← Nederland

ECLI:NL:RVS:2020:1705

202001907/1/V

  1. Datum uitspraak: 22 juli 2020 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op de hoger beroepen van:
  2. de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
  3. [de vreemdeling], appellanten, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 26 februari 2020 in zaak nr. 19/4672 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris. Procesverloop Bij besluit van 17 december 2018 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vw 2000, waaruit rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan blijkt, afgewezen. Bij besluit van 21 mei 2019 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 26 februari 2020 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van de uitspraak. Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. B. van Dijk, advocaat te Groningen, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven en incidenteel hoger beroep ingesteld. De staatssecretaris heeft een zienswijze naar voren gebracht. Overwegingen Hoger beroep van de staatssecretaris
  4. De in de grieven opgeworpen rechtsvraag over welk beleid over het arrest Chavez-Vilchez van het Hof van Justitie van 10 mei 2017, ECLI:EU:C:2017:354, de staatssecretaris had moeten toepassen, heeft de Afdeling beantwoord in de uitspraak van 20 mei 2020, ECLI:NL:RVS:2020:
  5. Uit die uitspraak volgt dat de staatssecretaris terecht het WBV 2018/4 heeft toegepast. De grieven slagen. Incidenteel hoger beroep van de vreemdeling
  6. Het incidenteel hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het incidenteel hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000). Conclusie
  7. Het hoger beroep van de staatssecretaris is gegrond en het incidenteel hoger beroep van de vreemdeling is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. De Afdeling wijst de zaak naar de rechtbank terug om door haar te worden behandeld, waarbij zij het oordeel van de Afdeling in deze uitspraak in acht neemt (artikel 8:115, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb). De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het hoger beroep van de staatssecretaris gegrond; II. verklaart het incidenteel hoger beroep van de vreemdeling ongegrond; III. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 26 februari 2020 in zaak nr. 19/4672; IV. wijst de zaak naar de rechtbank terug. Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. G.A. van de Sluis, griffier. w.g. Sevenster w.g. Van de Sluis lid van de enkelvoudige kamer griffier Uitgesproken in het openbaar op 22 juli 2020 942.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.