201902715/1/R3. Datum uitspraak: 9 december 2020 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: Stichting "De Grijpvogel", gevestigd te Oldeberkoop, gemeente Ooststellingwerf, appellante, en de raad van de gemeente Ooststellingwerf, verweerder. Procesverloop In het besluit van 26 februari 2019 heeft de raad het bestemmingsplan "Wolvegasterweg 10, Oldeberkoop" vastgesteld. Tegen dit besluit heeft de stichting beroep ingesteld. De raad heeft een verweerschrift ingediend. De stichting heeft nadere stukken ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 oktober 2020, waar de stichting, vertegenwoordigd door [gemachtigde], en de raad, vertegenwoordigd door drs. B. Pijlman, zijn verschenen. Overwegingen Inleiding 1. Het plan voorziet in de realisering van maximaal drie vrijstaande woningen, dan wel maximaal twee vrijstaande woningen en één woongebouw met daarin maximaal zes woningen op de locatie van het voormalige buurthuis De Blughut aan de Wolvegasterweg 10 in Oldeberkoop (hierna: het perceel). [bedrijf] is de projectontwikkelaar van de voorziene woningen. 2. De stichting heeft zich vanaf eind 2013 ingezet om op het perceel huisvesting voor in het bijzonder senioren te ontwikkelen. Zij heeft daartoe namens de projectgroep "Wonen op de Bult" op 29 februari 2016 bij het college van burgemeester en wethouders van Ooststellingwerf een plan met dezelfde naam ingediend voor het aldaar realiseren van achttien huurwoningen voor in het bijzonder senioren. De stichting kan zich er niet mee verenigen dat in het bestemmingsplan de realisering van deze achttien huurwoningen niet is mogelijk gemaakt, maar wel het plan van [bedrijf], bestaande uit het ter plaatse realiseren van drie vrijstaande woningen, dan wel twee vrijstaande woningen en één woongebouw. Ontvankelijkheid 3. De raad stelt zich op het standpunt dat het beroep van de stichting niet-ontvankelijk is, omdat de stichting geen belang heeft bij het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan. In de eerste plaats stelt de raad dat de stichting niet kan worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), omdat de stichting geen eigenaar, zakelijk gerechtigde of gebruiker is van grond of opstallen in het plangebied of in de omgeving van het plangebied. Het perceel is eigendom van de gemeente en in 2015 is een proces tot verkoop van het perceel gestart, waarbij zowel de stichting als [bedrijf] zich als geïnteresseerde partijen hebben gemeld. Door de gemeente is na een afwegings- en besluitvormingsproces besloten om met [bedrijf] te onderhandelen over de verkoop van het perceel. Volgens de raad richt het beroep van de stichting zich in hoofdzaak op het voornoemde verkoopproces en de uitkomst daarvan. Daarnaast kan de stichting volgens de raad niet worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, derde lid, van de Awb, omdat de stichting krachtens haar statutaire doelstelling en blijkens haar feitelijke werkzaamheden geen rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken algemeen of collectief belang in het bijzonder behartigt. 3.1. Uit artikel 8:1 van de Awb, gelezen in samenhang met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb, volgt dat uitsluitend belanghebbenden bij de Afdeling beroep kunnen instellen tegen het bestreden besluit. Artikel 1:2, eerste lid, van de Awb luidt: "Onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken." Artikel 1:2, derde lid, van de Awb luidt: "Ten aanzien van rechtspersonen worden als hun belangen mede beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen." 3.2. De Afdeling stelt vast dat de stichting haar belang bij het bestreden besluit niet kan ontlenen aan een eigendomsrecht of ander zakelijk recht op het perceel of op gronden in de omgeving van het perceel. De enkele omstandigheid dat de stichting betrokken is geweest bij de ontwikkeling van een alternatief plan voor achttien huurwoningen op het perceel, is naar het oordeel van de Afdeling onvoldoende om als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb te worden aangemerkt. Hoewel de Afdeling eerder heeft overwogen dat een voorkeursrecht in combinatie met nog andere bijkomende relevante omstandigheden grond kan opleveren voor het hebben van een concreet en economisch belang bij een besluit en daarmee van het zijn van belanghebbende daarbij (vergelijk de uitspraken van de Afdeling van 29 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:300 en 23 januari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:187), is van een voorkeursrecht en dergelijke bijkomende omstandigheden in dit geval geen sprake. 3.3. Voor zover de stichting opkomt voor een algemeen belang dat zij beoogt te behartigen, overweegt de Afdeling het volgende. Voor het beantwoorden van de vraag of een rechtspersoon belanghebbende is als bedoeld in artikel 1:2, derde lid, van de Awb, is bepalend of de rechtspersoon krachtens zijn statutaire doelstelling en blijkens zijn feitelijke werkzaamheden een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken algemeen of collectief belang in het bijzonder behartigt. Met artikel 1:2, derde lid, van de Awb heeft de wetgever blijkens de totstandkomingsgeschiedenis (Kamerstukken II 1988/1989, 21 221, nr. 3, p. 32-35) veilig willen stellen dat organisaties als belanghebbende kunnen opkomen, mits een algemeen of collectief belang dat zij zich statutair ten doel stellen te behartigen en waarvoor zij zich daadwerkelijk inzetten, bij het besluit rechtstreeks is betrokken. 3.4. De doelstelling van de stichting is blijkens artikel 2, eerste lid, van haar statuten: "
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.