202000278/1/V2. Datum uitspraak: 24 juni 2020 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 9 januari 2020 in zaak nr. NL19.28103 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Procesverloop Bij besluit van 14 november 2019 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Bij uitspraak van 9 januari 2020 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. H. Klein Hesselink, advocaat te Terneuzen, hoger beroep ingesteld. Overwegingen 1. De in deze uitspraak genoemde regelgeving en het beleid is opgenomen in de bijlage die onderdeel uitmaakt van deze uitspraak. 1.1. De vreemdeling, afkomstig uit Iran, heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij vreest voor vervolging door de Iraanse autoriteiten vanwege rapteksten en poëzie die hij heeft geschreven waarin hij kritisch is op de islam en het Iraanse regime. Volgens de vreemdeling zouden de autoriteiten in 2018 een inval hebben gedaan in zijn ouderlijk huis en daarbij zijn laptop en al zijn teksten in beslag hebben genomen. Deze uitspraak gaat over de vraag of de rechtbank het standpunt van de staatssecretaris over de geloofwaardigheid van dit asielrelaas op de juiste wijze heeft getoetst en of de staatssecretaris het asielrelaas overeenkomstig zijn eigen beleid in de Vc 2000 en Werkinstructie 2014/10 (hierna: WI 2014/10) heeft onderzocht en beoordeeld. 2. De staatssecretaris heeft geloofwaardig geacht dat de vreemdeling vanaf 2006 teksten heeft geschreven en actief is geweest als rapper. Ook heeft de staatssecretaris geloofwaardig geacht dat de vreemdeling een muziekgroep heeft opgericht en dat hij met deze groep bijeen kwam in een park. Ordediensten of de politie traden regelmatig tegen die bijeenkomsten op. De staatssecretaris heeft verder geloofwaardig geacht dat de vreemdeling daarbij tussen 2006 en 2018 vijf tot zes keer is gearresteerd, maar met de hulp van een invloedrijk familielid steeds weer vrij wist te komen. De staatssecretaris acht de gestelde inval in het ouderlijk huis van de vreemdeling echter niet geloofwaardig. Volgens de staatssecretaris is het bevreemdingwekkend dat de familieleden van de vreemdeling hem dit keer niet konden helpen en dat hij van hen niet meer informatie heeft kunnen krijgen over de aanleiding van de inval en de aard van de tenlastelegging. De verklaring van de vreemdeling dat zijn familieleden hem dit keer niet konden helpen omdat hij, anders dan eerdere keren, wordt beschuldigd van afvalligheid en zijn dossier zich onder een hooggeplaatst geestelijk leider bevindt, acht de staatssecretaris onvoldoende. 3. De vreemdeling betoogt in de eerste en tweede grief, in hun onderlinge samenhang bezien en samengevat weergegeven, dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de staatssecretaris zijn standpunt over de geloofwaardigheid van het asielrelaas, in het bijzonder over de gestelde inval in zijn ouderlijk huis, deugdelijk heeft gemotiveerd. 3.1. Dit betoog slaagt. Anders dan de rechtbank tot uitgangspunt heeft genomen, heeft de staatssecretaris namelijk nagelaten om de onder 2. weergeven tegenwerpingen en zijn standpunt dat de daarvoor gegeven verklaringen van de vreemdeling onvoldoende zijn, te relateren aan zogeheten relevante externe geloofwaardigheidsindicatoren. De Afdeling verwijst ter vergelijking naar paragraaf C1/4.4.1 van de Vc 2000, paragraaf 3.2.1 van WI 2014/10 en de Afdelingsuitspraken van 18 november 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3652 en van 15 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3009, onder 5.2. Gelet op de aard van de tegenwerpingen, had de staatssecretaris deze nader moeten motiveren door deze te relateren aan de hem bekende bronnen over Iran en/of aan zijn ervaringen met vergelijkbare asielrelazen van andere vreemdelingen. De Afdeling verwijst ter vergelijking naar de Afdelingsuitspraken van 13 april 2016, ECLI:RVS:2016:890, onder 8, en van 17 april 2017, ECLI:NL:RVS:2017:894, onder 2.1. De rechtbank heeft verder niet onderkend dat de staatssecretaris niet heeft gemotiveerd dat en waarom hij de vreemdeling bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van de gestelde inval niet het voordeel van de twijfel heeft gegeven (zie artikel 4, vijfde lid, van de Kwalificatierichtlijn, geïmplementeerd in artikel 31, zesde lid, van de Vw 2000 en uitgewerkt in paragraaf 3.2 van WI 2014/10). In dit geval behoefde dat punt aandacht, mede omdat de staatssecretaris niet duidelijk heeft gemaakt hoe de tegenwerpingen daarover zich verhouden tot de geloofwaardig geachte problemen die de vreemdeling in het verleden heeft ondervonden. 3.2. De grieven slagen. 3.3. Dit betekent dat de staatssecretaris zijn standpunt over de geloofwaardigheid van de gestelde inval ondeugdelijk heeft gemotiveerd. Omdat dit element in het asielrelaas doorwerkt in zijn standpunt over de geloofwaardigheid van het asielrelaas als geheel, heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat de staatssecretaris dit standpunt deugdelijk heeft gemotiveerd. De Afdeling verwijst ter vergelijking naar de uitspraak van 13 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:956. De staatssecretaris moet een nieuw besluit op de asielaanvraag nemen. Wat de vreemdeling verder in beroep en hoger beroep heeft aangevoerd, kan daarom onbesproken blijven. 4. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Het beroep is gegrond en het besluit van 14 november 2019 wordt vernietigd. De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het hoger beroep gegrond; II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 9 januari 2020 in zaak nr. NL19.28103; III. verklaart het beroep gegrond; IV. vernietigt het besluit van 14 november 2019, […]; V. veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van beroep en hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.575,00 (zegge: vijftienhonderdvijfenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Aldus vastgesteld door mr. J.J. van Eck, voorzitter, en mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen en mr. A. Kuijer, leden, in tegenwoordigheid van mr. O. van Loon, griffier. w.g. Van Eck w.g. Van Loon voorzitter griffier Uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2020 572-936. BIJLAGE - Wettelijk kader Kwalificatierichtlijn Artikel 4 (…) 5. Wanneer lidstaten het beginsel toepassen, volgens welk het de taak van de verzoeker is zijn verzoek om internationale bescherming te staven, wordt de verzoeker ondanks het eventuele ontbreken van bewijsmateriaal voor een aantal van de verklaringen van de verzoeker, geloofwaardig geacht en wordt hem het voordeel van de twijfel gegund, wanneer aan de volgende voorwaarden voldaan is:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.