(2007)249; hierna: het commissievoorstel) werd aangenomen dat een werkgever die van de werknemer documenten had ontvangen, aan al zijn verplichtingen had voldaan, tenzij het door de werknemer overgelegde document duidelijk vervalst was. In de uiteindelijke richtlijn is deze uitzondering vervallen en is dus alleen van belang of een werkgever ervan op de hoogte is dat het document vervalst is, aldus [appellant]. 6.
- De rechtbank heeft terecht overwogen dat de omvang van de controleplicht in de uiteindelijke versie van de richtlijn, anders dan [appellant] betoogt, ruimer is geworden dan het commissievoorstel voor ogen had. Zo heeft de rechtbank er terecht op gewezen dat uit artikel 4, derde lid, en punt 5 van de considerans van het commissievoorstel volgde dat de verplichting voor werkgevers beperkt moest blijven tot het controleren of een document niet duidelijk vervalst was. Deze beperking is niet opgenomen in de uiteindelijke richtlijn, waaruit volgt dat de verplichtingen voor werkgevers ruimer zijn geworden. 6.
- In artikel 4, eerste lid, van de richtlijn is niet uitgewerkt wat een werkgever precies moet controleren. Het is daarom aan de staatssecretaris om hier een nadere invulling aan te geven. De controleplicht die uit artikel 4, eerste lid, van de richtlijn volgt, kan echter niet zo groot zijn, dat aan het derde lid van dat artikel geen betekenis meer toekomt. Zo mag de staatssecretaris niet van een werkgever verlangen dat hij een dusdanig grondige controle uitvoert dat hij elk vervalst of oneigenlijk gebruikt document herkent. In dat geval komt immers geen betekenis meer toe aan de omstandigheid dat een werkgever op de hoogte is van de vervalsing en verliest het derde lid zijn nuttig effect. Anders dan [appellant] aanvoert, legt de staatssecretaris de verplichtingen in artikel 4, eerste lid, van de richtlijn echter niet ruimer uit dan de richtlijn toestaat. Uit de onder 3 besproken nationale bepalingen volgt dat de staatssecretaris niet van een werkgever verlangt dat hij tweedelijns echtheidskenmerken controleert. Door van een werkgever te verlangen dat hij de eerstelijns echtheidskenmerken van het identiteitsbewijs van een vreemdeling controleert, gebruikt de staatssecretaris de ruimte die de richtlijn hem geeft zonder artikel 4, derde lid, van de richtlijn zijn nuttig effect te ontnemen. 6.
- In zoverre is artikel 4 van de richtlijn ook juist geïmplementeerd in artikel 2 van de Wav, in combinatie met artikel 5:41 van de Awb. Het betoog van [appellant] ter zitting bij de Afdeling, onder verwijzing naar het advies van de Afdeling advisering over de wijziging van de Wav in verband met de implementatie van de richtlijn van 8 juni 2011 (Kamerstukken II 2010/11, 32 843, nr. 4, p. 5), dat artikel 4, derde lid, van de richtlijn niet juist is geïmplementeerd, gaat niet op. De Afdeling advisering heeft namelijk aan haar advies ten grondslag gelegd dat het toenmalige artikel 10 van de Beleidsregels boeteoplegging Wav 2010, waarin een nadere invulling werd gegeven aan artikel 5:41 van de Awb, alleen tot halvering van de boete kon leiden en niet tot gehele uitsluiting van aansprakelijkheid. Zoals hiervoor is weergegeven leidt toepassing van artikel 5:41 van de Awb, zoals nader uitgewerkt in artikel 11 van de Beleidsregel boeteoplegging Wav 2017, er inmiddels toe dat een werkgever die aan de verplichtingen uit artikel 4, eerste lid, van de richtlijn heeft voldaan, niet wordt beboet. Tussenconclusie
- Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank in artikel 4, eerste lid, van de richtlijn terecht een controleplicht van enige omvang heeft gelezen en terecht heeft overwogen dat een werkgever ingevolge die bepaling verplicht is te controleren of een overgelegd document een juiste foto bevat. Het Nederlands recht zoals besproken onder 3, is niet in strijd met artikel 4 van de richtlijn. Toegepast op deze zaak
- [appellant] heeft niet deugdelijk gecontroleerd of het identiteitsdocument van de vreemdeling ook daadwerkelijk aan hem toebehoorde. Ook zonder technische hulpmiddelen had [appellant] namelijk moeten constateren dat het identiteitsdocument niet aan de vreemdeling toebehoorde, omdat de vreemdeling niet lijkt op de persoon die op de foto op de Nederlandse identiteitskaart staat. Omdat [appellant] dus niet aan de verplichtingen van artikel 4, eerste lid, van de richtlijn, zoals geïmplementeerd in artikel 2 van de Wav in combinatie met artikel 5:41 van de Awb, heeft voldaan, komt de Afdeling niet toe aan een bespreking van artikel 4, derde lid, van de richtlijn. Het betoog faalt. Conclusie
- De rechtbank heeft terecht overwogen dat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat van verwijtbaarheid in de zin van artikel 5:41 van de Awb geen sprake is. De rechtbank heeft dus terecht de door de staatssecretaris opgelegde boete in stand gelaten.
- Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzitter, en mr. A.J.C. de Moor-van Vugt en mr. C.C.W. Lange, leden, in tegenwoordigheid van mr. L. Groenendijk, griffier. w.g. Sevenster w.g. Groenendijk voorzitter griffier Uitgesproken in het openbaar op 18 december 2019 164-
- BIJLAGE Richtlijn 2009/52/EG (PB L 168/24) Artikel 3
- De lidstaten verbieden de tewerkstelling van illegaal verblijvende onderdanen van derde landen.
- Inbreuken op dit verbod worden bestraft met de in deze richtlijn vastgestelde sancties en maatregelen. […] Artikel 4
- De lidstaten verplichten de werkgevers: a) van onderdanen van derde landen te eisen dat zij voor de aanvang van hun werkzaamheden een geldige verblijfsvergunning of andere machtiging tot verblijf bezitten en aan de werkgever voorleggen; b) ten minste voor de duur van de tewerkstelling een afschrift of de gegevens van de verblijfsvergunning of andere verblijfsmachtiging beschikbaar te houden voor eventuele inspectie door de bevoegde instanties van de lidstaten; c) de door de lidstaten aangewezen bevoegde instanties, binnen een door iedere lidstaat te bepalen termijn, in kennis te stellen van de aanvang van de tewerkstelling van onderdanen van derde landen. […]
- De lidstaten zien erop toe dat werkgevers die aan de in lid 1 opgesomde verplichtingen hebben voldaan, niet aansprakelijk worden gesteld voor inbreuk op het in artikel 3 bedoelde verbod, tenzij zij ervan op de hoogte waren dat het als geldige verblijfsvergunning of verblijfsmachtiging voorgelegde document een vervalsing was. Punt 5 van de considerans Deze richtlijn mag geen betrekking hebben op onderdanen van derde landen die legaal in een lidstaat verblijven, ongeacht of zij op zijn grondgebied mogen werken. […] De richtlijn geldt onverminderd een verbod krachtens nationaal recht op de tewerkstelling van legaal verblijvende onderdanen van derde landen die in strijd met hun verblijfsstatus werken. Punt 9 van de considerans Om de tewerkstelling van illegaal verblijvende onderdanen van derde landen te voorkomen, moet van werkgevers worden geëist dat zij vóór de indienstneming van een onderdaan van een derde land, ook wanneer de onderdaan van het derde land in het kader van dienstverlening wordt aangeworven met het oog op detachering naar een andere lidstaat, controleren of de onderdaan van het derde land beschikt over een geldige verblijfsvergunning of een andere machtiging tot verblijf waaruit blijkt dat hij of zij legaal op het grondgebied van de lidstaat van aanwerving verblijft. Punt 11 van de considerans Werkgevers die aan de verplichtingen van deze richtlijn hebben voldaan, zouden niet aansprakelijk moeten worden gesteld voor het tewerkstellen van illegaal verblijvende onderdanen van derde landen; dit geldt met name wanneer de bevoegde instantie achteraf constateert dat het door een werknemer voorgelegde document vervalst of onrechtmatig gebruikt was, tenzij de werkgever op de hoogte was van deze vervalsing. Algemene wet bestuursrecht Artikel 5:41 Het bestuursorgaan legt geen bestuurlijke boete op voor zover de overtreding niet aan de overtreder kan worden verweten. Wet arbeid vreemdelingen Artikel 2
- Het is een werkgever verboden een vreemdeling in Nederland arbeid te laten verrichten zonder tewerkstellingsvergunning of zonder dat een vreemdeling in het bezit is van een gecombineerde vergunning voor werkzaamheden bij die werkgever. […] Besluit van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 26 juni 2017, nr. 2017-0000105451, tot vaststelling van de Beleidsregel boeteoplegging Wet arbeid vreemdelingen, Stcrt. 2017, nr. 37085 […] Toelichting […] Artikel 11 […] Volledig ontbreken van verwijtbaarheid […] Indien een overtreding een overtreder niet te verwijten valt, mag op grond van artikel 5:41 van de Algemene wet bestuursrecht in het geheel geen boete worden opgelegd. Van het volledig ontbreken van verwijtbaarheid is bijvoorbeeld sprake als de tewerkgestelde vreemdeling zich heeft geïdentificeerd met een vals identiteitsbewijs, waarbij de vervalsing betrekking heeft op de zogenaamde tweedelijnskenmerken die bij een werkgever niet bekend worden verondersteld. […]