, van toepassing is. Grief 1 slaagt. Grief 3: heeft de staatssecretaris ten onrechte advies gevraagd aan de RvO?
, volgt dat de staatssecretaris in twee gevallen advies aan de RvO vraagt: wanneer een onderneming een startende onderneming is of wanneer de staatssecretaris twijfelt of de continuïteit en solvabiliteit van een onderneming voldoende zijn gewaarborgd. Uit het tweede lid van die bepaling en de toelichting van de staatssecretaris bij de regeling van 29 maart 2016 tot wijziging van het VV 2000 (Stcrt. 2016, 16780, p. 5) volgt, anders dan de staatssecretaris aanvoert, niet dat de feitelijke bedrijfsactiviteiten van een onderneming substantieel moeten zijn om die onderneming als gevestigde onderneming aan te merken. Omdat de vennootschap stukken heeft overgelegd waaruit blijkt dat zij al langer dan anderhalf jaar feitelijk bedrijfsactiviteiten heeft verricht, heeft de rechtbank terecht overwogen dat de staatssecretaris de vennootschap ten onrechte als startende onderneming heeft beschouwd. De staatssecretaris stelt zich in hoger beroep niet op het standpunt dat hij twijfelt aan de continuïteit en solvabiliteit van de vennootschap. 4.
, ziet bovendien alleen op een aanvraag om erkenning als referent voor een religieuze of levensbeschouwelijke organisatie, wat de vennootschap niet is. Grief 3 slaagt niet. Grief 2: heeft de rechtbank ten onrechte zelf in de zaak voorzien?
in strijd met artikel 7:12 van de Awb ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat aanleiding bestond de RvO om advies te vragen. Het hoger beroep is echter gegrond, omdat de rechtbank ten onrechte zelf in de zaak heeft voorzien. De vennootschap heeft de Afdeling gevraagd om toepassing van de bestuurlijke lus als bedoeld in artikel 8:51a van de Awb, zodat de staatssecretaris het uitwisselingsprogramma van de vennootschap kan beoordelen. De Afdeling ziet hier geen aanleiding toe, omdat de staatssecretaris ruimte heeft om alsnog deugdelijk te motiveren dat aanleiding bestaat om de RvO om advies te vragen. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd, voor zover zij zelf in de zaak heeft voorzien en de staatssecretaris heeft opgedragen de vennootschap als referent te erkennen voor het gevraagde doel. De uitspraak wordt voor het overige, met verbetering van gronden, bevestigd. Dit betekent dat de vernietiging
in stand blijft en dat de staatssecretaris een nieuw besluit op bezwaar moet nemen. De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het hoger beroep gegrond; II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 12 december 2018 in zaak nr. 18/1441, voor zover zij het besluit van 19 juli 2016, kenmerk Z1-10458335809, heeft herroepen, haar uitspraak in de plaats heeft gesteld
, kenmerk Z1-40304556923, en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft opgedragen de vennootschap te erkennen als referent voor het gevraagde doel; III. bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige; IV. veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vennootschap in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 512,00 (zegge: vijfhonderdtwaalf euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. G.M.H. Hoogvliet, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.J. Schuurman, griffier. w.g. Verheij w.g. Schuurman voorzitter griffier Uitgesproken in het openbaar op 16 december 2019 282-887. BIJLAGE Vreemdelingenwet 2000, ten tijde
1. Onze Minister kan de aanvraag tot erkenning als referent of tot wijziging van de erkenning als referent afwijzen, indien: […] b. de continuïteit en solvabiliteit van de onderneming, rechtspersoon of organisatie onvoldoende is gewaarborgd; […] Vreemdelingenbesluit 2000, ten tijde
.14 Ten behoeve van het verblijf van een vreemdeling die in Nederland verblijft of wil verblijven in het kader van uitwisseling, kan als referent optreden de krachtens artikel 2c van de Wet als referent erkende uitwisselingsorganisatie, die: […] b. ten behoeve van die vreemdeling een door Onze Minister goedgekeurd uitwisselingsprogramma als bedoeld in artikel 3.43, eerste lid, onder a, uitvoert, en […] Artikel 3.103 De aanvraag wordt getoetst aan het recht dat gold op het tijdstip waarop de aanvraag is ontvangen, tenzij uit de Wet anders voortvloeit of het recht dat geldt op het tijdstip waarop de beschikking wordt gegeven, voor de vreemdeling gunstiger is. Voorschrift Vreemdelingen 2000, ten tijde
De aanvrager om erkenning als referent legt bij de aanvraag een verklaring van betalingsgedrag als bedoeld in artikel 1.1.12 van de Leidraad Invordering 2008 over, die op de datum van de aanvraag niet ouder is dan drie maanden.
Paragraaf B1/8.2.2 […] Erkenning als referent voor een religieuze of levensbeschouwelijke organisatie […] De IND beschouwt als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de continuïteit en solvabiliteit voldoende zijn gewaarborgd: - een verklaring over het betalingsgedrag door de Belastingdienst; en - een door een accountant goedgekeurde jaarrekening van het afgesloten boekjaar; of - een rapport van bevindingen van een accountant over de continuïteit en solvabiliteit van de organisatie; of - een bankverklaring. […]
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.