201705096/1/A2 en 201807516/1/A2. Datum uitspraak: 13 februari 2019 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op de hoger beroepen van: [appellante], wonend te 's-Gravenhage, tegen de uitspraken van de r
(hierna: het EVRM), artikel 1 van het Twaalfde Protocol bij het EVRM, artikel 3, eerste lid, van het Verdrag inzake de rechten van het kind (hierna: het IVRK) en de artikelen 16, 17, 30 en 31 van het Europees Sociaal Handvest (hierna: het ESH). Er wordt een ongerechtvaardigd onderscheid gemaakt tussen enerzijds een ongehuwde alleenstaande ouder en anderzijds een in Nederland werkende ouder, die getrouwd is met iemand in het buitenland. Door dit onderscheid wordt [appellante] financieel onevenredig geraakt. De Awir gaat uit van gezinsdraagkracht, terwijl hier in het geval van [appellante] geen sprake van is, omdat zij nooit heeft samengewoond met haar buitenlandse partner. Zij leven dus duurzaam gescheiden en kunnen geen kosten delen. Met het per 1 januari 2013 laten vervallen van de categorie ‘duurzaam gescheiden levende echtgenoot of geregistreerd partner’ in de Awir, is onvoldoende rekening gehouden met de grote nadelen hiervan. Door [appellante] uit te sluiten van het recht op kinderopvangtoeslag wordt haar het recht ontnomen om in haar eigen onderhoud te kunnen voorzien. Om een betaalde baan te kunnen aanvaarden is kinderopvang immers noodzakelijk en de kosten hiervan zijn dermate hoog dat deze niet zijn op te brengen op basis van één salaris. Daarnaast worden mensen, die noodgedwongen duurzaam gescheiden van elkaar leven, door het gemaakte onderscheid gedwongen om officieel te scheiden. Via belasting een levensvorm afdwingen is schending van het gebod op gelijke behandeling en van fundamentele mensenrechten, zoals vrijheid van inrichting van het gezinsleven, aldus [appellante]. 8.
- [appellante] heeft terecht voorgedragen dat de rechtbank in de uitspraak van 27 juli 2018 in zaak nr. 18/2141 voorbij is gegaan aan het beroep van [appellante] op internationaalrechtelijke bepalingen, maar dit kan, gelet op het hiernavolgende, niet leiden tot vernietiging van de aangevallen uitspraak. 8.
- Ingevolge artikel 94 van de Grondwet vinden wettelijke voorschriften geen toepassing indien deze toepassing niet verenigbaar is met een ieder verbindende verdragsbepaling van verdragen en besluiten van volkenrechtelijke organisaties. 8.
- [appellante] betoogt dat toepassing van artikel 3 van de Awir ertoe leidt dat zij gediscrimineerd wordt ten opzichte van alleenstaande ouders. Bij de beoordeling van dit betoog wordt het volgende vooropgesteld. Artikel 26 van het IVBPR en artikel 14 van het EVRM, gelezen in samenhang met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM, alsook artikel 1 van het Twaalfde Protocol bij het EVRM, verbieden niet iedere ongelijke behandeling van gelijke gevallen, doch alleen die welke als discriminatie moet worden beschouwd omdat een redelijke en objectieve rechtvaardiging ervoor ontbreekt. Dit betekent dat discriminatie zich alleen voordoet indien het gemaakte onderscheid geen gerechtvaardigde doelstelling heeft of indien er geen redelijke verhouding bestaat tussen de maatregel die het onderscheid maakt en het daarmee beoogde gerechtvaardigde doel (zie EHRM 29 april 2008, nr. 13378/05, Burden and Burden tegen het Verenigd Koninkrijk, ECLI:CE:ECHR:2008:0429JUD001337805, NJ 2008/306). 8.
- Het aan artikel 3, eerste lid, van de Awir ten grondslag liggende uitgangspunt dat gehuwden die niet gescheiden zijn van tafel en bed, elk bijdragen in de zorgkosten en de kosten voor de opvoeding van het kind is, mede gelet op het bepaalde in titel 6 van boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, niet van redelijke grond ontbloot. Mede bezien tegen deze achtergrond en gelet op de doelstelling van de wetgever om door middel van een objectiveerbare maatstaf, tot een eenduidige wetstoepassing te komen met een zo gering mogelijke inmenging in het recht op privé-, familie- en gezinsleven van de betrokkenen, kan niet staande worden gehouden dat het gemaakte onderscheid niet gerechtvaardigd is. Op kinderopvangtoeslag kan, gelet op het bepaalde in artikel 1.6 van de Wko, slechts aanspraak worden gemaakt indien zowel de aanvrager als de partner in Nederland, een andere lidstaat, of Zwitserland woont en werkt. [appellante] voldoet niet aan die voorwaarde omdat haar partner [persoon] in de Verenigde Staten woont. Dit leidt tot een onderscheid van enerzijds een ouder die geen partner heeft en een ouder die een partner heeft die op het grondgebied van de Europese Unie of Zwitserland woont en werkt en anderzijds een ouder die een partner heeft die niet op het grondgebied van de Europese Unie of Zwitserland woont en werkt. Voor zover [appellante] hierover bedoelt te klagen heeft het volgende te gelden. De Afdeling heeft reeds in de uitspraken van 20 september 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:2540) en 10 oktober 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:3296) geoordeeld dat dit verschil in behandeling gerechtvaardigd is. Het begrenzen van de aanspraak op kinderopvangtoeslag door middel van het stellen van woon- en werkplaatsvereisten, die deze aanspraak uitsluiten wanneer een van de ouders buiten de Europese Unie of Zwitserland woont en/of werkt, vormt namelijk een legitiem middel tot verwezenlijking van een legitiem doel. In hetgeen [appellante] aanvoert ziet de Afdeling geen aanleiding om hiervan terug te komen. 8.
- Voor zover [appellante] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat toepassing van artikel 3, eerste lid, van de Awir, gelezen in samenhang met artikel 5a, eerste lid, van de Awr in strijd is met het recht op privé-, familie-, en gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM, omdat zij geen aanspraak meer kan maken op kinderopvangtoeslag vanaf de periode dat zij met [persoon] is gehuwd, waardoor haar het recht wordt ontnomen om in haar eigen onderhoud te kunnen voorzien en een betaalde baan te kunnen aanvaarden en zij daardoor en gedwongen wordt om te scheiden van haar echtgenoot, treft dit betoog geen doel. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 25 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2491), kan artikel 8 van het EVRM onder omstandigheden positieve verplichtingen meebrengen, die noodzakelijk zijn voor een effectieve waarborg van het recht op privé-, familie- en gezinsleven. Het EHRM heeft verscheidene malen geoordeeld dat artikel 8 van het EVRM ook relevant kan zijn in zaken die betrekking hebben op de besteding van publieke middelen. Hierbij is van belang dat volgens vaste jurisprudentie van het EHRM in een dergelijk geval aan de Staat een extra ruime "margin of appreciation" toekomt. In de beslissing van 3 mei 2001, in de zaak van Domenech Pardo tegen Spanje, ECLI:CE:ECHR:2001:0503DEC005599600, heeft het EHRM overwogen dat niet kan worden uitgesloten dat de weigering om een sociale uitkering toe te kennen in bepaalde gevallen in strijd kan zijn met artikel 8 van het EVRM, bijvoorbeeld indien een dergelijke weigering de normale ontwikkeling van het privéleven en familie- en gezinsleven van de minderjarige effectief onmogelijk zou maken. Aan artikel 8 van het EVRM kan geen positieve verplichting tot verstrekking van kinderopvangtoeslag voor de opvang van het kind van [appellante] worden ontleend. Uit hetgeen zij over haar situatie heeft gesteld blijkt niet van zeer bijzondere omstandigheden op grond waarvan in dit geval een dergelijke positieve verplichting moet worden aangenomen. Er bestaat daarom geen grond voor het oordeel dat artikel 3 van de Awir, gelezen in samenhang met artikel 5a van de Awr, vanwege strijd met artikel 8 van het EVRM buiten toepassing moet worden gelaten. 8.
- Het beroep van [appellante] op artikel 3 van het IVRK kan niet slagen, omdat [appellante], daargelaten of deze bepaling ertoe zou kunnen leiden dat artikel 3 van de Awir buiten toepassing moet worden gelaten, haar standpunt ter zake niet heeft toegelicht. Evenmin slaagt het beroep op de bepalingen van het ESH. De bepalingen waarop [appellante] zich beroept lenen zich niet voor rechtstreekse toepassing door de rechter, omdat deze bepalingen naar hun inhoud niet een ieder verbinden. 8.
- Het betoog faalt.
- [appellante] betoogt dat de rechtbank er ten onrechte aan voorbij gaat dat zij er op mocht vertrouwen dat de Belastingdienst/Toeslagen haar echtgenoot met terugwerkende kracht niet als partner heeft aangemerkt. Zij heeft immers een beschikking, gedateerd op 4 mei 2016, ontvangen, waarin de dienst haar weer kindgebonden budget heeft toegekend over
- Omdat er ten tijde van die beschikking bezwaarprocedures liepen en de dienst volledig van haar situatie op de hoogte was, mocht zij er op vertrouwen dat de dienst haar vanaf 1 januari 2015 als gescheiden van tafel en bed heeft aangemerkt, aldus [appellante]. 9.
- Uit de beschikking van 4 mei 2016 volgt niet dat de Belastingdienst/Toeslagen een uitspraak heeft gedaan over de aanspraak van [appellante] op de in het geding zijnde toeslagen. De beschikking betrof een toekenning van een voorschot. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, onder meer in de uitspraak van 31 oktober 2018 (ECLI:NL:2018:RVS:3545), vloeit uit de Awir voort dat aan de verlening van een voorschot op zichzelf geen gerechtvaardigd vertrouwen kan worden ontleend dat een met dat voorschot overeenkomende aanspraak op toeslag bestaat. Het voorschot wordt verleend tot het vermoedelijke bedrag van de tegemoetkoming en die voorschotverlening kan worden herzien. Daargelaten of het toekennen van de voorschotten het gevolg is van een onjuiste verwerking van een mutatie door medewerkers van de Belastingdienst/Toeslagen, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat [appellante] hieraan niet het vertrouwen heeft mogen ontlenen dat het aan haar verleende voorschot juist was en de Belastingdienst/Toeslagen de voorschotten niet zou terugvorderen. 9.
- Het betoog faalt.
- [appellante] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat zij in bezwaar ten onrechte niet door de Belastingdienst/Toeslagen is gehoord. Zij voert hiertoe aan dat zij een gemotiveerd standpunt heeft ingenomen in het geschil of haar echtgenoot als toeslagpartner moet worden aangemerkt, waardoor de Belastingdienst/Toeslagen haar bezwaar niet als kennelijk ongegrond had mogen afdoen. Daarnaast heeft de Belastingdienst/Toeslagen geen aandacht geschonken aan haar beroep op de artikelen 1.2, vierde lid, en 7.8 van de Wet IB
- Het voorgaande is in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel, aldus [appellante]. 10.
- Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld in de uitspraak van 19 september 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3022) vormt het horen een essentieel onderdeel van de bezwaarschriftenprocedure. Van horen mag met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb slechts worden afgezien, indien er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de gemaakte bezwaren niet tot een andersluidend besluit kunnen leiden. De beslissing om die bepaling toe te passen dient te worden genomen op grond van hetgeen in het bezwaarschrift is aangevoerd. Gelet op de van toepassing zijnde regelgeving en hetgeen [appellante] in haar bezwaarschriften naar voren heeft gebracht, te weten dat zij ingevolge artikel 1.2, vierde lid van de Wet IB 2001 geen toeslagpartner heeft, was er redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk dat dit niet tot andersluidende besluiten zou leiden. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat Belastingdienst/Toeslagen niet gehouden was om [appellante] in bezwaar te horen. 10.
- Het betoog faalt.
- Voor zover [appellante] heeft betoogt dat de rechtbank niet binnen zes weken uitspraak heeft gedaan en de rechtbank twee verschillende processen-verbaal heeft overgelegd, kan dit niet leiden tot een gegrond hoger beroep dat strekt tot toekenning van de toeslagen. Het betoog faalt. - Herziening van het voorschot kindgebonden budget
- Voor zover het hoger beroep betrekking heeft op de herziening van het voorschot kindgebonden budget 2015, heeft [appellante] geen belang bij een beoordeling van haar hoger beroep. Los van het feit dat een aanvrager, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld in de uitspraak van 5 april 2017, ECLI:NL:RVS:2017:930), niet meer kan bereiken dat een voorschot over een bepaald jaar wordt herzien indien de Belastingdienst/Toeslagen de toeslag voor dat jaar inmiddels definitief heeft vastgesteld, heeft de Afdeling hiervoor inzake de definitieve vaststelling van het kindgebonden budget over 2015 overwogen dat de rechtbank het door [appellante] hiertegen ingestelde beroep terecht ongegrond heeft verklaard. Het hoger beroep in zaak nr. 201705096/1/A2 dient in zoverre dat is gericht tegen de herziening van het voorschot kindgebonden budget 2015 niet-ontvankelijk te worden verklaard. Conclusie
- Het hoger beroep in zaak nr. 201705096/1/A2 is niet-ontvankelijk voor zover het hoger beroep ziet op de herziening van het voorschot kindgebonden budget over
- Het hoger beroep is voor het overige ongegrond. De uitspraak van de rechtbank van 12 mei 2017 in zaken nrs. 16/869, 16/3062 en 16/3188 dient te worden bevestigd. Het hoger beroep in zaak nr. 201807516/1/A2 is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank van 27 juli 2018 in zaak nr. 18/2141 dient te worden bevestigd met verbetering van gronden.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het hoger beroep in zaak nr. 201705096/1/A2 niet-ontvankelijk voor zover het hoger beroep ziet op de herziening van het voorschot kindgebonden budget over
- II. bevestigt de aangevallen uitspraken voor het overige. Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. B.P. Vermeulen en mr. R.J. Koopman, leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, griffier. w.g. Lubberdink w.g. Lodder voorzitter griffier Uitgesproken in het openbaar op 13 februari 2019 17-856 BIJLAGE - wettelijk kader Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten Artikel 26 Allen zijn gelijk voor de wet en hebben zonder discriminatie aanspraak op gelijke bescherming door de wet. In dit verband verbiedt de wet discriminatie van welke aard ook en garandeert een ieder gelijke en doelmatige bescherming tegen discriminatie op welke grond ook, zoals ras, huidskleur, geslacht, taal, godsdienst, politieke of andere overtuiging, nationale of maatschappelijke afkomst, eigendom, geboorte of andere status. Verdrag tot bescherming van de rechten van de
Artikel 8
- Een ieder heeft recht op respect voor zijn privé leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie.
- Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. Artikel 14 Het genot van de rechten en vrijheden die in dit Verdrag zijn vermeld, moet worden verzekerd zonder enig onderscheid (discriminatie) op welke grond ook, zoals geslacht, ras, kleur, taal, godsdienst, politieke of andere mening, nationale of maatschappelijke afkomst, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte of andere status. Protocol nr. 1 bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de
Artikel 1
Iedere natuurlijke of rechtspersoon heeft recht op het ongestoord genot van zijn eigendom. Aan niemand zal zijn eigendom worden ontnomen behalve in het algemeen belang en onder de voorwaarden voorzien in de wet en in de algemene beginselen van internationaal recht. De voorgaande bepalingen tasten echter op geen enkele wijze het recht aan, dat een Staat heeft om die wetten toe te passen, die hij noodzakelijk oordeelt om het gebruik van eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang of om de betaling van belastingen of andere heffingen of boeten te verzekeren. Protocol nr. 12 bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de
Artikel 1
- Het genot van elk in de wet neergelegd recht moet worden verzekerd zonder enige discriminatie op welke grond dan ook, zoals geslacht, ras, kleur, taal, godsdienst, politieke of andere mening, nationale of maatschappelijke afkomst, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte of andere status.
- Niemand mag worden gediscrimineerd door enig openbaar gezag op met name een van de in het eerste lid vermelde gronden Verdrag inzake de rechten van het kind Artikel 3, eerste lid: Bij alle maatregelen betreffende kinderen, ongeacht of deze worden genomen door openbare of particuliere instellingen voor maatschappelijk welzijn of door rechterlijke instanties, bestuurlijke autoriteiten of wetgevende lichamen, vormen de belangen van het kind de eerste overweging. Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen Artikel 3, eerste lid: Partner van de belanghebbende is degene die ingevolge artikel 5a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen als partner wordt aangemerkt. Artikel 2, zesde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen is van overeenkomstige toepassing. Algemene wet inzake rijksbelastingen Artikel 5a, eerste lid en vierde lid:
- Als partner wordt aangemerkt: a. de echtgenoot; […]
- In afwijking van het eerste lid wordt een persoon niet meer als partner aangemerkt ingeval: a. een verzoek, zoals bedoeld in artikel 150, respectievelijk 169 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek tot echtscheiding, respectievelijk tot scheiding van tafel en bed is ingediend, en b. hij niet meer op hetzelfde woonadres in de basisregistratie personen of een daarmee naar aard en strekking overeenkomende registratie buiten Nederland staat ingeschreven als de belastingplichtige. Wet IB 2001 Artikel 1.2, vierde lid: In afwijking van artikel 5a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en het eerste lid wordt niet als partner aangemerkt: […] b. een persoon die geen inwoner is van Nederland en geen kwalificerende buitenlandse belastingplichtige als bedoeld in artikel 7.8 is; […].