201807496/1/V2. Datum uitspraak: 23 januari 2020 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 8 augustus 2018 in zaak nr. NL17.14561 in het geding tussen: [de vreemdeling] en de staatssecretaris. Procesverloop Bij besluit van 6 december 2017 heeft de staatssecretaris de aan de vreemdeling verleende verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingetrokken, de vreemdeling opgedragen Nederland onmiddellijk te verlaten en een inreisverbod tegen hem uitgevaardigd. Bij uitspraak van 8 augustus 2018 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. M.M. van Asperen, advocaat te Den Haag, hoger beroep ingesteld. De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. J.M.E. van der Haar, advocaat te Nijmegen, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. Overwegingen 1. Het wettelijk kader is opgenomen in bijlage 1, die deel uitmaakt van deze uitspraak. 2. De vreemdeling komt uit Somalië. Aan hem is een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend. De staatssecretaris heeft die vergunning ingetrokken omdat er ernstige redenen zijn om aan te nemen dat de vreemdeling een ernstig misdrijf heeft gepleegd (artikel 3.105f, tweede lid, aanhef en onder b, van het Vb 2000). De staatssecretaris heeft daarbij betrokken dat de vreemdeling meerdere keren onherroepelijk is veroordeeld voor geweldsmisdrijven en dat het totaal van de daarvoor opgelegde vrijheidsstraffen meer dan zes maanden bedraagt. 2.1. Artikel 3.105f, tweede lid, aanhef en onder b, van het Vb 2000 is de implementatie van artikel 19, derde lid, aanhef en onder a, gelezen in samenhang met 17, eerste lid, aanhef en onder b, van de Kwalificatierichtlijn. Deze uitspraak gaat onder meer over de vraag of de invulling van het begrip 'ernstig misdrijf' in paragraaf C2/7.10.1 van de Vc 2000 door de staatssecretaris in overeenstemming is met deze richtlijnbepalingen. 3. De staatssecretaris heeft zich op het standpunt gesteld dat de volgende door de vreemdeling gepleegde strafbare feiten als een ernstig misdrijf kunnen worden aangemerkt: - mishandeling van zijn echtgenote waarvoor in 2014 een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden is opgelegd die in 2016 alsnog ten uitvoer is gelegd, omdat de vreemdeling zich niet had gehouden aan de opgelegde voorwaarden, - poging tot diefstal met geweld tegen personen waarvoor de vreemdeling in 2015 is veroordeeld tot onder meer een gevangenisstraf van elf dagen, en - een in juli 2016 gepleegde poging tot diefstal van een fiets met geweld tegen een persoon waarvoor de vreemdeling is veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar. 4. De rechtbank heeft overwogen dat de staatssecretaris zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de vreemdeling een ernstig misdrijf heeft gepleegd. Daarbij heeft zij allereerst in aanmerking genomen dat de vreemdeling voor de mishandeling van zijn echtgenote en voor het in juli 2016 gepleegde geweldsmisdrijf alleen een voorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd heeft gekregen, zodat zonder nadere motivering niet valt in te zien dat deze strafbare feiten zijn aan te merken als een ernstig misdrijf. Verder heeft de rechtbank overwogen dat de in paragraaf C2/7.10.1 van de Vc 2000 opgenomen beleidsregel om bij de beoordeling of een vreemdeling een ernstig misdrijf heeft gepleegd te betrekken of het totaal van de opgelegde vrijheidsbenemende straffen meer dan zes maanden bedraagt, niet strookt met de Kwalificatierichtlijn. Die gaat namelijk uit van één ernstig misdrijf. Ook verder biedt de richtlijn geen aanknopingspunten voor het bij elkaar optellen van straffen voor verschillende misdrijven om zo tot een ernstig misdrijf te kunnen concluderen, aldus de rechtbank. 5. De enige grief richt zich tegen dit oordeel van de rechtbank. De staatssecretaris betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat alleen al de veroordeling van de vreemdeling voor de mishandeling van zijn echtgenote, waarvoor de in 2014 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden in 2016 alsnog ten uitvoer is gelegd, een ernstig misdrijf oplevert. Daarbij wijst hij erop dat niets eraan in de weg staat om bij die kwalificatie rekening te houden met de persoon van de dader, onder meer blijkend uit door hem gepleegde andere strafbare feiten. Hoewel de Kwalificatierichtlijn geen aanknopingspunten biedt voor de door de rechtbank bedoelde optelling, wijst de staatssecretaris erop dat het begrip 'ernstig misdrijf' daarin niet is gedefinieerd. Het staat hem daarom vrij dit begrip in zijn beleid nader vorm te geven en een zekere zwaarte van de opgelegde straffen onderdeel van dat beleid te maken, aldus de staatssecretaris. 6. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, heeft de staatssecretaris zijn standpunt dat de vreemdeling een ernstig misdrijf heeft gepleegd, niet alleen gebaseerd op misdrijven waarvoor de vreemdeling slechts voorwaardelijk is gestraft. De staatssecretaris wijst er terecht op dat de in 2014 aan de vreemdeling opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden wegens mishandeling van zijn echtgenote, in 2016 alsnog ten uitvoer is gelegd. 7. Over de vraag hoe het begrip ernstig misdrijf in artikel 17, eerste lid, aanhef en onder b, van de Kwalificatierichtlijn moet worden uitgelegd heeft het Hof van Justitie zich uitgelaten in het arrest van 13 september 2018, zaak C-369/17, ECLI:EU:C:2018:713. De voor deze zaak relevante overwegingen van het arrest zijn opgenomen in bijlage 2, die deel uitmaakt van deze uitspraak. 7.1. Uit het arrest volgt dat het begrip 'ernstig misdrijf' beperkt moet worden uitgelegd, omdat toepassing van artikel 17, eerste lid, aanhef en onder b, van de Kwalificatierichtlijn kan leiden tot uitsluiting van de subsidiaire beschermingsstatus. Daarnaast volgt uit het arrest dat de beoordeling of wegens de ernst van het gepleegde misdrijf tot uitsluiting van subsidiaire bescherming kan worden overgegaan, moet zijn gebaseerd op een volledig onderzoek naar alle omstandigheden van het specifieke geval. Die beoordeling vindt plaats aan de hand van meerdere criteria, waaronder de aard van het gepleegde feit, de veroorzaakte schade, de vraag of gebruik is gemaakt van geweld of een wapen, de mate van geweld, de gevolgde strafprocedure, de aard en duur van de opgelegde straf, het wettelijk strafmaximum en de vraag of de meeste rechterlijke instanties in andere lidstaten het gepleegde feit ook aanmerken als een ernstig misdrijf. 7.2. De aard en de duur van de opgelegde straf behoren volgens het arrest tot de criteria waarmee bij de beoordeling of sprake is van een ernstig misdrijf rekening moet worden gehouden. Het Hof stelt geen minimumeisen aan de duur van een vrijheidsbenemende straf of maatregel. Ook staat het arrest er niet aan in de weg dat de staatssecretaris bij die beoordeling rekening houdt met door een vreemdeling gepleegde andere strafbare feiten. Het beleid in paragraaf C2/7.10.1 van de Vc 2000, op grond waarvan bij meerdere veroordelingen tot een vrijheidsbenemende straf of maatregel, een ernstig misdrijf kan worden aangenomen als het totaal van die straffen of maatregelen tenminste zes maanden bedraagt en tenminste één van de veroordelingen volgens de overige criteria van dat beleid als een ernstig misdrijf kan worden aangemerkt, is dan ook op zichzelf niet in strijd met het arrest of de Kwalificatierichtlijn. 8. De staatssecretaris betoogt terecht dat de rechtbank niet heeft onderkend dat hij deugdelijk heeft gemotiveerd dat de veroordeling van de vreemdeling voor de mishandeling van zijn echtgenote als een ernstig misdrijf kan worden aangemerkt. De staatssecretaris heeft bij dit standpunt immers betrokken dat het gaat om een geweldsmisdrijf waarvoor de vreemdeling uiteindelijk een gevangenisstraf van drie maanden heeft uitgezeten. Daarbij heeft de staatssecretaris in aanmerking genomen dat uit het strafvonnis blijkt dat de vreemdeling, terwijl hij onder invloed was van zeer veel alcohol, zijn echtgenote in hun eigen huis en in aanwezigheid van hun nog jonge kinderen op grove wijze heeft bedreigd en mishandeld. Daarbij heeft de vreemdeling zijn echtgenote onder meer op de grond gegooid en haar geslagen en geschopt. Verder heeft de staatssecretaris in zijn besluit betrokken dat uit het verslag van een op 20 december 2016 tijdens de detentie van de vreemdeling gehouden gehoor blijkt dat hij de ernst van zijn gedrag niet inziet en een ontkennende houding aanneemt over zijn daden. Tot slot heeft de staatsecretaris in aanmerking genomen dat de vreemdeling na de mishandeling van zijn echtgenote opnieuw geweldsmisdrijven heeft gepleegd en daarvoor is veroordeeld. Met het vorenstaande heeft de staatsecretaris een voldoende op de zaak en de persoon van de vreemdeling toegespitste motivering gegeven als bedoeld in het arrest. 9. Gelet op wat onder 8 is overwogen en het totaal van de gevangenisstraffen voor de onder 3 vermelde geweldsmisdrijven meer dan zes maanden bedraagt, heeft de staatssecretaris zich terecht op het standpunt gesteld dat aan de voorwaarden van paragraaf C2/7.10.1 van de Vc 2000 is voldaan. Hierbij is van belang dat blijkens die paragraaf de staatssecretaris bij geweldsmisdrijven het voorwaardelijk ten uitvoer te leggen gedeelte van de straffen betrekt bij de beoordeling of aan de hiervoor bedoelde norm van meer dan zes maanden is voldaan. 10. De grief slaagt. 11. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. De staatssecretaris heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de vreemdeling is veroordeeld voor het plegen van een ernstig misdrijf. De rechtbank is echter nog niet toegekomen aan de beoordeling of de staatssecretaris niet ten onrechte tot intrekking van de vergunning van de vreemdeling is overgegaan. De Afdeling wijst de zaak daarom naar de rechtbank terug om door haar te worden behandeld, waarbij zij het oordeel van de Afdeling in deze uitspraak in acht neemt (artikel 8:115, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb). De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het hoger beroep gegrond; II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 8 augustus 2018 in zaak nr. NL17.14561; III. wijst de zaak naar de rechtbank terug. Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. J.J. van Eck, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.W. Prins, griffier. w.g. Verheij w.g. Prins voorzitter griffier Uitgesproken in het openbaar op 23 januari 2020 363-897. BIJLAGE 1 - Wettelijk kader: Kwalificatierichtlijn (PB 2011 L 337) Artikel 17 [...] 1. Een onderdaan van een derde land of staatloze wordt uitgesloten van subsidiaire bescherming wanneer er ernstige redenen zijn om aan te nemen dat: […]
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.