voor het reguleren van windturbinegeluid. In artikel 3.14d van de Activiteitenregeling is bepaald dat de handhaving dient te geschieden zoals aangeven in paragraaf 2.6 van bijlage 4 van de Activiteitenregeling (Reken- en meetvoorschrift windturbines). In deze paragraaf is aangegeven dat in het kader van handhaving kan worden volstaan met steekproefsgewijze controle van het bronvermogen. De uitvoering en uitwerking hiervan geschiedt overeenkomstig de methode die in de bijlage nader is beschreven. Volgens de deskundige is dit in vergelijking met een immissiemeting op de gevel van een woning een eenvoudigere en meer betrouwbare methode, die bovendien betrekkelijk snel kan worden uitgevoerd. De in de planregels opgenomen voorwaardelijke verplichting voor geluid is volgens het deskundigenbericht handhaafbaar en controleerbaar, waarbij derden met behulp van de methode uit het Reken- en meetvoorschrift windturbines emissiemetingen kunnen laten verrichten door een akoestisch bureau. 34.
- Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de voorwaardelijke verplichting als vastgelegd in artikel 4, lid 4.1.3 en lid 4.2.3 van de planregels niet kan worden gehandhaafd. Voor zover het bezwaar van [appellant sub 6] en anderen ziet op de vraag naar de handhaafbaarheid van de Lden-norm, overweegt de Afdeling dat zij in eerdere uitspraken heeft geoordeeld dat geen grond bestaat voor het oordeel dat de normen uit artikel 3.14a, eerste lid, van het Activiteitenbesluit niet handhaafbaar en controleerbaar zijn (bijvoorbeeld overweging 106 van de uitspraak van 21 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:616). Het betoog faalt. Cumulatief geluid 34.
- Ten aanzien van het betoog van [appellant sub 6] en anderen en [appellant sub 3] dat ten onrechte niet is gekeken naar de cumulatieve effecten van onder meer bedrijventerrein Trade Port Noord, de rijkswegen A73 en A74, stelt de Afdeling vast onder verwijzing naar het MER dat dit betoog feitelijke grondslag mist. Conclusie
- Hetgeen [appellant sub 1] en anderen, [appellant sub 2], [appellant sub 3] en [appellant sub 6] en anderen hebben aangevoerd geeft geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat de geluidhinder vanwege de windturbines niet zal leiden tot ernstige hinder en gevolgen voor de gezondheid voor omwonenden van het windpark. Het betoog faalt. De beroepen van GVL en andere en FLT
- GVL en andere en FLT betogen dat de geluidbelasting vanwege de windturbines ernstige gevolgen zal hebben voor het werk- en verblijfsklimaat in hun bedrijfsgebouwen. Zij wijzen in het bijzonder op de mogelijke nadelige effecten op de gezondheid van de in deze gebouwen werkzame personen. Vooral het laagfrequente geluid van de windturbines kan volgens GVL en andere en FLT leiden tot (fysieke) klachten als hoofdpijn en luchtwegaandoeningen. Daarbij is volgens GVL en andere en FLT van belang dat windturbines 3 en 4 zijn voorzien op geringe afstand tot hun onderscheiden percelen. 36.
- De bedrijfsgebouwen van GVL en andere en FLT zijn volgens provinciale staten geen gevoelig object als bedoeld in het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling. Bij het voorbereiden van het inpassingsplan is niettemin onderzocht welke gevolgen het geluid van de windturbines kan hebben op de bedrijven in de omgeving van het windpark. Uit het verrichte onderzoek volgt dat de geluidbelasting gering is en dat niet gevreesd behoeft te worden voor een aantasting van het werk- en verblijfsklimaat in de bedrijfsgebouwen van GVL en andere en FLT, aldus provinciale staten. 36.
- De drie bedrijfsgebouwen van GVL en andere en het bedrijfsgebouw van FLT zijn geen gevoelig gebouw als bedoeld in het Activiteitenbesluit en de -regeling, zodat de geluidnormen van artikel 3.14a, eerste lid, van het Activiteitenbesluit hierop niet van toepassing zullen zijn op het moment dat het windpark operationeel wordt. Dit wordt ook onderkend door GVL en andere en FLT. De omstandigheid dat er geen rechtstreeks van toepassing zijnde wettelijke normen zijn, laat onverlet dat provinciale staten, gelet op artikel 3.1 van de Wro, bij het vaststellen van het inpassingsplan, de gevolgen van de windturbines voor het werk- en verblijfsklimaat in de nabijgelegen bedrijfsgebouwen moeten betrekken bij de belangenafweging en dat moet worden onderbouwd dat deze gevolgen aanvaardbaar zullen zijn. 36.
- Bij het voorbereiden van het inpassingsplan is onderzoek verricht naar de gevolgen van de geluidbelasting van de windturbines voor het werk- en verblijfsklimaat in het bedrijfsgebouw van FLT aan de Heierhoevenweg
- De resultaten van dit onderzoek staan in de memo "Beoordeling geluid Windpark Greenport Venlo Geneba" van bureau Arcadis van 13 juni 2018 (hierna: memo Beoordeling geluid). In de memo staat dat voor inrichtingen de geluidbelasting inpandig wordt beoordeeld, waarbij op de arbeidsplaats een hoger geluidniveau mag optreden dan in een woning. Voor het berekenen van de geluidbelasting van de windturbines is het geluidmodel gehanteerd dat ten grondslag ligt aan het rapport "Akoestisch onderzoek windpark Venlo" van bureau Arcadis van 30 mei
- Uit de berekeningen blijkt dat het windpark een gemiddelde geluidbelasting van 47 dB(A) tot 50 dB(A) veroorzaakt op de gevel van het bedrijfsgebouw van FLT. Het maximale geluidniveau als de windturbine op vol vermogen draait is 4 dB(A) hoger. Het geluidniveau op de gevels en het dak van het bedrijfsgebouw van FLT bedraagt dus maximaal 51 dB(A) tot 54 dB(A). Uitgaande van een gevelwering van 20 dB(A) bedraagt het binnenniveau maximaal 31 dB(A) tot 34 dB(A). De aanvaardbaarheid hiervan is beoordeeld aan de hand van de Nederlandse praktijkrichtlijn "NPR 3438:2007: Ergonomie - Geluidhinder op de arbeidsplaats - bepaling van de mate van verstoring van communicatie en concentratie". Op grond van deze richtlijn geldt (bijvoorbeeld) voor beeldschermwerk een streefwaarde van 45 dB(A) en voor magazijnwerk een streefwaarde van 55 dB(A). Zelfs indien wordt uitgegaan van een lagere isolatiewaarde voor het bedrijfsgebouw van FLT, wordt ruimschoots voldaan aan de streefwaarde van de genoemde richtlijn. Gelet hierop zal het geluid van de windturbines naar verwachting niet leiden tot verstoring van de communicatie en concentratie in het bedrijfsgebouw van FLT. Het berekende geluidniveau zou overdag ook in woningen toelaatbaar zijn, aldus de memo. 36.
- In het deskundigenbericht zijn de bevindingen en conclusies van de memo Beoordeling geluid onderschreven. 36.
- Provinciale staten stellen dat voor GVL en andere kan worden aangesloten bij de bevindingen van het onderzoek naar de situatie bij FLT omdat de bedrijfsgebouwen van GVL en andere op grotere afstand van de windturbines liggen dan het bedrijfsgebouw van FLT. 36.
- FLT heeft in reactie op het deskundigenbericht gesteld dat voor het aspect geluid onvoldoende wordt ingegaan op het feit dat haar bedrijfsgebouw dubbel wordt belast met de hin