← Nederland

ECLI:NL:RVS:2020:1196

202000375/1/V

  1. Datum uitspraak: 6 mei 2020 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (hierna: het COa), appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 20 december 2019 in zaak nr. 16/8089 in het geding tussen: [de vreemdeling] en het COa. Procesverloop Bij besluit van 22 maart 2016 heeft het COa de verstrekkingen van de vreemdeling krachtens de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005 beëindigd. Bij uitspraak van 20 december 2019 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Tegen deze uitspraak heeft het COa hoger beroep ingesteld. De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. A.W. Eikelboom, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. Overwegingen
  2. De rechtbank heeft overwogen dat de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat zonder opvang de voortzetting van de behandeling in het Psychotraumacentrum Zuid-Nederland (hierna: het centrum), een voor de vreemdeling veilige en vertrouwde setting, moet worden gestaakt, waardoor een acute medische noodsituatie zal ontstaan, zodat het COa hem opvang moet verlenen zolang zijn gezondheidssituatie niet wezenlijk verbetert voordat hij is uitgezet.
  3. Het COa klaagt in beide grieven dat de rechtbank dit ten onrechte heeft overwogen. Volgens het COa heeft zij dit niet kunnen baseren op door de vreemdeling overgelegde brieven van zijn behandelaars bij Equator van 7 oktober 2015 en 15 juni 2016, een brief van zijn behandelaars bij het centrum van 28 (lees: 25) juli 2017, en een advies van het Bureau Medische Advisering van 15 februari
  4. 2.
  5. In voormelde brief van 25 juli 2017, waaruit de rechtbank uitvoerig heeft geciteerd, staat dat het centrum een voor de vreemdeling veilige en vertrouwde behandelsetting is, die beschermend werkt, en het van zeer groot belang is dat de beschreven behandeling zonder onderbrekingen daar wordt voorgezet. Hieruit noch uit de andere in overweging 2 genoemde stukken volgt dat door de beëindiging van de opvang ook de behandeling in het centrum moet worden gestaakt. In dit kader wijst het COa er terecht op dat de behandeling niet in een AZC plaatsvindt maar dat de vreemdeling daarvoor vanuit het asielzoekerscentrum in Almere naar de behandellocatie van het centrum in Den Bosch reist. Verder wijst COa erop dat de vreemdeling, hoewel zijn verblijf hier te lande is beëindigd, op grond van artikel 10 Vw 2000 ook na beëindiging van de opvang aanspraak zal kunnen maken op medisch noodzakelijke zorg, om te voorkomen dat een medische noodtoestand ontstaat. Uit het BMA-advies volgt dat hij naar zijn land van herkomst kan worden verwijderd mits daar overdracht aan een psychiater plaatsvindt. De grieven slagen.
  6. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Omdat er geen beroepsgronden zijn die de rechtbank niet heeft besproken, is het beroep alsnog ongegrond. Het COa hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het hoger beroep gegrond; II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 20 december 2019 in zaak nr. 16/8089; III. verklaart het beroep ongegrond. Aldus vastgesteld door mr. E. Steendijk, voorzitter, en mr. J.Th. Drop en mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, leden, in tegenwoordigheid van mr. T. van Goeverden-Clarenbeek, griffier. De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen. w.g. Van Goeverden-Clarenbeek griffier Uitgesproken in het openbaar op 6 mei 2020 32-862.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.