← Nederland

ECLI:NL:RVS:2019:4390

201900683/1/V

  1. Datum uitspraak: 24 december 2019 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 21 december 2018 in zaak nr. 17/3925 in het geding tussen: [de vreemdeling], mede voor haar minderjarige kind, en de staatssecretaris. Procesverloop Bij besluiten van 12 april 2016 heeft de staatssecretaris aanvragen om de vreemdeling een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen. Bij besluit van 30 januari 2017 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 21 december 2018 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. F.M. Holwerda, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. Bij besluit van 10 mei 2019 heeft de staatssecretaris het door de vreemdeling gemaakte bezwaar tegen de besluiten van 12 april 2016 opnieuw ongegrond verklaard. De vreemdeling heeft tegen dit besluit beroepsgronden ingediend en de staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend. Overwegingen
  2. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
  3. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.
  4. De staatssecretaris heeft het besluit van 10 mei 2019 genomen ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank. De Afdeling verwijst het beroep naar de rechtbank om door haar te worden behandeld (artikel 6:19, eerste en vijfde lid, van de Awb). De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. bevestigt de aangevallen uitspraak; II. verwijst het beroep tegen het besluit van 10 mei 2019, V-nummers […] en […], ter behandeling naar de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem; III. veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 512,00 (zegge: vijfhonderdtwaalf euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; IV. bepaalt dat van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een griffierecht van € 519,00 (zegge: vijfhonderdnegentien euro) wordt geheven. Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.J. Schuurman, griffier. w.g. Sevenster w.g. Schuurman lid van de enkelvoudige kamer griffier Uitgesproken in het openbaar op 24 december 2019 282-910.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.