(2020)’, bepaald of er sprake is van voldoende parkeergelegenheid en/of de ruimte voor laden en lossen. Indien dit parkeerbeleid gedurende de planperiode wordt gewijzigd, wordt rekening gehouden met deze wijziging;
- De parkeervoorzieningen, als bedoeld onder 1 en de ruimte voor laad- en losvoorzieningen, als bedoeld onder 2, dienen in stand te worden gehouden." Paragraaf 3.1.2 van de "Nota Parkeernormen 2019" luidt: "De normcorrectie Er kunnen redenen zijn waarom voor een specifieke ontwikkeling de parkeernormen gecorrigeerd moeten worden. Bijvoorbeeld omdat de initiatiefnemer (ontwikkelaar) voor een woningblok de ambitie heeft om een autovrij gebied te ontwikkelen en er daarom voor kiest een doelgroep te huisvesten van personen die geen eigen auto’s hebben, maar voor hun mobiliteitsbehoefte onder meer gebruik maken van een gezamenlijk deelauto initiatief. Of een bedrijvencomplex dat naast een goed openbaar vervoer knooppunt of snelfietsroute ligt en zich specifiek richt op bedrijven met medewerkers die in zeer beperkte mate of zelfs zonder auto naar hun werk komen en geen auto nodig hebben om hun werk uit te kunnen oefenen. In alle gevallen geldt dat de normcorrectie slechts van toepassing kan worden verklaard, als een onderbouwd plan (zie hoofdstuk 2) de beoogde oplossing aantoont en de mogelijke risico’s van de daartoe gedane aannames / ambities beheersbaar kunnen worden gemaakt." 4.
- De Afdeling stelt vast dat ten tijde van het besluit op bezwaar van 26 juni 2019 de "Nota Parkeernormen 2019" in werking was getreden. In de "Nota Parkeernormen 2019" is een onderscheid gemaakt tussen de gronden binnen de zogeheten centrumtangent en gronden buiten de centrumtangent. Uit de overzichtskaart bij de "Nota Parkeernormen 2019" blijkt dat het perceel waarop het bouwplan betrekking heeft behoort tot het gebied buiten de centrumtangent. In bijlage 4 bij de "Nota Parkeernormen 2019" zijn voor zowel de gronden binnen de centrumtangent als voor gronden daarbuiten de algemene parkeernormen opgenomen. Het college heeft de parkeerbehoefte berekend aan de hand van de "Nota Parkeernormen 2019" en daarvoor de voor restaurants buiten de centrumtangent geldende parkeernorm van 12 parkeerplaatsen per 100 m2 toegepast. Het college heeft aan de hand van deze parkeernorm berekend dat voor de uitbreiding van het restaurant met 600 m2 minimaal 72 parkeerplaatsen zijn benodigd en toegelicht dat deze parkeerplaatsen zijn verdisconteerd in de op grond van voorschrift 8 van de omgevingsvergunning voorgeschreven 224 parkeerplaatsen voor [paviljoen]. 4.
- De Afdeling is, gelet op de ligging van de betreffende gronden buiten de centrumtangent, waarvoor in bijlage 4 bij de "Nota Parkeernormen 2019" parkeernormen zijn opgenomen, met de rechtbank van oordeel dat het college bij de berekening van de parkeerbehoefte voor de uitbreiding terecht de op grond van de "Nota Parkeernormen 2019" geldende parkeernormen voor gronden buiten de centrumtangent heeft toegepast. Verder is de Afdeling van oordeel dat het college in de door Milieuvereniging Oosterhout genoemde omstandigheden geen aanleiding hoefde te zien om, zo nodig met toepassing van paragraaf 3.1.2 van de "Nota Parkeernormen 2019", door middel van maatwerk een hogere parkeernorm toe te passen. Daartoe overweegt de Afdeling dat de publicaties van het CROW waarnaar de Milieuvereniging Oosterhout verwijst kunnen worden toegepast bij de berekening van de parkeerbehoefte van een beoogde ontwikkeling, maar daartoe bestaat geen verplichting. Dat het college eerder bij de verlening van de omgevingsvergunning voor het reeds gerealiseerde restaurant zou zijn uitgegaan van in deze CROW-publicaties aanbevolen parkeernormen, laat onverlet dat het college de parkeerbehoefte voor de uitbreiding van het restaurant diende te berekenen aan de hand van de ten tijde van het besluit op bezwaar toepasselijke "Nota Parkeernormen 2019". In de afgelegen ligging en de gestelde bestaande parkeeroverlast heeft het college in redelijkheid ook geen aanleiding hoeven te zien om met toepassing van paragraaf 3.1.2 van de "Nota Parkeernormen 2019" de actuele parkeernormen te corrigeren. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat, anders dan waarvan Milieuvereniging Oosterhout uitgaat, het bouwplan geen oplossing hoeft te bieden voor eventuele bestaande parkeerproblemen, die bovendien door het college worden betwist. Het onderhavige bouwplan moet voorzien in voldoende parkeergelegenheid voor de voorziene uitbreiding van het restaurant, zodat de bestaande parkeerdruk niet zal toenemen. Het is echter niet nodig dat het bouwplan de bestaande parkeerproblemen oplost. Het betoog faalt. Voorschrift 8 van de omgevingsvergunning
- Milieuvereniging Oosterhout betoogt dat de rechtbank ten onrechte de zinsnede "voordat met de bouw van de vergunde uitbreiding mag worden begonnen" uit de voorschriften in de omgevingsvergunning over de aan te leggen parkeerplaatsen heeft vernietigd. Volgens Milieuvereniging Oosterhout was met die zinsnede gewaarborgd dat op het moment dat met de bouw zou worden begonnen de parkeerplaatsen zouden zijn gerealiseerd, zodat de uitbreiding niet in gebruik kon worden genomen zonder de te realiseren parkeerplaatsen. Volgens Milieuvereniging Oosterhout kan zonder de vernietigde zinsnede de realisatie van de parkeerplaatsen ook plaatsvinden na ingebruikname van de uitbreiding, waardoor de toch al grote parkeerdruk verder zal toenemen. Volgens haar komt daar nog bij dat als de omgevingsvergunning is verleend, het plan geen rechtstreekse grondslag meer biedt om handhaving van de planregels over parkeren af te dwingen.
- [appellante sub 2] betoogt dat de rechtbank ten onrechte uitsluitend de zinsnede "voordat met de bouw van de vergunde uitbreiding wordt begonnen" uit voorschrift 8 van de omgevingsvergunning heeft vernietigd en dat het gehele voorschrift diende te worden vernietigd. Volgens haar heeft de rechtbank niet onderkend dat dit voorschrift over parkeren, gelet op artikel 2.
- tweede en derde lid, van de Wabo, niet aan de betreffende omgevingsvergunning kan worden verbonden. Daartoe heeft zij aangevoerd dat alleen voorschriften kunnen worden opgenomen die nodig zijn met het oog op het belang dat voor de betrokken activiteit is aangegeven in het bepaalde bij of krachtens de artikelen 2.10 tot en met 2.20 van de Wabo en dat ook geen sprake is van een voorwaarde als bedoeld in artikel 2.22, derde lid, van de Wabo. Verder betoogt zij dat in het bestemmingsplan "Parapluherziening Parkeren Oosterhout 2018" reeds is bepaald dat moet worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid, zodat dit niet in deze omgevingsvergunning hoefde te worden opgenomen. Volgens [appellante sub 2] heeft de rechtbank verder miskend dat voorschrift 8 van de omgevingsvergunning in strijd is met het voornoemde paraplu-bestemmingsplan en de "Nota Parkeernormen 2019", nu volgens dit voorschrift een hoger aantal parkeerplaatsen moet worden gerealiseerd, te weten 224, dan op grond van het geldende parkeerbeleid is voorgeschreven, te weten
- Volgens haar geldt op grond van de "Nota Parkeernormen 2019" voor een restaurant een parkeernorm van 12 parkeerplaatsen per 100 m2, zodat de parkeerbehoefte van het gebouw na uitbreiding, met een totale bruto vloeroppervlakte van 1.600 m2, uitkomt op 192 parkeerplaatsen. Zij stelt dat de rechtbank weliswaar heeft erkend dat na realisering van de uitbreiding een totale parkeerbehoefte van 192 parkeerplaatsen zal ontstaan, maar daaraan heeft de rechtbank ten onrechte niet de conclusie verbonden dat zij niet kan worden verplicht minimaal 224 parkeerplaatsen te realiseren zoals voorgeschreven in voorschrift 8 van de omgevingsvergunning. Voor dit aantal van 224 parkeerplaatsen heeft het college zich volgens haar, naast de benodigde 72 parkeerplaatsen voor de uitbreiding van 600 m2, ten onrechte gebaseerd op het bestaande aantal van 150 parkeerplaatsen, nu deze niet waren opgenomen in de eerder verleende vergunning voor het gerealiseerde [paviljoen]. Volgens haar moet voor de parkeerbehoefte worden uitgegaan van de oppervlakte van het gebouw na uitbreiding van 1.600 m2 en een parkeernorm van 12 parkeerplaatsen per 100 m2, zodat in totaal slechts 192 parkeerplaatsen moeten worden aangelegd.
- Voorschrift 8 van de omgevingsvergunning luidt: "De vergunninghoudster is verplicht om in totaal minimaal 224 parkeerplaatsen gerealiseerd te hebben, die vervolgens in stand moeten worden gehouden". 7.
- De Afdeling overweegt over het betoog van Milieuvereniging Oosterhout dat de rechtbank ten onrechte uit voorschrift 8 van de omgevingsvergunning de zin "voordat met de bouw van de vergunde uitbreiding wordt begonnen" heeft vernietigd, als volgt. De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat dit onderdeel van het voorschrift niet noodzakelijk is. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat een met het bestemmingsplan strijdige situatie kan worden voorkomen door het enkele vergunningvoorschrift dat de parkeerplaatsen moeten worden gerealiseerd. In het bestemmingsplan staat immers dat een omgevingsvergunning uitsluitend kan worden verleend indien wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid. De aan te leggen parkeerplaatsen maken deel uit van de aanvraag en daarmee van de omgevingsvergunning. Wanneer de vergunninghoudster niet aan het betreffende voorschrift uit de omgevingsvergunning voldoet, kan, zoals de rechtbank heeft overwogen, het college op grond van artikel 2.3, onder b van de Wabo handhavend optreden. De Afdeling kan Milieuvereniging Oosterhout dan ook niet volgen in haar stelling dat er zonder de door de rechtbank vernietigde zinsnede geen grondslag meer is voor handhavend optreden. Over het betoog van [appellante sub 2] dat de rechtbank heeft miskend dat gelet op artikel 2.22, tweede lid, van de Wabo voorschrift 8 in het geheel niet aan deze omgevingsvergunning kon worden verbonden, overweegt de Afdeling als volgt. In het artikel 2.22, tweede lid, van de Wabo is bepaald dat aan een omgevingsvergunning voorschriften kunnen worden verbonden die nodig zijn met het oog op het belang dat voor de betrokken activiteit is aangegeven in het bepaalde bij of krachtens artikel 2.10 tot en met 2.20 van de Wabo. Het college heeft voorschrift 8 aan deze omgevingsvergunning verbonden om te waarborgen dat ten behoeve van de in de omgevingsvergunning toegelaten uitbreiding voldoende parkeerplaatsen worden gerealiseerd. Nu dit voorschrift uit deze omgevingsvergunning ertoe strekt dat de activiteit in overeenstemming met artikel 3.1, onder b, van het vigerende bestemmingsplan "Parapluherziening Parkeren Oosterhout 2018" en de geldende "Nota Parkeernormen 2019" dient te voorzien in voldoende parkeergelegenheid, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat het college met het oog op de in artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo betrokken belangen niet in redelijkheid dit voorschrift in de omgevingsvergunning heeft kunnen opnemen. Ten slotte overweegt de Afdeling over het betoog van [appellante sub 2] dat de rechtbank niet heeft onderkend dat voorschrift 8 van de omgevingsvergunning in strijd is met de op grond van het vigerende bestemmingsplan van toepassing zijnde "Nota Parkeernormen 2019", het volgende. De Afdeling volgt [appellante sub 2] niet in haar stelling dat voor de aan de omgevingsvergunning te verbinden parkeerplaatsen moet worden uitgegaan van de totale oppervlakte van het gebouw na uitbreiding van 1.600 m2, met als gevolg dat bij toepassing van een parkeernorm van 12 parkeerplaatsen per 100 m2 volgens haar in totaal slechts 192 parkeerplaatsen moeten worden aangelegd. In voorschrift 8 van deze omgevingsvergunning is bepaald dat in totaal minimaal 224 parkeerplaatsen moeten zijn gerealiseerd. Dit aantal is gebaseerd op de aanvraag en het parkeerplan die deel uitmaken van de omgevingsvergunning. Daaruit valt af te leiden dat, naast de bestaande reeds gerealiseerde parkeerplaatsen, wordt voorzien in de voor de uitbreiding benodigde 72 parkeerplaatsen. Daarmee heeft het college een juiste toepassing gegeven aan de "Nota Parkeernormen 2019". De vraag of de overige reeds gerealiseerde parkeerplaatsen wel of geen onderdeel uitmaakten van de in het verleden verleende vergunning voor het bestaande [paviljoen] behoeft dan ook geen bespreking. De betogen falen. Conclusie en proceskosten
- Het hoger beroep van Milieuvereniging Oosterhout en incidenteel hoger beroep van [appellante sub 2] zijn ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
- Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. E. Helder, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.P.F. Boermans, griffier. Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen. De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen. Uitgesproken in het openbaar op 19 mei 2021 429-914.