201904002/1/V6. Datum uitspraak: 20 februari 2020 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak (artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht) op het hoger beroep van: [appellante], wonend te [woonplaats], tegen de mondelinge uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 28 maart 2019 in zaak nr. 18/4349 in het geding tussen: [appellante] en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Openbare zitting gehouden op 20 februari 2020 om 12:15 uur. Tegenwoordig: Staatsraad mr. E. Steendijk voorzitter griffier: mr. M.V.T.K. Oei jurist: mr. S.A. Overeem Verschenen: [appellante], bijgestaan door mr. J.Th.A. Bos, advocaat te Utrecht; de staatssecretaris, vertegenwoordigd door drs. J.M. Sidler. Bij besluit van 9 juli 2018 heeft de staatssecretaris het verzoek van [appellante] om haar het Nederlanderschap te verlenen afgewezen. Bij besluit van 30 oktober 2018 heeft de staatssecretaris het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij mondelinge uitspraak van 28 maart 2019 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Het hoger beroep van [appellante] richt zich tegen deze uitspraak. De Afdeling: bevestigt de aangevallen uitspraak. Daartoe overweegt zij het volgende. De staatssecretaris heeft het verzoek afgewezen omdat [appellante] met de door haar overgelegde gelegaliseerde geboorteakte en het Eritrese paspoort haar identiteit en nationaliteit niet heeft aangetoond. De staatssecretaris heeft hieraan ten grondslag gelegd dat Bureau Documenten van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (thans: Team Onderzoek en Expertise Documenten, hierna: TOED) bij verklaring van onderzoek van 18 april 2013 (hierna: de verklaring van onderzoek) heeft geconcludeerd dat [appellante] het Eritrese paspoort frauduleus heeft verkregen. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de staatssecretaris in de door [appellante] overgelegde verklaring van de Eritrese ambassade van 28 augustus 2018 geen aanleiding hoefde te zien om te twijfelen aan de juistheid van de verklaring van onderzoek. Uit de verklaring van onderzoek volgt immers dat [appellante] het paspoort heeft verkregen voordat zij was geregistreerd of administratief bestond. De staatssecretaris heeft toegelicht dat de verklaring van de Eritrese ambassade dat het in bepaalde gevallen mogelijk is om zonder het overleggen van een identiteitsdocument een paspoort te verstrekken, tegenstrijdig is met de manier waarop volgens het algemeen ambtsbericht Eritrea van de minister van Buitenlandse Zaken van mei 2014 en TOED in Eritrea paspoorten worden aangevraagd en verkregen. Daar komt bij dat [appellante] niet inzichtelijk heeft gemaakt op welke wijze zij het paspoort van de Eritrese autoriteiten heeft verkregen. De rechtbank heeft dan ook terecht overwogen dat niet duidelijk is of [appellante] het paspoort na een deugdelijk identificatieproces heeft verkregen en dat de staatssecretaris zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat [appellante] haar identiteit en nationaliteit niet heeft aangetoond. Met de enkele stelling dat zij geen valse stukken heeft overgelegd en haar identiteit vaststaat door een taalanalyse, heeft [appellante] de twijfel aan haar identiteit niet weggenomen. De staatssecretaris heeft het verzoek om verlening van het Nederlanderschap dus terecht afgewezen. Dit betekent dat het hoger beroep ongegrond is. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden. w.g. Steendijk w.g. Oei lid van de enkelvoudige kamer griffier 670-899.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.