(6976)tot vaststelling van de Waterverordening Waterschap Amstel, Gooi en Vecht 2017 vereist dat de bergings- en afvoercapaciteit van regionale wateren zodanig is ingericht dat de maximale gemiddelde overstromingskans eens per 100 jaar bedraagt voor het gebied binnen de bebouwde kom en bebouwing buiten de bebouwde kom. Dat betekent dat het reguliere waterbeheer zodanig moet zijn dat ook met het verstrijken van de jaren de kans op overstroming steeds aan deze normering zal blijven moeten voldoen. Gelet op het voorgaande hebben LTO Noord en anderen niet aannemelijk gemaakt dat het projectplan ten onrechte is gebaseerd op de aanname dat de kans dat de polder wordt ingezet als noodoverloopgebied kleiner dan eens per 100 jaar is. De rechtbank heeft terecht geen reden gezien om te twijfelen aan de juistheid van deze aanname. Overigens staat tegen het besluit tot ingebruikstelling van het noodoverloopgebied, het derde element in de besluitvorming omtrent waterberging, beroep bij de bestuursrechter open. Het betoog faalt. Inzet van het noodoverloopgebied voor regulier waterbeheer
- LTO Noord en anderen betogen dat de rechtbank niet heeft onderkend dat zij geen waarborg hebben dat de polder niet wordt ingezet als overloopgebied bij wijze van bezuinigingsmaatregel in een situatie waarin het watersysteem niet voldoet aan de daarvoor geldende normen en waarbij de inzet van de polder mogelijk maatschappelijk effectiever en kostenefficiënter zou zijn dan het treffen van de maatregelen die in het kader van regulier beheer getroffen zouden moeten worden. Volgens hen is niet verzekerd dat het noodoverloopgebied pas wordt ingezet als de op blz. 5, 6 en 26 van het projectplan beschreven reguliere maatregelen zijn uitgevoerd. 9.
- Dit betoog komt er in de kern op neer dat niet is gewaarborgd dat de op grond van het projectplan te realiseren werken niet anders zullen worden ingezet dat in het is projectplan beschreven. Dit betoog ziet daarmee niet op de rechtmatigheid van het projectplan en hetgeen daarin is beschreven maar op het derde element, te weten het besluit tot ingebruikstelling. Alleen al hierom kan dit betoog niet tot vernietiging van de vaststelling van het projectplan leiden. De rechtbank heeft hierin terecht geen aanleiding gezien tot vernietiging van het besluit tot vaststelling van het projectplan. Overigens kan het noodoverloopgebied uitsluitend rechtmatig worden ingezet met toepassing van het onder 4.2 vermelde noodrecht. Het betoog faalt. Beschermende maatregelen
- De Voetangel en Stichting De Ronde Hoep betogen dat de verantwoordelijkheid voor het treffen van beschermende maatregelen ten onrechte bij de niet-deskundige burger is gelegd. Volgens De Voetangel zou het algemeen bestuur zelf deze maatregelen moeten treffen. Daarbij wijst hij erop dat de verwachte schade lager is dan de kosten van adequate maatregelen. LTO Noord en anderen betogen dat dat de rechtbank eraan voorbij is gegaan dat niet is verzekerd dat de in het projectplan beschreven maatregelen ter bescherming van milieurelevante objecten daadwerkelijk worden getroffen. 10.
- Op blz. 18 van het projectplan is beschreven dat het waterschap tegelijk met het projectplan een vergoedingsregeling voor permanente en operationele beschermingsmaatregelen vaststelt om de schade bij inundatie verder te voorkomen of te beperken. Er staat dat een vergoedingsregeling eigenaren de ruimte geeft om zelf voorzieningen aan te leggen met een financiële bijdrage van het waterschap. Daarbij wordt toegelicht dat eigenaren zelf vaak het beste weten met welke voorzieningen schade door overstroming kan worden voorkomen of beperkt. Vervolgens is toegelicht dat eigenaren die (nog) geen permanente maatregelen kunnen of willen nemen, bij inundatie kunnen vragen om operationele maatregelen zoals zandzakken. 10.
- Bijlage 3 bij het projectplan is de vastgestelde "Vergoedingsregeling beschermingsmaatregelen noodoverloopgebied De Ronde Hoep". Hierin is in artikel 5 geregeld dat een eenmalige investeringssubsidie kan worden verstrekt voor maatregelen ter voorkoming van schade door inundatie aan milieurelevante objecten, woningen, economisch relevante bijgebouwen en voerkuilen en maatregelen waarmee wordt voorkomen dat bedrijfsvoering wordt belemmerd door of tijdens inundatie. In het eerste lid van artikel 6 is bepaald dat de subsidie niet meer kan bedragen dan de maximale schade die door inundatie aan het te beschermen object of het te beschermen deel van de bedrijfsvoering kan ontstaan. In artikel 8 is onder meer geregeld dat in overleg met de aanvrager de maximaal mogelijke schade en de kosten voor de beschermingsmaatregelen met behulp van verschillende deskundigen worden geïnventariseerd en dat de kosten van deze deskundigen ten laste van het waterschap komen. 10.
- Gelet op de toelichting in het projectplan, geeft het betoog van De Voetangel en Stichting De Ronde Hoep geen aanleiding voor het oordeel dat het algemeen bestuur niet in redelijkheid kon kiezen voor het vaststellen van een vergoedingsregeling voor het treffen beschermende maatregelen, in plaats van die maatregelen zelf te treffen. Ook acht de Afdeling het niet onredelijk dat de te verkrijgen vergoeding voor beschermende maatregelen niet hoger kan zijn dan de maximale schade die door inundatie kan ontstaan, aangezien het doel van de beschermende maatregelen het voorkomen of beperken van die schade is. Het betoog van De Voetangel en Stichting De Ronde Hoep faalt. 10.
- In het projectplan staat over milieurelevante objecten: "Milieurelevante objecten moeten beschermd worden om te voorkomen dat zij milieuschade veroorzaken. Hier is geen eigen keuze van de eigenaar. Wel kan de eigenaar kiezen of hij deze objecten wil beschermen door permanente of operationele beschermingsmaatregelen. Milieurelevante objecten krijgen voorrang bij bescherming met operationele maatregelen boven andere objecten. Milieurelevante objecten die operationeel beschermd moeten worden zijn bijvoorbeeld gierkelders en mesthopen zonder permanente beschermingsmaatregelen. Het waterschap zorgt voor permanente beschermingsmaatregelen van de andere milieurelevante objecten zoals gas-, olie- en dieseltanks en rioolputten. Voerkuilen zijn geen milieurelevante objecten." De rechtbank heeft terecht overwogen dat in het projectplan is beschreven welke voorzieningen worden en kunnen worden getroffen, zodat het projectplan in zoverre voldoet aan artikel 5.4, tweede lid, van de Waterwet. Het betoog dat niet is verzekerd dat de beschreven maatregelen daadwerkelijk worden getroffen, ziet niet op de rechtmatigheid van het in deze procedure voorliggende projectplan en kan daarom niet leiden tot vernietiging daarvan. Het betoog van LTO Noord en anderen faalt. Beleidsregels gevolgschade
- LTO Noord en anderen betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de "Beleidsregels gevolgschade noodoverloopgebied De Ronde Hoep" (hierna: Beleidsregels gevolgschade) geen onderdeel uitmaken van het besluit van 22 maart 2018 tot vaststelling van het projectplan. De Voetangel, Stichting De Ronde Hoep en LTO Noord en anderen betogen dat de schaderegeling voor schade als gevolg de inundatie van de polder, die is neergelegd in de Beleidsregels gevolgschade, ten onrechte alleen ziet op schade die wordt veroorzaakt door het inlaten van maximaal 2,4 miljoen m3 water tot maximaal 1,90 m onder NAP. Volgens hen valt ten onrechte niet de hele polder onder de schaderegeling en is ten onrechte niet bepaald dat alle schade die ontstaat doordat toch meer dan 2,4 miljoen m3 water wordt ingelaten, terwijl de Amstelboezem niet tot rampgebied wordt verklaard, volledig wordt vergoed door het waterschap. 11.
- Bijlage 4 bij het projectplan zijn de Beleidsregels gevolgschade, zoals vastgesteld door het algemeen bestuur in zijn vergadering van 22 maart
- Deze beleidsregels strekken tot 100 procent schadevergoeding met een omgekeerde bewijslast. Zij hebben betrekking op schade als gevolg van inundatie, waarbij maximaal 2,4 miljoen m3 water wordt ingelaten tot de begrenzing van NAP -1,90 m overeenkomstig de omschrijving in het projectplan. 11.
- De rechtbank heeft terecht overwogen dat de Beleidsregels gevolgschade geen onderdeel uitmaken van het vastgestelde projectplan, zodat zij niet ter beoordeling voorliggen in deze procedure. Echter wordt in het projectplan wel verwezen naar deze beleidsregels, zodat zij in deze procedure wel aan de orde komen bij de beoordeling van de motivering van het projectplan. Alleen al omdat het projectplan voorziet in het inlaten van maximaal 2,4 miljoen m3 water tot maximaal NAP -1,90 m, bestaat er in deze procedure over het projectplan geen aanleiding voor het oordeel dat de Beleidsregels gevolgschade ten onrechte zijn beperkt tot deze hoeveelheid en deze waterstand. Bovendien heeft de rechtbank, zoals onder 7.3 is overwogen, terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat in het projectplan ten onrechte is uitgegaan van maximaal 2,4 miljoen m3 te bergen water en een waterhoogte van maximaal 1,90 m onder NAP. Verder staat in de toelichting bij de Beleidsregels gevolgschade dat onder gevolgschade niet alleen de schade wordt verstaan die binnen het te inunderen gebied ligt, maar ook de schade op andere plaatsen in de polder die ontstaat door de inundatie van maximaal 2,4 miljoen m3 water. Het betoog dat ten onrechte niet de hele polder onder de schaderegeling valt, is in zoverre onjuist. Het betoog faalt. Conclusie
- De hoger beroepen zijn ongegrond. De aangevallen uitspraken moeten worden bevestigd.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: bevestigt de aangevallen uitspraken. Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzitter, en mr. J.Th. Drop en mr. C.C.W. Lange, leden, in tegenwoordigheid van mr. L.S. Kors, griffier. w.g. Troostwijk w.g. Kors voorzitter griffier Uitgesproken in het openbaar op 29 januari 2020 687.