202002662/1/A3. Datum uitspraak: 12 mei 2021 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: het bestuur van de raad voor rechtsbijstand, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 18 maart 2020 in zaak nr. 19/1395 in het geding tussen: [wederpartij] en de raad. Procesverloop Bij besluit van 23 augustus 2018 heeft het bestuur een verzoek van [wederpartij] om vernietiging van de vonnissen die zij bij haar aanvragen om verlening van toevoegingen heeft overgelegd, afgewezen. Bij besluit van 4 februari 2019 heeft het bestuur het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 18 maart 2020 heeft de rechtbank het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 4 februari 2019 vernietigd en het bestuur opgedragen binnen twee weken na verzending van deze uitspraak een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van wat in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft het bestuur hoger beroep ingesteld. [wederpartij] heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. [wederpartij] en het bestuur hebben nadere stukken ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 december 2020, waar het bestuur, vertegenwoordigd door mr. L. Groeneveld en mr. C.W. Wijnstra, beiden advocaat te Den Haag, en [wederpartij] zijn verschenen. Overwegingen 1. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak. Besluitvorming 2. Op 30 oktober 2017 heeft de toenmalige advocaat van [wederpartij] drie aanvragen om verlening van toevoegingen bij het bestuur ingediend, omdat [wederpartij] in hoger beroep wilde gaan tegen drie vonnissen van de kantonrechter van 18 augustus 2017. Bij deze aanvragen heeft de advocaat de drie vonnissen overgelegd. 2.1. Op 31 mei 2018 heeft [wederpartij] aan het bestuur verzocht in verband met haar privacy deze drie vonnissen te verwijderen uit zijn systeem. Het bestuur heeft dat verzoek afgewezen. Deze vonnissen vormen volgens het bestuur een noodzakelijk onderdeel van het hele dossier, zowel bij de beoordeling van de aanvraag om rechtsbijstandssubsidie, als bij de vergoeding van de verrichte werkzaamheden door de rechtsbijstandsverlener. Het bestuur stelt zich op het standpunt dat het overleggen van de vonnissen en de persoonsgegevens die daarmee worden verwerkt noodzakelijk is voor de vervulling van een taak van algemeen belang als bedoeld in artikel 6, eerste lid, aanhef en onder e, van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (EU) 2016/679 (hierna: de AVG). Uitspraak van de rechtbank 3. De rechtbank heeft het beroep van [wederpartij] gegrond verklaard, omdat de verwerking van de in de vonnissen vermelde persoonsgegevens onrechtmatig is. Het bestuur had daarom het verzoek van [wederpartij] om wissing van deze gegevens op grond van artikel 17, eerste lid, aanhef en onder d, van de AVG moeten toewijzen. 3.1. De rechtbank heeft aan haar oordeel ten grondslag gelegd dat niet is voldaan aan het in artikel 6, derde lid, van de AVG neergelegde vereiste dat de rechtsgrond voor de verwerking van de persoonsgegevens als het gaat om de vervulling van een taak van algemeen belang in Unierecht of nationaal recht is vastgesteld. Artikel 24, derde lid, van de Wet op de rechtsbijstand (hierna: de Wrb) schrijft niet specifiek voor dat bij een toevoegingsaanvraag, in geval van hoger beroep, het vonnis moet worden overgelegd. Het bestuur heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat dit uit zijn beleid volgt. Het is onduidelijk of het Handboek Toevoegen dat op de website kenniswijzer.rvr.org is gepubliceerd en dateert van 2007 actueel beleid is, aangezien het Handboek onder het kopje "Archief Handboeken en regelingen" staat en daarachter tussen haakjes is vermeld "actueel beleid in werkinstructies toevoegen op Kenniswijzer". Daarnaast kan uit de werkinstructies "O12" en "vaststellen art. 28 Bvr" evenmin worden afgeleid dat het vonnis bij een toevoegingsaanvraag in geval van hoger beroep moet worden overgelegd. Verder bevatten de vonnissen volgens de rechtbank gegevens over de gezondheid van [wederpartij], die als bijzondere persoonsgegevens als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de AVG moeten worden aangemerkt. Omdat niet is voldaan aan een van de in artikel 9, tweede lid, vermelde voorwaarden om deze gegevens te verwerken, zijn de bijzondere persoonsgegevens ook om die reden onrechtmatig verwerkt. Hoger beroep 4. Het bestuur betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de verwerking van de in de vonnissen vermelde persoonsgegevens onrechtmatig is. Het voert aan dat artikel 6, eerste lid, aanhef en onder e, van de AVG een rechtsgrond biedt voor de verwerking van de persoonsgegevens in de vonnissen. Het bestuur stelt dat krachtens artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, en derde lid, aanhef en onder a, van de Wrb het zijn taak is zorg te dragen voor de verlening van rechtsbijstand, waaronder het nemen van besluiten op toevoegingsaanvragen. Om inhoudelijk te kunnen toetsen of een toevoeging moet worden verleend, heeft het bestuur in geval van hoger beroep de vonnissen nodig. Het bestuur wijst in dit verband op de aanvullende criteria in het Besluit rechtsbijstand- en toevoegcriteria waaraan een toevoegingsaanvraag moet voldoen. Het bestuur stelt daarnaast dat het, gelet op het derde artikellid, voor de toepassing van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder e, niet is vereist dat in een specifiek voorschrift is neergelegd dat de vonnissen moeten worden overgelegd. De rechtbank heeft daarnaast in dit verband ten onrechte overwogen dat niet duidelijk is dat het Handboek Toevoegen het actuele beleid van het bestuur vormt, omdat uit de webpagina waarop het Handboek is gepubliceerd blijkt dat er geen nieuw Handboek is gepubliceerd. Over het verwerken van de bijzondere persoonsgegevens in de vonnissen stelt het bestuur dat wordt voldaan aan de voorwaarde in artikel 9, tweede lid, aanhef en onder f, van de AVG. Gelet op het voorgaande is de verwerking van de in de vonnissen vermelde persoonsgegevens in overeenstemming met de AVG. Daarbij is van belang dat een andere werkwijze, waarbij de vonnissen niet hoeven te worden overgelegd, een te grote administratieve en daarmee onevenredige druk op hem met zich zou brengen, aldus het bestuur. Beoordeling - Om wat voor soort persoonsgegevens en welke verwerkingen gaat het? 5. In de vonnissen, waarvan [wederpartij] graag wil dat ze worden vernietigd, staan onder meer persoonsgegevens van haar zoals haar naam en woonplaats. Daarnaast komen in die vonnissen ook persoonsgegevens voor over haar gezondheid. De gezondheidsgegevens behoren tot een bijzondere categorie van persoonsgegevens. Voor deze categorie bevat artikel 9 van de AVG een aparte regeling. Verder stelt de Afdeling vast dat het verzoek van [wederpartij] zowel ziet op het door het bestuur opvragen en verzamelen van de benodigde informatie om haar aanvragen voor toevoeging te kunnen beoordelen als op het bewaren van die informatie in een archief na verlening van de gevraagde toevoegingen. 5.1. De Afdeling zal eerst beoordelen of de persoonsgegevens zoals de naam en woonplaats rechtmatig zijn verwerkt bij het opvragen van de vonnissen en of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het bestuur het verzoek om wissing van deze gegevens had moeten inwilligen. Daarna zal de Afdeling datzelfde doen voor de zogenoemde bijzondere persoonsgegevens. Tot slot zal de Afdeling ingaan op de verwerking van bewaring van de persoonsgegevens. - Is de verwerking van de gewone persoonsgegevens rechtmatig vanwege een publieke taak? 6. Zoals ook de rechtbank heeft overwogen, moet het verzoek van [wederpartij] om vernietiging van de drie vonnissen die bij haar aanvragen om toevoegingen zijn overgelegd, worden aangemerkt als een verzoek om wissing van haar persoonsgegevens als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de AVG. Dat artikel bepaalt dat de betrokkene het recht heeft op wissing onder meer wanneer de persoonsgegevens onrechtmatig zijn verwerkt. In welke gevallen persoonsgegevens rechtmatig zijn verwerkt is geregeld in artikel 6 van de AVG. 6.1. Anders dan de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat het overleggen van de vonnissen en daarmee de verwerking van de gewone persoonsgegevens die daarin zijn opgenomen, zoals haar naam en woonplaats, noodzakelijk zijn voor de vervulling van een taak van algemeen belang als bedoeld in artikel 6, eerste lid, aanhef en onder e. Daarvoor is het volgende van belang. 6.2. De rechtsgrond voor gegevensverwerking op grond van de vervulling van een taak van algemeen belang moet ingevolge artikel 6, derde lid, aanhef en onder b, van de AVG zijn vastgesteld in het nationale recht dat op de betrokkene van toepassing is. Uit punt 41 van de considerans van de AVG volgt dat het nationale recht waarin de rechtsgrondslag voor de gegevensverwerking moet zijn vastgelegd geen wet in formele zin hoeft te zijn, maar dat deze wel duidelijk en nauwkeurig moet zijn. Uit punt 45 van de considerans volgt verder dat niet voor elke afzonderlijke verwerking specifieke wetgeving vereist is en dat kan worden volstaan met wetgeving die als basis fungeert voor verwerking op grond van een wettelijke verplichting of die noodzakelijk is voor de vervulling van een taak in het kader van de uitoefening van het gezag. Ook blijkens de totstandkomingsgeschiedenis van de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming kan de wettelijke rechtsgrondslag voor de publieke taak ook worden beschouwd als rechtsgrondslag voor de verwerking van persoonsgegevens als het noodzakelijk is om voor de uitvoering van de publieke taak persoonsgegevens te verwerken. Het doel van de gegevensverwerking is daarbij naar zijn aard wel gebonden aan de uitoefening van die publieke taak, en de ruimte voor gegevensverwerking vindt hierin zijn begrenzing (zie Kamerstukken II 2017/18, 34 851, nr. 3, blz. 35). 6.3. Het bestuur heeft ingevolge artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wrb de taak zorg te dragen voor de verlening van de rechtsbijstand. Dit is een taak van algemeen belang. Om deze taak te kunnen uitvoeren, kan het bestuur, gelet op artikel 7, derde lid, van de Wrb, besluiten nemen op toevoegingsaanvragen. Uit artikel 24, derde lid, van de Wrb volgt dat de aanvraag een genoegzame omschrijving moet bevatten van de feiten en omstandigheden over het rechtsprobleem waarvoor rechtsbijstand wordt gevraagd. In aantekening 7 in hoofdstuk IV van het Handboek Toevoegen, waarin het beleid van het bestuur is neergelegd, staat dat in geval van hoger beroep bij een toevoegingsaanvraag onder meer een afschrift van de beslissing van de vorige instantie moet worden meegezonden. De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat onduidelijk is of het Handboek Toevoegen het actuele beleid van het bestuur is. Dat op de website het Handboek Toevoegen onder het kopje "Archief Handboeken en regelingen" staat en daarbij tussen haakjes is vermeld "actueel beleid in werkinstructies toevoegen op Kenniswijzer", biedt voor dat oordeel geen aanknopingspunten. Bij elk ander document dat valt onder het kopje "Archief Handboeken en regelingen" is vermeld tot welke datum het betreffende document geldig was. Een einddatum ontbreekt bij het Handboek Toevoegen. Uit het enkele gegeven dat actueel beleid uit het Handboek Toevoegen moet worden toegevoegd in de werkinstructies en dat het Handboek van 2007 dateert, kan evenmin de conclusie worden getrokken dat het bestuur dit beleid niet langer hanteert. Deze beleidsregel is dus een duidelijke en nauwkeurige rechtsgrondslag als bedoeld in punt 41 in de considerans. De Wrb en de beleidsregel fungeren als basis voor de verwerking op grond van de vervulling van een taak van algemeen belang. 6.4. Voor het vervullen van de taak om besluiten op toevoegingsaanvragen te nemen is het ook noodzakelijk dat het bestuur beschikt over de vonnissen inclusief de persoonsgegevens waartegen hoger beroep wordt ingesteld. Het bestuur kan de in artikel 28, eerste lid, van de Wrb genoemde en in het Besluit rechtsbijstand- en toevoegcriteria nader uitgewerkte weigeringsgronden niet beoordelen zonder deze vonnissen. Zo is een inhoudelijke beoordeling van het rechtsprobleem nodig om te kunnen beoordelen of de aanvrager in aanmerking komt voor één of voor meer toevoegingen. Het bestuur moet bovendien kunnen vaststellen dat er een vonnis is, dat de aanvrager daartegen in hoger beroep kan komen en zo ja, dat de aanvrager dat bij de daarvoor bevoegde hogere rechter wil doen. Ook moet het bestuur kunnen verifiëren dat de rechtsbijstand feitelijk niet al is verleend of kan worden verleend op grond van een eerder afgegeven toevoeging. Dat [wederpartij] in het verleden een keer geen vonnis heeft hoeven overleggen, betekent niet dat het bestuur op een inconsequente wijze zijn bevoegdheid uitvoert. Het bestuur heeft met daarvoor geselecteerde advocaten een zogenoemd high trust programma uitgevoerd waarbij geen stukken hoefden te worden overgelegd en slechts steekproefsgewijs in het dossier werd gekeken. Niet kan worden uitgesloten dat de toenmalige advocaat van [wederpartij] meedeed aan dat programma. Verder kan het doel, het beoordelen of een aanvrager in aanmerking komt voor een toevoeging, niet met andere, minder vergaande maatregelen worden bereikt. Zoals het bestuur terecht heeft betoogd, kunnen weliswaar vonnissen via openbare bronnen worden opgezocht, maar slechts een klein gedeelte van de vonnissen wordt gepubliceerd. Daarbij zou een extra handeling, gezien de hoeveelheid toevoegingsaanvragen die het bestuur per jaar behandelt, een onevenredig zware administratieve druk op het bestuur brengen. Bovendien zou dat extra kosten met zich brengen en zou het langer duren voordat het bestuur een beslissing op de aanvraag kan nemen, waardoor de adequate vervulling van zijn taak in het gedrang zou komen. Gelet hierop is ook aan het evenredigheidsvereiste voldaan. Conclusie gewone persoonsgegevens 6.5. Gezien het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat het opvragen van de vonnissen rechtmatig is. Het bestuur mocht zich dus op het standpunt stellen dat de daarin opgenomen gewone persoonsgegevens rechtmatig worden verwerkt en dat er zich niet een geval als bedoeld in artikel 17, eerste lid, aanhef en onder d, van de AVG voordoet. Het bestuur hoefde daarom het verzoek van [wederpartij] om deze gegevens te wissen niet in te willigen. Het betoog van het bestuur slaagt. - Is de verwerking van de bijzondere persoonsgegevens rechtmatig wegens een rechtsvordering? 7. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de informatie in de vonnissen over de gezondheid van [wederpartij] bijzondere persoonsgegevens zijn als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de AVG. Het uitgangspunt van dat artikellid is dat de verwerking van die persoonsgegevens verboden is. Op dat uitgangspunt kan een uitzondering worden gemaakt als aan één van de voorwaarden, genoemd in het tweede lid, is voldaan. Het bestuur heeft in zijn hogerberoepschrift aangevoerd dat in dit geval het bepaalde onder f van toepassing is omdat de verwerking noodzakelijk is voor de instelling, uitoefening of onderbouwing van een rechtsvordering. 7.1. De uitzonderingen in artikel 9, tweede lid, moeten strikt worden uitgelegd. Dit volgt uit de rechtspraak van het Hof van Justitie over de voorloper van de AVG: Richtlijn 95/46/EG. Nu de bewoordingen van artikel 9 van de AVG, voor zover hier van belang, niet wezenlijk verschillen van die in artikel 8 van die richtlijn, is deze rechtspraak ook voor de uitleg van artikel 9 van belang. Zo heeft het Hof van Justitie in zijn arrest van 3 oktober 2019, A e.a., (ECLI:EU:C:2019:823, punt 56) geoordeeld dat de bescherming van het grondrecht op eerbiediging van het privéleven op het niveau van de Unie vereist dat de uitzonderingen op de bescherming van de persoonsgegevens en de beperkingen ervan binnen de grenzen van het strikt noodzakelijke blijven. In zijn arrest van 24 september 2019, GC e.a., (ECLI:EU:C:2019:773, punt 44) heeft het Hof van Justitie overwogen dat bij de uitleg van de uitzonderingen op het verbod om de bijzondere persoonsgegevens te verwerken rekening moet worden gehouden met het doel van artikel 9. Die doelstelling is het waarborgen van een versterkte bescherming tegen verwerkingen die, wegens de bijzondere gevoeligheid van deze gegevens, een bijzonder ernstige inbreuk kunnen vormen op de grondrechten op eerbiediging van het privéleven en bescherming van persoonsgegevens. 7.2. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het bestuur onvoldoende gemotiveerd waarom het in dit geval op grond van artikel 9, tweede lid, aanhef en onder f, bijzondere persoonsgegevens mag verwerken. Die uitzondering is naar het oordeel van de Afdeling met name bedoeld om te worden ingeroepen door partijen die betrokken zijn of worden in een rechtsgeding en die in dat geding bepaalde gegevens willen overleggen of nodig hebben. Het bestuur is geen partij in de gedingen waarvoor [wederpartij] de toevoegingen heeft aangevraagd en heeft niet deugdelijk gemotiveerd dat het de bijzondere persoonsgegevens van [wederpartij] rechtmatig verwerkt op grond van artikel 9, tweede lid, aanhef en onder f, welke uitzondering als vermeld immers strikt moet worden geïnterpreteerd, en dat voor inwilliging van haar verzoek om wissing geen grond bestond. Het betoog van het bestuur slaagt niet. Tussenconclusie bijzondere persoonsgegevens 8. De rechtbank is op andere gronden tot hetzelfde oordeel gekomen. De rechtbank heeft daarom terecht het beroep van [wederpartij] gegrond verklaard en het besluit op bezwaar in zoverre vernietigd. De Afdeling ziet in verband met het behandelde op de zitting in hoger beroep aanleiding om te bezien of de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit op bezwaar in stand kunnen worden gelaten. - Is de verwerking van de bijzondere persoonsgegevens rechtmatig om redenen van zwaarwegend algemeen belang? 9. Op de zitting in hoger beroep heeft het bestuur betoogd dat het opvragen en verzamelen van de bijzondere persoonsgegevens van [wederpartij] voor de behandeling van haar verzoek om toevoeging ook rechtmatig is omdat die verwerking noodzakelijk is in verband met redenen van zwaarwegend algemeen belang als bedoeld in artikel 9, tweede lid, aanhef en onder g, van de AVG. 9.1. Dit betoog van het bestuur slaagt. Voor dat oordeel is van belang dat in dit geval de reden voor de inbreuk op het recht op gegevensbescherming van [wederpartij] verband houdt met haar recht op een doeltreffende voorziening in rechte. Zowel het recht op privacy als het recht op rechtsbijstand is een grondrecht dat in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: het Handvest) is opgenomen. Zoals het Hof van Justitie in het hiervoor genoemde arrest GC e.a. (punten 55-66) heeft overwogen, kan de inbreuk op het grondrecht van privacy, die de verwerking van bijzondere persoonsgegevens is, worden gerechtvaardigd op grond van de eerbiediging van een ander grondrecht. Bij een dergelijk conflict moeten de verschillende grondrechten tegen elkaar worden afgewogen. Die afweging kan ertoe leiden dat de verwerking van bijzondere persoonsgegevens wegens een zwaarwegend belang, als bedoeld in artikel 9, tweede lid, aanhef en onder g, mogelijk is, aldus het Hof van Justitie. Naar het oordeel van de Afdeling is daarvan in dit geval sprake. Daarvoor maakt de Afdeling de volgende afweging. 9.2. In artikel 8 van het Handvest is het recht op bescherming van persoonsgegevens neergelegd. Artikel 47 van het Handvest ziet op de toegang tot de rechter. Zoals volgt uit de derde alinea van dit artikel bevat dat recht mede een recht op gefinancierde rechtsbijstand aan degenen die niet over toereikende financiële middelen beschikken. In de toelichting over deze alinea wordt, onder verwijzing naar rechtspraak van het Europees Hof voor de rechten van de mens, verduidelijkt dat in rechtsbijstand moet worden voorzien wanneer de garantie van een doeltreffende voorziening in rechte wegens het ontbreken van die bijstand ontwricht zou worden. 9.3. Zonder de toekenning van een aanvraag kan een doeltreffende voorziening in rechte worden ontwricht. Dat kan ertoe leiden dat dit grondrecht zwaarder moet wegen dan het recht op privacy en moet worden aangemerkt als een zwaarwegend belang. De rechtszaken waarvoor [wederpartij] om gefinancierde rechtsbijstand heeft verzocht, zien op een geschil dat zij heeft met de gemeente Rotterdam over de manier waarop zij door de medewerkers van de gemeente is behandeld in een bepaalde periode. De Afdeling volgt het bestuur in zijn standpunt dat de bijzondere persoonsgegevens, die staan vermeld in de vonnissen en waarvan [wederpartij] vindt dat die onrechtmatig worden verwerkt door het bestuur, in dit geval nodig zijn voor de beoordeling van de aanvraag voor rechtsbijstand. Gelet op de verbondenheid van de bijzondere persoonsgegevens in relatie tot het rechtsgeschil waarvoor [wederpartij] de gefinancierde rechtsbijstand heeft aangevraagd, is de Afdeling van oordeel dat het bestuur in dit geval het grondrecht van toegang tot de rechter mocht laten prevaleren boven het recht op privacy. De verwerking door het bestuur van de bijzondere persoonsgegeven door het opvragen en verzamelen van die gegevens vindt dus plaats in verband met een zwaarwegend algemeen belang en is dus rechtmatig. De Afdeling ziet aanleiding om in zoverre de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit op bezwaar in stand te laten. Conclusie bijzondere persoonsgegevens 9.4. Nu de Afdeling van oordeel is dat het bestuur de bijzondere persoonsgegevens van [wederpartij] bij het opvragen en verzamelen rechtmatig heeft verwerkt, bestaat aanleiding om de rechtsgevolgen van het door de rechtbank terecht vernietigde besluit op bezwaar in zoverre in stand te laten. 10. Wegens de gedeeltelijke vernietiging van de uitspraak van de rechtbank komt de Afdeling toe aan de beroepsgrond van [wederpartij] die door de rechtbank slechts in een overweging ten overvloede, waartegen geen hoger beroep kan worden ingesteld, is besproken. - Mogen de vonnissen worden bewaard? 11. [wederpartij] heeft in beroep uitsluitend naar voren gebracht dat zij het er niet mee eens is dat de vonnissen worden bewaard. 11.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (zie de uitspraak van 14 oktober 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2419) volgt uit artikel 17, derde lid, aanhef en onder b, van de AVG dat op het bestuur geen plicht rust om persoonsgegevens zonder onredelijke vertraging te wissen indien op haar een wettelijke verwerkingsplicht rust. Op grond van artikel 3 van de Archiefwet 1995 (hierna: de Archiefwet) is het bestuur verplicht de onder hem berustende archiefbescheiden in goede, geordende en toegankelijke staat te brengen en te bewaren, alsmede zorg te dragen voor de vernietiging van de daarvoor in aanmerking komende archiefbescheiden. Volgens hoofdstuk 4.1.1, onder 4, van de Selectielijst voor de archiefbescheiden van de zorgdragers de raden voor rechtsbijstand (Stcrt. 2009, 106), die is vastgesteld krachtens artikel 5 van de Archiefwet, moeten aanvragen om rechtsbijstand, de verlening van toevoegingen, en correspondentie na tien jaar worden vernietigd. Uit hoofdstuk 1.5 volgt dat de gegevens voor een bepaalde duur worden bewaard ten behoeve van het adequaat uitvoeren van de overheidsadministratie en de verantwoordingsplicht van de overheid en voor de recht- en bewijszoekende burger. Gelet hierop heeft het bestuur zich terecht op het standpunt gesteld dat de bewaartermijn voor de bij de aanvragen gevoegde vonnissen tien jaar is en deze gegevens niet op grond van artikel 17, eerste lid, van de AVG eerder kunnen worden gewist. Het betoog van [wederpartij] slaagt niet. Slotsom 12. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd voor zover de rechtbank het besluit op bezwaar heeft vernietigd voor wat betreft het opvragen en verzamelen door het bestuur van de gewone persoonsgegevens. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd met verbetering van de gronden voor wat betreft het opvragen en verzamelen door het bestuur van de bijzondere persoonsgegevens. De Afdeling zal de rechtsgevolgen van het vernietigde deel van het besluit op bezwaar in stand laten. De aangevallen uitspraak moet ook worden vernietigd voor zover de rechtbank het bestuur heeft opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen. 13. Dit oordeel van de Afdeling betekent dat het bestuur terecht het verzoek van [wederpartij] om vernietiging van de bij haar toevoegingsaanvragen gevoegde vonnissen heeft afgewezen. 14. Het bestuur hoeft geen proceskostenveroordeling te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het hoger beroep gegrond; II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 18 maart 2020 in zaak nr. 19/1395 voor zover de rechtbank het besluit op bezwaar heeft vernietigd voor wat betreft het opvragen en verzamelen door het bestuur van de gewone persoonsgegevens en het bestuur heeft opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen; III. bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover de rechtbank het besluit op bezwaar heeft vernietigd voor wat betreft het opvragen en verzamelen door het bestuur van de bijzondere persoonsgegevens; IV. bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde deel van het besluit op bezwaar in stand blijven. Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, voorzitter, en mr. H.G. Sevenster en mr. W. den Ouden, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.J.L. Crombach, griffier. w.g. Polak voorzitter De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen. Uitgesproken in het openbaar op 12 mei 2021 689-290. BIJLAGE Algemene Verordening Gegevensbescherming Artikel 4 Definities Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder: 1) „persoonsgegevens": alle informatie over een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon („de betrokkene"); als identificeerbaar wordt beschouwd een natuurlijke persoon die direct of indirect kan worden geïdentificeerd, met name aan de hand van een identificator zoals een naam, een identificatienummer, locatiegegevens, een online identificator of van een of meer elementen die kenmerkend zijn voor de fysieke, fysiologische, genetische, psychische, economische, culturele of sociale identiteit van die natuurlijke persoon; 2) „verwerking": een bewerking of een geheel van bewerkingen met betrekking tot persoonsgegevens of een geheel van persoonsgegevens, al dan niet uitgevoerd via geautomatiseerde procedés, zoals het verzamelen, vastleggen, ordenen, structureren, opslaan, bijwerken of wijzigen, opvragen, raadplegen, gebruiken, verstrekken door middel van doorzending, verspreiden of op andere wijze ter beschikking stellen, aligneren of combineren, afschermen, wissen of vernietigen van gegevens; […] 6) „bestand": elk gestructureerd geheel van persoonsgegevens die volgens bepaalde criteria toegankelijk zijn, ongeacht of dit geheel gecentraliseerd of gedecentraliseerd is dan wel op functionele of geografische gronden is verspreid; 7) „verwerkingsverantwoordelijke": een natuurlijke persoon of rechtspersoon, een overheidsinstantie, een dienst of een ander orgaan die/dat, alleen of samen met anderen, het doel van en de middelen voor de verwerking van persoonsgegevens vaststelt; wanneer de doelstellingen van en de middelen voor deze verwerking in het Unierecht of het lidstatelijke recht worden vastgesteld, kan daarin worden bepaald wie de verwerkingsverantwoordelijke is of volgens welke criteria deze wordt aangewezen; 8) „verwerker": een natuurlijke persoon of rechtspersoon, een overheidsinstantie, een dienst of een ander orgaan die/ dat ten behoeve van de verwerkingsverantwoordelijke persoonsgegevens verwerkt; 9) „ontvanger": een natuurlijke persoon of rechtspersoon, een overheidsinstantie, een dienst of een ander orgaan, al dan niet een derde, aan wie/waaraan de persoonsgegevens worden verstrekt. Overheidsinstanties die mogelijk persoonsgegevens ontvangen in het kader van een bijzonder onderzoek overeenkomstig het Unierecht of het lidstatelijke recht gelden echter niet als ontvangers; de verwerking van die gegevens door die overheidsinstanties strookt met de gegevensbeschermingsregels die op het betreffende verwerkingsdoel van toepassing zijn; […] 11) „toestemming" van de betrokkene: elke vrije, specifieke, geïnformeerde en ondubbelzinnige wilsuiting waarmee de betrokkene door middel van een verklaring of een ondubbelzinnige actieve handeling hem betreffende verwerking van persoonsgegevens aanvaardt; […] 15) „gegevens over gezondheid": persoonsgegevens die verband houden met de fysieke of mentale gezondheid van een natuurlijke persoon, waaronder gegevens over verleende gezondheidsdiensten waarmee informatie over zijn gezondheidstoestand wordt gegeven; […] Artikel 5 Beginselen inzake verwerking van persoonsgegevens 1. Persoonsgegevens moeten:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.