← Nederland

ECLI:NL:RVS:2020:2053

201900349/1/R3.Datum uitspraak: 26 augustus 2020 AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak onderscheidenlijk tussenuitspraak met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) in het geding tussen:

  1. appellant sub 1], wonend te [woonplaats]
  2. [ appellant sub 2], wonend te [woonplaats],
  3. [ appellant sub 3A] en [appellante sub 3B], wonend en gevestigd te [plaats] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 3]),
  4. [ appellant sub 4], wonend te [woonplaats],
  5. [ appellant sub 5], wonend te [woonplaats],
  6. [ appellant sub 6], wonend te [woonplaats],
  7. [ appellant sub 7], wonend te [woonplaats],
  8. [ appellante sub 8], gevestigd te [plaats],
  9. [ appellante sub 9], gevestigd te [plaats],
  10. [ appellante sub 10], gevestigd te [plaats],
  11. Truckcentrum Meerkerk B.V., gevestigd te Meerkerk, gemeente Vijfheerenlanden,
  12. [ appellant sub 12], wonend te [woonplaats],
  13. Pellikaan Onroerend Goed Beheer B.V., gevestigd te Gorinchem,
  14. Ocean Outdoor Nederland B.V., gevestigd te Breda,
  15. [ appellante sub 15], gevestigd te [plaats],
  16. [ appellante sub 16], gevestigd te [plaats],
  17. [ appellant sub 17], handelend onder de naam [bedrijf A], wonend te [woonplaats],
  18. [ appellant sub 18], handelend onder de naam [bedrijf B], gevestigd te [plaats],
  19. [ appellant sub 19A] en [appellant sub 19B], wonend te [woonplaats] onderscheidenlijk [woonplaats],
  20. [ appellant sub 20A], [appellant sub 20B], [appellant sub 20C] en [appellant sub 20D], allen wonend te [woonplaats], en Platform Raamsdonk,
  21. [ appellant sub 21A], [appellant sub 21B], [appellant sub 21C] en [appellant sub 21D], allen wonend te [woonplaats],
  22. Stichting Platform Waspik, gevestigd te Waspik, gemeente Waalwijk,
  23. Business Art Service Benelux B.V., Veerse Toren B.V. en Kunst.nl B.V., gevestigd te Raamsdonksveer, gemeente Geertruidenberg (hierna: tezamen Business Art Service en anderen),
  24. [ appellante sub 24], gevestigd te [plaats],
  25. [ appellant sub 25A] en [appellant sub 25B], beiden wonend te [woonplaats] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 25]),
  26. Stichting Thuisvester en Stichting de Riethorst Stromenland, gevestigd te Oosterhout onderscheidenlijk te Geertruidenberg,
  27. [ appellante sub 27], gevestigd te [plaats], mede handelend onder de naam [bedrijf C] (hierna: [appellante sub 27]),
  28. [ appellante sub 28], gevestigd te [plaats],
  29. B.V. Wegrestaurant "Napoleon", gevestigd te Hank, gemeente Altena,
  30. [ appellant sub 30] en de Diaconie van de Protestantse Gemeente Geertruidenberg, wonend en gevestigd te Raamsdonksveer, gemeente Geertruidenberg (hierna: [appellant sub 30] en de Diaconie),
  31. [ appellant sub 31], wonend te [woonplaats],
  32. [ appellant sub 32], wonend te [woonplaats],
  33. [ appellant sub 33A] en [appellant sub 33B], wonend te [woonplaats] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 33A]),
  34. [ appellant sub 34], wonend te [woonplaats],
  35. [ appellante sub 35A] en [appellant sub 35B], gevestigd onderscheidenlijk wonend te [plaats] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 35]),
  36. [ appellante sub 36A], [appellante sub 36B] en [appellant sub 36C] en [appellant sub 36D], gevestigd onderscheidenlijk wonend te [plaats] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 36]),
  37. [ appellant sub 37], wonend te [woonplaats],
  38. AC Finance C.V., gevestigd te Amsterdam,
  39. [ appellant sub 39], wonend te [woonplaats],
  40. [ appellant sub 40A] en [appellant sub 40B], beiden wonend te [woonplaats] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 40]),
  41. [ appellant sub 41], wonend te [woonplaats],
  42. [ appellant sub 42], wonend te [woonplaats],
  43. [ appellant sub 43], wonend te [woonplaats],
  44. [ appellant sub 44], wonend te [woonplaats],
  45. [ appellante sub 45], gevestigd te [plaats], en de minister van Infrastructuur en Waterstaat, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 20 december 2018 heeft de minister het tracébesluit en het saneringsplan "A27 Houten-Hooipolder" vastgesteld. Tegen één of meer van deze besluiten hebben appellanten beroep ingesteld. De minister heeft een verweerschrift ingediend. Een aantal partijen heeft nadere stukken ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2, 3 en 4 maart 2020, waar een aantal appellanten is verschenen of zich heeft laten vertegenwoordigen. Ook de minister heeft zich laten vertegenwoordigen. Overwegingen Inleiding
  46. Het tracébesluit voorziet in een wijziging van de A27 tussen Houten en het knooppunt Hooipolder inclusief een gedeeltelijke reconstructie van het knooppunt Hooipolder. De lengte van het tracé bedraagt ongeveer 46 km en loopt van km 18,0 tot en met km 68,
  47. De wijziging van de A27 bestaat uit het in beide richtingen verbreden van de A27 door middel van deels extra rijstroken en deels spitsstroken. De reden voor deze verbreding is, zo staat in paragraaf 1.1 van de toelichting op het tracébesluit vermeld, dat de A27 tussen de aansluiting Houten en het knooppunt Hooipolder op een aantal plaatsen het verkeersaanbod niet goed kan verwerken met als gevolg dat de reistijd op dit traject in de spits fors hoger is dan gewenst. Door de verdere toename van het verkeer op de A27 in de komende jaren, veroorzaakt door de algemeen verwachte verkeersgroei en de ontwikkeling van stedelijke gebieden in de nabije omgeving van de A27, nemen de verkeersproblemen op de A27 naar verwachting verder toe, aldus de toelichting. Deze toenemende verkeersdrukte heeft volgens de toelichting niet alleen negatieve gevolgen voor de bereikbaarheid van de regio, maar ook voor het onderliggend wegennet en de verkeersveiligheid. De huidige en toekomstige verkeersafwikkeling vormt de belangrijkste aanleiding voor dit tracébesluit, zo staat in de toelichting.
  48. Het ontwerp voor het tracébesluit was al medio 2016 ter inzage gelegd. Het tracébesluit is pas enige tijd later vastgesteld, omdat na de terinzagelegging van het ontwerpbesluit is besloten dat de Hagesteinsebrug, Merwedebrug en Keizersveerbrug gelet op de technische levensduur van deze bruggen anders dan was voorzien in het ontwerptracébesluit volledig worden vervangen. De keuze om de bruggen volledig te vervangen, heeft geleid tot verschillende wijzigingen in het tracébesluit. De hiermee gepaard gaande wijzigingen in de onderzoeken die ten behoeve van het tracébesluit zijn verricht, hebben tot gevolg gehad dat de vaststelling van het tracébesluit is verschoven van 2017 naar eind
  49. Gelijktijdig met het tracébesluit is het saneringsplan "A27 Houten - Hooipolder" (hierna: het saneringsplan) vastgesteld. Over dit saneringsplan licht de Afdeling het volgende toe. Zoals in hoofdstuk 2 van het saneringsplan is vermeld, is in hoofdstuk 11 van de Wet milieubeheer het systeem van de geluidproductieplafonds opgenomen voor de beheersing van de geluidhinder door rijkswegen en hoofdspoorwegen. Op verschillende plaatsen is echter, onder andere door de autonome groei van het verkeer in de afgelopen decennia, de geluidbelasting op woningen relatief hoog geworden, zo staat in hoofdstuk 2 van het saneringsplan. De geluidproductieplafonds zorgen er weliswaar voor dat deze geluidbelastingen niet verder verslechteren, maar zij leiden niet tot een reductie van de geluidbelasting op de bestaande woningen met hoge geluidbelastingen. Om die reden zijn in hoofdstuk 11 van de Wet milieubeheer regels over geluidsanering opgenomen, waaronder de in artikel 11.56 van de Wet milieubeheer opgenomen verplichting tot het opstellen van een saneringsplan. Het saneringsplan "A27 Houten-Hooipolder" is gelijktijdig met het tracébesluit vastgesteld, omdat de minister uit een oogpunt van efficiency de uitvoering van de nog te verrichten sanering op grond van afdeling 11.3.6 van de Wet milieubeheer zoveel mogelijk wenst te combineren met de uitvoering van het tracébesluit, zo staat in het akoestisch onderzoek behorende bij het saneringsplan. Het saneringsplan heeft uitsluitend betrekking op saneringsobjecten langs twee wegvakken in het gebied tussen het knooppunt Houten-Hooipolder en de aansluiting Houten, namelijk het wegvak van km 17,45 tot km 17,65 en het wegvak van km 43,47 tot km 55,
  50. De overige saneringsobjecten langs de A27 tussen het knooppunt Houten-Hooipolder en de aansluiting Houten zijn meegenomen in het tracébesluit, omdat deze saneringsobjecten zich bevinden nabij referentiepunten langs de A27 waar ten gevolge van de in het tracébesluit opgenomen wijzigingen aan de A27 de geluidproductieplafonds zijn gewijzigd. In dit geval is sprake van een zogenoemde gekoppelde sanering als bedoeld in artikel 11.42 van de Wet milieubeheer.
  51. Appellanten zijn bewoners en/of bedrijven in de omgeving van het tracé. Zij verzetten zich tegen de voorziene verbreding van de A27 vanwege de negatieve gevolgen die dit tot volgens hen heeft voor hun woon- en leefklimaat en/of hun bedrijfsvoering. De beroepsgronden die zij in dit verband naar voren hebben gebracht, zijn uiteenlopend van aard. Zo wensen enkele appellanten dat geheel wordt afgezien van de verbreding, enkele omwonenden wensen dat de minister ter bescherming van hun woon- en leefklimaat aanvullende maatregelen treft, zoals de realisatie van meer geluidbeperkende maatregelen, terwijl enkele bedrijven nabij het tracé zich gelet op hun bedrijfsbelangen richten tegen geluidbeperkende maatregelen, zoals geluidschermen die in het tracébesluit en/of saneringsbesluit zijn voorzien, vanwege de negatieve effecten hiervan op onder meer de zichtbaarheid van hun bedrijfslocatie.
  52. De Afdeling zal hierna de beroepsgronden per appellant beoordelen, omdat de beroepschriften hoofdzakelijk betrekking hebben op de specifieke gevolgen van het tracé voor het eigen woon- en leefklimaat of de bedrijfsvoering van de desbetreffende appellant. Aan het einde van de bespreking van ieder beroepschrift volgt een conclusie. Een aantal beroepschriften bevat (deels) gelijkluidende beroepsgronden. Een aantal daarvan zal daarom gezamenlijk worden besproken. Bij het bespreken van de beroepen hanteert de Afdeling de volgorde zoals is vermeld op het voorblad. Het beroep van [appellant sub 1]
  53. [ appellant sub 1] woont aan de [locatie 1] te [woonplaats], op een afstand van ongeveer 7 km van het tracé. Hij vreest voor een verslechtering van de luchtkwaliteit door het tracébesluit. Hij stelt daarvan gevolgen te ondervinden, omdat fijn stof zich verspreidt over een groot gebied en omdat hij als forens gebruik maakt van de A
  54. Hij brengt naar voren dat door het tracébesluit de filedruk bij Utrecht toeneemt, waardoor zijn reistijd langer wordt en hij meer last zal hebben van de luchtverontreiniging. 6.
  55. Uitsluitend belanghebbenden kunnen op grond van de artikelen 1:2, eerste lid, en 8:1 van de Awb beroep instellen tegen een tracébesluit. De wetgever heeft de eis van belanghebbendheid gesteld om te voorkomen dat een ieder, in welke hoedanigheid ook, of een persoon met slechts een ver verwijderd of indirect belang beroep zou kunnen instellen. Om als belanghebbende in de zin van de Awb te kunnen worden aangemerkt, dient een natuurlijk persoon een voldoende objectief en actueel, eigen, persoonlijk belang te hebben, dat hem in voldoende mate onderscheidt van anderen, en dat rechtstreeks wordt geraakt door het bestreden besluit. 6.
  56. De afstand van de woning van [appellant sub 1] tot het tracé is te groot om een rechtstreeks bij het tracébesluit betrokken belang aan te nemen. De door [appellant sub 1] gestelde omstandigheden dat fijn stof zich verspreid over een groot gebied, hij als forens gebruik maakt van de snelweg bij Utrecht en zijn reistijd langer wordt, zijn niet voldoende voor het aannemen van een objectief en persoonlijk belang dat rechtstreeks wordt geraakt. Het beroep van [appellant sub 1] is daarom niet-ontvankelijk. Het beroep van [appellant sub 2]
  57. [appellant sub 2] woont aan de [locatie 2] te [woonplaats]. [appellant sub 2] heeft geen zienswijze naar voren gebracht over het ontwerptracébesluit. 7.
  58. In de artikelen 3:11, 3:15 en 3:16 van de Awb gelezen in samenhang met artikel 11 van de Tracéwet, is bepaald dat een ontwerptracébesluit ter inzage wordt gelegd voor de duur van zes weken en dat gedurende deze termijn zienswijzen naar voren kunnen worden gebracht. In artikel 8:1 van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb alsmede met artikel 6:13 van de Awb, is bepaald dat geen beroep kan worden ingesteld tegen het tracébesluit door een belanghebbende die over het ontwerptracébesluit niet tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht, tenzij hem redelijkerwijs niet kan worden verweten dit te hebben nagelaten. 7.
  59. Niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan [appellant sub 2] redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij geen zienswijze heeft ingediend. Het beroep van [appellant sub 2] is daarom niet-ontvankelijk. Het beroep van [appellant sub 3]
  60. [appellant sub 3] heeft een akkerbouwbedrijf aan de [locatie 3] te [plaats]. [appellant sub 3] heeft geen zienswijze naar voren gebracht over het ontwerptracébesluit. 8.
  61. Zoals hiervoor onder 7.1 is overwogen kan geen beroep worden ingesteld tegen het tracébesluit door een belanghebbende die over het ontwerptracébesluit niet tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht, tenzij hem redelijkerwijs niet kan worden verweten dit te hebben nagelaten.
  62. [appellant sub 3] kan zich niet verenigen met het tracébesluit voor zover daarbij is voorzien in boscompensatie op zijn percelen. Hij stelt dat daarvoor in het ontwerptracébesluit de exacte locatie niet was aangewezen. Daarom kan hem redelijkerwijs niet worden verweten dat hij geen zienswijze heeft ingediend. 9.
  63. De Afdeling stelt vast dat zowel op detailkaart 14 bij het ontwerptracébesluit als op detailkaart 14 bij het tracébesluit op de percelen van [appellant sub 3] op dezelfde locatie is voorzien in een strook met de aanduiding "Inpassingsdoeleinden natuur" met daarbij een nummer voor "Bomencompensatie ten behoeve van vleermuizen/vogels". Het tracébesluit is in zoverre, anders dan [appellant sub 3] meent, niet gewijzigd ten opzichte van het ontwerptracébesluit. Niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan [appellant sub 3] redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij geen zienswijze heeft ingediend. 9.
  64. Het beroep van [appellant sub 3] is daarom niet-ontvankelijk. Het beroep van [appellant sub 4]
  65. [appellant sub 4] stelt dat zij op zichzelf geen bezwaar heeft tegen de in het tracébesluit voorziene verbreding van de A
  66. Wel heeft zij bezwaar tegen een aansluiting die volgens haar wordt voorzien tussen de A27 en een rondweg op, over en langs haar perceel in Lexmond. Zij vreest dat zij hiervan schade ondervindt. 10.
  67. De Afdeling stelt vast dat, zoals ook in de beantwoording van de zienswijze van [appellant sub 4] en het verweerschrift is vermeld, het tracébesluit niet voorziet in aanpassingen aan de toe- en afrit bij Lexmond. De vrees van [appellant sub 4] heeft betrekking op de realisatie van een rondweg nabij haar woonperceel. Het tracébesluit voorziet echter niet in de realisatie van deze rondweg. De vrees van [appellant sub 4] dat zij van een voorziene rondweg schade ondervindt, is dan ook niet te relateren aan de wegaanpassingen waarin het tracébesluit voorziet.
  68. [ appellant sub 4] wijst voorts op illegale slootdempingen en de aanleg van fiets- en voetpaden en andere wegen in het buitengebied van de voormalige gemeente Zederik. De Afdeling stelt vast dat ook dit geen activiteiten zijn die onderdeel zijn van het in deze procedure voorliggende tracébesluit.
  69. Voor zover [appellant sub 4] voor het overige heeft gesteld dat zij haar zienswijze die zij over het ontwerptracébesluit naar voren heeft gebracht, wenst te handhaven, overweegt de Afdeling dat in de Nota van Antwoord is gereageerd op deze zienswijze. In wat [appellant sub 4] in haar beroepschrift en ter zitting naar voren heeft gebracht, ziet de Afdeling geen reden waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze onjuist zou zijn.
  70. Gelet op het vorenstaande concludeert de Afdeling dat wat [appellant sub 4] heeft aangevoerd niet kan leiden tot vernietiging van het door de minister vastgestelde tracébesluit. Het beroep is daarom ongegrond.
  71. Voor een proceskostenveroordeling bestaat gelet op het ongegronde beroep geen aanleiding. Het beroep van [appellant sub 5]
  72. [ appellant sub 5] woont aan de [locatie 4] te [woonplaats]. De minister stelt dat het belang van [appellant sub 5] niet rechtstreeks door het tracébesluit wordt geraakt, omdat hij op te grote afstand van het tracé woont. 15.
  73. Zoals hiervoor onder 6.1 is overwogen kunnen uitsluitend belanghebbenden beroep instellen tegen een tracébesluit. 15.
  74. De woning van [appellant sub 5] staat op een afstand van ongeveer 800 m van de Hagesteinsebrug over de Lek, die deel uitmaakt van het tracé. De Afdeling stelt vast dat het gebied tussen de woning van [appellant sub 5] en de brug een open karakter heeft en dat de brug een hoge ligging heeft ten opzichte van het maaiveld, zodat [appellant sub 5] daarop zicht heeft. Gelet hierop in combinatie met de afstand van de woning tot het tracé acht de Afdeling niet uitgesloten dat ter plaatse van de woning van [appellant sub 5] gevolgen van enige betekenis van het tracébesluit kunnen worden ondervonden. Daarom is de Afdeling van oordeel dat [appellant sub 5] belanghebbende is bij het tracébesluit als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb, zodat hij daartegen beroep kan instellen.
  75. [appellant sub 5] vreest voor een toename van geluidhinder van de Hagesteinse brug. Hij stelt in de bestaande situatie geluidhinder te ondervinden van het verkeer over de brug. Hij wijst erop dat de brug een hoge ligging heeft en dat de zuidwestenwind de overheersende windrichting is, waardoor het geluid door de wind wordt meegenomen richting zijn woning. Hij betwijfelt daarom of de berekende geluidbelasting overeenkomt met de geluidbelasting die daadwerkelijk door het tracé zal worden veroorzaakt. Hij stelt dat de minister had moeten voorzien in een geluidscherm langs de brug, althans dat de brug zo wordt ontworpen dat later nog een geluidscherm kan worden geplaatst. Daarbij brengt hij naar voren dat hij verwacht dat de verkeersintensiteit in de toekomst zal toenemen. De beoogde maatregelen, bestaande uit een betonnen brug, stille voegovergangen en een stiller asfalttype zijn volgens hem niet genoeg om de geluidhinder te beperken. 16.
  76. Bij de voorbereiding van het tracébesluit is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. De resultaten van het akoestisch onderzoek zijn neergelegd in verschillende rapporten, die als bijlagen bij het tracébesluit zijn gevoegd, waaronder het Hoofdrapport, het deelrapport Algemeen en het deelrapport Specifiek. Het in het tracébesluit aan de orde zijnde tracé is aangegeven op de geluidplafondkaart als bedoeld in artikel 11.17 van de Wet milieubeheer, zodat titel 11.3 van de Wet milieubeheer van toepassing is op het akoestisch onderzoek als bedoeld in artikel 11.33, eerste lid, van de Wet milieubeheer. 16.
  77. Op grond van artikel 11.30, tweede lid, van de Wet milieubeheer moet bij wijziging van het geluidproductieplafond worden beoordeeld of de geluidbelasting vanwege het tracé bij nabijgelegen geluidgevoelige objecten niet hoger is dan de geluidbelasting die de betrokken geluidgevoelige objecten vanwege de weg ondervinden bij volledige benutting van de voorafgaand aan het tracébesluit geldende geluidproductieplafonds, in de rapporten aangeduid als de toetswaarde. Indien deze toetswaarde wordt overschreden dient op basis van artikel 11.30, vierde lid, van de Wet milieubeheer de mogelijkheid tot het treffen van geluidbeperkende maatregelen te worden onderzocht. Die maatregelen moeten voldoen aan de criteria die in artikel 11.29 zijn gesteld. De beoordeling of de toetswaarde bij nabij de A27 gelegen geluidgevoelige objecten wordt overschreden, is verricht in het deelrapport Specifiek. Daaruit volgt dat aan het tracé geluidbeperkende maatregelen zullen worden getroffen. Deze geluidbeperkende maatregelen bestaan uit bronmaatregelen en overdrachtsmaatregelen. Deze maatregelen zijn in artikel 7 van het tracébesluit opgenomen. 16.
  78. Ten noorden en ten zuiden van de brug zal tweelaags ZOAB worden toegepast evenals geluidschermen. Verder zal de Hagesteinse brug, die nu is voorzien van DAB (dicht asfaltbeton) en fijn gebezemd beton, worden vervangen en daarop zal ZOAB worden toegepast. Niet wordt voorzien in een geluidscherm op de brug. 16.
  79. Artikel 11.33, zevende lid, van de Wet milieubeheer luidt: "Onze Minister stelt nadere regels omtrent: a. de wijze waarop het akoestisch onderzoek en de berekeningen worden uitgevoerd; b. de situaties waarop het akoestisch onderzoek en de berekeningen betrekking hebben; c. de gevallen waarin redelijkerwijs kan worden aangenomen dat geen behoefte bestaat aan een onderzoek naar de effecten van samenloop." De bedoelde regeling is het Reken- en meetvoorschrift 2012 (RMG 2012). Gelet op artikel 11.33 van de Wet milieubeheer in samenhang bezien met het RMG 2012 kan slechts worden geconcludeerd dat de geluidbelasting onjuist is bepaald, wanneer deze niet overeenkomstig de in het RMG 2012 gestelde regels is vastgesteld. 16.
  80. In hoofdstuk 2 van het deelrapport Algemeen staat dat het onderzoek naar de geluidbelasting bij woningen is uitgevoerd op basis van het RMG
  81. Daarin staat ook dat het onderzoek naar de geluidbelasting bij woningen is uitgevoerd met een softwarepakket dat voldoet aan de regels van Standaardrekenmethode 2 van bijlage III van het RMG
  82. In deze rekenmethode zijn regels opgenomen voor het betrekken van de hoogteligging van wegen en de weersinvloeden, waaronder overheersende windrichtingen. Voor het overige heeft [appellant sub 5] geen concrete bezwaren naar voren gebracht tegen de gehanteerde methodiek en uitkomsten van de berekeningen in de verschillende rapporten. De Afdeling ziet in hetgeen hij heeft aangevoerd dan ook geen aanleiding om aan de juistheid van de uitkomsten van dat rapport te twijfelen. Het betoog daarover faalt. 16.
  83. Uit bijlage A bij het deelrapport Specifiek volgt dat de geluidbelasting ter plaatse van de woning van [appellant sub 5] in de huidige situatie bij volledige benutting van de voorafgaand aan het tracébesluit geldende productieplafonds 57 dB is. Door het toepassen van geluidbeperkende maatregelen zal de geluidbelasting vanwege de A27 ter plaatse van de woning van [appellant sub 5] 54 dB zijn. De Afdeling stelt vast dat het tracébesluit daarmee voldoet aan artikel 11.30, tweede lid, van de Wet milieubeheer. De Afdeling ziet dan ook niet in dat de minister op grond van de Wet milieubeheer gehouden was om nadere geluidbeperkende maatregelen te treffen, zodat het betoog in zoverre ook faalt. 16.
  84. Het beroep van [appellant sub 5] is ongegrond. 16.
  85. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. De beroepen van [appellant sub 6] en [appellant sub 7]
  86. [ appellant sub 6] woont aan de [locatie 5] te [woonplaats]. [appellant sub 7] woont aan de [locatie 6] te [woonplaats]. Procedureel
  87. [ appellant sub 6] en [appellant sub 7] stellen dat het tracébesluit in strijd is met de Crisis- en herstelwet (hierna: Chw), omdat de daarin gestelde nevendoelen van het project, bestaande uit onder meer verbetering van de luchtkwaliteit en van de geluidsituatie, niet zullen worden gehaald. Volgens hen is daarom ten onrechte de in de Chw voorgeschreven procedure gevolgd. 18.
  88. Gelet op artikel 1.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Chw is afdeling 2 van deze wet van toepassing op alle besluiten die krachtens enig wettelijk voorschrift zijn vereist voor de ontwikkeling of verwezenlijking van de in bijlage I bij deze wet bedoelde categorieën ruimtelijke en infrastructurele projecten dan wel voor de in bijlage II bij deze wet bedoelde ruimtelijke en infrastructurele projecten. In het tweede lid is bepaald dat afdeling 3 van hoofdstuk 1 van toepassing is op de in bijlage II bij deze wet bedoelde ruimtelijke en infrastructurele projecten. In afdeling 2 van hoofdstuk 1 van de Chw zijn procedurele bepalingen opgenomen. In afdeling 3 zijn bepalingen opgenomen over het milieueffectrapport. In onderdeel 5.1 van bijlage I staat als categorie vermeld de aanleg of wijziging van hoofdwegen als bedoeld in artikel 8 van de Tracéwet. De A27 tussen Houten en Hooipolder is opgenomen in bijlage II, onderdeel E, nummer 19, van de Chw. Dat betekent dat de bepalingen die zijn opgenomen in afdeling 2 en afdeling 3 van hoofdstuk I van de Chw van toepassing zijn op het in deze uitspraak aan de orde zijnde tracébesluit. De vraag of de bij het project genoemde doelen, die in bijlage II, onderdeel E, nr. 19, bij het project staan vermeld, zullen worden behaald, is niet van betekenis bij de vraag of die bepalingen van toepassing zijn. De betogen falen. De beroepsgronden over de aspecten geluid en luchtkwaliteit zullen hierna worden besproken onder 20 en
  89. [appellant sub 6] en [appellant sub 7] betogen dat het tracébesluit aanzienlijk is uitgebreid ten opzichte van het ontwerptracébesluit. Zij wijzen er verder op dat de aan het ontwerptracébesluit ten grondslag gelegde documenten zijn aangepast door overbruggingsdocumenten. Volgens hen heeft het naar voren brengen van zienswijzen geen zin gehad. Het overleg tussen de bewoners van de Schimmelpennincklaan en Rijkswaterstaat is afgebroken. Het tracébesluit is daarom in strijd met wet- en regelgeving en algemene beginselen van behoorlijk bestuur genomen. 19.
  90. In paragraaf 1.6 van de toelichting bij het tracébesluit is uiteengezet hoe bewoners, bedrijven en maatschappelijke organisaties bij de besluitvorming zijn betrokken. Daarin staat dat in de verkenningsfase is gestart met actieve participatie door intensieve samenwerking met de Bestuurlijke adviesgroep en de Maatschappelijke adviesgroep. Ook was er een ambtelijk overlegorgaan waarin de leden van de Bestuurlijke adviesgroep ambtelijk vertegenwoordigd waren. Daarnaast zijn algemene informatieavonden georganiseerd. Verder heeft tijdens de uitwerkingsfase van het voorkeursalternatief afstemming met de adviesgroepen en het ambtelijk overleg plaatsgevonden en zijn bijeenkomsten georganiseerd in de vorm van publieksbijeenkomsten, werksessies en gebiedstafels, waar de omgeving wensen kenbaar heeft kunnen maken. Daarnaast zijn nieuwsbrieven uitgebracht, evenals een (digitale) informatiekrant en is informatie gedeeld via de projectwebsite. In de uitwerkingsfase van het tracébesluit heeft ook afstemming plaatsgehad met de adviesgroepen en het ambtelijk overleg, en zijn nieuwsbrieven en een (digitale) informatiekrant uitgebracht en is informatie gedeeld via de projectwebsite. Daarnaast zijn informele inloopavonden georganiseerd. De Afdeling stelt vast dat daarmee de mogelijkheid van inspraak is geboden. Bovendien heeft het ontwerp van het tracébesluit ter inzage gelegen en kon een ieder daarover zienswijzen naar voren brengen. De gevolgde procedure voldoet in zoverre dan ook aan de in de Tracéwet en de Awb daarover opgenomen bepalingen. 19.
  91. Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 10 juni 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1837, onder 23.3, mag de minister bij de vaststelling van het tracébesluit wijzigingen aanbrengen ten opzichte van het ontwerp. Slechts indien de afwijkingen van het ontwerp naar aard en omvang zodanig groot zijn dat een wezenlijk ander tracé zou worden vastgesteld, dient de wettelijke procedure opnieuw te worden doorlopen. In de Nota van Wijziging en MER-validatie is ingegaan op de wijzigingen die ten opzichte van het ontwerptracébesluit in het tracébesluit zijn doorgevoerd. In verhouding tot hetgeen het tracébesluit in zijn geheel mogelijk maakt, zijn de wijzigingen naar aard en omvang van beperkte betekenis. De afwijking van het ontwerp is dan ook niet zodanig groot dat een wezenlijk ander tracé is vastgesteld. Verder staan de Tracéwet noch de Awb dan wel enige andere rechtsregel of -beginsel er aan in de weg dat de minister, door het aanpassen van documenten waar in het ontwerptracébesluit naar wordt verwezen, een aanvullende motivering aan een tracébesluit ten grondslag legt. 19.
  92. De betogen falen. Geluid
  93. [appellant sub 6] en [appellant sub 7] betogen dat de geluidhinder zal toenemen. Zij voeren aan dat de verkeersintensiteit is toegenomen en nog verder zal toenemen en dat geen maatregelen worden genomen om de geluidhinder te beperken, omdat daar geen financiële ruimte voor is. Het door de overheid gehanteerde model is volgens [appellant sub 6] en [appellant sub 7] niet deugdelijk. Zij stellen dat onjuiste uitgangspunten zijn gebruikt. Zij voeren aan dat in het model wordt uitgegaan van een afnemende verkeersintensiteit en ineens van projectjaar 2040 in plaats van projectjaar
  94. Zij betwijfelen of bij een toename van de verkeersintensiteit de geluidbelasting wel kan uitkomen op 54,9 dB, terwijl dat 58,8 dB was. 20.
  95. Zoals hiervoor onder 16.1 is overwogen zijn de resultaten van het akoestisch onderzoek neergelegd in verschillende rapporten, waaronder het deelrapport Specifiek. In hoofdstuk 2 van het deelrapport Specifiek zijn de voor het onderzoek gebruikte gegevens en uitgangspunten weergegeven. Daarin staat dat de gegevens over verkeersintensiteiten die in het model zijn toegepast, zijn gebaseerd op gegevens uit het deelrapport Verkeer. 20.
  96. In het deelrapport Verkeer, dat een bijlage bij de toelichting van het tracébesluit is, zijn de uitgangspunten voor de verkeersberekeningen die zijn uitgevoerd met het verkeersmodel "Nederlands Regionaal Model (NRM) Landsdeel West met beleidsuitgangspunten 2017" (hierna: NRM 2017) verder toegelicht. In de Nota van Wijziging en MER-validatie, die ook een bijlage bij het tracébesluit is, is ingegaan op de wijzigingen die ten opzichte van het ontwerptracébesluit zijn doorgevoerd. Daarin staat dat in het ontwerptracébesluit is uitgegaan van het model "NRM 2014 herkalibratie". In de genoemde nota staat verder dat in het NRM 2017 de meest recente inzichten in infrastructuur en ontwikkeling in bevolking en werkgelegenheid zijn meegenomen, evenals een aantal modelvernieuwingen. Ten opzichte van het ontwerptracébesluit houdt dat een lichte daling van verkeer in op zowel het hoofdwegennet als het onderliggende wegennet. Dat komt omdat het NRM 2017 uitgaat van een minder sterk economisch groeiscenario dan het NRM 2014 herkalibratie en daarmee van lagere groei van verkeer, zo is in de nota toegelicht. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in onder meer de uitspraak van 3 december 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BG5896, onder 2.8.5, geven modellen noodzakelijkerwijs een abstractie weer van de te verwachten werkelijkheid. De validiteit van een model, zoals het NRM 2017, wordt pas aangetast wanneer de uitkomsten te zeer afwijken van de redelijkerwijs te verwachten werkelijkheid. [appellant sub 6] en [appellant sub 7] hebben dat echter niet met concrete gegevens aannemelijk gemaakt. De betogen van [appellant sub 6] en [appellant sub 7] geven daarom in zoverre geen aanleiding voor de conclusie dat bij het bepalen van de verkeersintensiteiten van onjuiste uitgangspunten is uitgegaan. 20.
  97. In hoofdstuk 2 van het deelrapport Specifiek staat dat de geluidberekeningen voor de te wijzigen hoofdweg zijn uitgevoerd voor 2040 als referentiejaar. In het deelrapport Specifiek dat als bijlage bij het ontwerptracébesluit was gevoegd, is uitgegaan van het jaar
  98. In de Nota van wijziging en MER-validatie is toegelicht dat 2040 volgens de huidige inzichten gebruikt wordt als referentiejaar, 10 jaar na de realisatie van het project. Waar in het ontwerptracébesluit er nog van werd uitgegaan dat de werkzaamheden van het project in 2023 klaar zouden zijn, wordt er bij het nemen van het tracébesluit ervan uitgegaan dat dat het geval zal zijn in
  99. Er is daarom in zoverre geen aanleiding voor de conclusie dat van onjuiste uitgangspunten is uitgegaan. 20.
  100. [ appellant sub 6] en [appellant sub 7] hebben verder geen concrete bezwaren naar voren gebracht tegen de gehanteerde methodiek en uitkomsten van de berekeningen in het akoestisch onderzoek. De Afdeling ziet in hetgeen zij hebben aangevoerd dan ook geen aanleiding om aan de juistheid van de uitkomsten van dat onderzoek te twijfelen. Daarbij betrekt de Afdeling dat, zoals hiervoor onder 16.5 is overwogen, de geluidbelasting is bepaald overeenkomstig het RMG
  101. Zoals hiervoor onder 16.4 is overwogen, kan gelet op artikel 11.33 van de Wet milieubeheer in samenhang bezien met het RMG 2012, slechts worden geconcludeerd dat de geluidbelasting onjuist is bepaald, wanneer deze niet overeenkomstig de in het RMG 2012 gestelde regels is vastgesteld. 20.
  102. Indien de geluidbelasting vanwege het tracé hoger is dan de geluidbelasting die geluidgevoelige objecten vanwege de A27 zouden ondervinden bij volledige benutting van de voorafgaand aan het tracébesluit geldende geluidproductieplafonds, dient, zoals hiervoor onder 16.2 is overwogen, de minister gelet op het bepaalde in artikel 11.30, tweede en vierde lid, van de Wet milieubeheer te onderzoeken of geluidbeperkende maatregelen in aanmerking komen om deze overschrijding ongedaan te maken. Deze geluidbeperkende maatregelen bestaan uit bronmaatregelen en overdrachtsmaatregelen en zijn in artikel 7 van het tracébesluit opgenomen. 20.
  103. Uit bijlage A bij het deelrapport Specifiek volgt dat in de huidige situatie bij volledige benutting van de voorafgaand aan het tracébesluit geldende productieplafonds de geluidbelasting ter plaatse van de woning van [appellant sub 6] aan de [locatie 5] 60 dB is en ter plaatse van de woning van [appellant sub 7] aan de [locatie 6] 57 dB is. Door het toepassen van geluidbeperkende maatregelen, bestaande uit tweelaags ZOAB en een absorberend geluidscherm, zal de geluidbelasting vanwege de A27 57 dB onderscheidenlijk 54 dB zijn. De Afdeling stelt vast dat het tracébesluit daarmee voldoet aan artikel 11.30, tweede lid, van de Wet milieubeheer. De financiering van het tracé is geen onderdeel van het tracébesluit. De betogen dat er geen financiële ruimte is om de geluidbeperkende maatregelen te treffen falen reeds daarom. 20.
  104. De conclusie is dat de betogen over geluid falen. Luchtkwaliteit
  105. [appellant sub 6] en [appellant sub 7] betogen dat de luchtkwaliteit zal verslechteren. Zij voeren aan dat de verkeersintensiteit is toegenomen en nog verder zal toenemen en dat geen maatregelen worden genomen om de luchtkwaliteit te verbeteren, omdat daar geen financiële ruimte voor is. De door de overheid gehanteerde modellen zijn volgens [appellant sub 6] en [appellant sub 7] niet deugdelijk. Zij stellen dat onjuiste uitgangspunten zijn gebruikt. Zij voeren daartoe aan dat in de "Oplegnotitie Aspect luchtkwaliteit" van 11 december 2018 ineens sprake is van een afnemende verkeersintensiteit en dat niet duidelijk is of van projectjaar 2030 of van projectjaar 2040 is uitgegaan in de Nota van Wijziging en MER-validatie. Verder wordt de bijdrage van het wegverkeer op de snelweg ten onrechte niet in het model betrokken, nu voor deze bijdrage een correctie wordt berekend. Zij betwijfelen daarom dat de grenswaarden niet zullen worden overschreden. Zij brengen daarbij ook naar voren dat uit een rapport uit 2008 volgt dat in de wijk waar zij wonen de grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) worden overschreden op de lokale wegen. Volgens hen is geen rekening gehouden met de feitelijke situatie en daadwerkelijke uitstoot. Verder voeren zijn aan dat het RIVM aangeeft dat de monitoringsrapportage uit 2015 onzekerheden in de berekeningen bevat. Zij wijzen er ten slotte op dat de uitstoot van fijn stof te zien is op de huizen en in de straat en dat de uitlaatgassen van het verkeer op de A27 in de omgeving van hun woningen blijven hangen vanwege de hoogbouw in de wijk, de verhoogde ligging van de A27 en de waterkering. 21.
  106. De minister heeft bij de vaststelling van het tracébesluit toepassing gegeven aan artikel 5.16, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wet milieubeheer, omdat het project "A27 Houten - Hooipolder" is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (hierna: NSL). Uit het derde lid van die bepaling volgt dat in het geval de effecten van het project zijn verdisconteerd in het NSL, in zoverre geen afzonderlijke beoordeling van de luchtkwaliteit hoeft plaats te vinden voor een in bijlage 2 van die wet opgenomen grenswaarde. Voor NO2 en PM10 zijn in die bijlage grenswaarden opgenomen. De Afdeling stelt vast dat het project is opgenomen in het NSL, omdat het project staat vermeld in de 10e NSL Melding Infrastructuur en Waterstaat versie
  107. Omdat het project is opgenomen in het NSL wordt geborgd dat het project voldoet aan de voor luchtkwaliteit geldende wet- en regelgeving. In het NSL is vastgelegd welke maatregelen moeten worden getroffen voor de luchtkwaliteit. Het voorgaande betekent dat de beroepsgronden, voor zover zij strekken tot het betoog dat in het kader van het project de beoordeling van de luchtkwaliteit aan de grenswaarden in bijlage 2 van de Wet milieubeheer niet juist heeft plaatsgevonden, gelet op artikel 5.16, eerste lid, aanhef en onder d, samen met het tweede lid, onder d, van de Wet milieubeheer, niet tot vernietiging van het bestreden besluit leiden. 21.
  108. Tegen de besluiten van het NSL die op grond van artikel 5.12 van de Wet milieubeheer met betrekking tot onder meer het onderhavige tracé zijn vastgesteld, kan op grond van artikel 8:5, eerste lid, van de Awb geen beroep worden ingesteld. Voor zover de beroepsgronden van [appellant sub 6] en [appellant sub 7] zo moeten worden begrepen dat zij zijn gericht tegen de toepassing van het NSL als zodanig, is het volgende van belang. Een algemeen verbindend voorschrift dat geen wet in formele zin is, kan door de rechter in een zaak over een besluit dat op zo’n voorschrift berust, worden getoetst op rechtmatigheid. In het bijzonder gaat het daarbij om de vraag of het voorschrift niet in strijd is met hogere regelgeving. De rechter komt tevens de bevoegdheid toe te bezien of het betreffende algemeen verbindend voorschrift een voldoende deugdelijke grondslag biedt voor het in geding zijnde besluit. Bij die indirecte toetsing van het algemeen verbindend voorschrift vormen de algemene rechtsbeginselen en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur een belangrijk richtsnoer, waarbij de toetsing wordt verricht op de wijze als door de Afdeling is uiteengezet in haar uitspraak van 12 februari 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:452). Zoals in die uitspraak is overwogen, kan de enkele strijd met formele beginselen als het beginsel van zorgvuldige besluitvorming (artikel 3:2 van de Awb) en het motiveringsbeginsel niet leiden tot het onverbindend achten van een algemeen verbindend voorschrift. Als de bestuursrechter als gevolg van een gebrekkige motivering of onzorgvuldige voorbereiding van het voorschrift niet kan beoordelen of er strijd is met hogere regelgeving, de algemene rechtsbeginselen of het evenredigheidsbeginsel, kan hij het voorschrift wel buiten toepassing laten en een daarop berustend besluit vernietigen. 21.
  109. De Afdeling begrijpt de beroepsgronden van [appellant sub 6] en [appellant sub 7] in het licht van het voorgaande zo, dat moet worden beoordeeld of het NSL, nadat het tracé daarin is opgenomen, is gericht op het bereiken van de grenswaarden voor NO2 en PM10 en in zoverre voldoet aan artikel 5.12, eerste lid, van de Wet milieubeheer of dat het NSL wegens strijd met die bepaling buiten toepassing moet blijven. Het gevolg van dit laatste zou zijn dat de minister het tracébesluit niet op grond van artikel 5.16, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wet milieubeheer heeft mogen vaststellen en dat het tracébesluit daarom moet worden vernietigd. 21.
  110. De Wet milieubeheer voorziet in een systeem om ervoor te zorgen dat het NSL gericht blijft op het bereiken van de grenswaarden. Dit gebeurt door middel van de in artikel 5.14 van deze wet geregelde jaarlijkse rapporten over de voortgang en uitvoering van het programma alsmede de in artikel 5.12, tiende en twaalfde lid, van deze wet opgenomen bevoegdheid om het programma aan te passen. De NSL-monitoringstool maakt inzichtelijk hoe hoog de in het kader van het NSL berekende concentraties NO2 en PM10 zullen zijn op rekenpunten die onder meer nabij de Rijkswegen zijn gesitueerd. In artikel 77 van de Regeling beoordeling luchtkwaliteit is bepaald dat de gevolgen voor de luchtkwaliteit in het NSL dienen te worden beoordeeld aan de hand van de rekenmethoden als bedoeld in artikel 71 van die Regeling. Voor de monitoring van het NSL wordt gebruik gemaakt van emissiefactoren die waar mogelijk zijn gebaseerd op emissies zoals die in de praktijk zijn gemeten. Deze emissiefactoren worden jaarlijks geactualiseerd met gebruikmaking van de meest recente inzichten, waaronder metingen. 21.
  111. Uit de monitoring van het NSL volgt dat de concentraties NO2 en PM10 in de huidige situatie lager zijn dan de grenswaarden. Uit de verwachte ontwikkeling in en rond het tracégebied zowel voor 2020 als voor 2030 op de wettelijke beoordelingspunten blijkt ook niet dat een overschrijding van de grenswaarden zal optreden. De berekeningen die in het kader van het NSL zijn gemaakt, hebben [appellant sub 6] en [appellant sub 7] als zodanig niet met concrete gegevens bestreden. De door hun gestelde omstandigheid dat uit een rapport uit 2008 volgt dat sprake was van overschrijding van grenswaarden in hun wijk, en dat, zoals zij stellen, de monitoringsrapportage uit 2015 gebreken bevat, wat daar verder ook van zij, betekent niet dat de resultaten van de nu uitgevoerde berekeningen voor het bepalen van de luchtkwaliteit op basis van de daarvoor wettelijk voorgeschreven rekenmethoden zodanig te kort schieten dat het NSL buiten toepassing had moeten blijven. 21.
  112. Over het betoog dat de verkeersintensiteit afneemt, dat niet duidelijk is van welk projectjaar is uitgegaan en dat de bijdrage van het wegverkeer op de snelweg niet is betrokken overweegt de Afdeling het volgende. In het deelrapport Lucht en in de Oplegnotitie Aspect luchtkwaliteit, die bijlagen bij de toelichting van het tracébesluit zijn, is ingegaan op de effecten van de aanpassing van het tracé op de luchtkwaliteit. In de Oplegnotitie Aspect luchtkwaliteit is ingegaan op de wijzigingen die ten opzichte van het ontwerptracébesluit zijn doorgevoerd evenals op gewijzigde gegevens over de verkeersintensiteiten en gewijzigde achtergrondconcentraties en emissiefactoren. Volgens de oplegnotitie komen de kenmerken van het tracébesluit overeen met de kenmerken zoals die zijn opgenomen in de 10e NSL Melding Infrastructuur en Waterstaat versie
  113. Daarnaast is toegelicht dat het effect van het project op de luchtkwaliteit zeer beperkt is, waarbij is ingegaan op gewijzigde verkeerscijfers en op wijzigingen in de achtergrondconcentraties en emissiefactoren in de NSL-rekentool. In het ontwerptracébesluit is, zoals hiervoor onder 20.2 is overwogen, voor het bepalen van de verkeersintensiteiten uitgegaan van het model NRM 2014 herkalibratie. In het tracébesluit is uitgegaan van het NRM 2017, waarin de verkeersintensiteit lager is. Voorts volgt uit zowel het deelrapport Lucht als uit de Oplegnotitie Aspect luchtkwaliteit dat is uitgegaan van het jaar 2030 als jaar waarin het project is gerealiseerd. Dat volgt ook uit de Nota van Wijziging en MER-validatie waarin is ingegaan op de wijzigingen die ten opzichte van het ontwerptracébesluit zijn doorgevoerd. Daarnaast vindt, zoals de minister in het verweerschrift heeft toegelicht, in de berekeningen van de bijdrage van het wegverkeer een correctie plaats, omdat die bijdrage ook al in de achtergrondconcentratie is betrokken. 21.
  114. De conclusie is dat het NSL niet buiten toepassing hoeft te blijven wegens strijd met artikel 5.12, eerste lid, van de Wet milieubeheer. Dit betekent dat de minister het tracébesluit mocht vaststellen met toepassing van artikel 5.16, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wet milieubeheer. 21.
  115. De financiering van het tracé is, zoals hiervoor onder 20.6 ook is overwogen, geen onderdeel van het tracébesluit. De betogen dat er geen financiële ruimte is om maatregelen te treffen falen reeds daarom. 21.
  116. De conclusie is dat de betogen over luchtkwaliteit falen. Veiligheid en vervuiling oppervlaktewater - Gevaar van doorschietende vrachtwagens
  117. [ appellant sub 6] en [appellant sub 7] vrezen voor hun veiligheid, omdat de aarden wal met daarop een geluidscherm tussen het tracé en hun woningen wordt vervangen door alleen een geluidscherm. Zij stellen dat door de weefvakken op het tracé er een verhoogd risico is op doorschietende vrachtauto’s. Zij wijzen erop dat de rijksweg ongeveer 8 m hoger ligt dan de percelen waarop hun woningen staan. 22.
  118. De minister heeft toegelicht dat zich geen onaanvaardbare gevolgen voor de veiligheid zullen voordoen, omdat de afstand tussen de woningen van [appellant sub 6] en [appellant sub 7] tot de weg 50 m onderscheidenlijk 40 m is. De minister brengt naar voren dat in de Richtlijn ontwerp Autosnelwegen, Veilige inrichting van Bermen (hierna: ROA VIB) staat dat een obstakelvrije zone van 20 m bij een ontwerpsnelheid van 120 km/u moet worden aangehouden bij risico’s voor derden. Bij die afstand is in beginsel geen afschermende voorziening nodig. Omdat er in dit geval tussen de rijbaan en het geluidscherm een geleiderail zal worden geplaatst van klasse H2, achter het geluidscherm, dat 6 m hoog is, een ruimte van 1,5 m zal worden vrijgehouden als vlucht- en onderhoudsruimte en daarachter bomen worden geplaatst, is de afstand van de woningen tot het tracé groot genoeg, aldus de minister. 22.
  119. In de ROA VIB, waar de minister bij heeft aangesloten, staat, zoals de minister stelt, dat een obstakelvrije afstand van 20 m moet worden aangehouden bij een ontwerpsnelheid van 120 km/u. Bij neergaande taluds dient die afstand te worden vergroot. 22.
  120. De Afdeling stelt op grond van detailkaart 11 vast dat de grens van het tracégebied ongeveer 25 m van de woning van [appellant sub 6] aan de [locatie 5] ligt. De afstand van de weg tot de grens van het tracégebied is daar ongeveer 22 m. De grens van het tracégebied ligt voorts ongeveer 21 m van de woning van [appellant sub 7] aan de [locatie 6]. De afstand van de grens van het tracégebied tot de weg is daar ongeveer 20 m. Het voorgaande betekent dat de afstand van de weg tot de tuinen van [appellant sub 6] en [appellant sub 7] minimaal 20 m is, de afstand tot hun woningen is ongeveer 45 m onderscheidenlijk ongeveer 40 m. Ten slotte zij nog vermeld dat tussen de woningen en de tuinen van de woningen en het tracé een watergang aanwezig is. 22.
  121. Vast staat dat langs de weg een geleiderail zal worden geplaatst. Op detailkaart 11 is voorzien in een geluidscherm van 6 m hoog, met daarachter een maatregelvlak voor "Inpassingsdoeleinden natuur" met daarbij een nummer voor "Bomencompensatie ten behoeve van vleermuizen/vogels". In het Landschapsplan, dat een bijlage is bij de toelichting van het tracébesluit, staat dat door de verbreding van de A27 bij de Schimmelpennincklaan het bovenste gedeelte van het beplante talud zal worden aangetast en dat de groenstructuur zal worden hersteld. Gelet op de geleiderail, het geluidscherm, de beplanting van het talud, de watergang en de afstanden van de weg tot de tuinen en woningen van [appellant sub 6] en [appellant sub 7], heeft de minister zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat zich, ondanks het talud, geen onaanvaardbare gevolgen voor de veiligheid van [appellant sub 6] en [appellant sub 7] zullen voordoen vanwege eventueel van de weg geraakte vrachtwagens. De betogen falen. - Gevolgen oppervlaktewater en vervoer gevaarlijke stoffen
  122. [ appellant sub 6] en [appellant sub 7] vrezen dat de sloot achter de woningen aan de Schimmelpennincklaan wordt vervuild omdat daarin vervuild oppervlaktewater van het tracé evenals gevaarlijke stoffen terecht kunnen komen. Zij stellen dat daar geen onderzoek naar is verricht. Zij wijzen er in dit verband op dat het tracé wordt gebruikt voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Bij een incident met een vrachtwagen die gevaarlijke vloeistoffen vervoert kunnen deze stoffen hun woningen bereiken. Dat geldt ook voor een brand ten gevolge van een incident met brandbare stoffen, zo stellen [appellant sub 6] en [appellant sub 7]. 23.
  123. In het deelrapport Water, dat een bijlage is bij de toelichting van het tracébesluit, is ingegaan op de gevolgen van het tracébesluit voor het watersysteem. Daarin is in aanmerking genomen dat regenwater dat op het wegdek valt verontreinigd raakt met olie, rubber, vetresten en ander grof en fijn stof. De directe afstroming van regenwater naar het oppervlaktewater is echter nihil als ZOAB wordt toegepast en de verwaaiing van regenwater naar watergangen is daardoor geminimaliseerd. Uitgangspunt is verder volgens het deelrapport dat de bestaande afwateringswijze zoveel mogelijk wordt gehandhaafd. Op het tracé zal tweelaags ZOAB worden toegepast. In het verweerschrift is toegelicht dat in de bestaande situatie langs de A27 ter hoogte van de Schimmelpennincklaan kolken aanwezig zijn, die zorgen voor de afwatering van de weg. Het wegwater dat, ondanks de toepassing van ZOAB, nog van de weg afkomt, inclusief de eventueel aanwezige verontreinigingen, komt daardoor rechtstreeks terecht in de naastgelegen watergang, zonder zuiverende voorziening. Omdat de weg ter hoogte van de Schimmelpennincklaan niet breder wordt, wijzigt de lozingssituatie niet en blijft de bestaande wijze van afwatering hetzelfde. De Afdeling ziet gelet op deze toelichting van de minister en op de omstandigheid dat ZOAB wordt toegepast geen aanleiding voor het oordeel dat het tracébesluit wat betreft de gevolgen voor de afwatering niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. 23.
  124. Op grond van artikel 13, eerste lid, van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen, gelezen in samenhang met artikel 2, eerste lid, van de Regeling basisnet, is de A27 aangewezen als weg die van belang wordt geacht voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Op grond van artikel 16, eerste lid, van de Regeling basisnet, geldt voor de A27 een plasaandachtsgebied. De woningen van [appellant sub 6] en [appellant sub 7] liggen buiten dat gebied. In het deelrapport Externe veiligheid, dat ook een bijlage is bij het tracébesluit, is ingegaan op de risico’s van het vervoer van gevaarlijke stoffen over het tracé. De risico’s ten gevolge van het aangepaste tracé zijn daarbij vergeleken met de referentiesituatie, dat is de situatie als de voorgenomen situatie niet wordt gerealiseerd. Uit het deelrapport volgt dat ter plaatse van de woningen aan de Schimmelpennincklaan er geen toename is van de risico’s voor de externe veiligheid. [appellant sub 6] en [appellant sub 7] hebben geen concrete gegevens aangevoerd op grond waarvan aan de in het deelrapport Externe Veiligheid opgenomen conclusie moet worden getwijfeld. Er is geen grond voor het oordeel dat de minister zich niet op dat rapport heeft mogen baseren voor zijn conclusie dat de gevolgen van het tracébesluit wat betreft het vervoer van gevaarlijke stoffen voor de veiligheid van [appellant sub 6] en [appellant sub 7] aanvaardbaar zijn. 23.
  125. De betogen falen. Hinder tijdens de werkzaamheden
  126. [appellant sub 6] en [appellant sub 7] stellen dat te weinig aandacht is besteed aan de gevolgen voor de luchtkwaliteit, de geluidhinder en de veiligheid tijdens de werkzaamheden in verband met de aanleg van het tracé. Zij wijzen erop dat als het bestaande geluidscherm en de aarden wal zijn verwijderd, er niet onmiddellijk een nieuw geluidscherm en geleiderail zullen zijn geplaatst. 24.
  127. Niet is uitgesloten dat de uitvoeringswerkzaamheden tot hinder leiden. De door [appellant sub 6] en [appellant sub 7] genoemde hinderaspecten gedurende de bouwperiode betreffen uitvoeringsaspecten. Deze uitvoeringsaspecten hoeven niet in het tracébesluit te worden opgenomen, maar zijn aan de orde in de overeenkomsten die de minister sluit met de uitvoerders en de vergunningen die voor de uitvoering van het tracébesluit nog verleend moeten worden. Deze aspecten dient de minister wel in de belangenafweging te betrekken. In de toelichting van het tracébesluit is toegelicht dat maatregelen zullen worden getroffen om de hinder zoveel mogelijk te beperken. Zo staat daarin dat bij de keuze van de in te zetten techniek zoveel mogelijk rekening zal worden gehouden met de invloed daarvan op het woon- en leefmilieu. Geluidoverlast kan bijvoorbeeld worden beperkt door bouwactiviteiten zorgvuldig te plannen. Ter zitting heeft de minister verder naar voren gebracht dat rijstroken zullen worden afgesloten indien er nog geen geleiderail is geplaatst en voorts dat het plaatsen van een tijdelijk geluidscherm tot de mogelijkheden behoort. 24.
  128. Uit het voorgaande volgt dat de minister de wijze waarop de nadelige gevolgen voor omwonenden kunnen worden beperkt heeft betrokken bij de belangenafweging en dat tijdens de realisatie diverse maatregelen worden getroffen om de hinder voor omwonenden te beperken. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de uitvoeringswerkzaamheden tot dusdanige hinder of onveilige situatie zullen leiden dat de minister het tracébesluit niet in redelijkheid heeft kunnen nemen. De betogen falen. Conclusie beroepen [appellant sub 6] en [appellant sub 7]
  129. De beroepen zijn ongegrond.
  130. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Het beroep van [appellante sub 8]
  131. [ appellante sub 8] is gevestigd aan de [locatie 7] in [plaats]. Op detailkaart 4 behorende bij het tracébesluit is een deel van het perceel van [appellante sub 8] aangeduid als "Nieuw water". Ook is een deel van het perceel aangeduid als "Tijdelijke maatregelen en voorzieningen". Hiermee kan [appellante sub 8] zich niet verenigen. Watergang
  132. Blijkens detailkaart 4 voorziet het tracébesluit in een verlegging van een bestaande watergang richting de schuur van [appellante sub 8]. De reden voor deze verlegging is dat de A27 ter hoogte van het perceel van [appellante sub 8] wordt verbreed naar vier rijstroken en een vluchtstrook. [appellante sub 8] verzoekt in zijn beroepschrift en nadere memorie om de nieuwe watergang bij zijn schuur in te korten, zodat de watergang achter zijn schuur in plaats van naast zijn schuur begint. Een watergang naast zijn schuur is volgens [appellante sub 8] onwenselijk, omdat dit schade kan veroorzaken aan zijn schuur en daarnaast het verrichten van onderhoud aan de schuur belemmert. Door de watergang pas te laten beginnen aan de achterzijde van zijn schuur, kunnen ook de beeldbepalende bomen naast zijn schuur behouden blijven, aldus [appellante sub 8]. Ter compensatie voor de verkorting van de watergang, kan volgens [appellante sub 8] eventueel de watergang op het perceel van zijn buurman worden verbreed. [appellante sub 8] wijst in zijn nadere memorie daarnaast op de mogelijkheid om naast zijn schuur een duiker voorzien van een innovatief waterafvoersysteem te realiseren. Met een dergelijk systeem kan de waterafvoer bij zijn schuur voldoende worden gewaarborgd, aldus [appellante sub 8]. Met een duiker is het volgens [appellante sub 8] ook niet langer noodzakelijk het door de minister genoemde onderhoudspad bij de watergang te realiseren. 28.
  133. [ appellante sub 8] heeft ter zitting toegelicht dat de door hem gewenste inkorting van de watergang tot aan de achterzijde van zijn schuur ongeveer 20 m bedraagt. De minister heeft in zijn verweerschrift en ter zitting gesteld dat het niet mogelijk is om aan deze wens van [appellante sub 8] tegemoet te komen, omdat met een dergelijke inkorting van de watergang het water afkomstig van het perceel van [appellante sub 8] en het aangrenzende talud ter hoogte van de schuur niet goed kan worden opgevangen en afgevoerd. Het realiseren van de watergang naast de schuur is volgens de minister dan ook vanuit waterhuishoudkundig oogpunt noodzakelijk. De Afdeling ziet geen aanleiding aan dit standpunt van de minister te twijfelen. Daarbij wijst de Afdeling erop dat blijkens het deelrapport Water, dat als bijlage 18 bij de toelichting op het tracébesluit is gevoegd, de bestaande watergang ter hoogte van de schuur van [appellante sub 8] als gevolg van de verbreding van de A27 voor een deel zal worden gedempt. Daarnaast neemt als gevolg van de verbreding van de A27 het verhard oppervlak ter plaatse toe. Dat voor de realisatie van de watergang mogelijk een of meer bomen op het perceel van [appellante sub 8] moeten worden gekapt, doet aan deze noodzaak naar het oordeel van de Afdeling niets af. 28.
  134. Wat betreft de door [appellante sub 8] in zijn nadere memorie gemaakte verwijzing naar innovatieve waterafvoersystemen, heeft de minister ter zitting gesteld dat dergelijke systemen bij hem niet bekend zijn en dat in overleg met het waterschap zal moeten worden beoordeeld of dit mogelijk bij de uitvoering van het tracébesluit kan worden meegenomen. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de minister gehouden was dit al bij de vaststelling van het tracébesluit in zijn afweging te betrekken, omdat niet is gebleken dat dergelijke systemen bij de minister bekend waren ten tijde van de vaststelling van het tracébesluit. Daarbij wijst de Afdeling erop dat [appellante sub 8] dit niet heeft geconcretiseerd in zijn zienswijze die hij over het ontwerptracébesluit naar voren heeft gebracht. 28.
  135. De Afdeling ziet verder geen aanleiding [appellante sub 8] te volgen in zijn stelling dat met de realisatie van een duiker ter hoogte van zijn schuur ter plaatse niet langer een noodzaak zou bestaan voor de realisatie van een onderhoudspad bij de watergang. Daarbij verwijst de Afdeling ter onderbouwing naar de stelling van de minister in het verweerschrift dat ook bij een duiker de delen van de watergang voor en na de duiker onderhouden moeten worden, waarbij een onderhoudspad noodzakelijk is om met onderhoudsmaterieel langs de watergang te kunnen rijden. De Afdeling ziet geen aanleiding de minister in zoverre niet in zijn standpunt te volgen. 28.
  136. Evenmin deelt de Afdeling de vrees van [appellante sub 8] dat hij als gevolg van de verlegging van de watergang richting zijn schuur wordt belemmerd in het verrichten van onderhoud aan zijn schuur. Deze vrees van [appellante sub 8] was blijkens zijn beroepschrift gebaseerd op de veronderstelling dat de afstand van zijn schuur tot de nieuwe watergang 2 m zal bedragen. Ter zitting heeft hij erkend dat deze afstand echter 3 m is, zoals ook in het verweerschrift is vermeld. De Afdeling volgt de minister in zijn stelling dat een dergelijke afstand het verrichten van onderhoud aan de schuur niet onmogelijk maakt. 28.
  137. Tot slot overweegt de Afdeling dat hinder ten gevolge van werkzaamheden in verband met de aanleg van het tracé, zoals de vrees van [appellante sub 8] voor schade aan zijn schuur op het moment dat de nieuwe watergang nabij zijn schuur wordt gegraven, een aspect van uitvoering betreft. Uitvoeringsaspecten hoeven niet in het tracébesluit te worden geregeld, maar dienen wel in de belangenafweging te worden betrokken. Op dit punt overweegt de Afdeling het volgende. In het verweerschrift heeft de minister gesteld dat hij zich zal inspannen om schade aan bestaande bebouwing door werkzaamheden in verband met de aanleg van het tracé zoveel mogelijk te voorkomen. Zo worden voor het begin van de werkzaamheden nulmetingen verricht in het invloedgebied van het project. Alle bebouwing binnen dit gebied zal volgens de minister voor aanvang van de werkzaamheden worden opgenomen. De opnamerapporten van deze nulmetingen zullen aan de individuele eigenaren worden verstrekt. Wat betreft de schuur van [appellante sub 8] heeft de minister in dit verband in het verweerschrift vermeld dat een funderingsinspectie zal worden uitgevoerd in de volgende projectfase. Afhankelijk van de uitkomsten van het onderzoek zal gekozen worden voor de minst belastende uitvoeringsmethode of worden extra maatregelen genomen om eventuele verzakkingen te voorkomen, zo staat in het verweerschrift. Daarnaast zal ook tijdens de aanleg van het tracé de bebouwing in het invloedgebied worden gemonitord, om eventuele schade zo veel als mogelijk te voorkomen en te beperken, aldus de minister. Gelet op de omstandigheid dat door middel van metingen en monitoring zal worden getracht eventuele schade aan de schuur van [appellante sub 8] tot een minimum te beperken, ziet de Afdeling in dit geval geen grond voor de verwachting dat de schade aan de schuur zodanig zal zijn dat de minister het tracébesluit niet in redelijkheid heeft kunnen vaststellen. De minister heeft gelet hierop in redelijkheid een zwaarder gewicht kunnen toekennen aan de belangen die met de realisering van het tracé zijn gemoeid dan aan de belangen van [appellante sub 8] bij het gevrijwaard blijven van eventuele negatieve gevolgen daarvan. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat [appellante sub 8], ingevolge artikel 22 van de Tracéwet in samenhang bezien met artikel 17 van het tracébesluit, indien hij schade lijdt of zal lijden, een verzoek om schadevergoeding bij de minister kan indienen. 28.
  138. De betogen falen. Tijdelijk werkterrein
  139. Een deel van de tuin van [appellante sub 8] is op detailkaart 4 bij het tracébesluit aangeduid als "Tijdelijke maatregelen en voorzieningen". Op deze gronden vinden blijkens artikel 4 van het tracébesluit tijdelijke werken in verband met de uitvoering van het tracébesluit plaats. In artikel 4, tweede lid, van het tracébesluit is bepaald dat deze gronden na uitvoering van de werkzaamheden hun oorspronkelijke bestemming terugkrijgen, zoals gold voor de datum van inwerkingtreding van het tracébesluit. [appellante sub 8] vreest dat dit tijdelijke werkterrein langdurige overlast en een grote inbreuk op zijn privacy zal veroorzaken. In dit verband stelt hij dat gelet op zijn leeftijd de mogelijkheid bestaat dat hij tijdens de aanleg van het tracé zijn woning zal verkopen. Een tijdelijk werkterrein in zijn tuin zal deze verkoop bemoeilijken. Hij verzoekt de minister te kiezen voor een andere locatie voor het tijdelijke werkterrein, bijvoorbeeld aan de overzijde van de Autenasekade. 29.
  140. In tabel 4.1 van het tracébesluit is vermeld dat het tijdelijke werkterrein aan de westzijde van de A27 bij de Autenasekade benodigd is voor de verbreding van het kunstwerk K-
  141. Dit kunstwerk, een viaduct, dient blijkens tabel 2.2 van het tracébesluit te worden aangepast in verband met de ter plaatse voorziene verbreding van de A
  142. Ook dient de randconstructie van het kunstwerk te worden aangepast ten behoeve van de realisatie van een geluidscherm. 29.
  143. Volgens de minister is het noodzakelijk dat het werkterrein in de tuin van [appellante sub 8] wordt gerealiseerd, omdat het aan te passen kunstwerk grenst aan de tuin van [appellante sub 8]. Voor het verrichten van werkzaamheden aan het kunstwerk is het volgens de minister noodzakelijk dat direct naast en onder het kunstwerk plaats kan worden genomen met machines om de werkzaamheden aan het viaduct te kunnen uitvoeren. Een verplaatsing van het werkterrein naar bijvoorbeeld de overzijde van de Autenasekade is volgens de minister niet wenselijk, omdat dan de toegang tot het viaduct vanaf het werkterrein onvoldoende is en omdat zich aan de overzijde van de Autenasekade een brede watergang bevindt die een belemmering vormt om daar een werkterrein te realiseren. 29.
  144. Gelet op de noodzaak om het aan te passen kunstwerk en talud met machines direct te kunnen bereiken vanaf de daaraan grenzende gronden van [appellante sub 8] en de zojuist genoemde belemmering, volgt de Afdeling [appellante sub 8] niet in zijn stelling dat de minister had kunnen en moeten kiezen voor een andere locatie voor het werkterrein aan bijvoorbeeld de overzijde van de Autenasekade. 29.
  145. Evenmin ziet de Afdeling in de vrees van [appellante sub 8] voor overlast van het werkterrein en de mogelijke gevolgen daarvan voor de verkoopbaarheid van zijn woning, aanleiding de keuze van de minister om een deel van zijn tuin aan te wijzen als tijdelijk werkterrein onredelijk te achten. Daarbij overweegt de Afdeling dat de minister blijkens paragraaf 10.1 van de toelichting op het tracébesluit ernaar zal streven de hinder van de bouwwerkzaamheden zoveel mogelijk te beperken. Onder meer door de werkzaamheden zoveel mogelijk op en vanaf de autosnelwegen te laten plaatsvinden, door bij de keuze van de in te zetten techniek zoveel mogelijk rekening te houden met de invloed daarvan op het woon- en leefklimaat en door bij de bouw en aanleg gebruik te maken van materieel dat zal voldoen aan de daaraan gestelde eisen in het kader van EU-richtlijnen. Gelet op deze maatregelen, op de hiervoor onder 29.2 omschreven noodzaak van het tijdelijke werkterrein alsmede gelet op de hiervoor onder 1 omschreven problemen met de verkeersdoorstroming op de A27, wat [appellante sub 8] op zichzelf niet heeft bestreden, is de Afdeling van oordeel dat de minister in redelijkheid een zwaarder gewicht heeft kunnen toekennen aan de belangen die met de realisering van het tracébesluit zijn gemoeid dan aan het belang van [appellant sub 37] om gevrijwaard te blijven van hinder als gevolg van het tijdelijke werkterrein op zijn perceel. In dit verband wijst de Afdeling erop dat ook indien [appellante sub 8] schade lijdt of zal lijden als gevolg van het tijdelijke werkterrein, hij hiervoor ingevolge artikel 22 van de Tracéwet in samenhang bezien met artikel 17 van het tracébesluit een verzoek om schadevergoeding bij de minister kan indienen. 29.
  146. De betogen falen. Conclusie
  147. Het beroep van [appellante sub 8] is ongegrond.
  148. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Het beroep van [appellante sub 9]
  149. [ appellante sub 9] is eigenaresse van het perceel [locatie 8] te [plaats]. Dit perceel grenst aan de A
  150. [appellante sub 9] vreest negatieve gevolgen voor haar bedrijfsvoering vanwege de realisatie van een nieuw geluidscherm ter hoogte van haar bedrijfslocatie en het verlies van gronden. Geluidscherm en de zichtbaarheid van de bedrijfslocatie
  151. [ appellante sub 9] wijst erop dat tussen haar bedrijfsperceel en de A27 een geluidscherm is voorzien. Hiermee kan [appellante sub 9] zich niet verenigen. Haar bedrijfsperceel betreft een zichtlocatie waar apparatuur voor de verhuur tentoon wordt gesteld voor passanten op de A27, aldus de vennootschap. Zij vreest dat als gevolg van de realisatie van een geluidscherm de zichtbaarheid van haar bedrijfslocatie ernstig zal verminderen. Volgens [appellante sub 9] is een geluidscherm ter hoogte van haar bedrijfsperceel niet noodzakelijk, omdat de bedrijfshal op haar perceel met een breedte van 125 m en een hoogte van 9 m al veel geluid zal wegnemen. Zij wenst de noodzaak van het geluidscherm onderbouwd te zien met een geluidonderzoek. Voor zover deze noodzaak bestaat, dan dient het geluidscherm in ieder geval transparant te worden uitgevoerd en regelmatig te worden onderhouden, zodat de transparantie en daarmee ook de zichtbaarheid van haar bedrijfslocatie gewaarborgd blijft. 33.
  152. Het door [appellante sub 9] genoemde geluidscherm is onderdeel van het saneringsplan dat gelijktijdig met het tracébesluit is vastgesteld. Het geluidscherm bevindt zich ter hoogte van de bedrijfslocatie van de vennootschap tussen km 49,99 en km 50,31 en heeft blijkens het saneringsplan een hoogte van 2 m. De Afdeling begrijpt het beroep van [appellante sub 9] aldus dat het tevens is gericht tegen dit saneringsplan dat de minister gelijktijdig met het tracébesluit heeft vastgesteld. 33.
  153. Zoals hiervoor onder 3 is overwogen, vindt het saneringsplan zijn grondslag in afdeling 11.3.6 van de Wet milieubeheer. In artikel 11.59, eerste lid, van de Wet milieubeheer is bepaald dat het saneringsplan maatregelen bevat om de geluidbelasting vanwege de weg, in dit geval de A27, bij volledige benutting van de geluidproductieplafonds op de gevel van de saneringsobjecten te beperken tot de streefwaarde van 60 dB. Het geluidscherm dat is voorzien ter hoogte van de bedrijfslocatie van [appellante sub 9] is een dergelijke maatregel. Dit geluidscherm heeft blijkens bijlage B.1.10 van het bij het saneringsplan behorende akoestisch onderzoek, getiteld "Akoestisch onderzoek Saneringsplan A27 Houten - Hooipolder; Hoofdrapport", tot gevolg dat bij acht van de tien saneringsobjecten die zijn gelegen aan het Lakerveld te Lexmond de geluidbelasting vanwege de A27 wordt beperkt tot 60 dB of minder. Bij deze saneringsobjecten wordt met de maatregelen in het saneringsplan blijkens paragraaf 8.10.8 van het akoestisch onderzoek een totale geluidreductie bereikt van 32 dB. 33.
  154. Gelet op de omstandigheid dat aan het saneringsplan een akoestisch onderzoek ten grondslag ligt, mist de stelling van [appellante sub 9] dat een akoestisch onderzoek naar de noodzaak van het ter hoogte van haar bedrijfsperceel voorziene geluidscherm ontbreekt, feitelijke grondslag. 33.
  155. Evenmin ziet de Afdeling aanleiding [appellante sub 9] te volgen in haar stelling dat het bestaande bedrijfsgebouw op haar perceel al zorgt voor een zodanige geluidafscherming dat een geluidscherm ter hoogte van haar bedrijfsperceel niet noodzakelijk is. De minister heeft gesteld dat het bedrijfspand op het perceel van [appellante sub 9] is meegenomen in de geluidberekeningen van het opgestelde akoestisch onderzoek en dat bij de berekening van de geluidbelasting op de omliggende objecten dus rekening is gehouden met de geluidafschermende werking van dat pand. De Afdeling ziet in het aangevoerde geen aanleiding aan de juistheid van deze stelling van de minister te twijfelen. De Afdeling verwijst hierbij naar hoofdstuk 3 van het akoestisch onderzoek waarin is vermeld op welke manier en met welke geografische gegevens het akoestisch rekenmodel voor het saneringsplan is opgesteld. In dit hoofdstuk is onder meer vermeld dat voor de ligging van de geluidgevoelige bestemmingen en overige objecten gebruik is gemaakt van de Basisregistratie Adressen en Gebouwen (hierna: BAG). De bedrijfsgebouwen van [appellante sub 9] zijn opgenomen in de BAG. Gelet hierop acht de Afdeling aannemelijk dat de bedrijfsgebouwen van [appellante sub 9] en de geluidafschermende werking daarvan zijn betrokken in het geluidonderzoek van het saneringsplan. Het beroep van [appellante sub 9] biedt geen aanknopingspunten voor een andersluidend oordeel. 33.
  156. Gelet op de mate waarin het geluidscherm ter hoogte van het bedrijfsperceel van [appellante sub 9] bijdraagt aan de verlaging van de geluidbelasting op de gevels van de saneringsobjecten aan het Lakerveld te Lexmond, namelijk met een totale geluidreductie van 32 dB waarbij bij acht van de tien saneringsobjecten de saneringsstreefwaarde van 60 dB of lager kan worden bereikt, heeft de minister in redelijkheid een zwaarder gewicht kunnen toekennen aan de geluidreductie die met het geluidscherm kan worden bereikt, dan aan de belangen van [appellante sub 9] bij een onbelemmerd zicht op haar bedrijfslocatie. 33.
  157. Resteert de wijze van uitvoering van het geluidscherm. Over de keuze om een geluidscherm al dan niet transparant uit te voeren, heeft de minister het volgende toegelicht. Om de inpassing van de A27 in de omgeving te verbeteren, is bij de vaststelling van het tracébesluit en saneringsplan het uitgangspunt gehanteerd dat geluidschermen niet transparant worden uitgevoerd en worden voorzien van klimbeplanting. In het Landschapsplan, dat als bijlage 15 bij de toelichting op het tracébesluit is gevoegd, is in dit verband vermeld dat klimbeplanting op de geluidschermen een bijdrage levert aan de herkenbare groene identiteit van de route over de A27, de beleving van de omgeving vanaf de weg en aan een rustig, eenduidig en overzichtelijk wegbeeld. Om meer eenheid en rust te realiseren in het wegbeeld, dient volgens de minister uitsluitend bij uitzondering een ander type geluidscherm, zoals een transparant scherm, te worden gerealiseerd. Een dergelijke uitzonderingsituatie is volgens de minister aan de orde indien een transparant scherm noodzakelijk is om de ruimtelijke beleving in open gebieden niet te beperken, om visuele hinder voor omwonenden tegen te gaan en om de veiligheid van de weggebruiker te waarborgen. Dit is volgens de minister bijvoorbeeld het geval op kunstwerken bij kruisingen met dwarsstructuren waar de weggebruiker zich goed moet kunnen oriënteren. Van een dergelijke situatie is volgens de minister ter hoogte van de bedrijfslocatie van [appellante sub 9] geen sprake. Belangen van aangrenzende bedrijven bij het behoud van zicht op hun bedrijfslocatie kunnen volgens de minister ook tot gevolg hebben dat wordt gekozen voor een transparant scherm. In dat kader heeft de minister beoordeeld of in planologische zin sprake is van een zichtlocatie, bijvoorbeeld indien planologisch is geborgd dat ter hoogte van de bedrijfslocatie geen opgaande bouwwerken mogen worden gerealiseerd. Daarvan is volgens de minister ter hoogte van de bedrijfslocatie van [appellante sub 9] geen sprake. Zo staat het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied Zederik" binnen de aan het bedrijfsperceel van [appellante sub 9] grenzende bestemming "Verkeer" al geluidschermen toe met een bouwhoogte van maximaal 5 m. Het te realiseren saneringsscherm blijft hier met een hoogte van 2 m nog ruimschoots onder, aldus de minister. 33.
  158. De Afdeling acht het uitgangspunt van de minister dat ten behoeve van een landschappelijke inpassing van de wegverbreding en het realiseren van eenheid en rust in het wegbeeld in beginsel uitsluitend niet transparante schermen worden gerealiseerd, niet onredelijk. De minister hoefde naar het oordeel van de Afdeling voor het scherm ter hoogte van de bedrijfslocatie van [appellante sub 9] niet van dit uitgangspunt af te wijken. Daarbij heeft de minister in redelijkheid van belang kunnen achten dat het ter plaatse geldende bestemmingsplan al geluidschermen mogelijk maakt met een bouwhoogte van 5 m. 33.
  159. De betogen falen. Verlies van gronden
  160. In haar nadere memorie van 14 februari 2020 wijst [appellante sub 9] er op dat in het tracébesluit op een deel van haar terrein een nieuwe watergang is voorzien, die tevens dient als waterberging. Zij stelt dat deze gronden noodzakelijk zijn voor haar bedrijfsvoering. Daarbij wijst zij op andere mogelijkheden om de waterberging die op haar gronden is voorzien te kunnen realiseren. 34.
  161. Uit artikel 1.1, eerste lid, van de Chw, in samenhang met onderdeel 5.1 van bijlage I, en onderdeel E, nummer 19, van bijlage II bij de Chw, volgt dat afdeling 2 van de Chw van toepassing is op het in deze uitspraak aan de orde zijnde tracébesluit. In artikel 1.6a van de Chw, welk artikel is opgenomen in afdeling 2 van de Chw, is bepaald dat na afloop van de termijn voor het instellen van beroep geen beroepsgronden meer kunnen worden aangevoerd. 34.
  162. De Afdeling stelt vast dat [appellante sub 9] zich in haar beroepschrift niet heeft gericht tegen de nieuwe watergang. Dat dit wel aan de orde is gesteld in de zienswijze die over het ontwerptracébesluit naar voren is gebracht, laat onverlet dat sprake is van een nieuwe beroepsgrond die pas na de termijn voor het instellen van beroep is aangevoerd. Uit het beroepschrift van [appellante sub 9] blijkt namelijk niet dat zij het onderdeel van de zienswijze over het verlies van gronden als gevolg van de nieuwe watergang in beroep opnieuw naar voren wenst te brengen. In haar beroepschrift heeft zij uitsluitend beroepsgronden naar voren gebracht over het geluidscherm dat ter hoogte van haar bedrijfslocatie is voorzien. De Afdeling concludeert dan ook dat de beroepsgronden van de vennootschap over de nieuwe watergang op grond van artikel 1.6a van de Chw buiten inhoudelijke beoordeling dienen te blijven. Conclusie
  163. Het beroep van [appellante sub 9] is ongegrond.
  164. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. De beroepen van [appellante sub 10] en Truckcentrum Meerkerk B.V.
  165. [ appellante sub 10] is eigenaresse van het perceel [locatie 9] te [plaats]. Truckcentrum Meerkerk B.V. (hierna: Truckcentrum Meerkerk) is huurster van dit perceel en verhandelt ter plaatse nieuwe en gebruikte vrachtwagens, opleggers en ander rollend materieel. Beide ondernemingen vrezen negatieve gevolgen voor hun eigendomssituatie respectievelijk bedrijfsvoering vanwege onder meer de realisatie van een nieuw geluidscherm en het verlies van gronden. Geluidscherm en de zichtbaarheid van de bedrijfslocatie
  166. Truckcentrum Meerkerk kan zich niet verenigen met het geluidscherm dat ter hoogte van haar bedrijfslocatie is voorzien. Volgens Truckcentrum Meerkerk is haar bedrijfslocatie een zichtlocatie en is de zichtbaarheid van het op voorraad staande materieel vanaf de A27 van groot belang voor haar omzet. Zij betoogt dat geen noodzaak bestaat voor de realisatie van het geluidscherm. Het geluidscherm is volgens Truckcentrum Meerkerk namelijk uitsluitend benodigd vanwege een nabij haar bedrijfslocatie gesitueerd saneringsobject. Indien de minister dit saneringsobject had aangekocht als te amoveren object, dan had het geluidscherm achterwege kunnen blijven. Zij stelt in dit verband dat de eigenaar van het saneringsobject tot verkoop bereid is. Voor zover wel een noodzaak bestaat voor de realisatie van het geluidscherm, dan had het scherm volgens Truckcentrum Meerkerk vanwege het behoud van zicht op haar bedrijfslocatie transparant moeten worden uitgevoerd. 38.
  167. Het geluidscherm dat ter hoogte van de bedrijfslocatie van Truckcentrum Meerkerk is voorzien, is onderdeel van het saneringsplan dat gelijktijdig met het tracébesluit is vastgesteld. Het geluidscherm bevindt zich tussen km 45,11 en km 45,19 en heeft blijkens het saneringsplan een hoogte van 3 m. Het geluidscherm zal niet transparant worden uitgevoerd. De Afdeling begrijpt het beroep van Truckcentrum Meerkerk aldus dat het tevens is gericht tegen het saneringsplan dat de minister gelijktijdig met het tracébesluit heeft vastgesteld. 38.
  168. Zoals hiervoor onder 3 alsmede onder 33.2 bij het beroep van [appellante sub 9] is overwogen, vindt het saneringsplan zijn grondslag in afdeling 11.3.6 van de Wet milieubeheer. In artikel 11.59 van de Wet milieubeheer is bepaald dat het saneringsplan maatregelen bevat om de geluidbelasting vanwege de weg, in dit geval de A27, bij volledige benutting van de geluidproductieplafonds op de gevel van de saneringsobjecten te beperken tot de saneringsstreefwaarde van 60 dB. Het geluidscherm dat is voorzien ter hoogte van de bedrijfslocatie van Truckcentrum Meerkerk is een dergelijke maatregel. Dit geluidscherm is blijkens het bij het saneringsplan behorende akoestisch onderzoek benodigd om de geluidbelasting op de gevel van het nabij gelegen saneringsobject aan de [locatie10] te [plaats], waar de geluidbelasting vanwege de A27 bij volledige benutting van de geluidproductieplafonds 74 dB bedraagt, te reduceren. 38.
  169. Omdat blijkens bijlage A en bijlage B.1.1 van het bij het saneringsplan behorende akoestisch onderzoek de geluidbelasting vanwege de A27 op de gevel van het saneringsobject ook met het nieuwe geluidscherm niet volledig kan worden beperkt tot de saneringsstreefwaarde, is de minister op grond van artikel 11.64 van de Wet milieubeheer voor dit saneringsobject gehouden een onderzoek te doen naar de binnenwaarde en aanvullende geluidwerende maatregelen te treffen indien de wettelijke binnenwaarde wordt overschreden. Afdeling 11.3.6 van de Wet milieubeheer verplicht niet om over te gaan tot amovering van het saneringsobject. De minister heeft ter zitting toegelicht dat er gelet hierop geen reden is om, zoals Truckcentrum Meerkerk wenst, af te zien van de realisatie van het geluidscherm en in plaats daarvan het saneringsobject aan te kopen en te amoveren. Het beleid is er volgens de minister bij de vaststelling van het tracébesluit en saneringsplan op gericht geweest om bestaande bebouwing zoveel mogelijk te behouden indien dit met geluidbeperkende maatregelen mogelijk is en pas tot aankoop en amovering van een geluidgevoelig object over te gaan indien deze maatregelen niet toereikend zijn om aan het bepaalde in de Wet milieubeheer over de geluidbelasting van rijkswegen te voldoen. 38.
  170. Truckcentrum Meerkerk heeft ter zitting aangegeven dat een dergelijke beleidskeuze op zichzelf niet onredelijk is, maar dat in dit geval gelet op haar belang bij een onbelemmerd zicht op haar bedrijfslocatie, de minister niettemin van de realisatie van het geluidscherm had moeten afzien en daarom tot aankoop en amovering van het saneringsobject het moeten overgaan. De Afdeling ziet geen aanknopingspunten Truckcentrum Meerkerk op dit punt te volgen. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de minister bij zijn keuze om tot realisatie van het geluidscherm over te gaan in redelijkheid van belang kunnen achten dat het bestemmingsplan "Buitengebied Zederik" binnen de aan de bedrijfslocatie van Truckcentrum Meerkerk grenzende bestemming "Verkeer" al geluidschermen toestaat met een bouwhoogte van 5 m en dat het geluidscherm in het saneringsplan met een hoogte van 3 m hier nog ruim onder blijft. Gelet op deze omstandigheid ziet de Afdeling ook geen aanleiding de keuze van de minister om het geluidscherm niet transparant uit te voeren onredelijk te achten. De Afdeling verwijst op dit punt ter nadere onderbouwing naar voorgaande overwegingen 33.6 en 33.7 bij het beroep van [appellante sub 9] In deze overwegingen is nader ingegaan op de keuze van de minister om in het tracébesluit en saneringsplan geluidschermen langs de A27 in beginsel niet transparant uit te voeren, ten behoeve van een landschappelijke inpassing van de wegverbreding en het realiseren van eenheid en rust in het wegbeeld. De Afdeling ziet geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de minister gehouden was ter hoogte van de bedrijfslocatie van Truckcentrum Meerkerk van dit uitgangspunt af te wijken. Daarbij heeft de minister in redelijkheid van belang kunnen achten dat het geldende bestemmingsplan ter hoogte van deze bedrijfslocatie al geluidschermen mogelijk maakt met een bouwhoogte van 5 m, waarbij planologisch evenmin is vereist dat deze transparant worden uitgevoerd. 38.
  171. De Afdeling concludeert gelet op het vorenstaande dat wat Truckcentrum Meerkerk heeft aangevoerd geen aanknopingspunten biedt om de keuze van de minister voor de realisatie van een nieuw geluidscherm ter hoogte van haar bedrijfslocatie onredelijk te achten. De betogen falen. Verlies van gronden en de gevolgen voor de bedrijfsvoering
  172. Truckcentrum Meerkerk en [appellante sub 10] wijzen er voorts op dat een deel van hun bedrijfslocatie verloren zal gaan als gevolg van het tracébesluit. Volgens Truckcentrum Meerkerk zal het benutbaar bedrijfsoppervlak met ongeveer 20% afnemen, waardoor de huidige gemiddelde voorraad van 76 vrachtwagens op het terrein als gevolg van minder parkeer- en manoeuvreerruimte met ongeveer 33% zal moeten worden beperkt. Zij vreest dat hiermee het voorbestaan van haar bedrijf in gevaar komt. Bij haar nadere memorie heeft Truckcentrum Meerkerk financiële prognoses overgelegd over de gevolgen voor haar bedrijfsvoering. Een voorraadafname zal volgens de prognoses tot gevolg hebben dat de omzet en brutomarges dalen, waardoor het bedrijf mede gelet op stijgende kosten structureel verlies zal lijden. Volgens Truckcentrum Meerkerk kan dit worden voorkomen door bijvoorbeeld de watergang die in het tracébesluit op haar bedrijfslocatie is voorzien uit te voeren in de vorm van een overkluisde watergang, zodat zij de gronden ter plaatse kan blijven benutten. Ook zijn mogelijk alternatieve locaties beschikbaar waar de watergang kan worden gerealiseerd, aldus Truckcentrum Meerkerk. Daarnaast wijst zij op de mogelijkheid om haar bedrijfsactiviteiten uit te breiden naar een naastgelegen perceel. Volgens Truckcentrum Meerkerk is de eigenaar van dit perceel bereid om tot verkoop over te gaan en ligt het op de weg van de minister om hierin de nodige stappen te zetten. Van een zorgvuldig handelende overheid mag immers worden verwacht dat alle mogelijkheden worden onderzocht en benut om schade voor bedrijven als gevolg van het tracébesluit zoveel mogelijk te voorkomen, aldus Truckcentrum Meerkerk. Ook [appellante sub 10] betoogt dat voor het tracébesluit een zodanig groot deel van haar perceel benodigd is dat dit zorgt voor een ernstige beperking van de bedrijfsvoering van haar huurster. Zij wijst hierbij eveneens op de verminderde parkeer- en manoeuvreerruimte voor vrachtwagens op het terrein. Volgens [appellante sub 10] had niet slechts mogen worden verwezen naar een afzonderlijke schadevergoedingsprocedure, maar had al voor de vaststelling van het tracébesluit de mogelijkheid voor minnelijke grondverwerving moeten worden verkend en had een overeenkomst over de vergoeding van de verwachte schade moeten worden gesloten. 39.
  173. Op de bedrijfslocatie van Truckcentrum Meerkerk en [appellante sub 10] is in het tracébesluit de realisatie van een nieuwe watergang met bijbehorend inspectiepad voorzien. Dit betreft blijkens het deelrapport Water, dat als bijlage 18 bij de toelichting op het tracébesluit is gevoegd, een verlegging van een bestaande nabijgelegen watergang, omdat deze watergang als gevolg van de verbreding van de A27 dient te worden gedempt. Dat ter vervanging van de gedempte watergang een nieuwe watergang moet worden gerealiseerd om onder meer het water vanaf de A27 op te vangen, hebben Truckcentrum Meerkerk en [appellante sub 10] als zodanig niet bestreden. De Afdeling ziet in het aangevoerde geen aanknopingspunten voor het oordeel dat deze watergang ook op een andere locatie kan worden gerealiseerd. Zoals is afgebeeld op pagina 220 van het deelrapport Water, loopt de nieuwe watergang ook over de aangrenzende buurpercelen op gelijke hoogte volledig parallel aan de A
  174. 39.
  175. Wat betreft de vormgeving van de watergang, heeft de minister ter zitting gesteld dat met het oog op het verrichten van onderhoud aan de watergang en om ervoor te zorgen dat het water vanaf de A27 en het aangrenzende talud goed in de watergang kan stromen, een open watergang en geen overkluisde watergang zal worden gerealiseerd. De Afdeling ziet geen aanknopingspunten om het standpunt van de minister op dit punt onredelijk te achten. Daarbij wijst de Afdeling erop dat Truckcentrum Meerkerk uitsluitend heeft gesteld dat een overkluisde watergang wellicht tot de mogelijkheden behoort, maar dit verder niet heeft geconcretiseerd mede in het licht van de door de minister genoemde nadelen hiervan. 39.
  176. Resteert de vraag naar de effecten van het verlies van een deel van het bedrijfsperceel op de bedrijfsvoering en eigendomssituatie van Truckcentrum Meerkerk en [appellante sub 10]. Op dit punt stelt de Afdeling voorop dat de minister bij de vaststelling van een tracébesluit de gevolgen van het tracébesluit voor nabijgelegen grondeigenaren en ondernemers, onder meer als gevolg van verwerving van de voor het tracébesluit benodigde gronden, dient te onderzoeken en in zijn belangenafweging dient te betrekken. Anders dan Truckcentrum Meerkerk en [appellante sub 10] stellen, is niet vereist dat al voor de vaststelling van het tracébesluit overeenstemming wordt bereikt over bijvoorbeeld vergoeding van de schade die een belanghebbende ten gevolge van het tracébesluit lijdt of zal lijden, dan wel dat al overeenstemming wordt bereikt over bijvoorbeeld minnelijke verwerving van gronden. 39.
  177. De minister heeft de gevolgen van het tracébesluit voor de bedrijfsvoering en eigendomssituatie van Truckcentrum Meerkerk en [appellante sub 10] blijkens het verweerschrift in zijn belangenafweging betrokken. In het verweerschrift is vermeld dat ongeveer 9,5% van de totale oppervlakte van het bedrijfsperceel voor de uitvoering van het tracébesluit zal moeten worden verworven. Dit percentage is lager dan het percentage dat is vermeld in het beroepschrift van Truckcentrum Meerkerk. Ter zitting is gebleken dat dit verschil wordt veroorzaakt door de omstandigheid dat Truckcentrum Meerkerk ter plaatse feitelijk meer grond in gebruik heeft genomen, namelijk grond die volgens Truckcentrum Meerkerk door niemand werd gebruikt en die niet tot het verhuurde eigendom van [appellante sub 10] behoort. Op basis van de kadastrale eigendomssituatie zal volgens de minister echter niet meer dan ongeveer 9,5% van de gronden van [appellante sub 10] worden verworven. De Afdeling ziet geen aanleiding om aan de juistheid van dit percentage te twijfelen. De minister is bij zijn beoordeling van de effecten van het tracébesluit terecht uitgegaan van dit percentage, dat is gebaseerd op de eigendomssituatie van [appellante sub 10]. Een verlies van ongeveer 9,5% van het bedrijfsperceel heeft tot gevolg dat de opstel- en manoeuvreerruimte voor vrachtwagens op het terrein zal verminderen en dat het terrein mogelijk anders zal moeten worden ingericht. Dit laat echter onverlet dat ter plaatse nog steeds enkele tientallen vrachtwagens op voorraad kunnen worden gehouden en dat gelet hierop Truckcentrum Meerkerk haar bedrijfsactiviteiten in beginsel kan voortzetten. Dat zij mogelijk als gevolg van een verlies van ongeveer 9,5% van het bedrijfsperceel geconfronteerd wordt met een daling van de omzet en een verlaging van de winstmarge, is geen omstandigheid op grond waarvan moet worden geoordeeld dat de minister het tracébesluit niet in redelijkheid heeft kunnen vaststellen. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de minister op dit punt in redelijkheid een zwaarder gewicht kunnen toekennen aan de belangen die met de realisatie van de wegverbreding zijn gemoeid dan aan de belangen van Truckcentrum Meerkerk en [appellante sub 10] bij het gevrijwaard blijven van de gevolgen daarvan. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat schade die ontstaat door verwerving van gronden die benodigd zijn voor de uitvoering van het tracébesluit op grond van de onteigeningswet voor vergoeding in aanmerking komt. Uitgangspunt hierbij is een volledige schadeloosstelling. Voor eventuele resterende schade kan op grond van artikel 22 van de Tracéwet in samenhang bezien met artikel 17 van het tracébesluit een verzoek om schadevergoeding bij de minister worden ingediend. 39.
  178. De betogen falen. Luchtkwaliteit
  179. [appellante sub 10] wijst er voorts op dat door de verbreding van de A27 de afstand tussen haar perceel en de A27 wordt verkleind. [appellante sub 10] vreest dat meer uitstoot van schadelijke stoffen op kortere afstand van het perceel nadelige gevolgen heeft voor de gezondheid. 40.
  180. Zoals hiervoor onder 21.1 is overwogen, heeft de minister bij de vaststelling van het tracébesluit toepassing gegeven aan artikel 5.16, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wet milieubeheer, omdat het project "A27 Houten - Hooipolder" is opgenomen in het NSL. Zo is het project opgenomen in de 10e NSL Melding Infrastructuur en Waterstaat, versie
  181. Uit artikel 5.16, derde lid, van de Wet Milieubeheer volgt dat in het geval de effecten van het project zijn verdisconteerd in het NSL, in zoverre geen afzonderlijke beoordeling van de luchtkwaliteit hoeft plaats te vinden voor een in bijlage 2 van die wet opgenomen grenswaarde. De omstandigheid dat het voorziene tracé gevolgen kan hebben voor de luchtkwaliteit kan dan ook, gelet op artikel 5.16, eerste lid, aanhef en onder d, samen met het tweede lid, onder d, van de Wet milieubeheer, niet aan de vaststelling van het tracébesluit in de weg staan. 40.
  182. De wettelijke luchtkwaliteitseisen in de Wet milieubeheer zijn gesteld voor de bescherming van de gezondheid van de mens, zodat de minister dit niet afzonderlijk hoeft te beoordelen. In paragraaf 2.5.2 van de Nota van Antwoord is echter nog wel ingegaan op luchtkwaliteit in relatie tot gezondheid. Daarin staat onder meer dat de wettelijke normen zijn opgesteld met het oog op de menselijke gezondheid. In het NSL wordt rekening gehouden met voorgenomen projecten die de luchtkwaliteit verslechteren en daar zijn maatregelen tegenover gezet om de luchtkwaliteit te verbeteren. Verder is in de Nota van Antwoord verwezen naar het deelrapport Lucht en de Oplegnotitie Aspect Luchtkwaliteit, die bijlagen bij het tracébesluit zijn, waarin de effecten van de aanpassing van het tracé op de luchtkwaliteit zijn beschreven. Daaruit volgt dat die effecten zeer beperkt zijn. De in bijlage 2 opgenomen grenswaarden worden niet overschreden. 40.
  183. Het betoog faalt. Stikstof en PFAS
  184. [appellante sub 10] heeft ter zitting voorts gewezen op de toename van de stikstofuitstoot en -depositie als gevolg van het tracébesluit in het licht van de Habitatrichtlijn. Ook heeft zij gewezen op het tijdelijke handelingskader dat is opgesteld voor het omgaan met PFAS-houdende grond. 41.
  185. De Habitatrichtlijn heeft betrekking op de instandhouding van natuurlijke habitats. Deze richtlijn is omgezet in nationale regelgeving in de Wnb. [appellante sub 10] heeft in haar beroepschrift geen beroepsgrond naar voren gebracht over de mogelijke toename van de stikstofuitstoot en -depositie als gevolg van het tracébesluit en de mogelijk negatieve effecten daarvan op de voor stikstof gevoelige habitattypen in Natura 2000-gebieden. Zoals hierna onder 61.1 en 61.2 is overwogen, staat artikel 1.6a van de Chw eraan in de weg dat een dergelijke beroepsgrond na de beroepstermijn alsnog naar voren wordt gebracht. De Afdeling laat deze beroepsgrond daarom buiten inhoudelijke beoordeling. 41.
  186. Hetzelfde geldt voor de verwijzing van [appellante sub 10] naar het tijdelijke handelingskader dat is opgesteld voor het omgaan met PFAS-houdende grond. De Afdeling begrijpt de stelling van [appellante sub 10] aldus dat zij van mening is dat het nieuwe handelingskader over het hergebruik van met PFAS verontreinigde grond mogelijk negatieve gevolgen heeft voor de uitvoerbaarheid van het tracébesluit. Ook op dit punt heeft [appellante sub 10] tijdens de beroepstermijn geen beroepsgrond naar voren gebracht. De Afdeling laat dit daarom op grond van artikel 1.6a van de Chw eveneens buiten inhoudelijke beoordeling. Conclusie
  187. De beroepen van [appellante sub 10] en Truckcentrum Meerkerk zijn ongegrond.
  188. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Het beroep van [appellant sub 12] Beroepsgronden tegen het saneringsbesluit
  189. [ appellant sub 12] woont aan de [locatie 11] in [woonplaats], ten zuiden van het knooppunt Hooipolder. Hij brengt naar voren dat niet duidelijk is wanneer de geluidwal ter hoogte van zijn woning zal worden aangelegd en uit welk materiaal de geluidwal zal bestaan. Hij stelt dat hij graag zou zien dat eerder dan in 2022 wordt gestart met de aanleg van de geluidwal. Hij voert in dit verband aan dat hij in de bestaande situatie al veel hinder ondervindt van geluid, trilling en fijn stof. Hij geeft de voorkeur aan een doorzichtige glazen of daaraan gelijkwaardige wal in verband met de lichttoetreding in zijn woning. Hij wijst er daarbij op dat het tracé van de weg ongeveer 3 m tot 5 m hoger ligt dan zijn perceel. 44.
  190. Ter hoogte van de woning van [appellant sub 12] is in het saneringsplan, dat gelijktijdig met het tracébesluit is vastgesteld, voorzien in een geluidbeperkende maatregel in de vorm van een geluidscherm. De Afdeling begrijpt het betoog van [appellant sub 12] over de geluidswal daarom zo dat het tevens is gericht tegen het besluit waarbij het saneringsplan is vastgesteld. 44.
  191. Zoals hiervoor onder 3 en onder 33.2 is overwogen, vindt het saneringsplan zijn grondslag in afdeling 11.3.6 van de Wet milieubeheer. De woning van [appellant sub 12] is een saneringsobject als bedoeld in artikel 11.57, eerste lid, onder b, van de Wet milieubeheer. Uit het akoestisch onderzoek bij het saneringsplan volgt dat vanwege het overschrijden van de streefwaarden bij saneringsobjecten op grond van artikel 11.59 geluidbeperkende maatregelen moeten worden getroffen. Deze maatregelen zijn in het saneringsplan opgenomen. Uit het saneringsplan volgt dat ter plaatse van de Oosterhoutseweg zal worden voorzien in een geluidbeperkende maatregel in de vorm van een scherm van 2 m hoog en 100 m lang dat niet transparant zal worden uitgevoerd. 44.
  192. Voor de inpassing van geluidschermen in het landschap is aangesloten bij het Landschapsplan, dat een bijlage bij de toelichting van het tracébesluit is. Zoals ook onder 33.6 is overwogen is uitgangspunt dat geluidschermen niet transparant worden uitgevoerd en worden voorzien van klimbeplanting. De minister heeft in het verweerschrift toegelicht dat er geen aanleiding is om ter hoogte van de woning van [appellant sub 12] van het uitgangspunt dat de schermen niet transparant worden uitgevoerd af te wijken. Daarbij wijst de minister erop dat de woning op ongeveer 39 m van het tracé ligt en dat hij de impact van een scherm van 2 m hoog op de lichtinval op die afstand beperkt acht. Verder brengt de minister naar voren dat er al bomen en struikgewas staan tussen de woning en de Oosterhoutseweg evenals populieren tussen de Oosterhoutseweg en het tracé. Het tracé wijzigt ter hoogte van de woning van [appellant sub 12] niet. De Afdeling ziet gelet op deze toelichting geen aanleiding voor het oordeel dat de minister niet in redelijkheid heeft kunnen vasthouden aan het uitgangspunt dat het geluidscherm niet-transparant wordt uitgevoerd. Het betoog faalt. 44.
  193. In artikel 11.60, derde lid, van de Wet milieubeheer is bepaald dat de minister bij zijn beslissing over de vaststelling van het saneringsplan moet aangeven binnen hoeveel tijd na het onherroepelijk worden van het saneringsplan, de saneringsmaatregelen uit het saneringsplan getroffen moeten zijn. In artikel 2 van het saneringsbesluit is overeenkomstig die bepaling opgenomen dat de saneringsmaatregelen binnen 10 jaar na het onherroepelijk worden van het besluit dienen te zijn getroffen. Het exacte moment van uitvoering binnen dat tijdvak hoeft daarbij niet te worden vastgelegd. Dit betreft naar het oordeel van de Afdeling een uitvoeringsaspect dat de minister in zijn belangenafweging moet betrekken. Afspraken over de uitvoering worden gemaakt in de overeenkomsten die de minister sluit met de uitvoerders en in de vergunningen die voor de uitvoering van de werkzaamheden nog verleend moeten worden. De minister heeft in het verweerschrift toegelicht dat het moment waarop het geluidscherm binnen de in het saneringsbesluit voorgeschreven termijn wordt gerealiseerd nog niet duidelijk is omdat er nog geen aannemer bekend is. De minister hanteert bij het sluiten van een contract met de aannemer het uitgangspunt dat er zo weinig mogelijk eisen aan de volgorde van de planning wordt gesteld. De eisen die aan de aannemer worden gesteld maken ook geen onderdeel uit van het saneringsbesluit en -plan. In de toelichting bij het saneringsplan staat dat naar verwachting in 2022 zal worden gestart met de eerste saneringsmaatregel. De planning is indicatief. Ook is in de toelichting ingegaan op de hinder vanwege de uitvoering van het saneringsplan. De minister heeft deze aspecten dus betrokken bij de belangenafweging. Er is geen aanleiding voor het oordeel dat de minister het saneringsplan vanwege deze aspecten niet in redelijkheid heeft kunnen vaststellen. Het betoog faalt. Beroepsgronden tegen het tracébesluit
  194. [appellant sub 12] brengt naar voren dat beter kan worden voorzien in een klaverblad dan in een verbindingsboog bij het knooppunt Hooipolder omdat het verkeer tussen Waalwijk en Breda op de A59 nog steeds hinder ondervindt van verkeerslichten. Daardoor staat het verkeer ter hoogte van zijn woning vast. Hij stelt daarnaast dat afslag 34 Raamsdonksveer bij dit knooppunt behouden moet blijven om sluipverkeer in Oosterhout, Raamsdonksveer, Raamsdonk en Waspik te voorkomen. 45.
  195. Deze beroepsgronden begrijpt de Afdeling zo dat deze zijn gericht tegen het tracébesluit. 45.
  196. Het tracébesluit voorziet in de realisatie van een verbindingsboog tussen de A59 West en de A27 richting Utrecht. Als gevolg van de realisatie van deze verbindingsboog zal afslag 34 Raamsdonksveer komen te vervallen. De minister heeft in de Nota van Antwoord toegelicht dat door deze maatregelen de afwikkeling van het verkeer bij de verkeerslichten beter zal zijn, waar het verkeer op de A59 ook profijt van zal hebben. Het betoog van [appellant sub 12] geeft geen aanleiding voor de conclusie dat onjuist te achten. In paragraaf 5.1 van het deelrapport Verkeer, dat een bijlage is bij de toelichting van het tracébesluit, is ingegaan op de gevolgen van deze aanpassingen bij het knooppunt Hooipolder voor het onderliggende wegennet. Daarin is in aanmerking genomen dat de wijzigingen op een aantal wegen zullen leiden tot een afname van het verkeer en op een aantal wegen tot een toename van het verkeer. Die toename heeft de minister aanvaardbaar geacht, omdat wordt voldaan aan de principes van Duurzaam Veilig of omdat de betrokken weg geschikt is om die verkeerstoename te verwerken. Het betoog van [appellant sub 12] geeft geen aanleiding voor de conclusie dat de minister zich in zoverre niet op het deelrapport Verkeer heeft mogen baseren. Er is daarom geen grond voor het oordeel dat de minister het tracébesluit niet heeft mogen nemen. Het betoog faalt. Conclusie
  197. Het beroep van [appellant sub 12] is ongegrond.
  198. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Het beroep van Pellikaan Onroerend Goed Beheer B.V.
  199. Pellikaan Onroerend Goed Beheer B.V. (hierna: Pellikaan) is eigenaresse en verhuurster van diverse bedrijfsverzamelgebouwen op het bedrijventerrein Avelingen-West. Zij richt zich in haar beroepschrift tegen het geluidscherm dat in het tracébesluit aan de westzijde van de A27 ter hoogte Gorinchem, bij het Kanaal van Steenenhoek, is voorzien. Niet te beoordelen beroepsgronden
  200. Naast het geluidscherm dat aan de westzijde van de A27 ter hoogte van Gorinchem is voorzien, heeft Pellikaan zich in haar beroepschrift ook gericht tegen het geluidscherm dat is voorzien aan de westzijde van de A27 bij het knooppunt Gorinchem, verbindingsboog A27 - A15 vanuit Utrecht richting Rotterdam. De beroepsgronden over dit geluidscherm heeft Pellikaan, gelet op de grote afstand tussen dit geluidscherm en het bedrijventerrein Avelingen-West, ter zitting ingetrokken. Ook heeft Pellikaan in haar beroepschrift gesteld dat om het tracébesluit te kunnen uitvoeren een deel van haar gronden zal moeten worden onteigend. Wat zij over deze onteigening naar voren heeft gebracht, heeft Pellikaan in haar nadere memorie ingetrokken. Tot slot heeft Pellikaan in haar nadere memorie gewezen op uitspraken van de Afdeling over het Programma Aanpak Stikstof 2015-2021 (hierna: het PAS). Ter zitting heeft Pellikaan vermeld dat wat zij in haar nadere memorie over het PAS heeft opgenomen, geen beroepsgrond betreft. In het onderstaande zal de Afdeling daarom uitsluitend ingaan op de beroepsgronden van Pellikaan over het geluidscherm dat is voorzien aan de westzijde van de A27 ter hoogte van Gorinchem. De maatvoering van het geluidscherm
  201. Pellikaan stelt in haar beroepschrift dat onduidelijkheid bestaat over de maatvoering van het geluidscherm. Ter onderbouwing voert zij aan dat in de "Nota van Antwoord A27 Houten-Hooipolder; Zienswijzen Ontwerptracébesluit en Ontwerpsaneringsplan" (hierna: de Nota van Antwoord) is vermeld dat over een totale lengte van 11,9 km op 21 locaties langs de rijkswegen nieuwe geluidschermen worden aangebracht. In de Nota van Wijziging en MER-validatie, die als bijlage 7 bij de toelichting op het tracébesluit is gevoegd, is daarentegen vermeld dat over een totale lengte van 12,8 km op 23 locaties langs de A27, A59 en A15 nieuwe geluidschermen worden aangebracht, aldus Pellikaan. Omdat de totale lengte van de geluidschermen en het aantal locaties in beide teksten niet overeenkomen, is het volgens Pellikaan niet duidelijk wat precies de lengte is van het scherm dat aan de westzijde van de A27 ter hoogte van Gorinchem zal worden gerealiseerd. 50.
  202. De stelling van Pellikaan dat onduidelijkheid bestaat over de maatvoering van het geluidscherm, deelt de Afdeling niet. In artikel 7 van het tracébesluit zijn de geluidmaatregelen die onderdeel zijn van het tracébesluit vermeld. Tabel 7.2 bevat de geluidbeperkende maatregelen in de vorm van geluidschermen. In deze tabel is vermeld dat aan de westzijde van de A27 ter hoogte van Gorinchem bij km 35,56 tot km 35,98 een geluidscherm is voorzien met een lengte van 420 m en een hoogte van 2 m. Dat in de Nota van Antwoord en de Nota van Wijziging en MER-validatie een verschillende totale lengte van de geluidschermen is vermeld die in het tracébesluit zijn voorzien, betekent naar het oordeel van de Afdeling niet dat onduidelijkheid bestaat over de maatvoering van het geluidscherm dat aan de westzijde van de A27 ter hoogte van Gorinchem is voorzien. De maatvoering van dit geluidscherm volgt uit tabel 7.2 van het tracébesluit. Het betoog faalt. Geluidbeperkende effecten van het geluidscherm en alternatieven
  203. Pellikaan plaatst tevens vraagtekens bij de noodzaak van het geluidscherm. Zij verwijst hierbij naar de bij de toelichting op het tracébesluit gevoegde memo "Resultaten akoestisch onderzoek op referentiepunten TB A27 Houten Hooipolder". Uit dit memo blijkt volgens Pellikaan dat als onderdeel van het tracébesluit de hoogte van geluidproductieplafonds nabij de A27 naar beneden is bijgesteld. Hiertoe bestaat echter geen noodzaak, omdat op basis van de Wet milieubeheer niet is vereist dat bestaande geluidproductieplafonds naar beneden worden bijgesteld om zo het geluidniveau te verbeteren, aldus Pellikaan. Een verbetering van het geluidniveau is voor de bedrijven die zijn gesitueerd aan de achterzijde van het geluidscherm bij het Kanaal van Steenenhoek volgens Pellikaan ook niet relevant, omdat bedrijfspanden geen geluidgevoelige objecten zijn als bedoeld in de Wet milieubeheer. Pellikaan wijst er daarnaast op dat in het ontwerptracébesluit het geluidscherm aan de westzijde van de A27 ter hoogte van Gorinchem een lengte had van 305 m. In het vastgestelde tracébesluit is dit zonder nadere motivering verlengd naar 420 m, aldus Pellikaan. In haar nadere memorie betoogt Pellikaan voorts dat diverse alternatieven en nieuwe technieken beschikbaar zijn om verkeerslawaai te reduceren, waardoor de realisatie van het geluidscherm wellicht niet noodzakelijk is. Zij wijst hierbij naar een krantenartikel over de mogelijkheid om gebruik te maken van een nieuw soort steen dat geluid afbuigt waarmee het verkeersgeluid afneemt. Dit nieuw soort steen kan worden verwerkt in de weg zelf, maar ook in een geluidwal, aldus Pellikaan. Volgens haar kan dan mogelijk worden volstaan met een geluidwal van slechts 1 m hoog. 51.
  204. De reden om te kiezen voor een geluidscherm aan de westzijde van de A27 ter hoogte van Gorinchem is nader onderbouwd in paragraaf 8.2.1 van het deelrapport Specifiek, betreffende het zogenoemde geluidcluster Gorinchem West. In die paragraaf is vermeld dat in dit geluidcluster aan de westzijde van de A27 twee saneringsobjecten zijn gelegen als bedoeld in artikel 11.57 van de Wet milieubeheer. Dit betreffen blijkens bijlage C bij het deelrapport Specifiek de locaties aan de [locatie 12] en 11 te Gorinchem. Dit zijn saneringsobjecten als bedoeld in artikel 11.57, eerste lid, onder b, van de Wet milieubeheer waar de geluidbelasting vanwege de A27 bij volledige benutting van de geluidproductieplafonds hoger is dan 65 dB. Omdat het tracébesluit nabij deze saneringsobjecten voorziet in een wijziging van geluidproductieplafonds op referentiepunten langs de A27, is in dit geval op basis van de zogenoemde gekoppelde sanering als bedoeld in artikel 11.42 van de Wet milieubeheer onderzocht of met geluidbeperkende maatregelen de geluidbelasting vanwege de A27 op de gevel van de twee saneringsobjecten kan worden beperkt tot de in artikel 11.59, eerste lid, van de Wet milieubeheer vermelde saneringsstreefwaarde van 60 dB. In het deelrapport Specifiek zijn in paragraaf 8.1 allereerst de effecten onderzocht van een bronmaatregel in de vorm van tweelaags ZOAB. Blijkens bijlage C bij het deelrapport Specifiek wordt met deze bronmaatregel bij de twee saneringsobjecten in het geluidcluster Gorinchem West de geluidbelasting vanwege de A27 niet beperkt tot de saneringstreefwaarde van 60 dB. In het deelrapport Specifiek zijn in paragraaf 8.2.1 daarom de effecten onderzocht van aanvullende afschermende maatregelen. In het deelrapport specifiek is berekend dat met een geluidscherm met een lengte van 420 m en een hoogte van 2 m bij de twee saneringsobjecten aan de Parallelweg te Gorinchem de saneringsstreefwaarde van 60 dB kan worden bereikt. Dit volgt uit bijlage A en bijlage C bij het deelrapport Specifiek waar de geluidwaarden op de gevel van de twee saneringsobjecten met de in het tracébesluit voorgeschreven geluidbeperkende maatregelen zijn vermeld. 51.
  205. Gelet op het vorenstaande is het geluidscherm aan de westzijde van de A27 ter hoogte van Gorinchem benodigd om bij de saneringsobjecten gelegen aan de [locatie 12] en Parallelweg 11 te Gorinchem de geluidbelasting vanwege de A27 te beperken tot de saneringsstreefwaarde van 60 dB. Dit heeft de minister ook toegelicht in zijn verweerschrift, waarbij de minister verwijst naar het voornoemde deelrapport specifiek. De stelling van Pellikaan dat de minister de noodzaak van het geluidscherm niet heeft onderbouwd en dat in dit verband onduidelijk is op welke saneringsobjecten de minister in zijn verweerschrift doelt, deelt de Afdeling dan ook niet. 51.
  206. De Afdeling ziet voorts geen aanleiding Pellikaan te volgen in haar stelling dat de minister met toepassing van een nieuw soort steen de hoogte van het geluidscherm had kunnen beperken tot 1 m dan wel de realisatie van het geluidscherm mogelijk zelfs achterwege had kunnen laten. De Afdeling verwijst hierbij naar artikel 10, eerste lid, van de Regeling geluid milieubeheer, waarin is bepaald dat als geluidbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 11.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer worden aangewezen de maatregelen bedoeld in de tabellen 1, 2 en 3 van bijlage 3 bij de Regeling geluid milieubeheer. Zoals Pellikaan zelf ook onderkent in haar nadere memorie, is de door haar voorgestelde geluidbeperkende maatregel (nog) niet in de Regeling geluid milieubeheer opgenomen. Dit heeft tot gevolg dat de minister deze maatregel niet in het tracébesluit als geluidbeperkende maatregel had kunnen opnemen. De door Pellikaan ter zitting geuite wens om de door haar genoemde geluidbeperkende maatregel alsnog mee te nemen bij de uitvoering van het tracébesluit, indien deze maatregel op dat moment wel is opgenomen in de Regeling geluid milieubeheer, staat ter vrije keuze van de minister. Deze wens kan in deze procedure, waarin het tracébesluit zoals de minister dat op 20 december 2018 heeft vastgesteld ter beoordeling voorligt, niet tot een vernietiging van het tracébesluit leiden. De Afdeling toetst dit tracébesluit immers aan de op het moment van de vaststelling van het tracébesluit geldende regelgeving. 51.
  207. Wat betreft de verwijzing van Pellikaan naar het ontwerptracébesluit overweegt de Afdeling verder als volgt. In het ontwerptracébesluit was aan de westzijde van de A27 ter hoogte van Gorinchem tussen km 35,62 en km 35,93 een geluidscherm voorzien met een lengte van 305 m en een hoogte van 3,5 m. Uit paragraaf 8.2.1 van het deelrapport Specifiek behorende bij het ontwerptracébesluit blijkt dat ook met dit geluidscherm bij de saneringsobjecten gelegen aan de [locatie 12] en Parallelweg 11 te Gorinchem de geluidbelasting kon worden beperkt tot de saneringsstreefwaarde van 60 dB. De minister heeft in het verweerschrift toegelicht dat in het vastgestelde tracébesluit echter is gekozen voor een geluidscherm met een lengte van 420 m en een hoogte van 2 m, omdat dit een meer doelmatige maatregel is dan het in het ontwerptracébesluit opgenomen geluidscherm. Dat wil zeggen dat dit geluidscherm minder kost en daarmee toch de saneringsstreefwaarde wordt behaald, zo staat in het verweerschrift. Het komt de Afdeling niet onaannemelijk voor dat het in het vastgestelde tracébesluit opgenomen geluidscherm gelet op de 1,5 m lagere hoogte, financieel doelmatiger is dan het geluidscherm zoals dat in het ontwerptracébesluit was voorzien. De Afdeling acht gelet hierop de keuze van de minister voor deze andere maatvoering van het geluidscherm niet onredelijk. 51.
  208. De betogen falen. Effecten van het geluidscherm op de zichtbaarheid van het bedrijventerrein Avelingen-West
  209. Hiervoor is ingegaan op de geluidreducerende effecten van het geluidscherm dat is voorzien aan de westzijde van de A27 ter hoogte van Gorinchem. De vervolgvraag is op welke wijze de minister bij de keuze voor dit geluidscherm rekening heeft gehouden met de belangen van Pellikaan bij een onbelemmerd zicht vanaf de A27 op het bedrijventerrein Avelingen-West. Pellikaan betoogt in dit verband dat het geluidscherm tot gevolg heeft dat het zicht op het bedrijventerrein zodanig wordt belemmerd dat dit negatieve gevolgen heeft voor de verhuurbaarheid van het bedrijventerrein met mogelijk uiteindelijk zelfs leegstand van haar bedrijfsgebouwen tot gevolg. Zo vreest Pellikaan dat bedrijven als gevolg van de realisatie van het geluidscherm zullen verhuizen naar bedrijventerreinen elders in de regio. Ook indien het geluidscherm transparant wordt uitgevoerd, zal dit volgens Pellikaan niet tot gevolg hebben dat het zicht op het bedrijventerrein behouden blijft. Een transparant scherm zal namelijk na verloop van tijd minder transparant worden door verkleuring en aanslag, aldus Pellikaan. In haar nadere memorie stelt zij in dit verband dat de minister bij een transparant scherm een onderhoudsplan dient op te stellen om het scherm regelmatig schoon te maken. Verder stelt Pellikaan dat in onder meer de Nota van Antwoord is vermeld dat de nieuwe en bestaande geluidschermen zullen worden voorzien van begroeiing. Ook dit zal het zicht op het bedrijventerrein wegnemen, aldus Pellikaan. 52.
  210. In artikel 13, eerste lid, van het tracébesluit is het volgende bepaald: "Ten behoeve van de landschappelijke en stedenbouwkundige inpassing worden de volgende generieke maatregelen gerealiseerd: […] i. Nieuwe geluidschermen en bestaande geluidschermen worden aan omgevingszijde en aan wegzijde voorzien van klimbeplanting, met uitzondering van de delen van de geluidschermen die zich bevinden op de kruisingen met dwarsstructuren (wegen en watergangen). Deze worden rechtopstaand, transparant uitgevoerd en hebben een absorberende werking. j. Achter nieuwe geluidschermen komt - indien daartoe ruimte is - opgaande beplanting (als aanvulling op de klimbeplanting). Dit geldt niet voor transparante delen van schermen. […]" 52.
  211. De minister heeft in het verweerschrift en ter zitting bevestigd dat uit artikel 13, eerste lid, onder i, van het tracébesluit volgt dat het geluidscherm dat is voorzien aan de westzijde van de A27 ter hoogte van Gorinchem bij het Kanaal van Steenenhoek, van waaraf zicht bestaat op het bedrijventerrein Avelingen-West, transparant en zonder klimbeplanting wordt uitgevoerd. Ter plaatse zal, anders dan Pellikaan vreest, gelet op artikel 13, eerste lid, onder j, van het tracébesluit achter het geluidscherm geen opgaande beplanting worden gerealiseerd. 52.
  212. De minister heeft daarnaast in zijn nadere memorie en ter zitting bevestigd dat de geluidschermen die transparant worden uitgevoerd, worden voorzien van een anti-graffiti-coating en no-drop-coating. Naar aanleiding van de ter zitting door Pellikaan geuite vrees dat hiermee niet kan worden voorkomen dat het geluidscherm wordt bespoten, heeft de minister ter zitting voorts toegezegd dat op het moment dat het geluidscherm wordt gerealiseerd, een onderhoudsplan zal worden opgesteld om zo de transparantie van het scherm ook op langere termijn te behouden. Dit onderhoudsplan kan op verzoek van Pellikaan aan haar ter inzage worden gegeven, zo heeft de minister ter zitting bevestigd. 52.
  213. De Afdeling ziet geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de minister ondanks de transparante uitvoering van het scherm en de in dit verband gedane toezeggingen wat betreft het onderhoud van het scherm, toch een zwaarder gewicht had moeten toekennen aan de belangen van Pellikaan bij het behoud van een zoveel mogelijk onbelemmerd zicht op het bedrijventerrein Avelingen-West. Daarbij wijst de Afdeling erop dat het bedrijventerrein ter hoogte van het voorziene geluidscherm niet direct grenst aan de A27, maar zich op enkele honderden meters afstand bevindt, waarbij vanaf de brug over het Kanaal van Steenenhoek uitsluitend zicht bestaat op de rand van het bedrijventerrein. De gebouwen aan de rand van het bedrijventerrein zijn in de huidige situatie bovendien op enkele delen al verminderd zichtbaar als gevolg van de afschermende werking van enkele bomen. Gelet op voornoemde omstandigheden, acht de Afdeling niet aannemelijk dat het effect van het geluidscherm op de zichtbaarheid en daarmee op de verhuurbaarheid van het bedrijventerrein zodanig zal zijn, dat de door de minister gemaakte belangenafweging bij de keuze voor dit geluidscherm als onevenwichtig moet worden beschouwd. Daarbij acht de Afdeling ook van belang dat, zoals hiervoor onder 51.1 is overwogen, met het geluidscherm wordt bereikt dat voor twee saneringsobjecten de wettelijke saneringsstreefwaarde van 60 dB kan worden behaald. Ook gelet op deze geluidreductie heeft de minister de bezwaren van Pellikaan over het zicht op het bedrijventerrein Avelingen-West in redelijkheid niet overwegend kunnen achten. 52.
  214. In dit verband wijst de Afdeling er tot slot op dat indien Pellikaan van mening is dat zij schade lijdt of zal lijden als gevolg van de realisatie van het geluidscherm, zij een verzoek om schadevergoeding bij de minister kan indienen op grond van artikel 22 van de Tracéwet in samenhang bezien met artikel 17 van het tracébesluit. 52.
  215. De betogen falen. Conclusie
  216. Het beroep van Pellikaan is ongegrond.
  217. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Het beroep van Ocean Outdoor Nederland B.V.
  218. Ocean Outdoor Nederland B.V. (hierna: Ocean) is eigenaresse van twee reclamemasten langs de A
  219. Een reclamemast bevindt zich langs de oostelijke rijbaan van de A27 nabij km 35,65 en de andere reclamemast langs de westelijke rijbaan nabij km 35,
  220. Ocean vreest dat als gevolg van het tracébesluit de exploitatiemogelijkheden van de reclamemasten negatief worden beïnvloed onder meer als gevolg van verminderd zicht op de reclamemasten. Reclamemast oostzijde van de A27 nabij km 35,65 - Maatregelvlak "Tijdelijke maatregelen en voorzieningen"
  221. Ocean wijst erop dat de reclamemast aan de oostzijde van de A27 op detailkaart 12 behorende bij het tracébesluit is gesitueerd binnen het maatregelvlak "Tijdelijke maatregelen en voorzieningen" waar een tijdelijk werkterrein is voorzien. Ocean vreest dat de werkzaamheden ter plaatse van het tijdelijke werkterrein tot gevolg kunnen hebben dat de elektriciteitskabels richting de reclamemast worden beschadigd. Ook vreest Ocean dat zij als gevolg van het tijdelijke werkterrein de reclamemast niet dan wel minder goed kan bereiken. Daarbij wijst zij erop dat de reclameboodschappen die op de mast worden weergegeven niet zijn gedigitaliseerd. Het tijdelijke werkterrein moet daarom tijdens de werkzaamheden regelmatig betreden kunnen worden om de reclameboodschappen te kunnen aanpassen, aldus Ocean. Verder vreest Ocean dat het tijdelijke werkterrein de zichtbaarheid van de reclamemast ka

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.