← Nederland

ECLI:NL:RVS:2019:4442

wet bestuursrecht (hierna: de Awb) in het geding tussen: 1. [appellant sub 1A], [appellant sub 1B] en [appellant sub 1C] (hierna tezamen: [appellant sub 1] en anderen), wonend te [woonplaats], 2. [app

voldoet een windturbine of een combinatie van windturbines ten behoeve van het voorkomen of beperken van geluidhinder aan de norm van ten hoogste 47 dB Lden en aan de norm van ten hoogste 41 dB Lnight op de gevel van gevoelige gebouwen en bij gevoelige terreinen op de grens van het terrein. De Afdeling heeft al vaker geoordeeld, onder meer in de uitspraak van 21 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:616, onder 111, over het windpark De Drentse Monden en Oostermoer, dat aanvaardbaar is om vanuit een oogpunt van goede ruimtelijke ordening dat artikel uit het

als uitgangspunt te nemen. 14.2. In de aanbevelingen van de WHO is voor windturbinegeluid een maximaal geluidniveau van 45 dB Lden aanbevolen. De aanbevelingen van de WHO kunnen onderverdeeld worden in "sterke aanbevelingen" en "voorwaardelijke aanbevelingen". Het aanbevolen maximale geluidniveau van 45 dB Lden voor windturbinegeluid betreft - in tegenstelling tot het aanbevolen geluidniveau vanwege onder meer wegverkeer, railverkeer en luchtvaart - een "voorwaardelijke aanbeveling". Bij "voorwaardelijke aanbevelingen" is er minder zekerheid over de doeltreffendheid van de voorgestelde aanbeveling. Dit kan onder andere zijn ingegeven door de mindere kwaliteit van het bewijs van een netto voordeel, aldus de aanbevelingen van de WHO. De aanbevelingen van de WHO zijn algemeen van aard. Gelet op het voorgaande stelt de Afdeling vast dat het aanbevolen maximum van 45 dB Lden geen dwingende status heeft. De Afdeling is van oordeel dat de aanbevelingen van de WHO niet zijn aan te merken als een ieder verbindende verdragsbepalingen in de zin van artikel 94 van de Grondwet. Daarom is er geen aanleiding om met terzijdestelling van artikel 3.14a van het

te oordelen dat het college de aanbevolen maximale geluidbelasting van 45 dB Lden van de WHO had moeten hanteren. Ook het betoog dat tussen het windpark en de nabijgelegen woningen minimumafstanden gehanteerd hadden moeten worden, leidt niet tot het oordeel dat het college niet van de hoor hem gekozen geluidnorm had mogen uitgaan. Dat [appellant sub 1] en anderen de voorkeur geven aan een afstandsnorm boven de in artikel 3:14a, van het Activiteitenbesluit neergelegde norm, maakt niet dat aansluiten bij artikel 3:14a, van het Activiteitenbesluit onredelijk moet worden geoordeeld en het college gehouden was die afstandsnorm te hanteren. 14.

  1. Ten aanzien van het betoog van [appellant sub 1] en anderen dat meer betekenis dient te worden toegekend aan de geluidbelasting in de nachtperiode, stelt de Afdeling vast dat in het rapport "Windpark De Groene Delta - Nijmegen Akoestisch onderzoek t.b.v. vergunningsaanvraag" van 15 november 2018, opgesteld door Bosch & Van Rijn (hierna: het geluidrapport), de geluidbelasting voor zowel de dag- als de nachtperiode is berekend. In het geluidrapport staat dat de wettelijke geluidnorm van 47 dB Lden uitgaat van een jaargemiddeld gewogen geluidniveau, waarin een toeslag van 5 dB voor de avondperiode en 10 dB voor de nachtperiode is meegenomen. Anders dan [appellant sub 1] en anderen stellen, is in het geluidrapport de geluidbelasting die optreedt gedurende de avond en nacht zodoende aan een zwaardere norm getoetst dan de geluidbelasting die overdag optreedt. Het betoog dat ertoe strekt dat de geluidbelasting in de nachtperiode is miskend, faalt daarom. 14.
  2. Ten aanzien van de beroepsgronden van appellanten over de gecumuleerde geluidbelasting overweegt de Afdeling het volgende. In het akoestisch rapport "Windpark De Groene Delta; Cumulatie geluid" van LBP Sight van 3 oktober 2018 is de gecumuleerde geluidbelasting beoordeeld. De types windturbine die zijn onderzocht zijn turbinetype N131(hierna: de variant "onder") en turbinetype G126 (hierna: de variant "boven"). LBP Sight heeft de akoestische kwaliteit van de omgeving onderzocht en de resultaten beoordeeld met toepassing van de methode Miedema. Volgens die methode is de kwaliteit van de akoestische omgeving bij een gecumuleerde geluidbelasting van minder dan 50 dB goed, tussen de 50 en 55 dB redelijk, tussen de 55 en 60 dB matig en tussen de 60 en 65 dB tamelijk slecht. Bij een gecumuleerde geluidbelasting van 65 dB of meer is de kwaliteit van de akoestische omgeving slecht tot zeer slecht. Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat de gecumuleerde geluidbelasting op de gevels van een aantal van de onderzochte, maatgevende woningen in de omgeving van de windturbines in de bestaande situatie inderdaad hoog is als gevolg van het gecombineerde geluid van scheepvaartverkeer, wegverkeer, railverkeer en industrie. De kwaliteit van de akoestische omgeving van deze woningen varieert in de bestaande situatie van matig tot, in een enkel geval, slecht. Uit het akoestisch onderzoek volgt ook dat de bijdrage van de windturbines aan het akoestisch klimaat gering is. De gecumuleerde geluidbelasting op de gevels van de onderzochte woningen stijgt gemiddeld met 1 á 2 dB en maximaal met 3 dB. Als gevolg van die gemiddelde geringe toename van de gecumuleerde geluidbelasting treedt in enkele gevallen een beperkte verslechtering van het akoestisch klimaat op. Hierdoor wijzigt bij zeven van de beschouwde woningen in de variant "boven" de classificatie van de akoestische kwaliteit, te weten bij twee woningen verandert de kwaliteit van de akoestische omgeving van redelijk naar matig, voor vier woningen van matig naar tamelijk slecht en bij één woning van tamelijk slecht naar slecht. Voor de overige twaalf onderzochte woningen bij variant "boven" blijft de kwaliteit volgens de "methode Miedema" gelijk. Bij de variant "onder" bedraagt de maximale toename 1 dB en wijzigt bij één woning de classificatie van de akoestische kwaliteit van de leefomgeving van redelijk naar matig en bij één woning van matig naar tamelijk slecht. Voor de overige 17 woningen blijft de kwaliteit volgens de "methode Miedema" gelijk. Het college acht gelet hierop de gecumuleerde geluidsituatie aanvaardbaar. 14.
  3. Anders dan [appellant sub 1] en anderen betogen stelt de Afdeling vast dat bij de berekening van de cumulatieve geluidbelasting rekening is gehouden met de ontwikkeling van het Vasim-gebouw, de NYMA-fabriek: het Vasim-gebouw en de NYMA-fabriek staan in bijlage 6 "invoer rekenmodel industriegeluid" van het akoestisch rapport vermeld. Wat betreft het evenemententerrein heeft het college ter zitting toegelicht dat het vigerende bestemmingsplan niet voorziet in het structurele gebruik van het terrein voor evenementen, zodat daarmee geen rekening behoefde te worden gehouden. De Afdeling ziet dan ook geen grond voor het oordeel dat in het akoestisch rapport de gecumuleerde geluidbelasting niet correct is berekend. Het college heeft zich naar het oordeel van de Afdeling in dit geval in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat bij tamelijk slechte tot slechte omgevingskwaliteit als bedoeld in de methode Miedema wat betreft geluid nog steeds sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. De Afdeling betrekt hierbij dat bij de maatgevende woningen slechts een beperkte verslechtering aan de orde is die bij de toepassing van de methode Miedema voor sommige woningen leidt tot indeling in één klasse lager. Voorts neemt de Afdeling hierbij in ogenschouw dat de gecumuleerde geluidbelasting in het gebied al hoog is. Verder is ter zitting toegelicht dat bij de berekeningen is uitgegaan van een zogenoemde worst case-benadering en rekening is gehouden met de windrichting. Zo staat in paragraaf 2.6 van het geluidrapport dat voor elke windturbine het windsnelheidsaanbod is berekend. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in het aangevoerde geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het college zich, mede gelet op het belang dat is gemoeid met het realiseren van het windpark, niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de cumulatieve geluidbelasting aanvaardbaar is. De betogen falen. Gezondheid - laagfrequent geluid
  4. [appellant sub 1] en anderen, [appellanten sub 2], de Stichting en anderen en [appellant sub 4] en anderen voeren aan dat de geluidnorm van 47 dB Lden uit artikel 3.14a, eerste lid, van het Activiteitenbesluit onvoldoende bescherming biedt tegen negatieve gezondheidseffecten, temeer nu de woningen op korte afstand van de voorziene windturbines zijn gesitueerd. Zij betogen met name dat windturbines laagfrequent geluid veroorzaken dat schadelijk is voor mensen. In dit kader stellen zij dat de aanbevelingen van de WHO aantonen dat omgevingsgeluid en in het bijzonder laagfrequent geluid leidt tot onaanvaardbare gezondheidseffecten zoals gehoorschade, oorsuizen, cardiovasculaire ziekten, cognitieve achteruitgang en slaapstoornissen. Volgens [appellant sub 1] en anderen en [appellanten sub 2] heeft het college ten onrechte verwezen naar het geluidrapport, een brief van de staatssecretaris van het voormalige Ministerie van Infrastructuur en Milieu van 31 maart 2014 - waarin staat dat laagfrequent geluid is verdisconteerd in de geluidnormen van het Activiteitenbesluit - en naar de uitspraak van de Afdeling van 17 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:141, omdat recent nieuwe onderzoeken zijn gedaan. [appellanten sub 2] en de Stichting en anderen wijzen in dit kader tevens op 1) de publicatie "Windmolens maken wel degelijk ziek; Toepassing voorzorgsbeginsel en beter onderzoek zijn nodig" van S. van Manen uit Medisch Contact (22 maart 2018, nr. 12), 2) het rapport "Kennisbericht Geluid van windturbines versie 1.0" van het RIVM van 22 juli 2015, 3) het bericht "Laagfrequent geluid" van het RIVM van 23 oktober 2018, 4) het promotieonderzoek "The sound of high winds: The effect of atmospheric stability on wind turbine sound and microphone noise" van 12 mei 2006 van F. van den Berg en 5) stellingen van de Nederlandse Stichting Geluidshinder. Uit deze artikelen blijkt volgens hen dat laagfrequent geluid van windturbines zodanige negatieve gevolgen heeft voor de gezondheid dat niet langer kan worden aangenomen dat de geluidnorm van 47 dB Lden voldoende bescherming biedt. [appellant sub 1] en anderen en [appellanten sub 2] stellen dat daarom niet wordt voldaan aan het voorzorgs- en preventiebeginsel als bedoeld in artikel 191, tweede lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: VWEU). [appellant sub 1] en anderen betogen onder verwijzing naar een nieuwsbrief van het RIVM van 5 september 2018, waarin staat dat acht procent van de Nederlandse bevolking last heeft van laagfrequent geluid, dat deze overlast ten onrechte niet is vastgesteld in het provinciale beleid. Volgens [appellanten sub 2] kunnen de windturbines pas worden gerealiseerd indien op grond van wetenschappelijk onderzoek vaststaat dat er geen verband bestaat tussen windturbines en gezondheidsschade. In dit verband wijzen zij op een krantenartikel uit De Gelderlander van 5 april 2019 waarin staat dat wetenschappelijke onderzoeken wijzen op een mogelijke samenhang van het 5G-netwerk en gezondheidsschade en de Tweede Kamer zich derhalve afvraagt of we niet te snel beslissen om massaal over te gaan op 5G. Verder dienen risico’s volgens [appellant sub 4] en anderen zoveel mogelijk gelijk verdeeld te worden over de bevolking, zoals volgens hen volgt uit het rapport "Gezondheid en Veiligheid in de Omgevingswet" van het RIVM. 15.
  5. De Afdeling stelt voorop dat er geen wettelijke normen zijn voor laagfrequent geluid. [appellant sub 1] en anderen, [appellanten sub 2], de Stichting en anderen en [appellant sub 4] en anderen betogen onder verwijzing naar onderzoeken en publicaties dat het college onvoldoende rekening heeft gehouden met de effecten van het laagfrequent geluid van de voorziene windturbines op de gezondheid. Hun betogen wijken in zoverre niet af van wat door omwonenden in beroepsprocedures tegen soortgelijke windparken is aangevoerd. Ten aanzien van deze aspecten verwijst de Afdeling naar haar eerdere jurisprudentie en overwegingen in de betreffende uitspraken, waaronder de uitspraak van de Afdeling van 21 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:616, onder 119, over het windpark De Drentse Monden en Oostermoer, de uitspraak van de Afdeling van 7 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2720, onder 7, over het windpark De Rietvelden, en de uitspraak van de Afdeling van 6 november 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3760, onder 21, over het Windplan Blauw. In deze uitspraken heeft de Afdeling geoordeeld dat de door omwonenden genoemde publicaties en onderzoeken geen grond geven voor de conclusie dat er een direct verband is tussen windturbines en gezondheidsklachten. Deze conclusie kan naar het oordeel van de Afdeling evenmin worden getrokken op basis van de publicaties waar [appellant sub 1] en anderen, [appellanten sub 2] en de Stichting en anderen naar verwijzen. De Afdeling ziet gelet op het voorgaande dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat het college specifiek beleid dient vast te stellen ten aanzien van laagfrequent geluid. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen onder meer onder 119.3 in de uitspraak over windpark De Drentse Monden en Oostermoer, strekt het voorzorgsbeginsel niet zo ver dat op basis van publicaties en uitlatingen waarin slechts een mogelijk verband wordt gelegd tussen windturbines en gezondheidsklachten, van het besluit tot verlening van een omgevingsvergunning had moeten worden afgezien. Ten aanzien van de toepassing van het voorzorgsbeginsel verwijst de Afdeling tevens naar haar uitspraak over het windpark Greenport Venlo van 18 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4210, onder 29 en verder. Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling in de betogen over de gevolgen van windturbinegeluid voor de gezondheid evenmin aanleiding voor het oordeel dat het college gehouden was in de planregels een lagere geluidnorm op te nemen dan 47 dB Lden. De betogen falen. Slagschaduw
  6. [appellant sub 1] en anderen voeren aan dat de windturbines leiden tot een aantasting van hun woon- en leefklimaat in de vorm van slagschaduw. De Stichting en anderen en [appellant sub 4] en anderen stellen dat de omgevingsvergunning ten onrechte geen stilstandvoorziening voor de windturbines voorschrijft. 16.
  7. Het college heeft zich gebaseerd op het rapport "Windpark De Groene Delta - Nijmegen; Slagschaduwonderzoek t.b.v. vergunningaanvraag" van Bosch & Van Rijn van 19 april 2018 (hierna: het slagschaduwonderzoek) en het rapport "Windpark De Groene Delta - oplegnotitie aanvullende toetspunten", van Bosch & Van Rijn van 15 november
  8. In het slagschaduwonderzoek zijn de minimale en maximale effecten wat betreft slagschaduw van de twee windturbines van windpark De Groene Delta onderzocht. Geconcludeerd is dat met het treffen van mitigerende maatregelen voldaan kan worden aan de slagschaduwnorm in artikel 3.12, eerste lid, van de Activiteitenregeling milieubeheer. Daartoe worden de windturbines voorzien van een stilstandvoorziening. 16.
  9. Het college heeft voor de beoordeling van de vraag of de realisering van de windturbines vanwege slagschaduw niet zal leiden tot een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat aansluiting gezocht bij artikel 3:12, eerste lid, van de Activiteitenregeling milieubeheer. Op grond van dat artikellid moet ten behoeve van het voorkomen van slagschaduw de windturbine worden voorzien van een automatische stilstandvoorziening die de windturbine afschakelt indien slagschaduw optreedt ter plaatse van gevoelige objecten op gemiddeld meer dan 17 dagen per jaar en meer dan 20 minuten per dag. De Afdeling heeft al vaker geoordeeld, onder meer in de uitspraak van 21 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:616, onder 130 en verder, over het windpark De Drentse Monden en Oostermoer, dat aanvaardbaar is om vanuit een oogpunt van goede ruimtelijke ordening dat artikel uit de Activiteitenregeling milieubeheer als uitgangspunt te nemen. 16.
  10. De Afdeling ziet in wat is aangevoerd aanleiding voor het oordeel dat het college zich in zoverre op basis van het verrichte slagschaduwonderzoek in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat voor onaanvaardbare gevolgen van slagschaduw niet hoeft te worden gevreesd. Met inachtneming van de stilstandvoorziening kan worden voldaan aan de norm voor slagschaduw, zodat de bestreden besluiten in zoverre in overstemming zijn met artikel 3.12, eerste lid, van de Activiteitenregeling milieubeheer. Ten aanzien van het betoog van de Stichting en anderen en [appellant sub 4] en anderen dat in de omgevingsvergunning ten onrechte niet is vastgelegd dat de windturbines uitgerust moeten zijn met een stilstandvoorziening om slagschaduw te beperken, overweegt de Afdeling als volgt. Windturbines dienen te voldoen aan het rechtstreeks werkende artikel 3.12 van de Activiteitenregeling milieubeheer. In het eerste lid van die bepaling is een stilstandvoorziening voorgeschreven ingeval de daarin gestelde norm voor de slagschaduwduur wordt overschreden. Er is daarom geen aanleiding voor het oordeel dat het voorschrijven van de stilstandvoorziening in de omgevingsvergunning nodig is om onaanvaardbare hinder door slagschaduw te beperken. De betogen falen. Lichtschittering
  11. [appellant sub 1] en anderen betogen dat de voorziene windturbines leiden tot een aantasting van hun woon- en leefklimaat vanwege lichtschittering. 17.
  12. Het college heeft voor de aanvaardbaarheid van lichtschittering aansluiting gezocht bij artikel 3.13, eerste lid, van de Activiteitenregeling milieubeheer. Daarin is bepaald dat bij het in werking hebben van een windturbine lichtschittering zoveel mogelijk wordt voorkomen of beperkt door toepassing van niet-reflecterende materialen of coatinglagen op de desbetreffende onderdelen. [appellant sub 1] en anderen hebben geen concrete bezwaren aangevoerd tegen het door het college gehanteerde uitgangspunt. De Afdeling ziet daarom geen grond voor het oordeel dat het college bij de beoordeling van wat ten aanzien van dit aspect in het kader van een goede ruimtelijke ordening aanvaardbaar is, niet in redelijkheid bij artikel 3.13, eerste lid, van de Activiteitenregeling milieubeheer hebben kunnen aansluiten. In wat [appellant sub 1] en anderen hebben aangevoerd is evenmin aanleiding te vinden voor de conclusie dat met het bestreden besluit niet aan deze bepaling kan worden voldaan. Het betoog faalt. Conclusie beroepen tegen de omgevingsvergunning voor zover bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo De beroepen van [appellanten sub 2], de Stichting en anderen en [appellant sub 4] en anderen
  13. De beroepen van [appellanten sub 2], de Stichting en anderen en [appellant sub 4] en anderen zijn ongegrond. Het beroep van [appellant sub 1] en anderen
  14. Hiervoor heeft de Afdeling onder 10.4 naar aanleiding van het beroep van [appellant sub 1] en anderen geconcludeerd dat het college voorafgaand aan de verlening van de omgevingsvergunning voor windpark De Groene Delta gehouden was aan provinciale staten een verklaring van geen bedenkingen te vragen. Omdat het college deze verklaring van geen bedenkingen niet heeft gevraagd, heeft de Afdeling geconcludeerd dat de omgevingsvergunning in strijd met artikel 2.27, eerste lid, van de Wabo gelezen in samenhang met artikel 3.1, aanhef en onder b, en artikel 6.5, eerste lid en vierde lid, van het Bor is verleend. Gelet hierop is het beroep van [appellant sub 1] en anderen gegrond en moet het besluit van het college van 20 februari 2019 voor zover dit strekt tot verlening van de omgevingsvergunning voor zover bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo voor windpark De Groene Delta wegens strijd met de in deze overweging genoemde artikelen worden vernietigd. 19.
  15. Met het oog op een spoedige beslechting van het geschil ziet de Afdeling aanleiding om het college op grond van artikel 8:51d van de Awb op te dragen om het geconstateerde gebrek in het bestreden besluit te herstellen. De Afdeling zal daartoe een termijn stellen. 19.
  16. Het college kan daartoe met inachtneming van hetgeen is overwogen onder rechtsoverweging 10.4 aan provinciale staten een verklaring van geen bedenkingen vragen dan wel een ander besluit nemen. 19.
  17. Het college dient de Afdeling en [appellant sub 1] en anderen de uitkomst mede te delen en een eventueel gewijzigd of nieuw besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mede te delen. Afdeling 3.4 van de Awb behoeft bij de voorbereiding van het gewijzigde of nieuwe besluit niet opnieuw te worden toegepast. Beroepen tegen de omgevingsvergunning voor zover bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo De beroepen van [appellanten sub 2], de Stichting en anderen en [appellant sub 4] en anderen
  18. [appellanten sub 2], de Stichting en anderen en [appellant sub 4] en anderen hebben geen afzonderlijke beroepsgronden aangevoerd tegen de bij het besluit van 20 februari 2019 verleende omgevingsvergunning op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo. Deze vergunning vooronderstelt de rechtmatigheid van de omgevingsvergunning op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo. Nu het beroep van [appellanten sub 2], de Stichting en anderen en [appellant sub 4] en anderen tegen de omgevingsvergunning artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo ongegrond is, leidt dit ertoe dat hun beroep tegen het besluit van het college over de omgevingsvergunning op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo eveneens niet slaagt. De beroepen van [appellanten sub 2], de Stichting en anderen en [appellant sub 4] en anderen zijn in zoverre ongegrond. Het beroep van [appellant sub 1] en anderen
  19. [appellant sub 1] en anderen hebben geen afzonderlijke beroepsgronden aangevoerd tegen de bij het besluit van 20 februari 2019 verleende omgevingsvergunning op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo. Deze vergunning vooronderstelt de rechtmatigheid van de omgevingsvergunning op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo. Nu het beroep van [appellant sub 1] en anderen tegen de omgevingsvergunning op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo gegrond is, leidt dit ertoe dat het besluit van het college over de omgevingsvergunning op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo evenmin in stand kan blijven. Het beroep van [appellant sub 1] en anderen is ook in zoverre gegrond. Beroep tegen de ontheffing op grond van de Wnb
  20. De stichting en anderen hebben tevens beroep ingesteld tegen het besluit van het college van gedeputeerde staten van 28 februari 2019 tot verlening van een ontheffing op grond van de Wnb (hierna: Wnb-ontheffing). 22.
  21. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 24 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:168, is bij de beoordeling of een appellant belanghebbende is bij een ontheffing die op grond van de Wnb (voorheen: Flora- en faunawet) is verleend de ruimtelijke uitstraling van het project dat mede door de ontheffing mogelijk wordt gemaakt - in dit geval het windpark De Groene Delta - niet van belang. Bepalend is of de handeling waarvoor de Wnb-ontheffing is verleend ruimtelijke uitstraling heeft op de woon- en leefomgeving van de appellanten (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 21 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:616, over het windpark De Drentse Monden en Oostermoer, onder 9.1). In dit geval is de handeling waarvoor de ontheffing is verleend het doden van vogels en vleermuizen door aanvaringen met de windturbines in het windpark. Een ontheffing die op grond van de Wnb is verleend, ziet immers niet op de bescherming van gebieden, maar op de bescherming van soorten. Een Wnb-ontheffing heeft dan ook een daartoe beperkte ruimtelijke uitstraling. 22.
  22. Het beroep van de Stichting en anderen is ingesteld namens een aantal omwonenden, de stichting Werkgroep Weurt+ en VvE "Het Kasteel". De statutaire doelstelling van de stichting Werkgroep Weurt+ is het voorkomen van een verdere aantasting van het milieu, in het bijzonder ten behoeve van de bewoners van het dorp Weurt en al hetgeen met het vorenstaande verband houdt of daartoe bevorderlijk kan zijn, alles in de ruimste zin des woords. De Afdeling stelt vast dat de feitelijke werkzaamheden van de stichting, waarvan is gebleken, uitsluitend bestaan uit het opkomen voor het belang van de bewoners van het dorp Weurt. De stichting komt gelet op het voorgaande naar het oordeel van de Afdeling op voor het belang van een goed woon- en leefklimaat van de bewoners in het genoemde gebied. De statutaire doelstelling en feitelijke werkzaamheden zijn niet gericht op de bescherming van natuurbelangen als zodanig. Dit betekent dat de stichting alleen belanghebbende is voor zover het windpark ruimtelijke uitstraling op deze bewoners zal hebben en invloed zal hebben op de kwaliteit van hun directe leefomgeving. De door Stichting en anderen behartigde belangen en de belangen van de omwonenden namens wie zij beroep heeft ingesteld, worden naar het oordeel van de Afdeling niet rechtstreeks getroffen door de ontheffing. Daarbij is van belang dat de dichtstbijzijnde woning van deze appellanten op een afstand van ongeveer 500 m van de voorziene windturbines ligt en het gebouw waarvoor VvE "Het Kasteel" de belangen behartigt op een afstand van ongeveer 1,2 km van de dichtstbijzijnde windturbine is gesitueerd. De Stichting en anderen hebben geen gegevens naar voren gebracht die tot het oordeel moeten leiden dat het gebruikmaken van de ontheffing desondanks enige ruimtelijke uitstraling op de woon- en leefomgeving van de omwonenden zal hebben. De enkele omstandigheid dat soorten die aanvaringsslachtoffer kunnen worden van de voorziene windturbines, in de omgeving van deze omwonenden voorkomen, omdat zij daar vliegen of foerageren, is daarvoor onvoldoende. Zoals hiervoor is overwogen, is daarvan in dit geval vanwege de afstand tot de windturbines geen sprake. 22.
  23. Gelet op het voorgaande zijn de Stichting en anderen geen belanghebbenden bij de Wnb-ontheffing. Het beroep van de Stichting en anderen tegen de Wnb-ontheffing is niet-ontvankelijk. Eindconclusie
  24. Voor [appellanten sub 2], de Stichting en anderen en [appellant sub 4] en anderen, van wie de beroepen ongegrond zijn verklaard, betreft dit een einduitspraak. Voor hen komt hun procedure bij de Afdeling met deze uitspraak ten einde. Ten aanzien van het beroep van [appellant sub 1] en anderen zal de Afdeling een bestuurlijke lus toepassen. Daarbij wordt het college opgedragen het geconstateerde gebrek te herstellen. Dit betreft een tussenuitspraak, zodat de procedure voor [appellant sub 1] en anderen nog niet ten einde komt. Afhankelijk van de uitkomst zal in de einduitspraak een eindoordeel worden gegeven over de beroepen van [appellant sub 1] en anderen. Proceskosten
  25. Ten aanzien van [appellanten sub 2], de Stichting en anderen en [appellant sub 4] en anderen bestaat gelet op de ongegronde beroepen geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Ten aanzien van [appellant sub 1] en anderen zal de Afdeling in de einduitspraak beslissen over de proceskosten en vergoeding van het betaalde griffierecht. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het beroep van de Stichting Werkgroep Weurt+ en anderen tegen de bij besluit van het college van gedeputeerde staten van Gelderland van 28 februari 2019 krachtens de Wet Natuurbescherming verleende ontheffing ten behoeve van de realisatie van windpark De Groene Delta niet-ontvankelijk; II. verklaart de beroepen van [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], de Stichting Werkgroep Weurt+ en anderen en [appellant sub 4] en anderen tegen het besluit van het college van gedeputeerde staten van Gelderland van 20 februari 2019 tot verlening van een omgevingsvergunning voor de realisatie van windpark De Groene Delta ongegrond; III. draagt in het kader van het beroep van [appellant sub 1A], [appellant sub 1B] en [appellant sub 1C] het college van gedeputeerde staten van Gelderland op om binnen 16 weken na verzending van deze tussenuitspraak: - met inachtneming van hetgeen is overwogen onder rechtsoverweging 10.4 aan provinciale staten een verklaring van geen bedenkingen te vragen, en - de Afdeling en [appellant sub 1A], [appellant sub 1B] en [appellant sub 1C] de uitkomst mede te delen en een eventueel nieuw of gewijzigd besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mede te delen. Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, voorzitter, en mr. S.J.E. Horstink-von Meyenfeldt en mr. E.A. Minderhoud, leden, in tegenwoordigheid van mr. C. Sparreboom, griffier. w.g. Van Diepenbeek w.g. Sparreboom voorzitter griffier Uitgesproken in het openbaar op 24 december 2019 195-
  26. BIJLAGE • Bij rechtsoverweging 5 Crisis- en herstelwet Artikel 1.1
  27. Afdeling 2 is van toepassing op: a. alle besluiten die krachtens enig wettelijk voorschrift zijn vereist voor de ontwikkeling of verwezenlijking van de in bijlage I bij deze wet bedoelde categorieën ruimtelijke en infrastructurele projecten dan wel voor de in bijlage II bij deze wet bedoelde ruimtelijke en infrastructurele projecten; […] Artikel 1, lid 1.2, van bijlage 1 aanleg of uitbreiding van productie-installaties voor de opwekking van duurzame elektriciteit met behulp van windenergie als bedoeld in artikel 9b, eerste lid, aanhef en onderdelen a en b, en artikel 9e van de Elektriciteitswet 1998 Artikel 1.6a Na afloop van de termijn voor het instellen van beroep kunnen geen beroepsgronden meer worden aangevoerd. Elektriciteitswet 1998 Artikel 9e
  28. Provinciale staten zijn bevoegd voor de aanleg of uitbreiding van een productie-installatie voor opwekking van duurzame elektriciteit met behulp van windenergie met een capaciteit van ten minste 5 maar niet meer dan 100 MW, met inbegrip van de aansluiting van die installatie op een net, gronden aan te wijzen en daarvoor een inpassingsplan als bedoeld in artikel 3.26, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening vast te stellen. De gemeenteraad is voor de duur van tien jaren na de vaststelling van het inpassingsplan niet bevoegd voor die gronden een bestemmingsplan vast te stellen. • Bij rechtsoverweging 9, 8, 10 en 11 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht Artikel 2.27
  29. In bij wet of algemene maatregel van bestuur aangewezen categorieën gevallen wordt een omgevingsvergunning niet verleend dan nadat een daarbij aangewezen bestuursorgaan heeft verklaard dat het daartegen geen bedenkingen heeft. Bij een maatregel als bedoeld in de eerste volzin worden slechts categorieën gevallen aangewezen waarin voor het verrichten van de betrokken activiteit een afzonderlijke toestemming van het aangewezen bestuursorgaan wenselijk is gezien de bijzondere deskundigheid die dat orgaan ten aanzien van die activiteit bezit of de verantwoordelijkheid die dat orgaan draagt voor het beleid dat betrekking heeft op de betrokken categorie activiteiten. Bij die maatregel kan worden bepaald dat het aangewezen bestuursorgaan categorieën gevallen kan aanwijzen waarin de verklaring niet is vereist. Besluit omgevingsrecht Artikel 3.1 […] b. artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de wet en waarbij ten behoeve van de verwezenlijking van een project van provinciaal belang, met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, voor zover het betreft de opvang van asielzoekers of andere categorieën vreemdelingen, en onder 3°, van de wet, van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken. Artikel 6.5
  30. Voor zover een aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de wet, wordt de omgevingsvergunning, waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de wet wordt afgeweken van het bestemmingsplan of de beheersverordening, niet verleend dan nadat de gemeenteraad van de gemeente waar het project geheel of in hoofdzaak zal worden of wordt uitgevoerd, heeft verklaard dat hij daartegen geen bedenkingen heeft, tenzij artikel 3.2, aanhef en onder b, van dit besluit of artikel 3.36 van de Wet ruimtelijke ordening van toepassing is. […]
  31. De gemeenteraad kan categorieën gevallen aanwijzen waarin een verklaring niet is vereist.
  32. In gevallen waarin artikel 3.1, aanhef en onder b, van dit besluit of artikel 3.34 van de Wet ruimtelijke ordening van toepassing is, wordt in het eerste lid in plaats van «gemeenteraad van de gemeente» gelezen «provinciale staten van de provincie» en wordt in het derde lid in plaats van «De gemeenteraad kan» gelezen: De provinciale staten kunnen. Omgevingsverordening Gelderland Artikel 1.3
  33. In deze verordening en de daarop rustende bepalingen wordt, tenzij anders is bepaald, onder bestemmingsplan mede verstaan: […] d. omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onderdeel a, onder 3°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken, tenzij uit de betreffende bepaling uitdrukkelijk anders volgt; e. omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken uitsluitend ten behoeve van de vestiging van een detailhandelsvoorziening of supermarkt als bedoeld in artikel 2.14; […]
  34. In deze verordening wordt onder de toelichting bij een bestemmingsplan mede verstaan: a. de onderbouwing bij een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onderdeel a, onder 3°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken ten behoeve van een project van lokaal ruimtelijk belang; b. de toelichting bij een beheersverordening als bedoeld in artikel 3.38 van de Wet ruimtelijke ordening. Artikel 2.62 De toelichting bij een bestemmingsplan dat de oprichting van een windturbine of windturbinepark mogelijk maakt, besteedt aandacht aan: a. de ruimtelijke kenmerken van het landschap; b. de maat, schaal en inrichting in het landschap; c. de visuele interferentie met een nabij gelegen windturbine of windturbines; d. de cultuurhistorische achtergrond en waarden van het landschap; e. de beleving van de windturbine of het windturbinepark in het landschap. Besluit milieueffectrapportage Bijlage behorende bij het Besluit milieueffectrapportage Onderdeel A. Begripsbepaling […] Windturbinepark: park bestaande uit ten minste drie windturbines; […]

Artikel 3.15a 1.

Het plaatsgebonden risico voor een buiten de inrichting gelegen kwetsbaar object, veroorzaakt door een windturbine of een combinatie van windturbines, is niet hoger dan 10-6 per jaar.

  1. Het plaatsgebonden risico voor een buiten de inrichting gelegen beperkt kwetsbaar object, veroorzaakt door een windturbine of een combinatie van windturbines, is niet hoger dan 10-5 per jaar. […] • Bij rechtsoverweging 12, 13, 14, 22 Algemene wet bestuursrecht Artikel 1:2
  2. Ten aanzien van rechtspersonen worden als hun belangen mede beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen. Artikel 8:69a De bestuursrechter vernietigt een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.

Artikel 3.14a 1.

Een windturbine of een combinatie van windturbines voldoet ten behoeve van het voorkomen of beperken van geluidhinder aan de norm van ten hoogste 47 dB Lden en aan de norm van ten hoogste 41 dB Lnight op de gevel van gevoelige gebouwen, tenzij deze zijn gelegen op een gezoneerd industrieterrein, en bij gevoelige terreinen op de grens van het terrein.

Artikel 3.14 [….] 4.

Bij het inwerking hebben van een windturbine worden ten behoeve van het voorkomen of beperken van slagschaduw en lichtschittering de bij ministeriële regeling te stellen maatregelen toegepast.[…] Activiteitenregeling milieubeheer Artikel 3.12 1.Ten behoeve van het voorkomen of beperken van slagschaduw en lichtschittering is de windturbine voorzien van een automatische stilstandvoorziening die de windturbine afschakelt indien slagschaduw optreedt ter plaatse van gevoelige objecten voorzover de afstand tussen de windturbine en de gevoelige objecten minder dan 12 maal de rotordiameter bedraagt en gemiddeld meer dan 17 dagen per jaar gedurende meer dan 20 minuten per dag slagschaduw kan optreden en voorzover zich in de door de slagschaduw getroffen uitwendige scheidingsconstructie van gevoelige gebouwen of woonwagens ramen bevinden. De afstand geldt van een punt op ashoogte van de windturbine tot de gevel van het gevoelige object. Artikel 3.13 1. Ten behoeve van het voorkomen of beperken van slagschaduw en lichtschittering wordt lichtschittering bij het in werking hebben van een windturbine zoveel mogelijk voorkomen of beperkt door toepassing van niet reflecterende materialen of coatinglagen op de betreffende onderdelen. Het meten van reflectiewaarden vindt plaats overeenkomstig NEN-EN-ISO 2813 of een daaraan ten minste gelijkwaardige meetmethode.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.