(2002)71) staat: 'Naar gelang van de mogelijkheden en de behoeften van het slachtoffer, zijn deze programma's gericht op integratie in het gastland (bijvoorbeeld aanvullende studies of beroepsopleiding) of op terugkeer naar het land van herkomst of naar een andere staat die bereid is hem op te vangen (bijvoorbeeld uitwerking van een economisch uitvoerbaar project).' [appellante] heeft bij [bedrijf] enkele modules van een inburgeringscursus gevolgd. Een inburgeringscursus is gericht op integratie van de betrokkene in de Nederlandse samenleving. Dergelijke cursussen bestonden reeds voor de inwerkingtreding van de Richtlijn. Mede gelet op de hiervoor weergegeven toelichting in het voorstel voor de Richtlijn is de door [appellante] gevolgde cursus dus een bestaand programma of bestaande regeling, gericht op de opbouw van een normaal sociaal leven, als bedoeld in artikel 12, eerste lid, van de Richtlijn. 3.
- Vervolgens is het de vraag of de door [appellante] gevolgde cursus is aangeboden door een lidstaat, een niet-gouvernementele organisatie of een vereniging als bedoeld in artikel 12, eerste lid, van de Richtlijn. Aangezien [bedrijf] een private onderneming is en er geen aanwijzingen zijn dat zij bij het geven van inburgeringscursussen handelt uit naam van de Nederlandse overheid, gaat het hier niet om een door een lidstaat aangeboden cursus. [bedrijf] is, zoals [appellante] ter zitting van de Afdeling desgevraagd heeft bevestigd, evenmin een niet-gouvernementele organisatie of een vereniging met een specifieke overeenkomst met een lidstaat. Gelet hierop en nu de Engelse, Duitse en Franse taalversies van deze bepaling geen aanleiding bieden voor een ruimere interpretatie van deze begrippen, valt de door [appellante] gevolgde cursus niet onder het toepassingsbereik van artikel 12, eerste lid, van de Richtlijn. 3.
- Reeds gelet op het in 3.5 overwogene is de afwijzing van de aanvraag niet in strijd met artikel 12, eerste lid, van de Richtlijn. De rechtbank is tot dezelfde conclusie gekomen, zij het op andere gronden, die thans geen bespreking behoeven. Dat betekent dat in het midden kan blijven of artikel 12, eerste lid, van de Richtlijn het recht op een lening voor het bekostigen van een inburgeringscursus omvat. Het betoog van [appellante] dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de minister niet van haar mocht vergen dat zij op zoek zou gaan naar een goedkopere of kosteloze inburgeringscursus, behoeft gelet op het voorgaande ook geen bespreking meer. De slotsom is dat het betoog van [appellante] dat de rechtbank artikel 12 van de Richtlijn te beperkt heeft geïnterpreteerd, faalt. Er bestaat gelet op het arrest van het Hof van Justitie van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punt 16, geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen, aangezien redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan over de wijze waarop de opgeworpen vraag over de betrokken Unierechtelijke rechtsregel moet worden beantwoord. Conclusie
- Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd, zij het, gelet op het onder 3.2-3.5 overwogene, met verbetering van de gronden waarop deze rust.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzitter, en mr. A.B.M. Hent en mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.V.T.K. Oei, griffier. w.g. Sevenster w.g. Oei voorzitter griffier Uitgesproken in het openbaar op 20 februari 2019 670.