(3). Over de bestaande brutovloeroppervlakte van gebruik voor detailhandel van het koopcentrum heeft de raad verder toegelicht dat dit is bepaald aan de hand van een tekening behorend bij de vergunning voor het koopcentrum. Op de tekening is de indeling in winkelruimten met de bijbehorende oppervlakten te zien. Omdat aan de indeling van het koopcentrum nadien niets is gewijzigd, is deze tekening gebruikt, aldus de raad. De raad heeft verder toegelicht dat hij heeft beoogd om te regelen dat het gebruik voor detailhandel in niet-dagelijkse goederen en perifere detailhandel na beëindiging weer aangevangen kan worden en dat de omvang van het gebruik in die specifieke vormen kan toenemen of afnemen, zolang de totale bestaande brutovloeroppervlakte van het koopcentrum ten tijde van de inwerkingtreding van dit plan niet wordt overschreden. Voor gebruik voor detailhandel in dagelijkse goederen heeft de raad ook willen regelen dat het na beëindiging weer kan aanvangen, behalve als met toepassing van de wijzigingsbevoegdheid uit artikel 3, lid 3.6.2, onder b, dit gebruik is omgezet naar een gebruik in niet-dagelijkse goederen. Verder heeft de raad de brutovloeroppervlakte van het specifieke gebruik van detailhandel in dagelijkse goederen willen bepalen op maximaal de brutovloeroppervlakte ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerpplan. 11.2. Artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder j, luidt: "De voor `Bedrijventerrein -1´ aangewezen gronden zijn bestemd voor: j. bestaande detailhandel uitsluitend ter plaatse van de adressen zoals opgenomen in Legale detailhandel tot maximaal de bestaande brutovloeroppervlakte uitsluitend in de aangegeven categorie/ vorm van detailhandel;" Artikel 3, lid 3.4.3, luidt: "In afwijking van het bepaalde in artikel 3.1 sub j mogen de genoemde bestaande legale detailhandelsbedrijven hun brutovloeroppervlak met maximaal 10% uitbreiden." 11.3. Naar het oordeel van de Afdeling is voldoende duidelijk dat de detailhandelsregeling van artikel 3, lid 3.1, onder j, gelezen dient te worden in samenhang met bijlage 4 bij de planregels. In lid 3.1, onder j, wordt verwezen naar "Legale detailhandel" en bijlage 4 is getiteld "Legale detailhandel". Ook is naar het oordeel van de Afdeling voldoende duidelijk dat de tabel in bijlage 4 bepaalt welke categorie/vorm van detailhandel ter plaatse is toegelaten, hoewel in die bijlage de categorie/vorm van detailhandel onder het kopje "branche" staat. In deze bijlage zijn voor het koopcentrum, hier relevant, de vormen van detailhandel in dagelijkse goederen, detailhandel in niet-dagelijkse goederen en perifere detailhandel opgenomen. Omdat ter plaatse ook de categorie/vorm perifere detailhandel is toegelaten, kan het betoog dat perifere detailhandel ter plaatse is beperkt tot detailhandel voor grove bouwmaterialen niet slagen. Ingevolge lid 3.1, onder j, in samenhang bezien met de definitie van "bestaand" in artikel 1, lid 1.17, is het totale gebruik ter plaatse voor bestaande detailhandel beperkt tot het gebruik in de omvang zoals dat plaatsvond ten tijde van de inwerkingtreding van het plan. Uit de planregeling is echter niet af te leiden of "bestaand" ook betrekking heeft op de specifieke vormen van gebruik voor detailhandel in dagelijkse goederen, niet-dagelijkse goederen en perifere detailhandel, wat zou betekenen dat ook voor die specifieke vormen het gebruik is beperkt tot de ten tijde van de inwerkingtreding van het plan bestaande brutovloeroppervlakten ervan. Naar het oordeel van de Afdeling is daarom onduidelijk in hoeverre de detailhandelsregeling voor de gronden - naast deze beperking van de totale omvang van het gebruik voor detailhandel - ook beperkingen stelt aan de ter plaatse toegestane specifieke categorie/vorm van detailhandel in dagelijkse goederen, niet-dagelijkse goederen en perifere detailhandel. Doordat onduidelijk is of "bestaand" ook betrekking heeft op de specifieke vormen van gebruik voor detailhandel, kan uit de detailhandelsregeling van lid 3.1, onder j, gelezen in samenhang met bijlage 4, niet worden afgeleid of het gebruik voor detailhandel in niet-dagelijkse goederen en perifere detailhandel ter plaatse kan worden uitgebreid tot een grotere brutovloeroppervlakte dan de brutovloeroppervlakte, die aanwezig was ten tijde van de inwerkingtreding van het plan, zolang maar binnen de brutovloeroppervlakte van het totale bestaande gebruik voor detailhandel wordt gebleven. Aan het gebruik voor detailhandel in dagelijkse goederen heeft de raad wel beoogd een beperking te stellen tot de bestaande brutovloeroppervlakte. Op zichzelf acht de Afdeling voldoende duidelijk hoe de brutovloeroppervlakte is bepaald en getoetst kan worden, namelijk aan de hand van een bij de vergunning behorende tekening met de indeling van het koopcentrum. Zoals hiervoor al is overwogen, is echter onduidelijk of in de detailhandelsregeling voor de gronden van lid 3.1, onder j, gelezen in samenhang met bijlage 4 van de planregeling ook specifiek voor de aangegeven categorie/vorm van detailhandel de beperking wordt gesteld dat het moet gaan om bestaand gebruik in de bestaande brutovloeroppervlakten ervan. Als de planregeling zo moet worden begrepen dat deze beperking ook geldt voor de specifieke categorie/vorm, betekent het dat ook gebruik voor detailhandel in dagelijkse goederen is beperkt tot de ten tijde van de inwerkintreding van het plan bestaande brutovloeroppervlakte ervan. Voor dit gebruik is echter ook in bijlage 4 opgenomen dat maximaal de brutovloeroppervlakte is toegelaten als bestaand op het moment van terinzagelegging van het ontwerp van het bestemmingsplan. Daardoor is in dat geval voor gebruik voor detailhandel in dagelijkse goederen onduidelijk welk moment als peilmoment voor "bestaand" heeft te gelden: de brutovloeroppervlakte die bestond ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerp of die ten tijde van de inwerkingtreding van het plan. Gezien het voorgaande volgt voor het koopcentrum uit de detailhandelsregeling van lid 3.1, onder j, gelezen in samenhang met bijlage 4, onvoldoende duidelijk welke beperkingen aan het gebruik in de specifieke vormen van detailhandel ter plaatse zijn gesteld, naast de beperking van het totale gebruik voor detailhandel. Daardoor kan ook niet worden vastgesteld in welke toename van gebruik voor detailhandel artikel 3, lid 3.4.3, ter plaatse voorziet. In lid 3.4.3, is in afwijking van artikel 3, lid 3.1, onder j, bepaald dat de brutovloeroppervlakte van detailhandelsbedrijven - waaronder het koopcentrum - met maximaal 10% mag uitbreiden, maar voor het koopcentrum is onduidelijk ten opzichte van welke vorm van gebruik voor detailhandel die uitbreiding van de brutovloeroppervlakte met 10% plaats mag vinden. Omdat onvoldoende duidelijk is welke beperkingen ter plaatse aan het gebruik van de specifieke vormen van detailhandel zijn gesteld, naast de beperking van het totale gebruik voor detailhandel, is daaruit ook niet af te leiden of de raad heeft geregeld wat hij heeft beoogd. Het plan is, voor zover het de detailhandelsregeling van lid 3.1, onder j, van de planregels gelezen in samenhang met bijlage 4 bij de planregels, voor het koopcentrum betreft, in strijd met de rechtszekerheid vastgesteld. Het betoog slaagt. Dienstenrichtlijn 12. Toren XL en Envema en Nettorama betogen dat de detailhandelsregeling voor het koopcentrum, zoals dat volgt uit artikel 3, lid 3.1, onder j, van de planregels in strijd is met de Dienstenrichtlijn. Deze regeling legt volgens hen beperkingen op van detailhandel voor het koopcentrum. Volgens hen heeft de raad niet aangetoond dat die beperkingen non-discriminatoir, noodzakelijk en evenredig zijn. 12.1. Artikel 4 van de Dienstenrichtlijn luidt: "Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder: 1) ‘dienst’: elke economische activiteit, anders dan in loondienst, die gewoonlijk tegen vergoeding geschiedt, zoals bedoeld in artikel 50 van het Verdrag [thans: artikel 57 van het VWEU]; […] 7) ‘eis’: elke verplichting, verbodsbepaling, voorwaarde of beperking uit hoofde van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten of voortvloeiend uit de rechtspraak, de administratieve praktijk, de regels van beroepsorden of de collectieve regels van beroepsverenigingen of andere beroepsorganisaties, die deze in het kader van de hun toegekende juridische bevoegdheden hebben vastgesteld; regels vastgelegd in collectieve arbeidsovereenkomsten waarover door de sociale partners is onderhandeld, worden als zodanig niet als eisen in de zin van deze richtlijn beschouwd; 8) ‘dwingende redenen van algemeen belang’: redenen die als zodanig zijn erkend in de rechtspraak van het Hof van Justitie; waaronder de volgende gronden: openbare orde, openbare veiligheid, staatsveiligheid, volksgezondheid, handhaving van het financiële evenwicht van het socialezekerheidsstelsel, bescherming van consumenten, afnemers van diensten en werknemers, eerlijkheid van handelstransacties, fraudebestrijding, bescherming van het milieu en het stedelijk milieu, diergezondheid, intellectuele eigendom, behoud van het nationaal historisch en artistiek erfgoed en doelstellingen van het sociaal beleid en het cultuurbeleid; […]." Artikel 15 van de Dienstenrichtlijn luidt: "1. De lidstaten onderzoeken of in hun rechtsstelsel de in lid 2 bedoelde eisen worden gesteld en zien erop toe dat eventueel bestaande eisen verenigbaar zijn met de in lid 3 bedoelde voorwaarden. De lidstaten passen hun wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen aan om de eisen met die voorwaarden in overeenstemming te brengen. 2. De lidstaten onderzoeken of de toegang tot of de uitoefening van een dienstenactiviteit in hun rechtsstelsel afhankelijk wordt gesteld van de volgende niet-discriminerende eisen:
- a)kwantitatieve of territoriale beperkingen, met name in de vorm van beperkingen op basis van de bevolkingsomvang of een geografische minimumafstand tussen de dienstverrichters; [...]. 3. De lidstaten controleren of de in lid 2 bedoelde eisen aan de volgende voorwaarden voldoen:
- a)discriminatieverbod: de eisen maken geen direct of indirect onderscheid naar nationaliteit of, voor vennootschappen, de plaats van hun statutaire zetel;
- b)noodzakelijkheid: de eisen zijn gerechtvaardigd om een dwingende reden van algemeen belang;
- c)evenredigheid: de eisen moeten geschikt zijn om het nagestreefde doel te bereiken; zij gaan niet verder dan nodig is om dat doel te bereiken en dat doel kan niet met andere, minder beperkende maatregelen worden bereikt. […]." 12.2. Op grond van deze bepalingen mogen aan de vrijheid van vestiging van dienstverleners alleen beperkingen worden gesteld die non-discriminatoir, noodzakelijk en evenredig zijn. 12.3. Artikel 15 van de Dienstenrichtlijn is niet omgezet in nationaal recht. Zoals het Hof van Justitie in zijn arrest van 30 januari 2018, Visser Vastgoed, ECLI:EU:C:2018:44, heeft geoordeeld, heeft artikel 15 echter rechtstreekse werking voor zover het de lidstaten in het eerste lid, tweede volzin, een onvoorwaardelijke en voldoende nauwkeurige verplichting oplegt om hun wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen aan te passen om deze in overeenstemming te brengen met de in het derde lid ervan bedoelde voorwaarden. Dat betekent dat in dit geval rechtstreeks aan die voorwaarden kan worden getoetst, voor zover dat nodig is in het licht van wat in beroep is aangevoerd. De Afdeling stelt vast dat hier sprake is van de activiteit "detailhandel in goederen". Zoals het Hof van Justitie bij het arrest van 30 januari 2018 voor recht heeft verklaard, is de activiteit "detailhandel in goederen" aan te merken als een dienst in de zin van de Dienstenrichtlijn en zijn de bepalingen van hoofdstuk III van de Dienstenrichtlijn mede van toepassing op een zuiver interne situatie als hier aan de orde, waarbij alle relevante aspecten zich binnen één lidstaat afspelen. 12.4. De raad heeft, zoals onder 11.1 is overwogen, met de regeling in artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder j, van de planregels beoogd beperkingen op te leggen aan het gebruik voor detailhandel ter plaatse. De Afdeling heeft hiervoor echter overwogen dat onvoldoende duidelijk is welke beperkingen aan het gebruik in de specifieke vormen van detailhandel ter plaatse zijn gesteld, naast de beperking van het totale gebruik voor detailhandel tot het gebruik tot maximaal de bestaande brutovloeroppervlakte. De Afdeling is van oordeel dat de beperking van de omvang van de detailhandel die uit artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder j, van de planregels volgt, in elk geval een "eis" in de zin van artikel 4, onder 7, van de Dienstenrichtlijn is. Dit artikelonderdeel bevat immers een beperking uit hoofde van de bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten. Die beperking is, naar het oordeel van de Afdeling, ook te beschouwen als een kwantitatieve of territoriale beperking in de zin van artikel 15, tweede lid, onder a, van de Dienstenrichtlijn. 12.5. De Afdeling stelt vast dat de raad ten tijde van het besluit tot vaststelling van het plan niet heeft onderbouwd dat de aan het koopcentrum gestelde beperking(
- en)voldoe(t)(
- n)aan de voorwaarden die voortvloeien uit artikel 15, derde lid, van de Dienstenrichtlijn. Het plan is, voor zover het de detailhandelsregeling voor het koopcentrum uit artikel 3, lid 3.1, onder j, in samenhang met bijlage 4 betreft, in strijd met artikel 15, derde lid, van de Dienstenrichtlijn vastgesteld. Het betoog slaagt. 12.6. In het rapport "Eindhoven, Onderbouwing branchering Koopcentrum De Hurk", van bureau BRO van 11 september 2019, dat de raad op 13 september 2019 heeft overgelegd, ziet de Afdeling geen aanleiding om te onderzoeken of de rechtsgevolgen van het besluit in stand kunnen worden gelaten. Zoals onder 11.3 en 12.4 is overwogen, is onduidelijk welke beperkingen op grond van het plan gelden voor het koopcentrum. Daarom kan niet worden onderzocht of met het rapport van 11 september 2019 sprake is van een onderbouwing die voldoet aan de eisen die artikel 15, derde lid, van de Dienstenrichtlijn stelt. Wijzigingsbevoegdheden uit artikel 3, lid 3.6.2, onder a en b 13. Toren XL en Envema en Nettorama betogen dat uit artikel 3, lid 3.6.2, onder a en b, van de planregels ten onrechte niet blijkt wanneer en onder welke voorwaarden de in dit artikellid opgenomen wijzigingsbevoegdheden door het college van burgemeester en wethouders kunnen worden toegepast. Als sprake zou zijn van twee jaar leegstand of als het gebruik definitief is beëindigd, kan het college van burgemeester en wethouders de in bijlage 4 opgenomen lijst met legale detailhandel wijzigen, daaraan detailhandel toevoegen en daaruit detailhandel verwijderen, zonder dat daaraan voorwaarden zijn verbonden. Omdat niet duidelijk is wanneer deze bevoegdheden worden toegepast, zijn de wijzigingsbevoegdheden rechtsonzeker en leidt toepassing daarvan tot willekeur, aldus Toren XL en Envema en Nettorama. 13.1. Artikel 3, lid 3.6.2, onder a en b, luidt: "Burgemeester en wethouders kunnen de lijst van Legale detailhandel wijzigen door: a. een adres met detailhandel die geen detailhandelsfunctie meer heeft uit de lijst te schrappen na twee jaar leegstand of als het gebruik definitief is beëindigd; b. de toegelaten vorm van detailhandel op verzoek van de huurder of eigenaar of na twee jaar leegstand of als het gebruik definitief is beëindigd als volgt te wijzigen van adressen die vallen onder de aanvulling 'koopcentrum': 1. het gebruik van dagelijkse detailhandel om te zetten naar niet-dagelijkse detailhandel; 2. het gebruik van niet dagelijkse detailhandel om te zetten naar perifere detailhandel;" 13.2. Artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) luidt: "Bij een bestemmingsplan kan worden bepaald dat met inachtneming van de bij het plan te geven regels burgemeester en wethouders binnen bij het plan te bepalen grenzen het plan kunnen wijzigen." Mede gelet op de rechtszekerheid van belanghebbenden dient in een wijzigingsbepaling in voldoende mate te worden bepaald in welke gevallen en op welke wijze hiervan gebruik mag worden gemaakt. Een op artikel 3.6 van de Wro berustende wijzigingsbevoegdheid dient derhalve in deze beide opzichten door voldoende objectieve normen te worden begrensd. De vraag of een wijzigingsbepaling door voldoende objectieve normen wordt begrensd hangt af van de omstandigheden van het geval. Hierbij kan onder meer belang worden gehecht aan de aard van de wijziging, de omvang van het gebied waarop de wijzigingsbevoegdheid ziet en de aanleiding voor het opnemen van de wijzigingsbevoegdheid. Onder omstandigheden kan voldoende zijn dat duidelijk is welke bij het plan gelegde bestemming in welke andere bestemming kan worden gewijzigd. 13.3. De wijzigingsbevoegdheid uit artikel 3, lid 3.6.2, onder a, betekent dat onder de daarin genoemde voorwaarden, namelijk twee jaar leegstand of definitieve beëindiging van het gebruik, aan het college van burgemeester en wethouders de bevoegdheid toekomt om de lijst van Legale detailhandel te wijzigen door een adres met detailhandel die geen detailhandelsfunctie meer heeft uit de lijst te schrappen. In de wijzigingsbevoegdheid is de aard van de wijziging opgenomen, namelijk het wijzigen van de lijst van Legale detailhandel door een adres dat geen detailhandelsfunctie meer heeft uit die lijst te schrappen. Ook is de omvang van deze bevoegdheid begrensd tot de situaties dat sprake is van twee jaar leegstand of als het gebruik definitief is beëindigd. Artikel 3, lid 3.6.2, onder b, maakt het wijzigen van de lijst van Legale detailhandel mogelijk door de toegelaten vorm van detailhandel van adressen die vallen onder de aanvulling "koopcentrum" te wijzigen. Die aanvulling is in de lijst van Legale detailhandel, bijlage 4 bij de planregels, opgenomen bij het adres Hurksestraat 44 onder het kopje "bijzonderheden". Ook in artikel 3, lid 3.6.2, onder b is de aard van de wijziging neergelegd, namelijk dat de toegelaten vorm van detailhandel kan worden gewijzigd van adressen die vallen onder de aanvulling 'koopcentrum', door het gebruik van dagelijkse detailhandel om te zetten naar niet-dagelijkse detailhandel en het gebruik van niet-dagelijkse detailhandel om te zetten naar perifere detailhandel. Ook is de omvang van de bevoegdheid in onder b opgenomen, namelijk dat de wijzigingsbevoegdheid kan worden toegepast op verzoek van de huurder of eigenaar of na twee jaar leegstand of als het gebruik definitief is beëindigd. Omdat zowel in artikel 3, lid 3.6.2, onder a, als in artikel 3, lid 3.6.2, onder b, de aard van de wijziging en de omvang van de wijzigingsmogelijkheid zijn opgenomen, zijn deze wijzigingsbevoegdheden naar het oordeel van de Afdeling voldoende rechtszeker. Gelet daarop bestaat geen grond voor het oordeel dat toepassing daarvan tot willekeur leidt. Het betoog faalt. Horeca 14. Toren XL en Envema en Nettorama betogen dat de raad ten onrechte bestaande horeca in de vorm van "Punto Panino", een concept waarbij koffie, thee, frisdrank, broodjes en kleine snacks ter plaatse kunnen worden genuttigd, niet als zodanig heeft bestemd. Artikel 3.1, onder m, van de planregels bepaalt namelijk dat horeca uitsluitend is toegestaan ter plaatse van de aanduiding "horeca", maar deze aanduiding is ter plaatse niet toegekend. Dit terwijl de raad wel heeft beoogd om de bestaande horecagelegenheid te bestemmen. Onvoldoende is dat in bijlage 4, staat dat aan de Hurksestraat 44 horeca in de categorie 1 in de vorm van een koffiecorner is toegestaan. Bijlage 4 betreft een lijst met legale detailhandel die betrekking heeft op gebruik voor detailhandel en niet als horeca. Als de horeca al zou zijn bestemd door de benoeming ervan in bijlage 4, dan is de omschrijving "koffiecorner" onnodig verwarrend, omdat deze omschrijving lijkt te suggereren dat het voornamelijk gaat om het verstrekken van dranken, terwijl het ook een broodjeszaak is. Bovendien is in bijlage 1 bij de planregels een koffiecorner niet genoemd onder horeca categorie 1. 14.1. De raad heeft toegelicht dat hij de aanwezige horeca, die onderdeel uitmaakt van het koopcentrum, als zodanig heeft willen bestemmen. Hij acht de omschrijving koffiecorner in overeenstemming met de feitelijke situatie. Omdat een dergelijke horecafaciliteit ondersteunend is aan de bestaande detailhandelsbedrijven en het geen zelfstandig horecabedrijf betreft, heeft hij de koffiecorner opgenomen in de lijst van bestaande legale detailhandel. 14.2. De definitie van "horeca" uit artikel 1, lid 1.51, luidt: "een bedrijf, waar bedrijfsmatig dranken en/of etenswaren voor gebruik ter plaatse worden verstrekt en/of waarin bedrijfsmatig logies wordt verstrekt, één en ander al dan niet in combinatie met een vermaaksfunctie, met uitzondering van een erotisch getinte vermaaksfunctie." Artikel 3.1, aanhef en onder m, bepaalt dat uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'horeca' één horecavestiging is toegelaten in de horecafunctie 1a of 1b, zoals vermeld in "Bijlage 2 Lijst van horeca-activiteiten". De Afdeling stelt vast dat het gebruik door "Punto Panino", zoals onder 14 is omschreven, bestaat uit het bedrijfsmatig verstrekken van dranken en/of etenswaren voor gebruik ter plaatse en daarmee onder de definitie van "horeca" in artikel 1, lid 1.51 valt. De Afdeling stelt verder vast dat de aanduiding "horeca" ter plaatse niet is toegekend. Omdat het gebruik door "Punto Panino" onder de definitie van "horeca" valt, maar de aanduiding "horeca" ter plaatse niet is toegekend, staat het plan het gebruik voor horeca ter plaatse niet toe. Waar de raad stelt dat "Punto Panino" ondersteunend is aan de bestaande detailhandelsbedrijven en geen zelfstandig horecabedrijf is, overweegt de Afdeling dat, daargelaten of het gebruik door "Punto Panino" kan worden aangemerkt als een ondergeschikte horeca-activiteit, het gebruik in elk geval valt onder de definitie van "horeca", wat ter plaatse niet is toegestaan. Omdat de raad wel heeft beoogd om het gebruik door "Punto Panino" als zodanig te bestemmen, maar hij dat niet heeft geregeld, heeft hij het plan in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid. Het betoog slaagt. 15. Toren XL en Envema en Nettorama betogen dat de afwijkingsmogelijkheid in artikel 3, lid 3.5.3, van de planregels, op grond waarvan het bevoegd gezag onder voorwaarden bij omgevingsvergunning kan afwijken en ter plaatse tevens (ondersteunende) horeca kan toestaan, onduidelijk is voor zover het de voorwaarde onder e betreft. Deze voorwaarde bepaalt dat de ondersteunende horeca in de rand van het bedrijventerrein De Hurk en/of Croy moet liggen, maar niet duidelijk is wanneer sprake is van de rand van het bedrijventerrein, aldus Toren XL en Envema en Nettorama. 15.1. Artikel 3, lid 3.5.3, aanhef en onder e, luidt: "Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.1 sub m en tevens horeca toestaan, mits: […] e. het ligt in de rand van bedrijventerrein De Hurk en/of Croy. […]" 15.2. De raad heeft toegelicht dat hij met de zinsnede "in de rand van het bedrijventerrein" doelt op het bedrijfsovergangsgebied zoals opgenomen in de figuur "bedrijfsovergangsgebied" in paragraaf 3.5 van de plantoelichting. De Afdeling stelt vast dat in de planregels de zinsnede "in de rand van het bedrijventerrein" niet is omschreven en dat in de planregels ook niet is verwezen naar de genoemde figuur in paragraaf 3.5 van de plantoelichting. Omdat uit de planregels niet blijkt wat onder die zinsnede moet worden verstaan, is de voorwaarde uit artikel 3, lid 3.5.3, onder e, in strijd met de rechtszekerheid. Het betoog slaagt. Bouwvlak 16. Toren XL stelt dat het bouwvlak ten onrechte niet over al haar gronden ligt, terwijl dat wel is beoogd. Daarmee is een deel van de bebouwing buiten het bouwvlak gekomen. 16.1. De raad heeft toegelicht dat hij heeft beoogd het bouwvlak over al de bebouwing te leggen. Voor het bepalen van de omvang van bouwvlakken is de gemeentelijke basiskaart gehanteerd, omdat die nauwkeuriger is dan de onderlaag op ruimtelijke plannen.nl, waar Toren XL naar verwijst. Uit de gemeentelijke basiskaart blijkt dat de bedoelde bebouwing van Toren XL binnen het bouwvlak valt, aldus de raad. Gelet op het voorgaande bestaat naar het oordeel van de Afdeling geen grond voor het oordeel dat in het plan, anders dan beoogd, een deel van de bebouwing buiten het bouwvlak valt. Het betoog faalt. Herhalen en inlassen zienswijze 17. Toren XL en Envema en Nettorama hebben zich in het beroepschrift voor het overige beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van de zienswijze. In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze. Toren XL en Envema en Nettorama hebben in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn. De beroepen van [appellante sub 5], [appellant sub 4], [appellant sub 6A] en [appellant sub 6B], [appellante sub 7] en [appellant sub 8A] en [appellant sub 8B] 18. [appellante sub 5], [appellant sub 4], [appellant sub 6A] en [appellant sub 6B], [appellante sub 7] en [appellant sub 8A] en [appellant sub 8B] zijn bewoners van woonschepen afgemeerd in het Eindhovens Afwateringskanaal dat dwars door het bedrijventerrein loopt. Zij betogen dat de raad ten onrechte persoonsgebonden overgangsrecht heeft toegekend aan gebruik ten behoeve van ligplaatsen voor woonschepen in een deel van het water. Zij stellen primair dat sprake is van legaal gebruik dat als zodanig in het plan had moeten worden bestemd. [appellant sub 8A] en [appellant sub 8B] stellen dat het gebruik voor woonschepen niet in strijd is met het voorgaande bestemmingsplan, het plan "De Hurk" uit 1988. Volgens hen is in dat plan aan het water de bestemming "Water" toegekend, maar zijn daarover geen voorschriften in het plan opgenomen. Het moet er daarom voor worden gehouden dat het gebruik van het water voor woonschepen niet in strijd is met het plan. Als ter plaatse al de bestemming "Overwegend industrie" gold en "water" alleen een aanduiding van de hoofdstructuur is, dan blijkt niet dat binnen die bestemming woonschepen niet zouden zijn toegestaan. Daarom is sprake van legaal gebruik dat als zodanig had moeten worden bestemd. [appellante sub 5], [appellant sub 4], [appellant sub 6A] en [appellant sub 6B], [appellante sub 7] en [appellant sub 8A] en [appellant sub 8B] voeren aan dat de inwerkingtreding van de Wet verduidelijking voorschriften woonboten (hierna: Wvvw) per 1 januari 2018, waarmee onder andere artikel 8.2a aan de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) is toegevoegd, met zich meebrengt dat ook het gebruik ten behoeve van een ligplaats voor woonschepen vergund is. Volgens hen is voldaan aan de voorwaarden uit artikel 8.2a, tweede lid, van de Wabo, omdat er op 1 januari 2018 geen vergunning of ontheffing was vereist op grond van een provinciale of gemeentelijke verordening. Volgens hen heeft de raad ten onrechte niet in zijn motivering om persoonsgebonden overgangsrecht toe te kennen betrokken dat het gebruik door de inwerkingtreding van de Wvvw legaal is. Subsidiair betogen [appellante sub 5], [appellant sub 4], [appellant sub 6A] en [appellant sub 6B], [appellante sub 7] en [appellant sub 8A] en [appellant sub 8B] dat het gebruik ten behoeve van ligplaatsen voor woonschepen overgangsrechtelijk beschermd wordt. Volgens hen is het gebruik ten onrechte voor de tweede keer onder het overgangsrecht gebracht. Het gebruik is volgens hen ten tijde van het Uitbreidingsplan "De Hurk" uit 1959 aangevangen en mocht op grond van de overgangsrechtelijke bepalingen uit het voorgaande plan "De Hurk" uit 1988 worden voortgezet. 18.1. De raad stelt zich op het standpunt dat in de bestaande situatie het gebruik van het water ten behoeve van ligplaatsen voor woonschepen planologisch gezien illegaal is. Volgens hem voorzag het voorgaande plan "De Hurk" uit 1988 niet in dat gebruik. Ook valt dat gebruik niet onder de overgangsrechtelijke bepalingen van dat plan. Met artikel 8.2a van de Wabo hoefde hij geen rekening te houden, omdat de Wvvw, waarmee dit artikel aan de Wabo is toegevoegd, per 1 januari 2018 en dus na het nemen van het besluit op 19 december 2017 in werking is getreden. Subsidiair stelt de raad zich op het standpunt dat, ook als artikel 8.2a van de Wabo rechten in het leven roept waar de raad rekening mee had moeten houden, hij het gebruik ten behoeve van ligplaatsen voor woonschepen niet als zodanig wenst te bestemmen. Volgens de raad doet de Wvvw niet af aan de afweging die de raad moet maken in het kader van een goede ruimtelijke ordening. De raad stelt dat toekenning van een woonbestemming zich niet verdraagt met het bedrijventerrein en de aard van de aanwezige en toegestane bedrijvigheid. Een overgangsregeling is noodzakelijk om de ruimtelijk ongewenste situatie te beëindigen. Daarom heeft hij persoonsgebonden overgangsrecht toegekend, aldus de raad. 18.2. Waar [appellant sub 8A] en [appellant sub 8B] betogen dat in het voorgaande plan "De Hurk" uit 1988 de bestemming "Water" was toegekend, wat volgens hen tot gevolg heeft dat het gebruik voor woonboten legaal is, overweegt de Afdeling als volgt. Anders dan zij stellen bevat het plan geen bestemming "Water". Het plan kent alleen de bestemming "Overwegend industrie", die dus ook ter plaatse is toegekend. Het betoog dat de bestemming "Water" is toegekend en dat daaruit volgt dat het gebruik ten behoeve van een ligplaats voor een woonschip zou zijn toegestaan, kan daarom niet slagen. Het betoog van [appellant sub 8A] en [appellant sub 8B] dat de bestemming "Overwegend industrie" het gebruik ten behoeve van een ligplaats voor een woonschip niet verbiedt, volgt de Afdeling niet. Gezien de doeleindenomschrijving van de bestemming "Overwegend industrie" in artikel 2, lid A, van de planregels van het plan "De Hurk" uit 1988, zijn de gronden met deze bestemming primair bestemd voor handel en bedrijf. In de doeleindenomschrijving worden wat betreft gebruik voor wonen alleen dienstwoningen toegelaten. In tegenstelling tot gebruik voor scheepvaart, waar [appellant sub 8A] en [appellant sub 8B] op wijzen, wordt in het geval van een woonschip een schip gebruikt voor bewoning, en gebruik voor wonen past naar het oordeel van de Afdeling niet binnen die bestemming. Het betoog faalt. 18.3. Over het betoog van [appellante sub 5], [appellant sub 4], [appellant sub 6A] en [appellant sub 6B], [appellante sub 7] en [appellant sub 8A] en [appellant sub 8B] dat per 1 januari 2018 als gevolg van de inwerkingtreding van de Wvvw sprake is van een bestaand recht dat de raad ten onrechte niet heeft betrokken in zijn afweging om persoonsgebonden overgangsrecht toe te kennen, overweegt de Afdeling als volgt. 18.4. Op 1 januari 2018 is de Wvvw in werking getreden. Daarmee is onder andere artikel 8.2a aan de Wabo toegevoegd, dat luidt: "1. Indien voor het bouwen of gebruiken van een woonboot of een ander drijvend object dat hoofdzakelijk wordt gebruikt voor verblijf voor of op het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet verduidelijking voorschriften woonboten krachtens een provinciale of een gemeentelijke verordening een vergunning of ontheffing is verleend, wordt die vergunning of ontheffing gelijkgesteld met een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel a, c of d. 2. Een woonboot of een ander drijvend object dat hoofdzakelijk wordt gebruikt voor verblijf ten aanzien waarvan tot het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet verduidelijking voorschriften woonboten krachtens een provinciale of een gemeentelijke verordening geen vergunning of ontheffing werd vereist voor het bouwen of gebruiken ervan, wordt met ingang van het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet verduidelijking voorschriften woonboten gelijkgesteld met een bouwwerk waarvoor een omgevingsvergunning als bedoeld in de artikelen 2.1, eerste lid, onderdelen a, c of d is verleend. 3. Voorwaarden waaronder een vergunning of ontheffing als bedoeld in het eerste of tweede lid is verleend, worden gelijkgesteld met aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften." 18.5. De Afdeling zal eerst de vraag beantwoorden of de Wvvw materieel van toepassing is op het gebruik van de woonschepen door [appellante sub 5], [appellant sub 4], [appellant sub 6A] en [appellant sub 6B], [appellante sub 7] en [appellant sub 8A] en [appellant sub 8B]. Op 1 januari 2018, toen de Wvvw inwerking trad, gold het plan "De Hurk" uit 1988. Niet in geschil is dat de woonschepen van [appellante sub 5], [appellant sub 4], [appellant sub 6A] en [appellant sub 6B], [appellante sub 7] en [appellant sub 8A] en [appellant sub 8B] hoofdzakelijk worden gebruikt voor verblijf. De Afdeling stelt vast dat de woonschepen daarom kunnen worden aangemerkt als woonboten als bedoeld in artikel 8.2a van de Wabo. De Afdeling stelt voorts vast dat tot het tijdstip van inwerkingtreding van de Wvvw voor het bouwen of gebruiken van de woonschepen in het Afwateringskanaal Eindhoven geen vergunning of ontheffing was vereist krachtens een provinciale of gemeentelijke verordening. De raad heeft dit ter zitting ook bevestigd. De woonschepen in het Afwateringskanaal Eindhoven voldoen daarom aan de voorwaarden genoemd in artikel 8.2a, tweede lid, van de Wabo en worden op grond van dat artikel gelijkgesteld met bouwwerken waarvoor een omgevingsvergunning als bedoeld in de artikelen 2.1, eerste lid, onderdelen a, c of d is verleend. Deze gelijkstelling betekent dat artikel 8.2a van de Wabo ook het gebruik dat in strijd zou zijn met het op 1 januari 2018 geldende bestemmingsplan, gelijkstelt met vergund gebruik (vergelijk de uitspraak van 1 augustus 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2577). Als gevolg van de inwerkingtreding van de Wvvw op 1 januari 2018 is het gebruik ter plaatse van het water ten behoeve van ligplaatsen voor woonschepen die daar ten tijde van de inwerkingtreding van de wet liggen, dus gelijkgesteld met vergund gebruik, waarmee de eventuele strijdigheid van dat gebruik met het bestemmingsplan "De Hurk" uit 1988 is weggenomen. Met de inwerkingtreding van het bestemmingsplan "De Hurk-Croy" op 9 maart 2018 is dat vergunde gebruik vervolgens echter onder het in dat plan opgenomen persoonsgebonden overgangsrecht gebracht. 18.6. Het voorliggende plan is vastgesteld op 19 december 2017, dus vóór de inwerkingtreding van de Wvvw op 1 januari 2018, maar inwerking getreden op 9 maart 2018. Vanwege de inwerkingtreding van het plan op 9 maart 2018 is het gebruik ten behoeve van ligplaatsen voor woonschepen onder het in het plan opgenomen persoonsgebonden overgangsrecht komen te vallen. De vraag is of de raad bij het nemen van zijn besluit tot vaststelling van het voorliggende plan rekening had moeten houden met de Wvvw. De Afdeling beantwoordt die vraag bevestigend. Naar haar oordeel had de raad bij het besluit tot vaststelling van het plan bij zijn afweging om persoonsgebonden overgangsrecht toe te kennen rekening moeten houden met de inwerkingtreding van de Wvvw als het gaat om de gevolgen van die wet door de gelijkstelling van het gebruik ten behoeve van ligplaatsen voor woonschepen ter plaatse met vergund gebruik. De Afdeling heeft hiervoor al geconcludeerd dat voor het gebruik ten behoeve van ligplaatsen voor woonschepen ter plaatse geldt dat aan de voorwaarden uit artikel 8.2a, tweede lid, materieel wordt voldaan, waarmee de inwerkingtreding van de Wvvw vanaf dat moment het gevolg had dat dat gebruik is gelijkgesteld met vergund gebruik. Ten tijde van de vaststelling van het plan was de inhoud van de Wvvw bij de raad bekend of had dat moeten zijn, omdat de Wvvw al op 13 februari 2017 in het Staatsblad is gepubliceerd. [appellante sub 5], [appellant sub 6A] en [appellant sub 4] hebben in hun zienswijze ook gewezen op de Wvvw en zij hebben gemotiveerd onderbouwd dat de Wvvw rechten zou toekennen aan het gebruik ten behoeve van ligplaatsen voor woonschepen. Als de raad met de Wvvw nog niet bekend was, had hij naar aanleiding van de zienswijze onderzoek kunnen doen naar de werking daarvan en de mogelijke gevolgen daarvan voor de in het plan op te nemen regeling. Bovendien heeft de raad het plan vastgesteld kort vóór 1 januari 2018, zodat de raad had moeten voorzien dat het plan vanwege de in de Wro opgenomen termijnen ruim ná 1 januari 2018 inwerking zou treden, en er aldus rekening mee moeten houden dat de mogelijke inwerkingtreding van de Wvvw gevolgen zou hebben voor de rechtmatigheid van het gebruik ten behoeve van ligplaatsen voor woonschepen. [appellante sub 5], [appellant sub 6A] en [appellant sub 4] hebben in hun zienswijze ook vermeld dat de verwachting was dat de Wvvw op 1 januari 2018 in werking zou treden. Onder deze omstandigheden en gelet op het feit dat de Wvvw een eventuele strijdigheid van het gebruik ten behoeve van ligplaatsen voor woonschepen met het bestemmingsplan "De Hurk" uit 1988 wegnam, had de raad de gevolgen van die wet moeten betrekken in zijn afweging welke regeling voor dat gebruik aanvaardbaar is. 18.7. Waar de raad zich subsidiair op het standpunt stelt dat hij wel rekening heeft gehouden met de inwerkingtreding van de Wvvw, maar dat hij in die wet geen aanleiding heeft gezien om in een andere planologische regeling dan persoonsgebonden overgangsrecht te voorzien, overweegt de Afdeling als volgt. Zoals de raad op zichzelf terecht stelt, doet de Wvvw niet af aan de afweging die hij moet maken in het kader van een goede ruimtelijke ordening bij de vaststelling van een bestemmingsplan. De raad is er in zijn afweging om persoonsgebonden overgangsrecht toe te kennen vanuit gegaan dat het gebruik ten behoeve van ligplaatsen voor woonschepen planologisch gezien illegaal was. Met de inwerkingtreding van de Wvvw werd dat gebruik echter gelijkgesteld met vergund gebruik, waarmee ook de eventuele strijdigheid van dat gebruik met het bestemmingsplan "De Hurk" uit 1988 kwam te vervallen. Gelet hierop had de raad moeten afwegen of toekenning van persoonsgebonden overgangsrecht gezien deze gelijkstelling wel aanvaardbaar is te achten. Bovendien is niet gebleken van een concreet, op het woon- en leefklimaat van de woonschipbewoners toegespitst onderzoek waaruit voortvloeit dat het ruimtelijk gezien in verband met de in het plan voorziene (middel)zware bedrijvigheid noodzakelijk is dat het gebruik ten behoeve van ligplaatsen voor woonschepen op termijn beëindigd wordt en dat een planologische regeling in de vorm van persoonsgebonden overgangsrecht het meest passend is. Hoewel de Afdeling het niet uitgesloten acht dat de stelling van de raad dat sprake is van een ruimtelijk ongewenste situatie als er wordt gewoond op een (middel)zwaar bedrijventerrein in de directe omgeving van bedrijven in hogere milieucategorieën op gaat, had het in een geval als dit in de rede gelegen om daaraan een met concreet en daarop toegespitst onderzoek onderbouwde motivering ten grondslag te leggen. De raad had de specifieke situatie van de woonschipbewoners en hun woon- en leefklimaat ter plaatse moeten onderzoeken en moeten bezien of aldaar sprake is van een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat. De raad kon niet volstaan met te verwijzen naar algemene onderzoeken die ten behoeve van het plan zijn uitgevoerd, maar waarin geen aandacht wordt besteed aan de specifieke situatie van de woonschipbewoners. Zo is als bijlage 1 bij de plantoelichting een gezondheidsonderzoek opgenomen, maar daar wordt alleen gekeken naar het woon- en leefklimaat binnen de woonwijken die om het bedrijventerrein liggen en niet naar het woon- en leefklimaat van de woonschipbewoners óp het bedrijventerrein. Ook in zoverre is de afweging van de raad om persoonsgebonden overgangsrecht toe te kennen onzorgvuldig en onvoldoende gemotiveerd. 18.8. De conclusie is dat de keuze van de raad om in het plan persoonsgebonden overgangsrecht toe te kennen aan het gebruik ten behoeve van ligplaatsen voor woonschepen niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid en onvoldoende is gemotiveerd. Het plandeel met de bestemming "Water" en de aanduiding "wetgevingszone -persoonsgebonden overgangsrecht 1" kan niet in stand blijven. Het betoog slaagt. 19. De Afdeling ziet in het kader van finale geschilbeslechting aanleiding om de raad het volgende mee te geven. Omdat de Afdeling het plandeel met de bestemming "Water" en de aanduiding "wetgevingszone -persoonsgebonden overgangsrecht 1" vernietigt, herleeft ter plaatse het voorgaande plan "De Hurk" uit 1988. Zoals hiervoor onder 18.5 is overwogen, is het gebruik ten behoeve van ligplaatsen voor woonschepen ter plaatse door de inwerkingtreding van de Wvvw per 1 januari 2018 gelijkgesteld met vergund gebruik, en dus niet in strijd met het bestemmingsplan "De Hurk" uit 1988. 20. De raad zal bij het nieuw te nemen besluit opnieuw moeten bezien welke regeling hij wenst te treffen voor het gebruik ten behoeve van ligplaatsen voor woonschepen. In theorie zijn daartoe de volgende mogelijkheden aan de orde: dat gebruik als zodanig bestemmen, daarvoor een zogenoemde uitsterfregeling opnemen, dat gebruik onder het algemeen gebruiksovergangsrecht laten vallen, of daarvoor persoonsgebonden overgangsrecht toekennen. De raad dient bij het maken van een keuze terzake in beschouwing te nemen dat het gebruik ten behoeve van ligplaatsen voor woonschepen per 1 januari 2018 is gelijkgesteld met vergund gebruik en dus niet in strijd is met het bestemmingsplan "De Hurk" uit 1988. Daarbij moet de raad ook betrekken dat het gebruik ten behoeve van ligplaatsen voor woonschepen ter plaatse reeds gedurende geruime tijd plaatsvindt en zonder dat daartegen van gemeentewege is opgetreden. Voorts dient de raad daarbij aandacht te besteden aan de voorziene en ook wenselijk geachte (middel)zware bedrijvigheid in de omgeving van die ligplaatsen en de vraag of mede gelet daarop geen sprake is van een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van die ligplaatsen. Afhankelijk van de keuze terzake dient de raad ook in te gaan op de vraag of sprake is van zicht op beëindiging van het gebruik ten behoeve van ligplaatsen voor woonschepen, daarbij ook betrekkend de feitelijke en privaatrechtelijke situatie, waaronder het door de gemeente verhuurd zijn van de ligplaatsen, de mogelijkheid van het niet aangaan van nieuwe huurovereenkomsten, respectievelijk van het beëindigen van bestaande huurovereenkomsten, zoals in het verweerschrift van de raad ook is aangegeven. 21. Omdat het plandeel met de bestemming "Water" en de aanduiding "wetgevingszone -persoonsgebonden overgangsrecht 1" gelet op het voorgaande niet in stand kan blijven, behoeven het subsidiaire betoog en de overige beroepsgronden die betrekking hebben op dit gebruik, geen bespreking meer. Gebruik voor tuin 22. De Afdeling heeft hiervoor overwogen dat het plandeel met de bestemming "Water" en de aanduiding "wetgevingszone -persoonsgebonden overgangsrecht 1" niet in stand kan blijven. Naar het oordeel van de Afdeling bestaat tussen dat plandeel en het plandeel met de bestemming "Groen" en de aanduiding "wetgevingszone - persoonsgebonden overgangsrecht 2" een zodanige samenhang, dat er aanleiding bestaat om ook dat plandeel te vernietigen. Die samenhang bestaat daaruit, dat het de woonschipbewoners zijn die de gronden langs het water gebruiken. De regeling die aan het gebruik ten behoeve van ligplaatsen voor woonschepen wordt toegekend zal vermoedelijk daarom bepalen welke regeling de raad voor het gebruik van de naastgelegen gronden voor tuin wil opnemen. Eindconclusies Eindconclusies beroepen 23. De conclusie is dat het bestreden besluit voor zover: - het gaat om het plandeel met de bestemming "Bedrijventerrein-1" ter plaatse van de gronden aan de Meerenakkerweg waarop de bedrijfsbebouwing van Reggestaete Meerenakker B.V. en anderen staat (overwegingen 4.4 en 5.2); - artikel 3, lid 3.1, onder c, van de planregels niet geldt voor bedrijven in milieucategorie 2 die groter zijn dan 5.000 m2 (overweging 6.2); - het gaat om het plandeel met de bestemming "Bedrijventerrein-1" ter plaatse van de gronden van Toren XL aan de Hurksestraat 44 (overwegingen 8.1, 11.3, 12.5 en 14.2); - het artikel 1, lid 1.34, van de planregels betreft (overweging 9.1); - in artikel 3, lid 3.1, onder j, van de planregels het begrip "brutovloeroppervlakte" is opgenomen (overweging 10.1); - het artikel 3, lid 3.5.3, onder e, van de planregels betreft (overweging 15.2); - het de gronden aan de Waldeck Pyrmontstraat met de bestemming "Water" en de aanduiding "wetgevingszone - persoonsgebonden overgangsrecht 1" betreft (overweging 18.8); - het de gronden aan de Waldeck Pyrmontstraat met de bestemming "Groen" en de aanduiding "wetgevingszone - persoonsgebonden overgangsrecht 2" betreft (overweging 22); is vastgesteld in strijd met de rechtszekerheid, artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb en artikel 15, derde lid, van de Dienstenrichtlijn. Het besluit moet in zoverre worden vernietigd. Opdracht 24. De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb de raad op te dragen om voor de vernietigde plandelen met inachtneming van deze uitspraak een nieuw plan vast te stellen en zal daartoe een termijn stellen. Het door de raad te nemen nieuwe besluit behoeft niet overeenkomstig afdeling 3.4 van de Awb te worden voorbereid. Betekenis van deze uitspraak 25. Deze uitspraak betekent voor Reggestaete Meerenakker B.V. en anderen dat voor hun gronden aan de Meerenakkerweg waarop de bedrijfsbebouwing staat, het voorgaande plan "De Hurk" uit 1988 herleeft, totdat een nieuw door de raad vast te stellen plan in werking treedt. 26. Deze uitspraak betekent voor Toren XL en Envema en Nettorama dat voor de gronden aan de Hurksestraat 44 het voorgaande plan "De Hurk" uit 1988 herleeft, totdat een nieuw door de raad vast te stellen plan in werking treedt. 27. Deze uitspraak betekent voor [appellant sub 4], [appellante sub 5], [appellant sub 6A] en [appellant sub 6B], [appellante sub 7] en [appellant sub 8A] en [appellant sub 8B] dat ter plaatse van de plandelen aan de Waldeck Pyrmontstraat met de bestemming "Water" en de aanduiding "wetgevingszone - persoonsgebonden overgangsrecht 1" en de aangrenzende oever met de bestemming "Groen" en de aanduiding "wetgevingszone - persoonsgebonden overgangsrecht 2", dus onder andere ter plaatse van hun woonschepen en tuinen, het voorgaande plan "De Hurk" uit 1988 herleeft, totdat een nieuw door de raad vast te stellen plan in werking treedt. De vernietiging van de genoemde plandelen heeft ook tot gevolg dat, zoals hiervoor onder 20 al is overwogen, het gebruik ten behoeve van ligplaatsen voor woonschepen door de inwerkingtreding van de Wvvw per 1 januari 2018 gelijkgesteld is met vergund gebruik, en dus niet (meer) in strijd is met het plan "De Hurk" uit 1988. Proceskostenveroordeling 28. De raad dient ten aanzien van Reggestaete Meerenakker B.V. en anderen, Toren XL, Envema en Nettorama, [appellant sub 4], [appellante sub 5], [appellant sub 6A] en [appellant sub 6B], [appellante sub 7] en [appellant sub 8A] en [appellant sub 8B] op te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. Wat betreft de verzochte vergoeding van de reiskosten en verletkosten die door [appellant sub 6A] en [appellant sub 6B] en [appellant sub 8A] en [appellant sub 8B] zijn gemaakt, overweegt de Afdeling dat geen aanleiding bestaat voor een uitzondering op de regel dat voor niet meer dan één van de gezamenlijk procederende personen reis- en verletkosten worden vergoed. Waar het gaat om de verletkosten gaat de Afdeling uit van het forfaitair vastgestelde aantal van zes uur. Wat betreft de door [appellante sub 5] gestelde verletkosten overweegt de Afdeling dat zij deze kosten niet heeft onderbouwd. De Afdeling zal daarom bij de vaststelling van deze kosten uitgaan van een forfaitair uurtarief van € 7,00. Wat betreft de reiskosten die door [appellante sub 5], [appellant sub 6A] en [appellant sub 6B] en [appellant sub 8A] en [appellant sub 8B] zijn gemaakt, wordt uitgegaan van de kosten per openbaar middel van vervoer, omdat niet aannemelijk is geworden dat reizen met het openbaar vervoer niet of onvoldoende mogelijk was. Waar het gaat om de reiskosten van [appellant sub 4] overweegt de Afdeling dat forfaitair wordt uitgegaan van de prijs van een NS-retour tweede klas. Over de door [appellant sub 6B] gevraagde vergoeding van de kosten voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand overweegt de Afdeling dat daarvan alleen sprake is als proceshandelingen zijn uitgevoerd door een rechtshulpverlener. Omdat daarvan niet is gebleken, is in zoverre geen sprake van kosten die voor vergoeding in aanmerking komen. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart de beroepen gegrond; II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Eindhoven van 19 december 2017 tot vaststelling van het bestemmingsplan "De Hurk-Croy 2017" voor zover: a. het gaat om het plandeel met de bestemming "Bedrijventerrein-1" ter plaatse van de gronden aan de Meerenakkerweg waarop de bedrijfsbebouwing van Reggestaete Meerenakker B.V. en anderen staat; b. artikel 3, lid 3.1, onder c, van de planregels niet geldt voor bedrijven in milieucategorie 2 die groter zijn dan 5.000 m2; c. het gaat om het plandeel met de bestemming "Bedrijventerrein-1" ter plaatse van de gronden van Toren XL B.V. en de Toren C.V. aan de Hurksestraat 44; d. het artikel 1, lid 1.34, van de planregels betreft; e. in artikel 3, lid 3.1, onder j, van de planregels het begrip "brutovloeroppervlakte" is opgenomen; f. het artikel 3, lid 3.5.3, onder e, van de planregels betreft; g. het de gronden aan de Waldeck Pyrmontstraat met de bestemming "Water" en de aanduiding "wetgevingszone - persoonsgebonden overgangsrecht 1" betreft; h. het de gronden aan de Waldeck Pyrmontstraat met de bestemming "Groen" en de aanduiding "wetgevingszone - persoonsgebonden overgangsrecht 2" betreft; III. draagt de raad van de gemeente Eindhoven op om binnen 44 weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen een nieuw besluit te nemen ten aanzien van de onder II. genoemde plandelen en dit op de wettelijk voorgeschreven wijze en binnen de daarvoor geldende termijn bekend te maken en mede te delen; IV. veroordeelt de raad van de gemeente Eindhoven tot vergoeding van bij: a. Reggestaete Meerenakker B.V. en anderen in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.098,50 (zegge: duizendachtennegentig euro en vijftig cent), waarvan € 1.050,00 (zegge: duizendvijftig euro) is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan; b. Toren XL B.V. en de Toren C.V., waarvan de vennoot Toren XL B.V. is, in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.050,00 (zegge: duizendvijftig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan; c. Envema B.V. en Nettorama B.V. in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.050,00 (zegge: duizendvijftig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan; d. [appellant sub 4] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.098,50 (zegge: duizendachtennegentig euro en vijftig cent), waarvan € 1.050,00 (zegge: duizendvijftig euro) is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; e. [appellante sub 5] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 90,50 (zegge: negentig euro en vijftig cent); f. [appellant sub 6A] en [appellant sub 6B] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 192,56 (zegge: honderdtweeënnegentig euro en zesenvijftig cent), met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan; g. [appellante sub 7] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.203,80 (zegge: twaalfhonderddrie euro en tachtig cent), waarvan € 1.050,00 (zegge: duizendvijftig euro) is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; h. [appellant sub 8A] en [appellant sub 8B] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.317,50 (zegge: dertienhonderdzeventien euro en vijftig cent), waarvan € 1.050,00 (zegge: duizendvijftig euro) is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan; V. gelast dat de raad van de gemeente Eindhoven aan: a. Reggestaete Meerenakker B.V. en anderen het door hen voor de behandeling van hun beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 338,00 (zegge: driehonderdachtendertig euro) vergoedt, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan; b. Toren XL B.V. en de Toren C.V., waarvan de vennoot Toren XL B.V. is, het door hen voor de behandeling van hun beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 338,00 (zegge: driehonderdachtendertig euro) vergoedt, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan; c. Envema B.V. en Nettorama B.V. het door hen voor de behandeling van hun beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 338,00 (zegge: driehonderdachtendertig euro) vergoedt, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan; d. [appellant sub 4] het door hem voor de behandeling van zijn beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 170,00 (zegge: honderdzeventig euro) vergoedt; e. [appellante sub 5] het door haar voor de behandeling van haar beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 170,00 (zegge: honderdzeventig euro) vergoedt; f. [appellant sub 6A] en [appellant sub 6B] het door hen voor de behandeling van hun beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 170,00 (zegge: honderdzeventig euro) vergoedt, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan; g. [appellante sub 7] het door haar voor de behandeling van haar beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 170,00 (zegge: honderdzeventig euro) vergoedt; h. [appellant sub 8A] en [appellant sub 8B] het door hen voor de behandeling van hun beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 170,00 (zegge: honderdzeventig euro) vergoedt, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan. Aldus vastgesteld door mr. J. Hoekstra, voorzitter, en mr. F.D. van Heijningen en mr. E.J. Daalder, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.F.W. Tuit, griffier. w.g. Hoekstra w.g. Tuit voorzitter griffier Uitgesproken in het openbaar op 26 februari 2020 425-865.