← Nederland

ECLI:NL:RVS:2020:233

201907027/2/V

  1. Datum uitspraak: 27 januari 2020 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht, hierna: de Awb), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van: de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verzoeker, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 16 augustus 2019 in zaak nr. 19/2689 in het geding tussen: [de vreemdeling] en de staatssecretaris. Procesverloop Bij besluit van 26 juli 2018 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Bij besluit van 2 april 2019 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 16 augustus 2019 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, bepaald dat de staatssecretaris binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen en bepaald dat de vreemdeling niet mag worden uitgezet totdat de staatssecretaris een nieuw besluit op het bezwaar heeft genomen. Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Ook heeft de staatssecretaris de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. De vreemdeling heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. Overwegingen
  2. De voorzieningenrechter verstaat het verzoek van de staatssecretaris aldus, dat hij de voorzieningenrechter verzoekt de voorlopige voorziening te treffen dat hij de uitspraak van de rechtbank niet hoeft uit te voeren totdat de Afdeling op zijn hoger beroep heeft beslist.
  3. Gelet op de belangen die de staatssecretaris en de vreemdeling naar voren hebben gebracht ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding een voorlopige voorziening te treffen. Daarbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat de staatssecretaris niet heeft gesteld of heeft toegelicht waarom uitvoering van de aangevallen uitspraak leidt tot gevolgen die zich slechts bezwaarlijk laten herstellen. De staatsecretaris heeft ook niet aangevoerd dat uitvoering van de aangevallen uitspraak betekent dat hij nader onderzoek moet verrichten zodanig, dat dit een onevenredige inspanning van zijn zijde vergt.
  4. Her verzoek wordt als kennelijk ongegrond afgewezen. De staatssecretaris moet op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten worden veroordeeld. Beslissing De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. wijst het verzoek af; II. veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 525,00 (zegge: vijfhonderdvijfentwintig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. R.C.S. Bakker, griffier. w.g. Bijloos w.g. Bakker voorzieningenrechter griffier Uitgesproken in het openbaar op 27 januari 2020 393.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.