201908785/1/A3. Datum uitspraak: 9 september 2020 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], handelend onder de naam [bedrijf], wonend te [woonplaats], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 25 november 2019 in zaak nr. 19/1005 in het geding tussen: [appellant] en de minister van Infrastructuur en Waterstaat. Procesverloop Bij e-mail van 7 februari 2019 heeft een ambtenaar, werkzaam bij de inspectie Leefomgeving en Transport, gereageerd op het verzoek van [bedrijf] van 13 december 2018. Bij brief van 24 mei 2019 heeft [appellant] beroep ingesteld bij de rechtbank wegens het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar. Bij besluit van 27 juni 2019 heeft de minister het door [appellant] gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Bij uitspraak van 25 november 2019 heeft de rechtbank het door [appellant] ingestelde beroep voor zover gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar niet-ontvankelijk verklaard en het beroep gericht tegen het besluit op bezwaar van 27 juni 2019 ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld. De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. [appellant] heeft een nader stuk ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 september 2020, waar [appellant], bijgestaan door J.E. Eshuis, werkzaam bij JEEJAR, en de minister, vertegenwoordigd door G.H.H. Bischoff en N. Polat, zijn verschenen. Overwegingen Inleiding 1. [appellant] heeft op 13 december 2018 het volgende verzoek ingediend bij de Inspectie Leefomgeving en Transport: "In het kader van de Wet openbaarheid van bestuur en uw aangetekende schrijven van 11 december 2018, met uw kenmerk 296557, verzoek ik u mij zo spoedig mogelijk de volgende informatie/documenten te verstrekken. - Alle informatie die in het bezit is van de ILT betreffende ons [bedrijf]. - Alle informatie die in het bezit is van de ILT en betrekking hebben op [onze website]. -Het volledige dossier genoemd in bovenstaande punten inclusief foto's, geluidsdragers, e- mails, etc... Het bovenstaande is een verzoek zoals bedoeld in artikel 6 eerste lid van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob). Met verwijzing naar de termijn die is genoemd in artikel 6, eerste lid van de Wob verzoek ik u mij de gevraagde informatie voor 13-01-2019 toe te sturen. Indien u kosten in rekening brengt voor het maken van kopieën e.d. verzoek ik u mij hiervan vooraf schriftelijk op de hoogte te brengen." 2. [appellant] heeft dit verzoek ingediend naar aanleiding van een brief van de Inspectie Leefomgeving en Transport van 11 december 2018 waarin [appellant] is gewaarschuwd dat hij verkeersproducten aanbiedt die niet voorzien zijn van een E-merk en derhalve niet op de openbare weg mogen worden gebruikt en dat hij mogelijk in overtreding is. Bij brief van 30 januari 2019 heeft [appellant] bezwaar gemaakt tegen het uitblijven van een beslissing op zijn verzoek. Bij e-mail van 7 februari 2019 heeft een ambtenaar, werkzaam bij de inspectie Leefomgeving en Transport, gereageerd op het verzoek van 13 december 2018. Hierbij is aan [appellant] meegedeeld dat het dossier alleen de brief van 11 december 2018 bevat en dat deze brief reeds aan hem is verstrekt. [appellant] heeft daarna verzocht om een besluit op zijn bezwaar en heeft vervolgens beroep ingesteld bij de rechtbank wegens het niet tijdig beslissen op zijn bezwaar. De aangevallen uitspraak 3. De rechtbank heeft het beroep wegens het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk verklaard, omdat de minister hangende het beroep alsnog een besluit op bezwaar heeft genomen, waardoor het procesbelang is komen te vervallen. De rechtbank heeft vervolgens het beroep gericht tegen het besluit op bezwaar van 27 juni 2019 beoordeeld. De rechtbank heeft in dat kader overwogen dat [appellant], onder verwijzing naar de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob), heeft verzocht om documenten over zijn eigen onderneming. De rechtbank overweegt hierover allereerst dat reeds openbare informatie, zoals gegevens in openbare registers, zoals het Handelsregister van de Kamer van Koophandel en de website van [appellant], niet onder de Wob vallen. Verder overweegt de rechtbank dat informatie over het overtreden van wettelijke voorschriften door [appellant] alsmede dat de minister hem hiervoor een waarschuwing heeft gegeven, zoals de waarschuwingsbrief van 11 december 2018, privacygevoelige informatie betreft. [appellant] heeft desgevraagd ter zitting meegedeeld dat hij er geen problemen mee heeft dat de door hem gevraagde informatie integraal op internet wordt gezet of integraal in de krant wordt gepubliceerd. Ter onderbouwing hiertoe heeft hij medegedeeld dat deze informatie niet alleen van belang is voor zijn bedrijf, maar eveneens van belang is voor andere bedrijven die een internetwinkel exploiteren. Naar het oordeel van de rechtbank laat dit onverlet dat een dergelijke publicatie in de krant of op internet, zonder dat daarbij een nadere toelichting wordt gegeven, potentiële klanten van [appellant] kan afschrikken en dat dit hem kan schaden. De rechtbank acht het dan ook aannemelijk dat [appellant] niet heeft beoogd om deze informatie openbaar te maken in de zin van de Wob maar dat hij deze informatie enkel en alleen zelf wilde ontvangen, al dan niet ter voorbereiding op een eventueel (sanctie)besluit door de minister en/of al dan niet om andere internetondememers te informeren. Hierdoor is volgens de rechtbank het verzoek in zoverre geen Wob-verzoek maar een gewoon verzoek om informatie. Nu het verzoek niet is te beschouwen als een Wob-verzoek en aldus een publiekrechtelijke grondslag voor het verzoek ontbreekt, is het uitblijven van een reactie op dit verzoek niet te duiden als het niet tijdig nemen van een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). De minister heeft daarom terecht het bezwaar, gericht tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op het verzoek van 13 december 2018, niet-ontvankelijk verklaard, aldus de rechtbank. Hoger beroep 4. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat zijn verzoek niet als een Wob-verzoek kan worden aangemerkt. Hij voert hiertoe aan dat hij op grond van de Wob heeft verzocht om informatie en dat hij ter zitting van de rechtbank heeft meegedeeld dat het zijn bedoeling is de gevraagde informatie in de openbaarheid te krijgen. Hij wijst erop dat zijn verzoek het publieke belang van een goede democratische bestuursvoering dient, aldus [appellant]. Wettelijk kader 5. Artikel 1 van de Wob luidt: "In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: b. bestuurlijke aangelegenheid: een aangelegenheid die betrekking heeft op beleid van een bestuursorgaan, daaronder begrepen de voorbereiding en de uitvoering ervan; […]" Artikel 3, eerste lid, van de Wob luidt: "Een ieder kan een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf." Het tweede lid luidt: "De verzoeker vermeldt bij zijn verzoek de bestuurlijke aangelegenheid of het daarop betrekking hebbend document, waarover hij informatie wenst te ontvangen." Het derde lid luidt: "De verzoeker behoeft bij zijn verzoek geen belang te stellen." Beoordeling hoger beroep 6. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 20 mei 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1268, met het oog op de rechtspraktijk aanleiding gezien haar rechtspraak over de kwalificatie van een verzoek om informatie als Wob-verzoek in de zin van artikel 3 nader te preciseren. Hoofdregel is dat wanneer iemand met een beroep op de Wob een verzoek om informatie vervat in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid tot een bestuursorgaan richt, zo’n verzoek een Wob-verzoek is. Het enkele feit dat de verzoeker de informatie vraagt vanwege zijn persoonlijk belang bij kennisneming van de informatie en/of met het oog op het gebruik van de informatie in een procedure tegen het bestuursorgaan of derden, betekent niet dat geen sprake is van een Wob-verzoek. Dat geldt ook indien de verzoeker de informatie (mogelijk) ook kan krijgen op grond van regels over de toegang tot stukken in een procesrechtelijke regeling, zoals artikel 7:4 van de Awb of de regels van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Dit is alleen anders indien
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.