(81). Het perceel gelegen aan de [locatie 6] te Parrega wordt de aanduiding "transportbedrijf" gegeven. Er wordt door middel van een wijzigingsbevoegdheid ex artikel 3.6 Wro in het bestemmingsplan een mogelijkheid geboden om de helft van het perceel direct grenzende ten zuiden van het perceel aan de [locatie 6] te Parrega, waarop de bestemming Agrarisch rust, de bestemming ‘Bedrijf’ met daarbij de aanduiding ‘parkeerterrein voor vrachtwagens’- alleen bestemd voor het parkeren van vrachtwagens te geven." 21.
- De Afdeling stelt vast dat het gepubliceerde plan, voor zover het betreft de zinsnede "waarbij een beplantingsstrook met een breedte van 5 m in ieder geval als afschermend wordt aangemerkt" geen grondslag vindt in het raadsbesluit, zodat het raadsbesluit en het gepubliceerde plan niet met elkaar overeenstemmen. Gelet hierop is het bestreden besluit in zoverre in strijd met de rechtszekerheid. Het betoog slaagt. Herhalen en inlassen zienswijze
- [appellante sub 6A] heeft zich in het beroepschrift voor het overige beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van de zienswijze. In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze. [appellante sub 6A] heeft in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn. Conclusie
- Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient wegens strijd met het rechtszekerheidsbeginsel te worden vernietigd voor zover het betreft de in artikel 3, lid 3.7.1, aanhef en onder l, aanhef onder 2, van de planregels opgenomen zinsnede "waarbij een beplantingsstrook met een breedte van 5 m in ieder geval als afschermend wordt aangemerkt".
- De raad dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. Het beroep van [appellante sub 7]
- [appellante sub 7] verzet zich tegen het plan voor zover aan het perceel [locatie 7] in Pingjum de enkelbestemming "Bedrijf" met de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - houtzagerij" is toegekend. Procesbelang
- De raad heeft ter zitting aangevoerd dat [appellante sub 7] geen belang meer heeft bij een beoordeling van het bestreden besluit, omdat zij niet meer gevestigd is aan het perceel [locatie 7] in Pingjum. 26.
- [appellante sub 7] heeft desgevraagd een nadere schriftelijke uiteenzetting gegeven. De raad heeft hierop binnen de daartoe gestelde termijn geen reactie ingediend. 26.
- Op grond van de door [appellante sub 7] verschafte door de raad onbestreden informatie acht de Afdeling het aannemelijk dat [appellante sub 7] belang heeft bij de beoordeling van haar beroep tegen het bestreden besluit. Het beroep is ontvankelijk. Inhoud
- [appellante sub 7] betoogt dat op het perceel [locatie 7] in Pingjum ten onrechte de totale gezamenlijke oppervlakte van bedrijfsgebouwen niet meer dan de bestaande oppervlakte mag bedragen, zoals volgt uit artikel 6, lid 6.2, sub a, aanhef en onder 2, van de planregels. Volgens haar had de raad een mogelijkheid voor een uitbreiding van 2.000 m2 in het plan moeten toestaan. Daarover voert zij aan dat de raad op 2 juli 2015 heeft ingestemd met het toekennen van een bouwrecht van 1.025 m2 voor een nieuwe droogloods en zij heeft verzocht dit toegekende bouwrecht uit te breiden tot 2.000 m
- Volgens haar stelt de raad in de nota van zienswijzen ten onrechte dat het toestaan van een droogloods van 2.000 m2 niet zou passen binnen de beslissing van de raad van 2 juli
- Hiervoor acht [appellante sub 7] van belang dat deze beslissing is gebaseerd op de gemeentelijke Uitgangspuntennotitie voor het buitengebied en op de Verordening Romte, en ingevolge deze Uitgangspuntennotitie en artikel 4.3.1 van de Verordening Romte een uitbreiding van 50% van het bestaande bebouwde oppervlak kan worden toegestaan. Omdat volgens [appellante sub 7] onder ‘bestaande bebouwing’ zowel gebouwen als andere bouwwerken moeten worden verstaan, had de raad volgens haar 4.054 m2 als uitgangspunt moeten nemen als gevolg waarvan hij 2.027 m2 aan bouwrecht had kunnen toekennen. Volgens [appellante sub 7] stelt de raad voorts ten onrechte dat niet zeker is dat haar plannen milieutechnisch uitvoerbaar zijn. Daarvoor acht zij van belang dat zij het gemeentebestuur in juli 2014 een schriftelijke onderbouwing heeft doen toekomen waarin is beschreven dat de plannen landschappelijk, verkeerstechnisch en milieuhygiënisch verantwoord en inpasbaar zijn. Daarnaast volgt volgens haar uit het geluidonderzoek van Sirius Geluid en Milieu van maart 2015 (hierna: het geluidonderzoek) dat met de door haar gewenste droogloods wordt voldaan aan de geluidgrenswaarden uit het Activiteitenbesluit en deze loods voor zover al nodig als geluidscherm kan fungeren. Daarnaast betoogt [appellante sub 7] dat ten onrechte de activiteit ‘houthandel’ niet in de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - houtzagerij" is opgenomen, omdat hiermee volgens haar zonder motivering een legaal bedrijf wordt wegbestemd. 27.
- De raad stelt dat [appellante sub 7] in 2015 een verzoek heeft ingediend om de bestaande bebouwing uit te breiden. In het herinrichtingsverzoek van [appellante sub 7] was een uitbreiding van de bestaande droogloods opgenomen van 600 m2 naar 2.000 m2 en de bouw van een nieuwe droogloods achter op het perceel. Bij nieuwe ontwikkelingen die niet binnen vastgesteld beleid passen moet volgens de raad eerst een kadernotitie door de gemeenteraad worden vastgesteld. Deze Kadernotitie is op 2 juli 2015 behandeld in de raadsvergadering. Op basis van de Kadernotitie is besloten om medewerking te verlenen aan een uitbreiding van de bestaande bebouwing van maximaal 50% mits milieutechnisch mogelijk en landschappelijk ingepast. De totale oppervlakte van de bouwvlakken bedraagt volgens de raad 2.050 m2, als gevolg waarvan een uitbreiding van maximaal 1.025 m2 is toegestaan. Vanwege klachten van de buurman over geluid- en stofoverlast, wil de raad uitsluitend medewerking verlenen indien voldoende is aangetoond dat de uitbreiding zelf en de locatie van de uitbreiding verantwoord zijn. Volgens de raad lag aan het in 2015 door [appellante sub 7] gedane verzoek geen ruimtelijke onderbouwing voor onder meer de aspecten geur en stof ten grondslag. Ook ten tijde van de voorbereiding van het ontwerpbestemmingsplan waren volgens de raad geen nadere gegevens beschikbaar waaruit bleek dat de voorgenomen uitbreiding uitvoerbaar was en was er ook geen aanvraag voor een wijziging van het plan ingediend. Gelet hierop is volgens de raad geen sprake van een concreet bouwplan en is het, vanwege nabijgelegen woningen, niet zeker of de gewenste uitbreiding milieutechnisch mogelijk is. Over het ontbreken van de activiteit ‘houthandel’ in de aanduiding stelt de raad dat deze activiteit, nu deze niet is opgenomen in de aanduiding, onder het overgangsrecht valt. De raad zal bij het opstellen van een veegplan aan het perceel [locatie 7] de aanduiding ‘houthandel’ toekennen. 27.
- Artikel 6, lid 6.1, van de planregels luidt: "De voor ‘Bedrijf’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. bedrijven welke zijn genoemd in categorie 1 en 2 van de bij deze regels opgenomen bijlage 5 'Staat van Bedrijven'; b. bedrijfswoningen; en ter plaatse van de aanduiding: (…) e. "specifieke vorm van bedrijf - houtzagerij" tevens voor een houtzagerij; (…)." Lid 6.2, onder a, aanhef en sub 2, luidt: "a. Voor het bouwen van bedrijfsgebouwen en bedrijfswoningen gelden de volgende regels: (…)
- de totale gezamenlijke oppervlakte van bedrijfsgebouwen mag niet meer dan de bestaande oppervlakte bedragen." Lid 6.4.1, aanhef en onder b, luidt: "Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in: (…) b. lid 6.2, sub a onder 2 voor een grotere gezamenlijke oppervlakte van bedrijfsgebouwen, met dien verstande dat:
- de bestaande oppervlakte van bedrijfsgebouwen behorende bij bedrijven genoemd in lid 6.1, onder a, binnen de planperiode eenmalig mag worden vermeerderd met ten hoogste 50% waarbij de totale gezamenlijke oppervlakte van bedrijfsgebouwen niet meer mag bedragen dan 50% van het bestemmingsvlak; (…)." 27.
- Voor zover [appellante sub 7] betoogt dat de raad in het plan voor haar ten onrechte geen uitbreidingsmogelijkheid heeft opgenomen, overweegt de Afdeling als volgt. 27.
- In de beslissing van 2 juli 2015 staat dat de raad wil meewerken aan een uitbreiding van 50% van de bestaande bebouwing mits voorafgaand is aangetoond dat een dergelijke uitbreiding milieutechnisch uitvoerbaar is. Naar het oordeel van de Afdeling bestond voor de raad geen aanleiding om vanwege die beslissing in het plan voor [appellante sub 7] een uitbreidingsmogelijkheid bij recht op te nemen. [appellante sub 7] heeft niet aannemelijk gemaakt dat is voldaan aan de in de beslissing van 2 juli 2015 opgenomen voorwaarde dat de uitbreiding milieutechnisch uitvoerbaar is. Dat [appellante sub 7] de gemeente in 2014 en 2015 een schriftelijke onderbouwing en een geluidonderzoek heeft doen toekomen waaruit zou volgen dat de uitbreiding milieutechnisch uitvoerbaar is, doet hieraan niet af. De beslissing van de raad van 2015 is immers van nadien, waaruit blijkt dat de milieutechnische uitvoerbaarheid volgens de raad op dat moment nog onvoldoende was. Het betoog faalt in zoverre. 27.
- De Afdeling stelt vast dat in artikel 6, lid 6.4.1, aanhef en onder b, aanhef en onder 1, van de planregel een afwijkingsmogelijkheid is opgenomen waarmee de bestaande oppervlakte van bedrijfsgebouwen die horen bij bedrijven genoemd in artikel 6, lid 6.1, aanhef en onder a, van de planregels, binnen de planperiode eenmalig mag worden vermeerderd met ten hoogste 50%. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat hij heeft beoogd met artikel 6, lid 6.4.1, aanhef en onder b, aanhef en onder 1, van de planregels voor [appellante sub 7] via een afwijkingsmogelijkheid een vergroting van ten hoogste 50% van de bestaande oppervlakte van bedrijfsgebouwen toe te staan. De Afdeling stelt vast dat [appellante sub 7] geen bedrijf is als bedoeld in artikel 6, lid 6.1, aanhef en onder a, van de planregels, omdat zij niet is genoemd in categorie 1 en 2 van de Staat van bedrijven die is opgenomen in bijlage 5 bij de planregels. Deze afwijkingsmogelijkheid is gelet daarop niet op haar van toepassing. Omdat de raad in zoverre niet in het plan heeft geregeld wat hij heeft beoogd, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit wat betreft dit onderdeel niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Het betoog slaagt in zoverre. 27.
- Voorts heeft de raad ter zitting toegelicht dat hij onder "de bestaande oppervlakte van bedrijfsgebouwen" als opgenomen in artikel 6, lid 6.4.1, aanhef en onder b, aanhef en onder 1, van de planregels verstaat de legale bebouwing met uitzondering van de bedrijfswoning en het daarbij horende bijgebouw. De Afdeling ziet in wat [appellante sub 7] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad voor [appellante sub 7] niet in redelijkheid kan volstaan met het in het plan opnemen van een afwijkingsmogelijkheid waarmee de bestaande oppervlakte van bedrijfsgebouwen, in de uitleg die de raad daaraan geeft, op het perceel [locatie 7] in Pingjum binnen de planperiode eenmalig mag worden vermeerderd met ten hoogste 50%. Dat volgens [appellante sub 7] in de Verordening Romte een ruimere betekenis wordt toegekend aan "het bestaande bebouwde oppervlak" als bedoeld in artikel 4.3.1 van die verordening dan de uitleg die de raad hanteert voor "de bestaande oppervlakte van bedrijfsgebouwen" als bedoeld in artikel 6, lid 6.4.1, aanhef en onder b, aanhef en onder 1, van de planregels, wat daar verder ook van zij, maakt niet dat de desbetreffende planregel in strijd is met de Verordening Romte. De in de Verordening Romte opgenomen mogelijkheid om een uitbreiding toe te staan van maximaal 50% van het bestaande bebouwde oppervlak, verzet zich er niet tegen dat de raad een uitbreidingsmogelijkheid toestaat die kleiner is dan 50% van het bestaande bebouwde oppervlak als bedoeld in de Verordening Romte. Het betoog faalt. 27.
- De raad heeft erkend dat de activiteit ‘houthandel’ ten onrechte ontbreekt in de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - houtzagerij". Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit wat betreft dit onderdeel niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Het betoog slaagt. Conclusie
- Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient wegens strijd met de ingevolge artikel 3:2 van de Awb vereiste zorgvuldigheid te worden vernietigd voor zover: - in artikel 6, lid 6.4.1, aanhef en onder b, aanhef en onder 1, in combinatie met artikel 6, lid 6.1, aanhef en onder a, van de planregels voor [appellante sub 7] niet is voorzien in een mogelijkheid om via een afwijking de bestaande oppervlakte van bedrijfsgebouwen op het perceel [locatie 7] in Pingjum binnen de planperiode eenmalig te vermeerderden met ten hoogste 50%, en - in de aan het perceel [locatie 7] in Pingjum toegekende aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - houtzagerij", niet is voorzien in de activiteit ‘houthandel’.
- De raad dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. Het beroep van [appellant sub 8]
- [appellant sub 8] woont aan [locatie 8] in Hindeloopen. Aan zijn perceel is de enkelbestemming "Wonen" en de aanduiding "recreatiewoning" toegekend. [appellant sub 8] komt op tegen de bestemming "Wonen", voor zover niet tevens een aanduiding voor recreatieve activiteiten is opgenomen. Daarover voert hij aan dat aan zijn perceel in de voorheen geldende "Beheersverordening Buitengebied Nijefurd" de bestemming "Woondoeleinden A en B" met de aanduiding "recreatieve activiteiten toegestaan" was toegekend. 30.
- De raad heeft erkend dat de gewenste aanduiding ten onrechte niet is opgenomen. Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit wat betreft dit onderdeel niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Het betoog slaagt. Conclusie
- Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient wegens strijd met de ingevolge artikel 3:2 van de Awb vereiste zorgvuldigheid te worden vernietigd, voor zover voor het perceel [locatie 8] in Hindeloopen niet is voorzien in een aanduiding "recreatieve activiteiten toegestaan".
- De raad dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. De beroepen van [appellant sub 9] en [appellant sub 10]
- [appellant sub 9] woont aan [locatie 9] in Warns. [appellant sub 10] woont aan [locatie 10] in Warns. Zij verzetten zich beiden tegen het plan voor zover het betreft het bestemmingsvlak "Verkeer-wegverkeer" ten behoeve van rondweg Warns. Dit bestemmingsvlak is ten opzichte van het ontwerpplan gewijzigd vastgesteld. Volgens hen heeft er geen afdoende belangenafweging plaatsgevonden. 33.
- [appellant sub 9] en [appellant sub 10] hebben niet een zienswijze over het ontwerpplan naar voren gebracht. De beroepen van [appellant sub 9] en [appellant sub 10] zijn daarom slechts ontvankelijk voor zover zij door de gewijzigde vaststelling van het plan in een nadeliger positie zijn komen te verkeren ten opzichte van het ontwerpplan. Het plan voorziet ter plaatse van het bestreden plandeel met de bestemming "Verkeer-wegverkeer" in een vergroting van het bestemmingsvlak ten opzichte van het ontwerpplan met ongeveer 430 m2 in westelijke richting. Niet is uitgesloten dat [appellant sub 9] en [appellant sub 10] op hun gronden gevolgen zullen ondervinden van deze vergroting. In zoverre komen [appellant sub 9] en [appellant sub 10] door de gewijzigde vaststelling van het bestemmingsplan in een nadeliger positie te verkeren ten opzichte van het ontwerpplan. [appellant sub 9] richt zich in zijn beroep uitsluitend tegen de gewijzigde vaststelling van het plan. Het beroep van [appellant sub 9] is ontvankelijk. [appellant sub 10] richt zich in zijn beroep niet uitsluitend tegen de gewijzigde vaststelling van plan, maar ook tegen het al vastgestelde tracé zoals neergelegd in het ontwerpplan. [appellant sub 10] voert daarover aan dat de raad ten onrechte geen onderzoek heeft verricht naar alternatieven voor het gehele tracé rondweg Warns. Ook heeft de raad volgens [appellant sub 10] de gevolgen van het al vastgestelde tracé zoals neergelegd in het ontwerpplan voor de aspecten geluid en landschap en voor de broedvogels, niet inzichtelijk gemaakt. In zoverre is het beroep van [appellant sub 10] niet-ontvankelijk. Het beroep van [appellant sub 10] is voor het overige ontvankelijk.
- [appellant sub 9] betoogt dat wegen en parkeervoorzieningen, die volgens hem als gevolg van de wijziging 20 m dichter op zijn woning worden gerealiseerd, leiden tot geluidhinder. Volgens [appellant sub 9] heeft de raad ten onrechte niet onderzocht of de gevolgen van de wijziging voor het aspect geluid wel aanvaardbaar zijn en is onvoldoende rekening gehouden met zijn belangen. In dat verband wijst [appellant sub 9] op een memo van Oranjewoud aan de raad van 19 december 2011 (hierna: memo Oranjewoud) over de geluidscountour van de rondweg Warns-Zuid en een onderzoek van Ecorys van 30 oktober 2018 over de effecten van de rondweg Warns-Zuid. Volgens hem volgt uit figuur 1 van de memo dat zijn woning in de rode zone ligt, wat betekent dat de geluidbelasting bij zijn woning hoger is dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Tot slot acht [appellant sub 9] van belang dat de raad volgens hem niet heeft onderbouwd dat aanpassing van het ontwerpplan gelet op de door de raad gestelde inpassing van het tracé rondweg Warns wel noodzakelijk is voor die inpassing. [appellant sub 10] betoogt dat de raad er geen rekening mee gehouden dat de rotonde, die als gevolg van de ambtelijke wijzing volgens hem mogelijk wordt, leidt tot een toename van verkeerslawaai door het remmen en optrekken van voertuigen. Omdat de raad volgens [appellant sub 10] de gevolgen van de rotonde voor het aspect geluid niet inzichtelijk heeft gemaakt, is het volgens [appellant sub 10] voor hem niet mogelijk om te controleren of ter plaatse van zijn woning aan de geluidnormen wordt voldaan. Ook heeft de raad volgens [appellant sub 10] ten onrechte geen onderzoek verricht naar de gevolgen van de rotonde voor het landschap en de broedvogels, waaronder de grutto die volgens hem als gevolg van de rotonde zal verdwijnen. 34.
- Ter zitting heeft de raad toegelicht dat de wijziging van het bestemmingsvlak "Verkeer-wegverkeer" ten opzichte van het ontwerpplan is aangebracht om een zekere flexibiliteit te kunnen bieden aan de reeds bestaande planologische mogelijkheid om ter plaatse in de toekomst een rondweg aan te leggen. De raad merkt daarbij op dat er - anders dan [appellant sub 10] meent - geen rotonde maar een T-splitsing zal worden aangelegd. Volgens de raad zullen ten tijde van de daadwerkelijke uitvoering van het tracé alle benodigde onderzoeken worden verricht. 34.
- Uit de memo Oranjewoud volgt dat voor het planologische tracé zoals neergelegd in het ontwerpplan bij een toegestane snelheid van 80 km/uur, de indicatief berekende geluidbelasting bij de woningen van [appellant sub 9] en [appellant sub 10] hoger is dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Omdat de vergroting van het plandeel met de bestemming "Verkeer-wegverkeer" het planologisch mogelijk maakt dat de weg dichter op de woningen van [appellant sub 9] en [appellant sub 10] wordt gesitueerd, en gelet daarop een verdere toename van de geluidbelasting niet is uitgesloten, is de Afdeling van oordeel dat de raad niet heeft mogen afzien van het doen van onderzoek naar de gevolgen voor het woon- en leefklimaat van [appellant sub 9] en van [appellant sub 10] voor het aspect geluid. Het betoog slaagt. 34.
- Het betoog van [appellant sub 10] dat de raad ten onrechte geen onderzoek heeft verricht naar de gevolgen voor het landschap en de broedvogels, volgt de Afdeling niet. Daarbij betrekt de Afdeling dat de wijziging van het plandeel met de bestemming "Verkeer-wegverkeer" een relatief beperkte wijziging betreft en [appellant sub 10] in het geheel niet heeft geconcretiseerd waarom voor de raad aanleiding bestond om desondanks onderzoek te doen naar de gevolgen van deze wijziging voor het landschap en de broedvogels. Het betoog faalt. Conclusie
- Het beroep van [appellant sub 9] en het beroep van [appellant sub 10], voor zover ontvankelijk, zijn gegrond. Het bestreden besluit, voor zover het betreft de vergroting in westelijke richting van het plandeel met de bestemming "Verkeer-wegverkeer" ten behoeve van het tracé rondweg Warns, is in strijd met artikel 3:2 van de Awb niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid en in strijd met artikel 3:46 van de Awb onvoldoende gemotiveerd.
- De raad dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. Opdracht en voorlopige voorziening
- De raad heeft medegedeeld dat hij voornemens is na de uitspraak van de Afdeling een veegplan vast te stellen, waarin tevens de geconstateerde gebreken kunnen worden meegenomen. Gelet hierop ziet de Afdeling aanleiding om af te zien van toepassing van de bestuurlijke lus. De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb de raad op te dragen om voor de onder 12, 15, 19, 28 en 31 van deze uitspraak vernietigde plan(onder)delen met inachtneming van deze uitspraak een nieuw plan vast te stellen. Indien het nieuwe besluit uitsluitend betrekking heeft op de in deze uitspraak geconstateerde gebreken hoeft dit besluit niet overeenkomstig afdeling 3.4 van de Awb te worden voorbereid. De Afdeling ziet geen aanleiding om voor de onder 28 en 31 van deze uitspraak vernietigde planonderdelen zelf te voorzien, omdat niet is uitgesloten dat derdebelanghebbenden hierdoor in hun belangen zouden kunnen worden geschaad. Om onevenredige benadeling van [appellante sub 7] en [appellant sub 8] te voorkomen ziet de Afdeling wel aanleiding om voor deze vernietigde planonderdelen een voorlopige voorziening te treffen als bedoeld in artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb, inhoudende dat tot de inwerkingtreding van een nieuw besluit: - [appellante sub 7] voor de toepassing van artikel 6, lid 6.4.1, aanhef en onder b, aanhef en onder 1, van de planregels wordt aangemerkt als bedrijf in de zin van artikel 6, lid 6.1, aanhef en onder a, van de planregels; - voor het perceel [locatie 7] te Pingjum voor de activiteit houtzagerij het voorheen geldende planologische regime blijft gelden; - voor het perceel [locatie 8] te Hindeloopen voor recreatieve activiteiten het voorheen geldende planologische regime blijft gelden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het beroep van [appellant sub 10A] en [appellante sub 10B], voor zover zij betogen dat de raad ten onrechte geen onderzoek heeft verricht naar alternatieven voor het gehele tracé rondweg Warns en de gevolgen het al vastgestelde tracé zoals neergelegd in het ontwerpplan voor de aspecten geluid en landschap en voor de broedvogels, niet inzichtelijk heeft gemaakt, niet-ontvankelijk; II. verklaart de beroepen van [appellant sub 1] en [appellante sub 2], waarvan de maten zijn [maat A] en [maat B], ongegrond; III. verklaart de beroepen van [appellante sub 3], waarvan de vennoten zijn [vennoot A] en [vennoot B], [appellant sub 4], [appellant sub 5], [appellante sub 6A], waarvan de vennoten zijn [vennoot A], [vennoot B], [vennoot C] en [appellant sub 6B], [appellante sub 7], [appellant sub 8], [appellant sub 9] en [appellant sub 10A] en [appellante sub 10B], voor zover ontvankelijk, gegrond; IV. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Súdwest-Fryslân van 5 oktober 2017 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Buitengebied Súdwest-Fryslân", voor zover het betreft: a. het plandeel met de bestemming "Wonen - Woonboerderij" aan het perceel [locatie 2] te Hichtum; b. het plandeel met de bestemming "Agrarisch" aan de percelen, kadastraal bekend gemeente Arum, ARM00 - D - 885, 902 en 1091; c. het plandeel met de bestemming "Wonen - Woonboerderij" aan het perceel [locatie 5] te Burgwerd; d. artikel 3, lid 3.7.1, aanhef en onder l, aanhef onder 2, van de planregels, voor zover het betreft de daarin opgenomen zinsnede "waarbij een beplantingsstrook met een breedte van 5 m in ieder geval als afschermend wordt aangemerkt"; e. artikel 6, lid 6.4.1, aanhef en onder b, aanhef en onder 1, in combinatie met artikel 6, lid 6.1, aanhef en onder a, van de planregels, voor zover daarin voor [appellante sub 7] niet is voorzien in een mogelijkheid om via een afwijkingsmogelijkheid de bestaande oppervlakte van bedrijfsgebouwen op het perceel [locatie 7] te Pingjum binnen de planperiode eenmalig te vermeerderden met ten hoogste 50%; f. het plandeel met de bestemming "Bedrijf" voor het perceel [locatie 7] te Pingjum, voor zover in de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - houtzagerij" niet tevens de activiteit "houthandel" is opgenomen; g. het plandeel met de bestemming "Wonen" voor het perceel [locatie 8] te Hindeloopen, voor zover daarbij niet tevens de aanduiding "recreatieve activiteiten toegestaan" is opgenomen; h. het plandeel met de bestemming "Verkeer-wegverkeer" ten behoeve van het tracé rondweg Warns, voor zover dit plandeel ten opzichte van het ontwerpplan in westelijke richting is vergroot; V. draagt de raad van de gemeente Súdwest-Fryslân op om na de verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen een nieuw besluit te nemen ten aanzien van de onder IV, onder a, b, c, e, f en g, genoemde plandelen en dit op de wettelijk voorgeschreven wijze en binnen de daarvoor geldende termijn bekend te maken en mede te delen; VI. draagt de raad van de gemeente Súdwest-Fryslân op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat de onder IV, onder d en h, opgenomen onderdelen worden verwerkt in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl; VII. treft de voorlopige voorziening inhoudende dat: a. [appellante sub 7] voor de toepassing van artikel 6, lid 6.4.1, aanhef en onder b, aanhef en onder 1, van de planregels wordt aangemerkt als bedrijf in de zin van artikel 6, lid 6.1, aanhef en onder a, van de planregels; b. voor het perceel [locatie 7] te Pingjum voor de activiteit houtzagerij het voorheen geldende planologische regime blijft gelden; c. voor het perceel [locatie 8] te Hindeloopen voor recreatieve activiteiten het voorheen geldende planologische regime blijft gelden; VIII. bepaalt dat de onder VII opgenomen voorlopige voorziening vervalt op het moment van inwerkingtreding van het door de raad van gemeente Súdwest-Fryslân onder V voor e, f en g bedoelde te nemen besluit; IX. veroordeelt de raad van de gemeente Súdwest-Fryslân tot vergoeding van bij appellanten in verband met de behandeling van de beroepen opgekomen proceskosten ten aanzien van: a. [appellante sub 3], waarvan de vennoten zijn [vennoot A] en [vennoot B], tot een bedrag van € 1.097,89 (zegge: duizendzevenennegentig euro en negenentachtig cent), waarvan € 1.024,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan; b. [appellant sub 4], tot een bedrag van € 2.109,69 (zegge: eenentwintighonderdnegen euro en negenenzestig cent), waarvan € 1.024,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; c. [appellant sub 5], tot een bedrag van € 1.456,66 (zegge: veertienhonderdzesenvijftig euro en zesenzestig cent), waarvan € 1.024,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; d. [appellante sub 6A], tot een bedrag van € 1.024,00 (zegge: duizendvierentwintig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; e. [appellante sub 7], tot een bedrag van € 1.108,56 (zegge: elfhonderdacht euro en vijfenzestig cent), waarvan € 1.024,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; f. [appellant sub 8], tot een bedrag van € 1.024,00 (zegge: duizendvierentwintig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; g. [appellant sub 9] tot een bedrag van € 1.024,00 (zegge: duizendvierentwintig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; h. [appellant sub 10A] en [appellante sub 10B] tot een bedrag van € 58,50 (zegge: achtenvijftig euro en vijftig cent), met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan; X. gelast dat de raad van de gemeente Súdwest-Fryslân aan de hierna vermelde appellanten de door hen voor de behandeling van hun beroepen betaalde griffierechten vergoedt: a. € 338,00 (zegge: driehonderdachtendertig euro) voor [appellante sub 3], waarvan de vennoten zijn [vennoot A] en [vennoot B], met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan; b. € 170,00 (zegge: honderdzeventig euro) voor [appellant sub 4]; c. € 170,00 (zegge: honderdzeventig euro) voor [appellant sub 5]; d. € 338,00 (zegge: driehonderdachtendertig euro) voor [appellante sub 6A]; e. € 338,00 (zegge: driehonderdachtendertig euro) voor [appellante sub 7]; f. € 170,00 (zegge: honderdzeventig euro) voor [appellant sub 8]; g. € 170,00 (zegge: honderdzeventig euro) voor [appellant sub 9]; h. € 170,00 (zegge: honderdzeventig euro) voor [appellant sub 10A] en [appellante sub 10B], met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan. Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, voorzitter, en mr. J. Kramer en mr. F.D. van Heijningen, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Kuipers, griffier. w.g. Van Diepenbeek w.g. Kuipers voorzitter griffier Uitgesproken in het openbaar op 18 december 2019 271-896-901.