(2016)755; hierna: de Richtsnoeren), hoewel niet bindend, van belang. In die Richtsnoeren staat dat een stelsel van zorgvuldigheidseisen kan worden omschreven als een goed gedocumenteerde en geteste stapsgewijze methode die ook controlemechanismen omvat en die beoogt consistente en wenselijke resultaten te produceren binnen een bedrijfsproces. Volgens de Richtsnoeren veronderstellen goede praktijken een jaarlijkse evaluatie van zo’n stelsel. Kortom, ook de Europese Commissie gaat, voor het stelsel van zorgvuldigheidseisen, uit van een duurverplichting. Dat betekent ook dat de hoedanigheid van marktdeelnemer niet alleen bestaat op het moment van daadwerkelijke import, maar ook daarna in beginsel behouden blijft. 7.1.
- De Houtverordening regelt niet de duur van de hoedanigheid als marktdeelnemer. Voor een effectieve toepassing van de bepalingen die samenhangen met de zorgvuldigheidsverplichting en met het oog op de rechtszekerheid, acht de Afdeling het wenselijk een bewijsvermoeden te hanteren. Degene die voor de eerste maal hout of houtproducten op de interne markt heeft geleverd en daarmee marktdeelnemer wordt, wordt vermoed die hoedanigheid gedurende twee jaar te behouden. Het staat hem echter vrij het bewijs te leveren dat hij die hoedanigheid eerder heeft verloren, bijvoorbeeld door aannemelijk te maken dat de eerste levering een éénmalig of anderszins incidenteel karakter had. Omgekeerd staat het de minister of derden vrij het bewijs te leveren dat iemand de hoedanigheid van marktdeelnemer ook na die twee jaar heeft behouden. Met deze uitspraak is voor een ieder die voor het eerst hout of houtproducten op de interne markt levert kenbaar dat op hem gedurende die termijn in beginsel de zorgvuldigheidsverplichting rust, hetgeen de rechtszekerheid dient. Bij het bepalen van de duur van deze marktdeelnemerschapstermijn heeft de Afdeling verder in aanmerking genomen dat toezichthoudende organisaties de verplichting hebben om een stelsel van zorgvuldigheidseisen in stand te houden en op gezette tijden te evalueren. Dit is een verplichting die niet wezenlijk verschilt van de verplichting die op de marktdeelnemer rust op grond van artikel 4, derde lid, van de Houtverordening. De termijn van twee jaar voor het behoud van de hoedanigheid van marktdeelnemer sluit aan bij de in artikel 6, eerste lid, van de Uitvoeringsverordening neergelegde minimale frequentie waarmee de minister dient te controleren of de toezichthoudende organisaties deze verplichting uit de Houtverordening naleven. De Afdeling acht een kortere termijn, bijvoorbeeld de in artikel 2 van de Uitvoeringsverordening genoemde termijn van twaalf maanden, te kort. Daarbij is van belang dat, zoals de minister ter zitting van de Afdeling heeft toegelicht, marktdeelnemers op vrij eenvoudige wijze handelaren kunnen worden als bedoeld in artikel 2, aanhef en onder d, van de Houtverordening en zich op die manier aan de zorgvuldigheidsverplichting zouden kunnen onttrekken. Een langere beginseltermijn dan twee jaar acht de Afdeling evenmin passend, omdat, zoals hiervoor is overwogen, een ieder ongeacht zijn (bedrijfs)activiteiten marktdeelnemer kan zijn. 7.1.
- De conclusie is dat uit het samenstel van de bepalingen uit de Houtverordening die samenhangen met de zorgvuldigheidsverplichting, in het licht van de doelstelling van de Houtverordening en in het licht van de verplichting om een effectieve toepassing van de Houtverordening te verzekeren, volgt dat de zorgvuldigheidsverplichting uit twee componenten bestaat. Dat betekent dat het niet-naleven van de zorgvuldigheidsverplichting door een marktdeelnemer kan leiden tot twee afzonderlijke overtredingen. Enerzijds gaat het dan om overtreding van artikel 4, tweede lid, van de Houtverordening en anderzijds om overtreding van artikel 4, derde lid, van de Houtverordening. 7.1.
- Indien een overtreding van artikel 4, tweede lid, is geconstateerd, dan is het mogelijk om een last onder dwangsom ter voorkoming van herhaling op te leggen, waarbij het hiervoor onder 6.2.8 neergelegde toetsingskader geldt. Daarbij kan, in het verlengde van hetgeen is overwogen in 7.1.5 over het marktdeelnemerschap, als uitgangspunt worden gehanteerd dat gedurende twee jaar na het plaatsvinden van de import in strijd met artikel 4, tweede lid, nog een herstelsanctie kan worden opgelegd ter voorkoming van herhaling van die overtreding 7.1.
- Voor overtreding van artikel 4, derde lid, van de Houtverordening geldt dat een last onder dwangsom kan worden opgelegd om een marktdeelnemer te bewegen om een zorgvuldigheidsstelsel te handhaven en te evalueren. Zoals in 7.1.5 is overwogen, kan worden aangenomen dat degene die hout heeft geïmporteerd in beginsel gedurende twee jaren daarna als marktdeelnemer kan worden aangemerkt. 7.1.
- Uit hetgeen hiervoor onder 7.1.
- is overwogen volgt dat de Afdeling de opvatting van de minister niet deelt dat artikel 4, derde lid, van de Houtverordening niet zelfstandig, dus zonder een overtreding van artikel 4, tweede lid, kan worden gehandhaafd en dat niet goed valt in te zien hoe de controle op de naleving van de verplichting uit artikel 4, derde lid, van de Houtverordening zou moeten plaatsvinden. De Afdeling heeft notie genomen van de stelling van de minister dat een stelsel van zorgvuldigheidseisen moet worden gevuld met informatie over hout of houtproducten per oorsprongsland en dat de te betrachten voorzorg per oorsprongsland verschilt. Dat is op zich juist, maar deze constatering neemt niet weg dat een marktdeelnemer, hetgeen in beginsel niet een kortstondige hoedanigheid is, in algemene zin een bedrijfsproces zo kan inrichten dat een zorgvuldigheidsstelsel daarvan deel uitmaakt. Dat valt ook af te leiden uit de definitie die de Europese Commissie in haar Richtsnoeren hanteert voor het stelsel van zorgvuldigheidseisen, waarbij in het kader van de evaluatie dient te worden gecontroleerd of degenen die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van de afzonderlijke procedurestappen deze begrijpen en uitvoeren, en of er voldoende controles plaatsvinden om te waarborgen dat de procedures in de praktijk doeltreffend zijn. Bovendien verschilt de verplichting van toezichthoudende organisaties om een zorgvuldigheidsstelsel in stand te houden en te evalueren, zoals hiervoor onder 7.1.5 is overwogen, niet wezenlijk van de verplichting van de marktdeelnemer op grond van artikel 4, derde lid, van de Houtverordening. Hoewel toezichthoudende organisaties geen hout of houtproducten importeren, dient de minister wel toe te zien op de naleving van deze verplichting uit de Houtverordening door deze organisaties. - De bevoegdheid te handhaven bij elk van de bedrijven 7.1.
- Met inachtneming van de overwegingen 7.1.3 tot en met 7.1.9 dient dus te worden bezien of de bij de vijf bedrijven geconstateerde overtredingen van de Houtverordening ten tijde van de heroverweging nog zijn te beëindigen, ongedaan te maken, of te voorkomen, als bedoeld in artikel 5:2, tweede lid, aanhef en onder b, van de Awb. 7.1.
- Voor [bedrijf D] staat vast dat op 1 oktober 2019 het faillissement is uitgesproken. Gelet op dit feit valt bij dit bedrijf geen overtreding meer te beëindigen, ongedaan te maken of te voorkomen. De rechtsgevolgen van het besluit van 30 oktober 2017 voor zover het ziet op [bedrijf D] kunnen daarom in stand blijven. De Afdeling ziet geen aanleiding om, zoals Greenpeace betoogt, in het kader van deze procedure te bezien of de minister ondanks het faillissement van dit bedrijf, bevoegd is handhavend op te treden tegen de feitelijk leidinggevende van het bedrijf. Zo nodig kan Greenpeace wegens overtredingen van eventuele rechtsopvolgers een nieuw handhavingsverzoek indienen. 7.1.
- Verder heeft de minister ter zitting van de Afdeling verklaard dat voor de bedrijven Global Wood en [bedrijf C] een alert is opgenomen in de douanesystemen, hetgeen betekent dat de douane de minister inseint zodra een houtimport door één van deze bedrijven plaatsvindt. Ook ontvangt hij halfjaarlijkse rapportages van de douane over de houtimport en controleert hij de douanegegevens daarnaast met enige regelmaat zelf. Volgens de minister heeft Global Wood sinds de laatste import van 20 januari 2014 geen hout meer geïmporteerd. [bedrijf C] heeft voor het laatst op 18 december 2014 hout geïmporteerd. Naar het oordeel van de Afdeling kan, met inachtneming van hetgeen onder 7.1.5 is overwogen, van deze twee bedrijven worden vastgesteld dat zij de hoedanigheid van marktdeelnemer inmiddels hebben verloren. Er bestaan geen aanwijzingen dat deze bedrijven, ondanks de ommekomst van een termijn van twee jaar de hoedanigheid van marktdeelnemer hebben behouden. Voor [bedrijf C] komt daar nog bij dat de eigenaar van dit bedrijf is overleden, het bedrijf in liquidatie is en dat het bedrijf alleen nog staat ingeschreven bij de Kamer van Koophandel om te komen tot een financiële afwikkeling. Ook bij deze twee bedrijven ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat nog een overtreding valt te beëindigen, ongedaan te maken of te voorkomen. De rechtsgevolgen van het besluit van 30 oktober 2017 kunnen voor zover het ziet op deze twee bedrijven in stand blijven. 7.1.
- Voor [bedrijf B] lijkt het er, gelet op de bij besluiten van 7 september en 4 november 2018 opgelegde lasten onder dwangsom, op dat zij haar hoedanigheid van marktdeelnemer niet heeft verloren. Datzelfde geldt, gelet op de bij besluit van 7 maart 2019 opgelegde last onder dwangsom, voor Nailtra. Met de vaststelling dat zowel [bedrijf B] als Nailtra de hoedanigheid van marktdeelnemer hebben behouden, zou de in artikel 4, derde lid, van de Houtverordening neergelegde verplichting op deze bedrijven rusten. Aldus lijkt voor deze twee bedrijven in beginsel een bevoegdheid tot handhavend optreden te bestaan. De minister dient dit bij zijn nieuw te nemen besluit aan de hand van het in overwegingen 7.1.5 en 7.1.6 opgenomen toetsingskader na te gaan. ii. De voor [bedrijf B] en Nailtra bij de heroverweging te betrekken feiten en omstandigheden 7.
- Voor het geval dat de minister bij [bedrijf B] en Nailtra tot de conclusie komt dat hij, na de eerdere onrechtmatige afwijzing van het handhavingsverzoek van Greenpeace, in het kader van de heroverweging bevoegd is om handhavend op te treden, geldt het volgende. 7.2.
- Zoals uit overweging 6.2.5 volgt, dient het resultaat van de heroverweging te leiden tot een doeltreffende, afschrikwekkende en evenredige handhaving van artikel 4, tweede en derde lid, van de Houtverordening. Omdat de heroverweging in bezwaar bij sanctiebesluiten een tweeslag kent, heeft de minister bij zijn heroverweging ook feiten en omstandigheden te betrekken die zich ná het besluit van 30 december 2014 hebben voorgedaan, maar alleen voor zover doel en strekking van de te handhaven bepalingen of voor zover fundamentele rechtsbeginselen zich daartegen niet verzetten. 7.2.
- De minister heeft in de situatie van Nailtra, gelet op de vorige overweging, de zienswijze van 9 mei 2016 op het voornemen om een last onder dwangsom op te leggen en de daarbij overgelegde verklaring van UniflorestaConsult terecht bij zijn eerdere heroverweging betrokken. UniflorestaConsult is een Braziliaans bedrijf dat, zo stelt zij in haar verklaring, een verificatieprocedure uitvoert van de legale herkomst van Braziliaans hout. De minister zal deze omstandigheden ook bij zijn nieuwe heroverweging moeten betrekken, maar daarnaast andere feiten en omstandigheden die van belang kunnen zijn voor de beoordeling of hij het besluit van 30 december 2014 voor zover het Nailtra betreft dient te herroepen en in de plaats daarvan in zoverre een nieuw handhavingsbesluit moet nemen. Daarbij mag het te bereiken resultaat van de heroverweging wat betreft de naleving van de zorgvuldigheidsverplichting neergelegd in zowel artikel 4, tweede, als artikel 4, derde lid, van de Houtverordening niet uit het oog worden verloren. Dat geldt ook voor de heroverweging die de minister bij [bedrijf B] nog dient te maken. 7.2.
- De minister heeft zich in dit verband nog op het standpunt gesteld dat de eerder aan [bedrijf B] en Nailtra bij besluiten van 7 september en 4 november 2018 en 7 maart 2019 opgelegde lasten onder dwangsom in verband met artikel 5:6 Awb in de weg staan aan het in de heroverweging in bezwaar alsnog nemen van een besluit tot oplegging van een last onder dwangsom. Dat standpunt volgt de Afdeling niet. De minister heeft eerder het standpunt ingenomen dat hij alleen het niet-naleven van artikel 4, tweede lid, als zelfstandige overtreding ziet, maar niet het niet-naleven van artikel 4, derde lid, van de Houtverordening (zie overweging 7.1.10). De Afdeling houdt het er daarom voor dat de bij besluiten van 7 september en 4 november 2018 en 7 maart 2019 opgelegde lasten onder dwangsom zijn opgelegd wegens overtreding van artikel 4, tweede lid, van de Houtverordening. 7.2.
- Zoals de Afdeling hiervoor onder 7.1.7 en 7.1.9 heeft geconcludeerd, houdt artikel 4, derde lid, van de Houtverordening een zelfstandige duurverplichting in tot het handhaven en evalueren van het stelsel van zorgvuldigheidseisen. Niet-naleving van deze verplichting levert een (zelfstandige) overtreding van artikel 4, derde lid, van de Houtverordening op. Dat de minister eerder besluiten tot het opleggen van lasten onder dwangsom heeft genomen wegens overtreding van artikel 4, tweede lid, van de Houtverordening, staat niet in de weg aan de bevoegdheid van de minister om zo nodig een besluit te nemen tot oplegging van een last onder dwangsom wegens overtreding van artikel 4, derde lid, van de Houtverordening, omdat dit niet een wegens dezelfde overtreding opgelegde herstelsanctie is als bedoeld in artikel 5:6 Awb. iii. Conclusie beroep Greenpeace 7.
- Het beroep van Greenpeace is gegrond. Het besluit van de minister van 30 oktober 2017 komt voor vernietiging in aanmerking. De Afdeling ziet, gelet op de overwegingen 7.1.12 en 7.1.13 aanleiding om de rechtsgevolgen van het besluit van 30 oktober 2017 voor zover het ziet op de bedrijven [bedrijf D], Global Wood en [bedrijf C] in stand te laten. De minister dient met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van Greenpeace tegen het besluit van 30 december 2014 voor zover daarbij het verzoek is afgewezen voor de bedrijven Nailtra en [bedrijf B]. VIII. Eindconclusie
- Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover daarbij het beroep van Greenpeace gegrond is verklaard, daarbij het besluit van 30 oktober 2017 is vernietigd met betrekking tot [bedrijf D], Global Wood, Nailtra, [bedrijf C] en [bedrijf B] en de minister is opgedragen in zoverre een nieuw besluit op het bezwaar te nemen. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 30 oktober 2017 van de minister in zoverre alsnog gegrond verklaren. Dat besluit komt voor vernietiging in aanmerking, voor zover het ziet op [bedrijf D], Global Wood, Nailtra, [bedrijf C] en [bedrijf B]. De Afdeling zal bepalen dat de rechtsgevolgen van dat besluit gedeeltelijk in stand blijven, te weten voor zover het besluit ziet op [bedrijf D], Global Wood en [bedrijf C]. De minister dient een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen voor zover het de bedrijven Nailtra en [bedrijf B] betreft. Daartoe zal de Afdeling een termijn stellen. 8.
- Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil ziet de Afdeling verder aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen het nieuwe besluit slechts bij haar beroep kan worden ingesteld. 8.1.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding, mede omdat de aangevallen uitspraak voor zover deze ziet op de proceskostenveroordeling in stand blijft. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het hoger beroep gegrond; II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 12 maart 2019 in zaken nrs. 17/6266, 17/6270, 17/6271, 17/6273, 17/6276 en 17/6321, voor zover daarbij het besluit van 30 oktober 2017 is vernietigd voor zover het ziet op [bedrijf D], Global Wood B.V., Nailtra B.V., [bedrijf C] en [bedrijf B] en de minister is opgedragen in zoverre een nieuw besluit op het bezwaar te nemen; III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep voor zover het betreft [bedrijf D], Global Wood B.V., Nailtra B.V., [bedrijf C] en [bedrijf B] gegrond; IV. vernietigt het besluit van de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 30 oktober 2017, kenmerk 492-23228, 494-3732, 3734, 3735, 3736, 3737, 3738 en 3739, voor zover het ziet op [bedrijf D], Global Wood B.V., Nailtra B.V., [bedrijf C] en [bedrijf B]; V. bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand blijven voor zover het ziet op [bedrijf D], Global Wood B.V. en [bedrijf C]; VI. draagt de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit op om binnen twaalf weken na de dag van verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen een nieuw besluit te nemen ten aanzien van Nailtra B.V. en [bedrijf B]; VII. bepaalt dat tegen het nieuw te nemen besluit slechts bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld. Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven, voorzitter, en mr. T.G.M. Simons, mr. N. Verheij, mr. G.T.J.M. Jurgens en mr. R.W.L. Koopmans, leden, in tegenwoordigheid van mr. R. Grimbergen, griffier. w.g. Van Ettekoven w.g. Grimbergen voorzitter griffier Uitgesproken in het openbaar op 28 oktober 2020
- BIJLAGE Verordening (EU) nr. 995/2010 van het Europees parlement en de raad van 20 oktober 2010 tot vaststelling van de verplichtingen van marktdeelnemers die hout en houtproducten op de markt brengen Artikel 2 Voor de toepassing van deze verordening gelden de volgende definities: […]; b) "op de markt brengen": het op enigerlei wijze, ongeacht de gebruikte verkooptechniek, voor de eerste maal leveren van hout of houtproducten op de interne markt met het oog op distributie of gebruik in het kader van een handelsactiviteit, hetzij tegen betaling hetzij kosteloos. Hieronder wordt ook verstaan het leveren door middel van communicatie op afstand als bedoeld in Richtlijn 97/7/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 1997 betreffende de bescherming van de consument bij op afstand gesloten overeenkomsten. De levering op de interne markt van houtproducten die zijn afgeleid van hout of houtproducten die reeds op de interne markt zijn gebracht, geldt niet als „op de markt brengen"; c) "marktdeelnemer": een natuurlijke of rechtspersoon die hout of houtproducten op de markt brengt; d) "handelaar": een natuurlijke of rechtspersoon die in het kader van een handelsactiviteit op de interne markt hout of houtproducten koopt of verkoopt die reeds op de interne markt zijn gebracht; […]. Artikel 4
- Het op de markt brengen van illegaal gekapt hout of producten van dergelijk hout is verboden.
- De marktdeelnemers betrachten zorgvuldigheid wanneer zij hout of houtproducten op de markt brengen. Daartoe passen zij een geheel van procedures en maatregelen toe, hierna "stelsel van zorgvuldigheidseisen" genoemd, dat in artikel 6 wordt omschreven.
- Iedere marktdeelnemer handhaaft en evalueert op gezette tijden het stelsel van zorgvuldigheidseisen dat hij gebruikt, behalve wanneer de marktdeelnemer gebruikmaakt van een stelsel van zorgvuldigheidseisen dat is ingevoerd door een toezichthoudende organisatie als bedoeld in artikel
- Bestaande stelsels van toezicht uit hoofde van nationale wetgeving en vrijwillige mechanismen voor doorlopende controle in de gehele toeleveringsketen, die voldoen aan de voorwaarden in deze verordening, kunnen als basis dienen voor het stelsel van zorgvuldigheidseisen. Artikel 6
- Het in artikel 4, lid 2, bedoelde stelsel van zorgvuldigheidseisen behelst de volgende elementen: a) maatregelen en procedures om toegang te bieden tot de volgende informatie over de partij hout en houtproducten van de marktdeelnemer die op de markt worden gebracht: - beschrijving, met inbegrip van de handelsnaam en het type product alsmede de gebruikelijke benaming van de boomsoort en, indien van toepassing, de volledige wetenschappelijke benaming daarvan, - land waar het hout is gekapt en, indien van toepassing: - i) het subnationale gebied waar het hout is gekapt; alsmede ii) de kapconcessie, - hoeveelheid (uitgedrukt in omvang, gewicht of aantal eenheden), - naam en adres van de persoon die het hout aan de marktdeelnemer heeft geleverd, - naam en adres van de handelaar aan wie het hout of de producten daarvan zijn geleverd, - documenten of andere informatie waaruit blijkt dat het hout of de houtproducten in overeenstemming met de toepasselijke wetgeving zijn; b) risicobeoordelingsprocedures die de marktdeelnemer in staat stellen om het risico dat illegaal gekapt hout of houtproducten van dergelijk hout op de markt worden gebracht, te analyseren en in te schatten. In dergelijke procedures wordt rekening gehouden met de informatie onder a), alsook de relevante risicobeoordelingscriteria, waaronder: - verzekering van de naleving van de geldende wetgeving, die certificering kan omvatten of andere door derde partijen gecontroleerde regelingen die de naleving van geldende wetgeving betreffen, - prevalentie van illegale kap van specifieke boomsoorten, - prevalentie van illegale kap of praktijken in het land en/of het subnationale gebied waar het hout gekapt is, inclusief de inachtneming van de prevalentie van gewapende conflicten, - sancties op de in- of uitvoer van hout, opgelegd door de Veiligheidsraad van de VN of de Raad van de Europese Unie, - de complexiteit van de toeleveringsketen van hout en houtproducten; c) behalve wanneer het bij onder b) bedoelde risicobeoordelingsprocedures onderkende risico verwaarloosbaar is, risicobeperkingsprocedures welke bestaan in een geheel van maatregelen en procedures die in verhouding staan tot dat risico en die toereikend zijn om het effectief te minimaliseren, in voorkomend geval door het verlangen van bijkomende informatie of bescheiden en/of door het verlangen van controle door derden. […]. Artikel 8
- Een toezichthoudende organisatie moet: a) een stelsel van zorgvuldigheidseisen als uiteengezet in artikel 6 in stand houden en op gezette tijden evalueren en marktdeelnemers het recht verlenen daarvan gebruik te maken; b) toezien op het correcte gebruik van haar stelsel van zorgvuldigheidseisen door die marktdeelnemers; c) passende maatregelen nemen indien een marktdeelnemer nalaat naar behoren gebruik te maken van haar stelsel van zorgvuldigheidseisen, waaronder het verwittigen van de bevoegde autoriteiten in geval van aanzienlijke of herhaalde nalatigheid van de marktdeelnemer. […].
- De bevoegde autoriteiten voeren op gezette tijden controles uit om na te gaan of de toezichthoudende organisaties die binnen het rechtsgebied van de bevoegde autoriteiten werkzaam zijn, nog altijd de in lid 1 genoemde taken vervullen en de in lid 2 genoemde eisen naleven. Controles mogen ook worden uitgevoerd wanneer de bevoegde autoriteit beschikt over relevante informatie, met inbegrip van concrete aanwijzingen van derden, of wanneer de bevoegde autoriteit heeft geconstateerd dat marktdeelnemers tekortschieten bij de tenuitvoerlegging van het door een toezichthoudende organisatie ingevoerde stelsel van zorgvuldigheidseisen. Een verslag van de controles wordt overeenkomstig Richtlijn 2003/4/EG toegankelijk gemaakt. […]. Artikel 19
- De lidstaten stellen regels vast inzake de sancties die van toepassing zijn bij inbreuken op de bepalingen van deze verordening en nemen alle maatregelen die noodzakelijk zijn om ervoor te zorgen dat ze worden uitgevoerd.
- De sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn en kunnen onder andere omvatten: a) boetes die evenredig zijn aan de milieuschade, aan de waarde van het betrokken hout of de betrokken houtproducten en aan de belastingderving en economische nadelen die het gevolg zijn van de inbreuk; het niveau van deze boetes wordt zo berekend dat wordt gewaarborgd dat aan de verantwoordelijke personen de economische voordelen die zij aan hun ernstige inbreuken te danken hebben, effectief worden ontnomen, onverminderd hun legitieme recht een beroep uit te oefenen; bij herhaling van een ernstige inbreuk worden de boetes geleidelijk verhoogd; b) de inbeslagname van het betrokken hout en de betrokken houtproducten; c) onmiddellijke schorsing van de vergunning tot uitoefening van commerciële activiteiten. […]. Uitvoeringsverordening (EU) nr. 607/2012 van de Commissie van 6 juli 2012 houdende gedetailleerde voorschriften betreffende het stelsel van zorgvuldigheidseisen en de frequentie en de aard van de controles op de toezichthoudende organisaties overeenkomstig Verordening (EU) nr. 995/2010 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van de verplichtingen van marktdeelnemers die hout en houtproducten op de markt brengen Artikel 2
- De marktdeelnemers passen het stelsel van zorgvuldigheidseisen toe op elke afzonderlijke door een bepaalde leverancier binnen een periode van maximaal 12 maanden geleverde soort hout of houtproduct, op voorwaarde dat de boomsoort, het land of de landen van oorsprong, of in voorkomend geval de subnationale regio('s) en de kapconcessie(s) ongewijzigd zijn gebleven. […]. Artikel 6 De bevoegde autoriteiten waarborgen dat de controles op gezette tijden als bedoeld in artikel 8, lid 4, van Verordening (EU) nr. 995/2010 ten minste om de twee jaar worden uitgevoerd. […]. Wet natuurbescherming Artikel 4.7 EU-verordeningen en EU-richtlijnen als bedoeld in artikel 4.8 zijn: […]; b. verordening (EU) nr. 995/2010 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 20 oktober 2010 tot vaststelling van de verplichtingen van marktdeelnemers die hout en houtproducten op de markt brengen (PbEU L 2010, 295); c. verordeningen die berusten op de verordening, bedoeld in onderdeel a of b, […]. Artikel 4.8
- Het is verboden in strijd te handelen met bij ministeriële regeling aangewezen voorschriften van EU-verordeningen. […]. Artikel 7.2 […].
- Onze Minister is bevoegd tot het opleggen van een last onder bestuursdwang in plaats van gedeputeerde staten ter handhaving van het bepaalde bij of krachtens: a. […]; b. de artikelen 3.2, eerste lid, 3.6, eerste lid, 3.7, eerste lid, 3.24, eerste, tweede, vierde of vijfde lid, 3.26, 3.27, 3.30, eerste, tweede, derde of vijfde lid, 3.31, 3.35, 3.37, 3.38, 3.39, 4.8, of 7.4, eerste en vierde lid; c. […]. Artikel 7.5
- Onverminderd artikel 7.2 en artikel 117 van het Wetboek van Strafvordering kan Onze Minister onverwijld maatregelen treffen ten aanzien van hout of houtproducten die in strijd met het bepaalde bij of krachtens deze wet zijn ingevoerd of op de markt zijn gebracht. Deze maatregelen kunnen inhouden het in bewaring nemen van het hout of van het houtproduct, of een besluit houdende oplegging van; a. een verbod tot het vervoeren, be- of verwerken of in het verkeer brengen; b. de verplichting tot tijdelijke opslag; c. de verplichting tot terugzending naar het land van uitvoer of herkomst; d. de verplichting om houders, dan wel vermoedelijke houders van het hout of het houtproduct onverwijld en op doeltreffende wijze op de hoogte te stellen; e. de verplichting om het hout of het houtproduct dat in het verkeer is gebracht op te halen of centraal op te slaan; f. de verplichting tot het identificeren en registreren van het hout of het houtproduct. […]. Artikel 7.6
- In dit artikel wordt onder overtreding verstaan: gedraging met betrekking tot de administratie, de verstrekking van gegevens of het merken van dieren, planten, eieren, hout of houtproducten die in strijd is met het bepaalde bij of krachtens artikel 3.37, 3.38 of 4.8, in bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen.
- Onze Minister kan een overtreder een bestuurlijke boete opleggen. […]. Artikel 9.10 […].
- De op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet aanhangige bezwaarschriften die betrekking hebben op het nemen van een besluit krachtens de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet of de Boswet, zijn aanhangig in de staat waarin zij zich op dat moment bevinden en worden vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet overeenkomstig het bepaalde bij en krachtens deze wet behandeld. Regeling natuurbescherming Artikel 4.1
- Als voorschriften als bedoeld in artikel 4.8, eerste lid, van de wet worden aangewezen: […]. b. de artikelen 4 en 5 van verordening (EU) nr. 995/2010 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 20 oktober 2010 tot vaststelling van de verplichtingen van marktdeelnemers die hout en houtproducten op de markt brengen (PbEU 2010, L 295).