(2000)(hierna: het Brv) luidt: "Na beëindiging van de verlening van de rechtsbijstand dient de rechtsbijstandverlener bij het bestuur een aanvraag in tot vaststelling van de vergoeding voor de verrichte werkzaamheden." 3.
- De raad hanteert bij de vaststelling van de vergoedingen voor verleende rechtsbijstand beleid, neergelegd in de werkinstructies Vaststellen. De werkinstructie behorende bij artikel 28 van het Bvr luidt, voor zover van belang: "Declaraties waarbij de rechtsbijstand tenminste 5 jaar voor de ontvangstdatum van het verzoek om vergoeding is beëindigd, zijn verjaard. Je wijst het verzoek af met tekstcode 544 […]. De periode van 5 jaar begint op 31 december van het jaar waarin de rechtsbijstand werd beëindigd en de vergoeding opeisbaar werd. Dus als de laatste werkzaamheden bijvoorbeeld zijn verricht op 1 juli 2005 en het verzoek is ontvangen op 31 december 2010 is er nog geen sprake van verjaring. De termijn begint op 31 december 2005 en verstrijkt dus pas op 1 januari 2011.[…]". 3.
- Gezien het wettelijk systeem, waarin vergoedingen als de onderhavige op aanvraag van de rechtsbijstandverlener door de raad worden vastgesteld, moet het onder 3.2 geciteerde beleid zo worden verstaan dat het aanvragen van de vaststelling van een vergoeding wordt gebonden aan een termijn van vijf jaren na beëindiging van de rechtsbijstand en dat bij overschrijding van die termijn geen vergoeding wordt toegekend. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 30 mei 2018,ECLI:NL:RVS:2018:1750) is dit beleid niet onredelijk, nu dit beleid ertoe leidt dat een redelijk overzicht wordt behouden op de besteding van publieke middelen. 3.
- Niet in geschil is dat de procedure waarvoor de toevoeging is verleend met het besluit van de IND van 18 november 2011 is geëindigd. Hiermee is de rechtsbijstand beëindigd. [appellante] kan niet worden gevolgd in haar standpunt dat de rechtsbijstand pas is beëindigd na afronding van de administratieve werkzaamheden die zij noodzakelijkerwijs heeft verricht na de verlening van de toevoeging. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen kunnen de administratieve werkzaamheden die [appellante] in 2013 en 2018 nog zou hebben verricht in verband met de afgifte en declaratie van de toevoeging, gezien de definitie van rechtsbijstand in de Wrb, niet worden aangemerkt als tijd die is besteed aan het verlenen van rechtsbijstand. Zoals de raad ter zitting van de Afdeling heeft toegelicht, kan voor die administratieve werkzaamheden een afzonderlijke vergoeding worden verkregen die losstaat van de toevoeging. De administratieve werkzaamheden die zouden zijn verricht in 2013 en 2018 maken daarmee niet dat de rechtsbijstand pas met die werkzaamheden is beëindigd. Verder maakt de omstandigheid dat de toevoeging is verleend nadat de rechtsbijstand is beëindigd, niet dat de raad in dit geval niet in redelijkheid heeft kunnen vasthouden aan de verjaringstermijn van vijf jaar na beëindiging van de rechtsbijstand. Op het moment dat de toevoeging op 14 februari 2013 werd verleend waren namelijk nog geen vijf jaren verstreken na beëindiging van de rechtsbijstand en resteerde tot en met 31 december 2016 voldoende tijd voor het aanvragen van de vaststelling van de vergoeding op basis van die toevoeging. [appellante] kan niet worden gevolgd in haar standpunt dat de raad in dergelijke gevallen de vaste gedragslijn hanteert dat de verjaringstermijn ingaat op 31 december na het verlenen van de toevoeging. De raad heeft ter zitting van de Afdeling toegelicht dat de verjaringstermijn alleen dan niet wordt tegengeworpen, indien de toevoeging is verleend vijf jaren na beëindiging van de rechtsbijstand waardoor niet meer tijdig om vaststelling van de vergoeding kan worden verzocht. Dit is aan de orde in de zaak met kenmerk 2CX0130, waarop [appellante] heeft gewezen. In die zaak was het, anders dan in deze zaak, niet mogelijk binnen de verjaringstermijn een declaratie in te dienen. De raad kan worden gevolgd in zijn standpunt dat om die reden geen sprake is van een met deze zaak vergelijkbaar geval. Verder heeft de raad bevestigd dat de overige twee door [appellante] genoemde gevallen (met kenmerken 2DS1170 en 2DC5461) wel met deze zaak vergelijkbaar zijn en dat in die zaken in weerwil van het beleid vergoedingen zijn verstrekt. De raad heeft hierbij echter aangegeven dat het in beide zaken gaat om misslagen. Aangezien de raad niet is gehouden een gemaakte fout te herhalen, komt aan de omstandigheid dat in deze zaken wel een vergoeding is toegekend, niet de betekenis toe die [appellante] daaraan gehecht wenst te zien. 3.
- De raad kan dan ook worden gevolgd in zijn standpunt dat de termijn om de werkzaamheden op basis van de aan [cliënt] verleende toevoeging te kunnen declareren begon op 31 december 2011 en liep tot en met 31 december
- De aanvraag om vaststelling van de vergoeding van 31 december 2018 is twee jaar na afloop van de verjaringstermijn ingediend. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de raad de aanvraag in redelijkheid om die reden heeft kunnen afwijzen. 3.
- Het betoog faalt. 3.
- Uit het voorgaande volgt dat hetgeen [appellante] overigens betoogt, geen bespreking behoeft.
- Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. R.J.J.M. Pans, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. Y.M. van Soest-Ahlers, griffier. Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen. De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen. Uitgesproken in het openbaar op 28 oktober 2020 343-902.