(2015)" (hierna: de beleidsregels). Op grond van artikel 18 van de beleidsregels en artikel 4:84 van de Awb moet het college overeenkomstig de beleidsregels handelen, tenzij dat voor [appellante] gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen. Uitgangspunt van de beleidsregels is dat het bestemmingsplan conserverend van aard is en daarom zo min mogelijk functies worden toegestaan die afwijken van de woonfunctie. Dit betekent dat het college in een woonwijk zo min mogelijk bedrijven wil hebben gevestigd. Alleen als aan een aantal cumulatieve voorwaarden is voldaan, kunnen op grond van artikel 15 van de beleidsregels toch bepaalde bedrijfsactiviteiten worden toegestaan. Eén van die voorwaarden is dat de uitoefening van het bedrijf geen ernstige hinder voor het woonmilieu oplevert of afbreuk doet aan de beleving van de woonomgeving. Het enkele ontbreken van ruimtelijke gevolgen is dus volgens de beleidsregels niet voldoende om een bedrijf in afwijking van het bestemmingsplan op een perceel toe te staan. Het college heeft erop gewezen dat het de woonbestemming en de omgeving als rustige woonwijk wil behouden en laten prevaleren boven andere belangen. De Afdeling acht deze afweging niet onredelijk. De omstandigheid dat de gevraagde activiteit weinig ruimtelijke gevolgen zal hebben, daargelaten of dat zo is, is geen bijzondere omstandigheid die ertoe moet leiden dat het college van zijn beleid moet afwijken. De rechtbank heeft dan ook terecht in zoverre niet geoordeeld dat het college heeft gehandeld in strijd met artikel 3:4 van de Awb door niet van de beleidsregels af te wijken. Het betoog faalt.
- [appellante] betoogt verder dat de rechtbank heeft miskend dat het college heeft gehandeld in strijd met het vertrouwensbeginsel. Aangezien het college haar meerdere keren schriftelijk heeft meegedeeld dat zij een omgevingsvergunning zou krijgen als ze een aantal aanpassingen zou doen, had het college van de beleidsregels moeten afwijken. 10.
- In het besluit van 22 januari 2019 heeft het college zich op het standpunt gesteld dat [appellante] er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat de gevraagde omgevingsvergunning zou worden verleend. Het college heeft hierin echter geen aanleiding gezien om van de beleidsregels af te wijken. Dat sprake is van gerechtvaardigde verwachtingen betekent niet dat daaraan altijd moet worden voldaan. Zwaarder wegende belangen, zoals het algemeen belang of de belangen van derden, kunnen daaraan in de weg staan. Bij deze belangenafweging kan ook een rol spelen of de betrokkene op basis van de gewekte verwachtingen handelingen heeft verricht of nagelaten als gevolg waarvan hij schade heeft geleden of nadeel heeft ondervonden. Indien er zwaarder wegende belangen in de weg staan aan honorering van het gewekte vertrouwen kan voor het bestuursorgaan de verplichting ontstaan om de geleden schade te vergoeden als onderdeel van de besluitvorming. Het college stelt zich op standpunt dat het bestemmingsplan gericht is op de ontwikkeling van woningen en het tegengaan van ontwikkelingen die zich daarmee niet kunnen verdragen, zoals de exploitatie van een horecabedrijf. Het algemeen belang bij handhaven van het bestemmingsplan en het voorkomen van ongewenste precedentwerking verzetten zich volgens het college dan ook tegen het verlenen van een omgevingsvergunning. Om deze redenen wenste het college geen medewerking te verlenen aan verlening van de gevraagde omgevingsvergunning. Aangezien [appellante] naar aanleiding van het gewekte vertrouwen al in het door haar gewenste bedrijf had geïnvesteerd, heeft het college besloten om [appellante] een schadevergoeding toe te kennen. De rechtbank heeft overwogen dat het college in redelijkheid heeft kunnen besluiten om een schadevergoeding toe te kennen in plaats van de gevraagde omgevingsvergunning te verlenen. Aangezien [appellante] alleen naar voren heeft gebracht dat het college heeft gehandeld in strijd met het vertrouwensbeginsel en geen argumenten heeft aangevoerd waarom het college niet mocht volstaan met het toekennen van een schadevergoeding, ziet de Afdeling in hetgeen [appellante] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de rechtbank tot een andere conclusie had moeten komen. Het betoog faalt.
- [appellante] betoogt verder dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college heeft gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel, omdat aan [persoon] wel een omgevingsvergunning is verleend voor de exploitatie van een fietsenwinkel, terwijl dit bedrijf in dezelfde woonwijk wordt geëxploiteerd. 11.
- Het college stelt zich op het standpunt dat voor de fietsenwinkel van [persoon] wel een omgevingsvergunning is verleend, omdat dit bedrijf voldoet aan de voorwaarden voor de in 15.4.1 van de planregels neergelegde mogelijkheid om ten behoeve van een aan huis verbonden beroep van het bestemmingsplan af te wijken. Aangezien dat in het geval van [appellante] niet zo is, is geen sprake van gelijke gevallen. [appellante] heeft geen redenen aangevoerd waarom dit standpunt onjuist is. De rechtbank is dan ook terecht niet tot de conclusie gekomen dat het college heeft gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel. Het betoog faalt.
- [appellante] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat bij het nemen van het besluit van 22 januari 2019 de verkeerde voorbereidingsprocedure is gevolgd, dat artikel 4, negende lid, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht niet van toepassing is, dat het college had moeten onderzoeken of het vergunning had willen verlenen op grond van het elfde lid van artikel 4 van bijlage II van het Bor, dat het college ten onrechte geen verklaring van geen bedenkingen heeft gevraagd aan de gemeenteraad van Almelo, dat de weigering om vergunning te verlenen in strijd is met de Wet markt en overheid, dat de weigering in strijd is met de Dienstenrichtlijn en dat het exploiteren van een cateringbedrijf niet in strijd is met het bestemmingsplan, omdat dit valt onder de toegestane activiteit "andere bijbehorende voorzieningen". Deze gronden zijn weliswaar pas in hoger beroep voor het eerst naar voren gebracht, maar omdat zij in beroep geen professionele rechtsbijstand had, was het voor haar niet eerder mogelijk om deze gronden en de daaraan ten grondslag liggende feiten naar voren te brengen. Het is in strijd met het EVRM om haar de mogelijkheid te ontzeggen om alsnog deze gronden aan te voeren. 12.
- [appellante] heeft deze gronden en de daaraan ten grondslag liggende feiten voor het eerst in hoger beroep aangevoerd. Aangezien het hoger beroep is gericht tegen de uitspraak van de rechtbank en er geen reden is waarom de betogen niet reeds bij de rechtbank kon worden aangevoerd, en [appellante] dit uit een oogpunt van een zorgvuldig en doelmatig gebruik van rechtsmiddelen had behoren te doen, dienen deze betogen buiten beschouwing te blijven. Ten aanzien van het betoog over strijd met de Dienstenrichtlijn merkt de Afdeling nog op dat hierover weliswaar een enkele zin staat in het beroepschrift, maar dat [appellante] ter zitting bij de Afdeling heeft bevestigd dat dit destijds niet bedoeld was als zelfstandige beroepsgrond. Anders dan [appellante] heeft betoogd, is het om deze reden buiten beschouwing laten van gronden niet in strijd met artikel 6 van het EVRM (zie de uitspraak van de Afdeling van 30 december 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BK7992). Dat [appellante] in beroep geen professionele rechtsbijstand had, betekent niet dat zij in hoger beroep alsnog deze gronden naar voren mag brengen. Ook dit is niet in strijd met artikel 6 van het EVRM (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 18 april 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BA3228). Het betoog faalt.
- De conclusie is als volgt. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk voor zover het is gericht tegen de beslissing van de rechtbank over het besluit van 20 juni
- Het hoger beroep is ongegrond voor zover het ziet op het gedeelte van de rechtbankuitspraak dat ziet op het besluit van 22 januari
- De aangevallen uitspraak dient in zoverre te worden bevestigd.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk voor zover het ziet op de beslissing van de rechtbank over het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Almelo van 20 juni 2018; II. verklaart het hoger beroep ongegrond voor zover het ziet op de beslissing van de rechtbank over het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Almelo van 22 januari
- Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, voorzitter, en mr. H.G. Sevenster en mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, leden, in tegenwoordigheid van mr. V.H.Y. Huijts, griffier. De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen. De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen. Uitgesproken in het openbaar op 10 juni 2020
- BIJLAGE Algemene wet bestuursrecht Artikel 3:4 luidt: "
- Het bestuursorgaan weegt de rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen af, voor zover niet uit een wettelijk voorschrift of uit de aard van de uit te oefenen bevoegdheid een beperking voortvloeit.
- De voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit mogen niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen." Artikel 4:84 luidt: "Het bestuursorgaan handelt overeenkomstig de beleidsregel, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen." Artikel 6:19, eerste lid, luidt: "Het bezwaar of beroep heeft van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben." Wet algemene bepalingen omgevingsrecht Artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, luidt: "
- Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit: c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, […]" Artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, luidt: "
- Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en: a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening: 1°. met toepassing van de in het bestemmingsplan of de beheersverordening opgenomen regels inzake afwijking, 2°. in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of 3°. in overige gevallen, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat;" Besluit omgevingsrecht Artikel 4 van bijlage II luidt: "Voor verlening van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de wet waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de wet van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken, komen in aanmerking: […]
- het gebruiken van bouwwerken, eventueel in samenhang met bouwactiviteiten die de bebouwde oppervlakte of het bouwvolume niet vergroten, en van bij die bouwwerken aansluitend terrein, mits, voor zover gelegen buiten de bebouwde kom, het uitsluitend betreft een logiesfunctie voor werknemers of de opvang van asielzoekers of andere categorieën vreemdelingen; […]
- ander gebruik van gronden of bouwwerken dan bedoeld in de onderdelen 1 tot en met 10, voor een termijn van ten hoogste tien jaar." Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden Artikel 6, eerste lid, luidt: "Bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde vervolging heeft een ieder recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld. De uitspraak moet in het openbaar worden gewezen maar de toegang tot de rechtszaal kan aan de pers en het publiek worden ontzegd, gedurende de gehele terechtzitting of een deel daarvan, in het belang van de goede zeden, van de openbare orde of nationale veiligheid in een democratische samenleving, wanneer de belangen van minderjarigen of de bescherming van het privé leven van procespartijen dit eisen of, in die mate als door de rechter onder bijzondere omstandigheden strikt noodzakelijk wordt geoordeeld, wanneer de openbaarheid de belangen van een behoorlijke rechtspleging zou schaden." Planregels Artikel 1.14 definieert ‘bijgebouw’ als volgt: "Een vrijstaand gebouw dat architectonisch/bouwkundig ondergeschikt is aan een op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw en ten dienste staat van dat hoofdgebouw." Artikel 15.1 luidt: "De voor Woondoeleinden A aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. wonen; b. biljart-/dartvereniging, alleen op het perceel dat is voorzien van de aanduiding "biljart/dartvereniging toegestaan"; met de daarbij behorende bijgebouwen, andere bouwwerken, tuinen en andere bijbehorende voorzieningen." Artikel 15.4.1 luidt: "Burgemeester en wethouders zijn bevoegd ontheffing te verlenen : a. van het bepaalde in 15.1, voor een wijziging in het gebruik van de woning en/of de daarbij behorende bijgebouwen ten behoeve van een aan huis verbonden beroep (met uitzondering van een kindercentrum), mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden: - de woonfunctie behouden blijft; - het ondergeschikte medegebruik van de woning en/of de daarbij behorende bijgebouwen dient beperkt te blijven tot een ruimte (of ruimten) met een maximum totale bruto-vloeroppervlakte van 25% van de bruto-vloeroppervlakte van de woning en de daarbij behorende - al dan niet aangebouwde bijgebouwen, met een maximum van 50 m²; - het ondergeschikte medegebruik van de woning en/of de daarbij behorende bijgebouwen mag niet bestaan uit detailhandel (met uitzondering van kapsalons) en/of horeca en/of een prostitutie-inrichting; - er dient een directe relatie te bestaan tussen het aan huis verbonden (en uit te oefenen) beroep en de (hoofd)bewoner(s) van de woning; - de uitoefening van het aan huis verbonden beroep mag (naar verwachting) geen ernstige hinder voor het woonmilieu opleveren of afbreuk doen aan de beleving van de woonomgeving; - de uitoefening van het aan huis verbonden beroep mag er niet toe leiden dat er (naar verwachting) een onevenredige parkeerdruk op de openbare ruimte ontstaat. Onder onevenredig wordt in elk geval verstaan dat er in de (verwachte) situatie, gedurende het uitoefenen van het beroep aan huis, met méér dan 1 auto/voertuig een (vrijwel) permanente aanspraak wordt gedaan op de openbare parkeerruimte in de omgeving. […]"