201807227/1/R
- Datum uitspraak: 2 juni 2021 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen:
- [appellante sub 1], gevestigd te Gemert, gemeente Gemert-Bakel,
- Het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: het college), gevestigd te 's-Hertogenbosch,
- [appellante sub 3] en anderen, gevestigd te Elsendorp, gemeente Gemert-Bakel,
- [appellante sub 4], gevestigd te Bakel, gemeente Gemert-Bakel,
- [appellant sub 5], wonend te Gemert, gemeente Gemert-Bakel,
- [appellante sub 6], gevestigd te Milheeze, gemeente Gemert-Bakel,
- [appellant sub 7], wonend te De Rips, gemeente Gemert-Bakel,
- [appellanten sub 8] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 8]), wonend te Gemert, gemeente Gemert-Bakel,
- [appellanten sub 9] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 9]), wonend te Gemert, gemeente Gemert-Bakel,
- [appellant sub 10], wonend te Bakel, gemeente Gemert-Bakel,
- [appellant sub 11], wonend te Milheeze, gemeente Gemert-Bakel,
- [appellanten sub 12], beide gevestigd te De Rips, gemeente Gemert-Bakel,
- [appellante sub 13], gevestigd te Milheeze, gemeente Gemert-Bakel,
- [appellanten sub 14] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 14]), wonend respectievelijk gevestigd te Bakel, gemeente Gemert-Bakel,
- [appellant sub 15], wonend te Sint Hubert, gemeente Mill en Sint Hubert,
- [appellanten sub 16] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 16]), wonend te De Mortel, gemeente Gemert-Bakel,
- [appellanten sub 17] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 17]), wonend te Bakel, gemeente Gemert-Bakel,
- [appellant sub 18], wonend te Gemert, gemeente Gemert-Bakel,
- Zuidelijke Land- en Tuinbouworganisatie, Afdeling Gemert-Bakel (hierna: ZLTO), gevestigd te Gemert, gemeente Gemert-Bakel, appellanten, en de raad van de gemeente Gemert-Bakel, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 5 juli 2018 heeft de raad het bestemmingsplan "Gemert-Bakel Buitengebied 2017" vastgesteld. Tegen dit besluit hebben partijen beroep ingesteld. De raad heeft een verweerschrift ingediend. Bij besluit van 14 maart 2019 heeft de raad het bestemmingsplan "Gemert-Bakel Buitengebied, december 2018" vastgesteld. [appellant sub 16] heeft zijn zienswijze over het besluit van 14 maart 2019 naar voren gebracht. Een aantal partijen heeft nadere stukken ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 oktober 2020, 13 oktober 2020 en 14 oktober 2020, waar een aantal partijen is verschenen of zich heeft laten vertegenwoordigen. Ook de raad heeft zich laten vertegenwoordigen. De zaak is op deze zitting gevoegd behandeld met zaak nr. 201807227/4/R
- Na de zitting zijn de zaken gesplitst. Overwegingen Samenvatting Het plan blijft grotendeels in stand. Op een aantal punten wordt het plan vernietigd. Het plan voorziet ten opzichte van het voorheen geldende bestemmingsplan in een aantal ruimtelijke ontwikkelingen zoals bedoeld in artikel 1.79 van de provinciale Verordening. De raad had in deze gevallen toepassing moeten geven aan, onder andere, de op grond van artikel 3.2 van de Verordening benodigde kwaliteitsverbetering van het landschap. De raad heeft dit in een aantal gevallen niet gedaan, waardoor een aantal plandelen in strijd met artikel 3.2 van de Verordening is vastgesteld. Verder had de raad in dit plan beter moeten regelen wat hij verstaat onder normaal onderhoud en beheer zoals bedoeld in enkele planregels. Ook heeft de raad ter zitting verklaard dat ten aanzien van een aantal concrete percelen onvoldoende onderzoek is verricht naar archeologische verwachtingswaarden. Daarnaast heeft de raad de dubbelbestemming "Waterstaat - Waterbergingsgebied" niet zonder meer kunnen toekennen aan voor agrarisch of agrarisch bedrijf bestemde gronden die in de provinciale Verordening zijn aangeduid als "Reservering Waterberging". Het plan is op deze laatste drie punten in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid of in strijd met het motiveringsbeginsel. Tot slot worden enkele onderdelen van het plan vanwege in hoofdzaak locatie-specifieke redenen vernietigd. De raad krijgt de opdracht om in zoverre een nieuw besluit te nemen. Om onomkeerbare gevolgen te voorkomen heeft de Afdeling enkele voorlopige voorzieningen getroffen. Inhoudsopgave met verwijzing naar de nummers van de overwegingen Inleiding 1 Toetsingskader 2 Het beroep van het college 3 - 37 - Deelintrekking 3 - Algemeen 4 - Nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, verhouding met 5 - 12 artikel 3.2 van de Verordening - Nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, verhouding met 13 - 16 Natuur Netwerk Brabant - Nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, verhouding met 17 Groenblauwe Mantel - Nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, uitbreiding 18 - 26 veehouderijen - Niet-agrarische functies 27 - 33 - Conclusie 34 - 37 Archeologische waarden - algemeen 38 - 39 - [appellante sub 1], [appellante sub 4], [appellant sub 9], [appellant sub 10], 38 [appellant sub 5], [appellanten sub 12] en ZLTO - Conclusie 39 Het beroep van [appellant sub 9] 40 - 44 - "Waarde - Archeologie 5" 40 - Conclusie 41 - 44 Het beroep van [appellant sub 5] 45 - 48 - "Waarde - Archeologie 5" 45 - Beeldbepalend pand 46 - Conclusie 47 - 48 Het beroep van [appellante sub 1] 49 - 52 - Dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 5" 49 - 50 - Conclusie 51 - 52 Het beroep van [appellant sub 16] 53 - 62 - Algemeen en 6:19-besluit 53 - 54 - Omvang bestemmingsvlak 55 - "Waarde - Archeologie 4" 56 - Bestemmingsplan "Landgoed Nieuwen Huys" 57 - Conclusie 58 - 62 Het beroep van [appellant sub 10] 63 - 74 - Algemeen 63 - "Waarde - Archeologie 5" 64 - "Waarde - Oude Akker" 65 - Groene erfinrichting 66 - Definitie "bestaand" 67 - Zorgvuldige dialoog 68 - Mantelzorg 69 - Handhaving 70 - Conclusie 70 - 74 Het beroep van [appellanten sub 12] 75 - 84 - Algemeen 75 - Stikstofdepositie 76 - Beperkingen veehouderij 77 - Monument en beeldbepalend pand 78 - 79 - Archeologische waarden 80 - Conclusie 81 - 84 Het beroep van [appellant sub 14] 85 - 88 - "Waarde - Oude Akker" 86 - Conclusie 87 - 88 Het beroep van [appellant sub 8] 89 - 93 - Algemeen 89 - "Waarde - Oude Akker" 90 - Afwijkingsbevoegdheid 91 - Conclusie 92 - 93 Het beroep van [appellant sub 17] 94 - 102 - Algemeen 94 - Milieugevoelige functies 95 - Landschappelijke inpassing 96 - Herhaling en inlassing zienswijzen 97 - Conclusie 98 - 102 Het beroep van [appellante sub 13] 103 - 108 - Algemeen 103 - Nertsenhouderijen 104 - Persoonsgebonden overgangsrecht 105 - Conclusie 106 - 108 Het beroep van [appellante sub 3] en anderen 109 - 117 - Algemeen 109 - Intrekking 110 - Nertsenvoederfabrieken 111 - Nertsenhouderijen 112 - Landschappelijke inpassing 113 - Hotel 114 - Conclusie 115 - 117 Het beroep van [appellante sub 6] 118 - 122 - Algemeen 118 - Tweede bedrijfswoning 119 - Archeologie 120 - Conclusie 121 - 122 Het beroep van [appellant sub 11] 123 - 125 Het beroep van [appellante sub 4] 126 - 136 - Ingetrokken beroepsgronden 126 - Beperkingen veehouderij 127 - "Waterstaat - Waterbergingsgebied" 128 - "Waarde - Archeologie 5" 129 - Maximaal aantal activiteiten per bedrijf 130 - Groene erfinrichting 131 - Bijgebouwen bij bedrijfswoningen 132 - Herhalen en inlassen zienswijze 133 - Conclusie 134 - 136 Het beroep van [appellant sub 15] 137 - 144 - Algemeen 137 - Groene erfbeplanting 138 - Geurnorm 139 - Staldering 140 - Zorgvuldige dialoog 141 - Nieuw bestemmingsvlak 142 - Conclusie 143 - 144 Het beroep van [appellant sub 7] 145 - 150 - Algemeen 145 - Uitbreiding gebouwen veehouderij 146 - Bedrijfswoning 147 - Conclusie 148 - 150 Het beroep van ZLTO 151 - 162 - Omvang veehouderijbestand 151 - Archeologische waarden 152 - Teeltondersteunende voorzieningen 153 - Verkoop streekproducten 154 - Permanente huisvesting werknemers op 155 agrarische bedrijven - Nevenactiviteiten agrarisch bedrijf 156 - "Waterstaat - Waterbergingsgebied" 157 - Beeldbepalend pand 158 - Conclusie 159 - 162 Het beroep van [appellant sub 18] 163 - 168 - Waterstaat - Waterbergingsgebied 163 - 164 - Conclusie 165 - 168 Beslissing Bijlage Inleiding
- Het plan voorziet in een actuele planologisch-juridische regeling voor het buitengebied van de gemeente Gemert-Bakel. Het plan vervangt verschillende ter plaatse geldende en voor een deel verouderde plannen en is onder meer vastgesteld naar aanleiding van de regels uit de "Verordening ruimte Noord-Brabant", vastgesteld op 8 juli 2017 en in werking getreden op 15 juli 2017 (hierna: de Verordening). Tegen het plan zijn 25 beroepen ingesteld. Het merendeel van de beroepen richt zich tegen de planregeling voor de eigen gronden van de betreffende appellant(en). De Afdeling heeft er eerder voor gekozen om alle beroepen niet in één uitspraak af te doen, maar om, zo mogelijk, beroepen in een aantal afzonderlijke uitspraken op te nemen. In deze uitspraak komen de laatste negentien beroepen aan de orde. De voor de zaak relevante wet- en regelgeving is opgenomen in de bijlage van deze uitspraak. Toetsingskader
- Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Het beroep van het college Deelintrekking
- Ter zitting heeft het college het beroep, voor zover dat ziet op de percelen Pandelaar 91 te Gemert en Kaweide 8 te Milheeze, ingetrokken. Nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, verhouding met artikel 3.2 van de Verordening Algemeen
- Het college kan zich niet verenigen met de vaststelling van meerdere plandelen. Naar zijn mening zijn deze plandelen vastgesteld in strijd met de Verordening Ruimte Noord-Brabant zoals deze gold ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan op 5 juli 2018 (hierna de Verordening). Het college stelt daartoe dat in het plan een aantal ruimtelijke ontwikkelingen wordt mogelijk gemaakt, zonder dat toepassing is gegeven aan de in de Verordening daaraan gestelde regels. 4.
- De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat in veel van de door het college genoemde gevallen bouw- en omgevingsvergunningen zijn verleend. De raad heeft bij de vaststelling van het plan beoogd om deze aldus vergunde gebouwen en bouwwerken positief te bestemmen. Verder heeft de raad het bestaand gebruik van sommige percelen dat in voorheen geldende bestemmingsplannen onder het overgangsrecht viel in het plan als zodanig willen bestemmen. Volgens de raad is sprake van al bestaande bouwpercelen, bestaande bebouwing en/of bestaande planologische gebruiksactiviteiten in de zin van artikel 2, derde lid, van de Verordening en is dientengevolge geen sprake van ruimtelijke ontwikkelingen als bedoeld in artikel 1.79 van de Verordening. 4.
- De Afdeling zal eerst ingaan op het algemene geschilpunt tussen het college en de raad over de vraag wanneer sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.79 van de Verordening. Vast staat dat de raad bij de door het college aangevochten plandelen geen toepassing heeft gegeven aan de in artikel 3.2 van de Verordening neergelegde regels die gelden voor een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling. De Afdeling leidt uit de in artikel 1.79 van de Verordening neergelegde regel dat het moet gaan om een noodzakelijke wijziging van het planologische regime, af dat bouw- of planologische gebruiksactiviteiten, die op grond van een verleende bouw- of omgevingsvergunning zijn toegestaan, en die één-op-één in een bestemmingsplan worden ingepast, niet vallen aan te merken als ruimtelijke ontwikkelingen zoals bedoeld in artikel 1.79 van de Verordening. Daarbij maakt het naar het oordeel van de Afdeling niet uit of een bouwvergunning of een omgevingsvergunning voor bouwen al dan niet in strijd met het ter plaatse geldende planologische regime was verleend, mits dat strijdige gebruik kennelijk uit de aanvraag voor die vergunning bleek. De raad hoefde in zoverre dan ook geen toepassing te geven aan de in de Verordening gestelde eisen voor een ruimtelijke ontwikkeling. Verder overweegt de Afdeling dat ook planologische gebruiksactiviteiten die onder de beschermende werking van het gebruiksovergangsrecht van een voorheen geldend bestemmingsplan vallen evenmin ruimtelijke ontwikkelingen zijn zoals bedoeld in artikel 1.79 van de Verordening, nu ook daarvoor geldt dat geen wijziging van het planologische regime noodzakelijk is. Een dergelijke planologische gebruiksactiviteit kan op grond van het gebruiksovergangsrecht en binnen de grenzen daarvan legaal worden verricht. De Afdeling zal in het vervolg van deze uitspraak aan de hand van het hiervoor besproken beoordelingskader per door het college genoemd individueel geval bezien of ten aanzien van de door het college bestreden plandelen door de raad ten onrechte is aangenomen dat geen sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.79 van de Verordening. Gerele Peel 8 te Elsendorp
- Het college stelt dat het bestemmingsvlak voor de bestemming "Wonen" op het perceel aan de Gerele Peel 8 te Elsendorp ten opzichte van het voorheen geldende bestemmingsplan ten onrechte is vergroot. Volgens het college is sprake van een ruimtelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.79 van de Verordening, nu - buiten het voorheen bestaande bestemmingsvlak voor "Wonen" - een bouwvergunning is verleend voor een agrarisch bedrijfsgebouw en niet voor een bijgebouw bij een woning. Volgens het college heeft de raad bij de vaststelling van het plan dan ook ten onrechte geen toepassing gegeven aan artikel 3.2 van de Verordening. 5.
- De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat in 1970 een bouwvergunning is verleend voor de bouw van een stal binnen de toen geldende agrarische bestemming. Het perceel had in het bestemmingsplan "Buitengebied 1998" een agrarische bedrijfsbestemming en de stal lag volledig binnen het bestemmingsvlak. Volgens de raad is het agrarisch bedrijf op 13 maart 2001 definitief beëindigd. Uit het controlerapport blijkt dat in de betreffende stal op dat moment hobbymatige, bij een woning passende activiteiten plaatsvonden. Volgens de raad was, nu een dergelijk gebruik aan de bedrijfswoning kon worden gerelateerd, dit gebruik ook binnen de op grond van het bestemmingsplan "Buitengebied 1998" aan het perceel toegekende agrarische bedrijfsbestemming toegestaan. De raad stelt dat deze stal niet is meegenomen in het nadien vastgestelde bestemmingsplan "Buitengebied 2006" en dat het gebruik van de stal voor woondoeleinden onder het gebruiksovergangsrecht van dat bestemmingsplan is gebracht. Volgens de raad is geen sprake van een ruimtelijke ontwikkeling en hoefde geen toepassing te worden gegeven aan artikel 3.2 van de Verordening. 5.
- De Afdeling stelt vast dat het voorliggende plan ten opzichte van het voorheen geldende bestemmingsplan voor het perceel Gerele Peel 8 te Elsendorp voorziet in een vergroting van het bestemmingsvlak met de bestemming "Wonen". De op 14 september 1970 verleende bouwvergunning strekt niet tot het gebruiken van het aanwezige gebouw ten behoeve van woondoeleinden. Voorts voorzag artikel 4 van het bestemmingsplan "Buitengebied 1998" in een gebruiksverbod van met de bestemming strijdig gebruik en daaruit kan aldus evenmin worden afgeleid dat het agrarische bedrijfsgebouw ten behoeve van woondoeleinden mocht worden gebruikt. Nu in artikel 5.2, eerste lid, van de planregels van het bestemmingsplan "Buitengebied 2006" is bepaald dat het gebruik dat al in strijd was met het bestemmingsplan dat tot het tijdstip van het van kracht worden van dat bestemmingsplan gold niet mag worden voortgezet, is het gebruik van dit gebouw voor woondoeleinden niet onder het gebruiksovergangsrecht van het bestemmingsplan "Buitengebied 2006" komen te vallen. Naar het oordeel van de Afdeling is aldus geen sprake van een gebruiksactiviteit die onder het gebruiksovergangsrecht van het bestemmingsplan "Buitengebied 2006" is komen te vallen en die één-op-één in het voorliggende plan wordt ingepast. Aldus voorziet het voorliggende plan ten opzichte van het voorheen geldende bestemmingsplan in een vergroting van het vlak met de bestemming "Wonen" en is de Afdeling van oordeel dat het plan een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt als bedoeld in artikel 1.79 van de Verordening, waarvoor de raad toepassing had moeten geven aan artikel 3.2 van de Verordening. Nu de raad dit niet heeft gedaan, is dit plandeel voor zover wordt voorzien in een vergroting van het bestemmingsvlak "Wonen" ten opzichte van het voorheen geldende bestemmingsplan derhalve in strijd met artikel 3.2 van de Verordening vastgesteld. Het betoog slaagt. Handelseweg 62 te Gemert
- Het college stelt dat het bestemmingsvlak met de bestemming "Wonen" op het perceel Handelseweg 62 te Gemert ten opzichte van het vorige bestemmingsplan is vergroot. Volgens het college is daarmee sprake van een ruimtelijke ontwikkeling in de zin van artikel 1.79 van de Verordening en heeft de raad ten onrechte geen toepassing gegeven aan de in artikel 3.2 van de Verordening vastgelegde verplichtingen. 6.
- De raad stelt dat op 17 november 2003 een bouwvergunning is verleend voor het bouwen van een opslagruimte op het perceel Handelseweg 62 te Gemert. Volgens de raad is daarmee, mede gelet op de bij deze bouwvergunning behorende tekening, ook toestemming gegeven voor het gebruik van de gronden tussen de woning en de opslagruimte als binnenplaats. Volgens de raad is daarom geen sprake van een ruimtelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.79 van de Verordening en hoefde geen toepassing te worden gegeven aan artikel 3.2 van de Verordening. 6.
- De Afdeling stelt vast dat het voorliggende plan ten opzichte van het voorheen geldende bestemmingsplan voor het perceel aan de Handelseweg 62 te Gemert voorziet in een vergroting van het bestemmingsvlak met de bestemming "Wonen". De raad heeft een bouwvergunning van 17 november 2003 overgelegd, waarmee het oprichten van een opslagruimte en een dierenverblijf op dit perceel in ruil voor het slopen van de oude opslagruimte en dierenverblijf is vergund. Uit de tekening bij de gevraagde bouwvergunning kan niet worden afgeleid dat daarmee het gebruik van de gronden op het perceel ten behoeve van een binnenplaats eveneens is vergund. De Afdeling is dan ook van oordeel dat geen sprake is van één-op-één inpassing van reeds vergunde bouw- of planologische gebruiksactiviteiten. Nu het voorliggende plan ten opzichte van het vorige bestemmingsplan voorziet in een vergroting van het bestemmingsvlak met de bestemming "Wonen", moet worden geoordeeld dat het plan voorziet in een ruimtelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.79 van de Verordening waarvoor de raad toepassing had moeten geven aan artikel 3.2 van de Verordening. Nu de raad dit niet heeft gedaan, is dit plandeel voor zover wordt voorzien in een vergroting van het bestemmingsvlak "Wonen" ten opzichte van het voorheen geldende bestemmingsplan in strijd met artikel 3.2 van de Verordening vastgesteld. Het betoog slaagt. Kapelweg 43 te Handel
- Het college stelt dat het vlak met de bestemming "Wonen" op het perceel Kapelweg 43 te Handel ten opzichte van het hiervoor geldende bestemmingsplan ten onrechte is vergroot. Volgens het college is daarom sprake van een ruimtelijke ontwikkeling zoals bedoeld in artikel 1.79 van de Verordening en heeft de raad ten onrechte geen toepassing gegeven aan artikel 3.2 van de Verordening. 7.
- De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat het bestemmingsvlak met de bestemming "Wonen" ten opzichte van het voorheen geldende bestemmingsplan maar in beperkte mate is vergroot om de bestaande inrit als zodanig te bestemmen. De raad stelt dat de beperkte vergroting van het bestemmingsvlak van de bestemming "Wonen" niet zal zorgen voor meer bouwmogelijkheden, zodat geen toepassing hoefde te worden gegeven aan artikel 3.2 van de Verordening. 7.
- De Afdeling stelt vast dat het voorliggende plan ten opzichte van het vorige bestemmingsplan voor het perceel Kapelweg 43 te Handel voorziet in een vergroting van het bestemmingsvlak met de bestemming "Wonen". Daartoe heeft de raad enkel gesteld dat sprake is van een beperkte vergroting van het bestemmingsvlak met de bestemming "Wonen", zodat geen sprake zou zijn van een ruimtelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.79 van de Verordening. De Afdeling is van oordeel dat nu niet is gebleken dat sprake is van één-op-één inpassing van vergunde bouw- of planologische gebruiksactiviteiten, het voorliggende plan voor het perceel Kapelweg 43 te Handel een ruimtelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.79 van de Verordening mogelijk maakt. De Afdeling ziet, mede gelet op de definitiebepaling in artikel 1.79 van de Verordening, geen aanleiding voor het oordeel dat deze ontwikkeling een zodanig geringe ruimtelijke impact heeft, dat daarom niet meer gesproken kan worden van een ruimtelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.79 van de Verordening, nog daargelaten of artikel 1.79 van de Verordening daartoe ruimte laat. De Afdeling is dan ook van oordeel dat de raad toepassing had moeten geven aan artikel 3.2 van de Verordening. Nu de raad dit niet heeft gedaan, is dit plandeel voor zover wordt voorzien in een vergroting van het bestemmingsvlak "Wonen" ten opzichte van het voorheen geldende bestemmingsplan in strijd met artikel 3.2 van de Verordening vastgesteld. Het betoog slaagt. Zeelandsedijk 32 te Elsendorp
- Het college stelt dat het bestemmingsvlak met de bestemming "Wonen" op het perceel Zeelandsedijk 32 te Elsendorp ten opzichte van het vorige bestemmingsplan ten onrechte is vergroot. Volgens het college is sprake van een ruimtelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.79 van de Verordening en had de raad toepassing moeten geven aan artikel 3.2 van de Verordening. 8.
- De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat op 13 augustus 2004 een bouwvergunning is verleend ten behoeve van een garage behorende bij de woning op het perceel Zeelandsedijk 32 te Elsendorp. Volgens de raad is daarom geen sprake van een ruimtelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.79 van de Verordening en hoefde aldus geen toepassing te worden gegeven aan artikel 3.2 van de Verordening. 8.
- De Afdeling stelt vast dat het voorliggende plan ten opzichte van het voorheen geldende bestemmingsplan voor het perceel Zeelandsedijk 32 te Elsendorp voorziet in een vergroting van het bestemmingsvlak met de bestemming "Wonen". De raad heeft ter zitting verklaard dat hiermee een vergunde garage als zodanig wordt bestemd en dat ook aan de bestaande inrit een woonbestemming is toegekend. Uit de stukken die aan het plan ten grondslag liggen kan naar het oordeel van de Afdeling niet worden afgeleid dat, naast de vergunde garage, ook het gebruik van een gedeelte van de gronden van het perceel als inrit als zodanig is vergund. De Afdeling is van oordeel dat geen sprake is van één-op-één inpassing van vergunde bouw- of planologische gebruiksactiviteiten. Omdat het voorliggende plan ten opzichte van het hiervoor geldende bestemmingsplan voorziet in een vergroting van het bestemmingsvlak met de bestemming "Wonen", moet worden geoordeeld dat het plan voorziet in een ruimtelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.79 van de Verordening en dat dientengevolge toepassing diende te worden gegeven aan artikel 3.2 van de Verordening. Nu dit niet is gebeurd en nu niet inzichtelijk is gemaakt welk deel van de vergroting is vergund, is dit plandeel voor zover wordt voorzien in een vergroting van het bestemmingsvlak "Wonen" ten opzichte van het voorheen geldende bestemmingsplan in strijd met artikel 3.2 van de Verordening vastgesteld. Het betoog slaagt. Esp 4 te Bakel
- Het college stelt dat het vlak met de bestemming "Wonen" op het perceel Esp 4 te Bakel ten opzichte van het voorheen geldende bestemmingsplan ten onrechte is vergroot. Volgens het college is sprake van een ruimtelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.79 van de Verordening en heeft de raad bij de vaststelling van het plan ten onrechte geen toepassing gegeven aan artikel 3.2 van de Verordening. 9.
- De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat op 7 december 1995 een bouwvergunning is verleend voor het bouwen van een garage bij de woning op het perceel Esp 4 te Bakel. De garage is in overeenstemming met deze bouwvergunning gebouwd, aldus de raad. Volgens de raad is dan ook geen sprake van een ruimtelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.79 van de Verordening en behoefde de raad geen toepassing te geven aan artikel 3.2 van de Verordening. 9.
- De Afdeling stelt vast dat het voorliggende plan ten opzichte van het voorheen geldende bestemmingsplan voor het perceel Esp 4 te Bakel voorziet in de vergroting van het bestemmingsvlak met de bestemming "Wonen". De raad heeft ter zitting verklaard dat hiermee een vergunde garage op het perceel Esp 4 te Bakel als zodanig is bestemd. Uit de verbeelding kan worden afgeleid dat niet uitsluitend aan de vergunde garage de bestemming "Wonen" is toegekend, maar ook aan gronden waarop de bouwvergunning van 7 december 1995 geen betrekking had. Nu in het voorliggende plan aan het perceel Esp 4 te Bakel een ruimer bestemmingsvlak met de bestemming "Wonen" is toegekend dan waarop de bouwvergunning van 7 december 1995 betrekking had, is de Afdeling van oordeel dat aldus geen sprake is van één-op-één inpassing van vergunde bouw- of planologische gebruiksactiviteiten. Nu het voorliggende plan ten opzichte van het hiervoor geldende bestemmingsplan voorziet in een vergroting van het vlak met de bestemming "Wonen", moet dan ook worden geoordeeld dat het plan voorziet in een ruimtelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.79 van de Verordening en dat de raad toepassing had moeten geven aan artikel 3.2 van de Verordening. Nu dit niet is gebeurd en nu niet inzichtelijk is gemaakt welk deel van de vergroting is vergund, is dit plandeel voor zover wordt voorzien in een vergroting van het bestemmingsvlak "Wonen" ten opzichte van het voorheen geldende bestemmingsplan in strijd met artikel 3.2 van de Verordening vastgesteld. Het betoog slaagt. Ripseweg 24 te Elsendorp
- Het college stelt dat het voorliggende plan ten opzichte van het voorheen geldende bestemmingsplan voor het perceel Ripseweg 24 te Elsendorp ten onrechte voorziet in een wijziging van de bestemmingen "Agrarisch" en "Wonen" naar de bestemming "Maatschappelijk". Volgens het college is sprake van een ruimtelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.79 van de Verordening en heeft de raad ten onrechte geen toepassing gegeven aan artikel 3.2 van de Verordening. 10.
- De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat op 1 oktober 2009 een bouwvergunning is verleend voor het oprichten van een zorgboerderij op het perceel aan de Ripseweg 24 te Elsendorp. Volgens de raad is met deze bouwvergunning toestemming verleend voor het gebruiken van de omliggende gronden ten behoeve van de zorgboerderij. De raad stelt dat, gelet op deze bouwvergunning, geen toepassing hoefde te worden gegeven aan artikel 3.2 van de Verordening. 10.
- De Afdeling stelt vast dat het voorliggende plan ten opzichte van het voorheen geldende bestemmingsplan voor het perceel Ripseweg 24 te Elsendorp voorziet in een vergroting van het bestemmingsvlak met de bestemming "Maatschappelijk". De raad heeft onder verwijzing naar de zojuist genoemde bouwvergunning van 1 oktober 2009 verklaard dat het oprichten van een zorgboerderij is vergund en dat daarmee eveneens toestemming is gegeven voor het gebruik van gronden rondom de zorgboerderij ten behoeve van maatschappelijke doeleinden. Uit de aanvraag bij de bouwvergunning van 1 oktober 2009 kan naar het oordeel van de Afdeling echter niet worden afgeleid dat, naast de vergunde zorgboerderij, ook het gebruiken van een gedeelte van de gronden van het perceel voor maatschappelijke doeleinden is vergund. Naar het oordeel van de Afdeling is er dan ook geen sprake van één-op-één inpassing van vergunde bouw- of planologische gebruiksactiviteiten. Omdat het voorliggende plan voorziet in vergroting van het bestemmingsvlak met de bestemming "Maatschappelijk", maakt het plan een ruimtelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.79 van de Verordening mogelijk en had de raad toepassing moeten geven aan artikel 3.2 van de Verordening. Nu dit niet is gebeurd, is dit plandeel voor zover wordt voorzien in een vergroting van het bestemmingsvlak "Maatschappelijk" ten opzichte van het voorheen geldende bestemmingsplan in strijd met artikel 3.2 van de Verordening vastgesteld. Het betoog slaagt. Neerstraat 11 te Bakel
- Het college stelt dat het voorliggende plan ten opzichte van het voorheen geldende bestemmingsplan voor het perceel Neerstraat 11 te Bakel voorziet in wijziging van de bestemming "Maatschappelijk" in de bestemming "Wonen". Het college is van mening dat sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.79 van de Verordening en dat de raad daarom ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan artikel 3.2 van de Verordening. 11.
- De raad stelt dat in het vorige bestemmingsplan aan het perceel Neerstraat 11 te Bakel ten onrechte de bestemming "Maatschappelijk" was toegekend. De raad stelt dat er in dat bestemmingsplan vanuit werd gegaan dat het museum de hoofdfunctie was, maar dat nadien is gebleken dat de ter plaatse aanwezige woning de hoofdfunctie is. De raad heeft in het onderhavige plan alsnog de bestemming "Wonen" aan het perceel toegekend en hij stelt dat geen sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.79 van de Verordening, zodat geen toepassing hoefde te worden gegeven aan artikel 3.2 van de Verordening. 11.
- De Afdeling stelt vast dat het voorliggende plan ten opzichte van het voorheen geldende bestemmingsplan voor het perceel Neerstraat 11 te Bakel voorziet in wijziging van de bestemming "Maatschappelijk" naar de bestemming "Wonen". Uit de stukken die aan het plan ten grondslag zijn gelegd kan niet worden afgeleid dat sprake is van één-op-één inpassing van vergunde bouw- of planologische gebruiksactiviteiten. Nu het voorliggende plan ten opzichte van het voorheen geldende bestemmingsplan voorziet in een wijziging van de bestemming "Maatschappelijk" naar de bestemming "Wonen", is de Afdeling van oordeel dat het plan voorziet in een ruimtelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.79 van de Verordening en dientengevolge dat de raad bij de vaststelling van het plan toepassing diende te geven aan artikel 3.2 van de Verordening. Nu dit niet is gebeurd, is dit plandeel in strijd met artikel 3.2 van de Verordening vastgesteld. Het betoog slaagt. Breemhorstsedijk 60 te De Mortel
- Het college stelt dat het voorliggende plan ten opzichte van het voorheen geldende bestemmingsplan voor het perceel Breemhorstsedijk 60 te De Mortel voorziet in een wijziging van de bestemming "Water" in de bestemming "Recreatie". Het college stelt dat sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling zoals bedoeld in artikel 1.79 van de Verordening en dat de raad daarom ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan artikel 3.2 van de Verordening. 12.
- De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat ten behoeve van de aanleg van een vliegvisvijver op het perceel Breemhorstsedijk 60 te De Mortel in 2006 een bestemmingsplanherziening is gestart. Het college heeft destijds goedkeuring aan dit plan onthouden. Voordat medewerking aan de ter plaatse aanwezige vliegvisvijver kon worden verleend, is eerst een ontgrondingenvergunning verleend. Vervolgens zijn bij de herziening van het vorige bestemmingsplan aan het perceel de bestemmingen "Water" en "Recreatie" toegekend, maar de steiger en de vishut zijn niet binnen de bestemming "Recreatie" opgenomen. Volgens de raad blijkt uit het inrichtingsplan echter dat de steiger en de vishut altijd onderdeel zijn geweest van de inrichting van de visvijver. 12.
- De Afdeling stelt vast dat het voorliggende plan ten opzichte van het voorheen geldende bestemmingsplan voor het perceel Breemhorstsedijk 60 te De Mortel voorziet in wijziging van de bestemming "Water" in de bestemming "Recreatie". Uit de stukken die aan het plan ten grondslag liggen, kan naar het oordeel van de Afdeling niet worden afgeleid dat sprake is van één-op-één inpassing van vergunde bouw- of planologische gebruiksactiviteiten. Omdat het voorliggende plan ten opzichte van het voorheen geldende bestemmingsplan voorziet in wijziging van de bestemming "Water" in de bestemming "Recreatie", is de Afdeling van oordeel dat het plan een ruimtelijke ontwikkeling zoals bedoeld in artikel 1.79 van de Verordening mogelijk maakt, zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 3.2 van de Verordening. Nu dit niet is gebeurd, is dit plandeel voor zover wordt voorzien in een vergroting van het bestemmingsvlak "Recreatie" ten opzichte van het voorheen geldende bestemmingsplan in strijd met artikel 3.2 van de Verordening vastgesteld. Het betoog slaagt. Nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, verhouding met Natuur Netwerk Brabant Algemeen
- Het college wijst erop dat in artikel 5.1, eerste lid, van de Verordening is bepaald dat een bestemmingsplan dat is gelegen in het Natuur Netwerk Brabant moet strekken tot behoud, herstel of duurzame ontwikkeling van ecologische waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden. Volgens het college zijn ruimtelijke ontwikkelingen binnen het Natuur Netwerk Brabant, behoudens de uitzonderingen die de Verordening onder voorwaarden mogelijk maakt, niet toegestaan. Volgens het college voorziet het plan ten onrechte in een aantal ruimtelijke ontwikkelingen, die enkel mogelijk zijn als de begrenzing van het Natuur Netwerk Brabant wordt gewijzigd. Daarbij heeft het college gewezen op drie gevallen. De Afdeling zal hierna elk van deze drie gevallen bespreken. Hendrik Jan IJpenberglaan 41 te Elsendorp
- Het college stelt dat bij het hier voorliggende plan ten opzichte van het voorheen geldende bestemmingsplan voor het perceel Hendrik Jan IJpenberglaan 41 het bestemmingsvlak met de bestemming "Wonen" is vergroot. Het college stelt dat de raad ervan uitgaat dat sprake is van een vormverandering, maar volgens het college is sprake van een vergroting van het bestemmingsvlak. 14.
- In het verweerschrift en ter zitting heeft de raad erkend dat het voorliggende plan ten onrechte zonder nadere motivering voorziet in een vergroting van het bestemmingsvlak met de bestemming "Wonen. Nu de raad zich op een ander standpunt heeft gesteld dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet dan ook worden geoordeeld dat de vaststelling van het betrokken plandeel in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Het betoog slaagt. Recreatiewoning Grotelseheide
- Het college stelt dat aan een bosperceel aan de Grotelseheide, kadastraal bekend gemeente Bakel, sectie K, nr. 529, de bestemming "Recreatie" met daarbij de functieaanduiding "recreatiewoning" is toegekend en dat daarmee wordt voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling binnen het Natuur Netwerk Brabant. Volgens het college heeft de raad alleen de bouwvergunning overgelegd voor het gedeeltelijk vernieuwen van een recreatiegebouw, maar niet voor het bouwen van de recreatiewoning. Het bestemmen van het gebouw kan volgens het college niet tot een legaal aanwezige recreatiewoning leiden, omdat dit gebouw nooit als recreatiewoning is vergund. Volgens het college is de beoogde nieuwvestiging van de recreatiewoning in strijd met de artikelen 2, derde lid, 3.1, tweede lid, en artikel 5.1, eerste en derde lid, van de Verordening. 15.
- De raad stelt dat op het betrokken perceel in het verleden een recreatiewoning is opgericht en dat op 27 november 2002 nog een bouwvergunning is verleend voor het gedeeltelijk vernieuwen van deze recreatiewoning. Volgens de raad is door het verlenen van deze bouwvergunning ook toestemming gegeven voor het gebruik van het overige gedeelte van het betreffende gebouw als een recreatiewoning. Volgens het college is sprake van een bestaand recht als bedoeld in artikel 2, derde lid, van de Verordening en niet van een ruimtelijke ontwikkeling, zodat geen toepassing hoefde worden gegeven aan artikel 5.1, eerste lid, van de Verordening. 15.
- De Afdeling stelt vast dat aan het perceel de bestemming "Recreatie" met de aanduiding "recreatiewoning" is toegekend. Uit de kaartbijlage bij de Verordening blijkt dat het betreffende perceel deel uitmaakt van het Natuur Netwerk Brabant. In artikel 5.1, eerste en vijfde lid, van de Verordening staat dat een bestemmingsplan in het Natuur Netwerk Brabant strekt tot het behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van ecologische waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden en bepaalt dat zolang het Natuur Netwerk Brabant nog niet is gerealiseerd, de bestaande bebouwing en bestaande planologische gebruiksactiviteiten zijn toegelaten en dat nieuwvestiging niet is toegestaan. De Afdeling overweegt dat de raad niet aannemelijk heeft gemaakt dat ten behoeve van de oprichting van een recreatiewoning een bouwvergunning is verleend. Weliswaar heeft de raad een op 27 november 2002 verleende bouwvergunning overgelegd, maar deze bouwvergunning zag slechts op het gedeeltelijk vernieuwen van een gebouw en niet op het bouwen van een recreatiewoning of het legaliseren van een reeds aanwezige recreatiewoning. Naar het oordeel van de Afdeling is deze recreatiewoning niet legaal ter plaatse aanwezig en voorziet het plan aldus in de mogelijkheid van nieuwbouw van een recreatiewoning ter plaatse. Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat dit plandeel in strijd met artikel 5.1, eerste lid en vijfde lid, van de Verordening is vastgesteld. Het betoog slaagt. Perceel aan de Hutten te Milheeze
- Het college stelt dat de bestemming van het ongenummerde perceel aan de Hutten te Milheeze, kadastraal bekend gemeente Bakel, sectie U, nr. 312, in het plan wordt gewijzigd van de bestemming "Natuur" naar de bestemming "Agrarisch". Een deel van dit perceel ligt binnen het NNB. Volgens het college verhoudt deze bestemming zich voor dit deel van het perceel niet met de doelstellingen van het Natuur Netwerk Brabant, gold al onder het voorafgaande bestemmingsplan de bestemming "Natuur- en bosgebied" en is bovendien op het deel van het perceel dat binnen het NNB ligt ook feitelijk bos aanwezig. 16.
- De Afdeling stelt voorop dat in het voorliggende plan de bestemming van het betrokken perceelgedeelte is gewijzigd van de bestemming "Natuur- en bosgebied" naar de bestemming "Agrarisch". De raad heeft ter zitting erkend dat per abuis aan het hele perceel de bestemming "Agrarisch" is toegekend. Nu de raad zich op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden daartoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het binnen het NNB gelegen gedeelte van dit plandeel in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Het betoog slaagt. Nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, relatie met de groenblauwe mantel
- Het college kan zich voorts niet verenigen met het plandeel dat voorziet in de bestemming "Agrarisch" en de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - upcycling", voor de champignonkwekerij op het perceel Beeksedijk 10 te Gemert. Volgens het college is in artikel 4.1, sub w, van de planregels bepaald dat ter plaatse van deze functieaanduiding de gronden mede zijn bestemd voor voorzieningen ten behoeve van de ontwikkeling van het bedrijf, zoals mestverwerking en energieopwekking. Volgens het college bevatten de begripsomschrijvingen bij het plan echter geen definitie van het begrip mestverwerking, maar uitsluitend van het begrip mestbewerking. Volgens het college is op grond van de Verordening mestbewerking binnen de groenblauwe mantel uitsluitend toegestaan voor veehouderijen. Volgens het college is het agrarisch bedrijf op het perceel Beeksedijk 10 geen veehouderij, maar een overig agrarisch bedrijf, waarvoor op grond van artikel 6.10, vierde lid, van de Verordening geldt dat een toename van de gebruiksoppervlakte voor mestbewerking niet kan worden toegestaan. Naar de mening van het college is onduidelijk of het plan voorziet in een uitbreiding van de mogelijkheden tot mestbewerking. 17.
- De Afdeling overweegt dat het perceel Beeksedijk 10 op de kaartbijlage bij de Verordening is aangewezen als behorend tot de groenblauwe mantel. In het plan is aan dit perceel de bestemming "Agrarisch - Agrarisch Bedrijf" alsmede de functieaanduiding "specifieke vorm van agrarisch - upcycling" toegekend. De gronden met die functieaanduiding zijn op grond van artikel 4.1, onder w, van de planregels, mede bestemd voor voorzieningen ten behoeve van een duurzame ontwikkeling en de exploitatie van het bedrijf zoals mestverwerking en energieopwekking. De Afdeling ziet zich voor de vraag gesteld of het plan op dit punt voldoende rechtszeker is, nu een definitiebepaling van het begrip "mestverwerking" ontbreekt. In de Verordening zijn alleen bepalingen opgenomen over mestbewerking. Zo is in artikel 6.10, vierde lid, van de Verordening bepaald dat geen toename van gebruiksoppervlakte voor mestbewerking is toegestaan. In artikel 1.121 van de planregels is een definitiebepaling voor het begrip "mestbewerking" opgenomen, waaronder moet worden verstaan de toepassing van basistechnieken of combinaties daarvan met als doel de aard, samenstelling of hoedanigheid van dierlijke mest te wijzigen, zoals droging, bezinking, (co)vergisting, scheiding, hygiënisatie of indamping van mest. In de Verordening, noch in de planregels is een definitiebepaling opgenomen van het begrip "mestverwerking". Nu in artikel 4, lid 4.1, onder w, van de planregels is bepaald dat de gronden met de functieaanduiding "specifieke vorm van agrarisch - upcycling" mede zijn bestemd voor voorzieningen ten behoeve van een duurzame ontwikkeling en exploitatie van het bedrijf zoals mestverwerking, maar in de definitiebepalingen bij het plan niet is gedefinieerd wat onder mestverwerking moet worden verstaan en ook anderszins niet duidelijk is vastgelegd of, en zo ja, in hoeverre de begrippen "mestbewerking" en "mestverwerking" van elkaar verschillen, is naar het oordeel van de Afdeling dit plandeel in zoverre in strijd met de rechtszekerheid vastgesteld. Het betoog slaagt. Nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, uitbreiding veehouderijen Algemeen
- Het college betoogt dat het plan voor een groot aantal veehouderijen voorziet in een ruimtelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.79 van de Verordening en dat de raad dientengevolge toepassing had moeten geven aan de in artikel 3.1, eerste lid, van de Verordening neergelegde zorgplicht voor de ruimtelijke kwaliteit. Volgens het college voorziet het plan ten aanzien van verschillende percelen in een vergroting van bestemmingsvlakken en bouwvlakken, terwijl er in de meeste gevallen voldoende ruimte bestaat om door middel van vormverandering de al dan niet vergunde gebouwen en de bouwwerken, geen gebouwen zijnde binnen het bestaande ruimtebeslag te brengen. Verder ontbreekt in alle genoemde gevallen in strijd met de artikelen 6.3 en 7.3 van de Verordening het inzicht of sprake is van een zorgvuldige veehouderij en wordt in een aantal gevallen de maximale omvang van een bouwperceel voor een veehouderij overschreden. Ook zijn in het onderhavige plan uitbreidingen van veehouderijen voorzien in gebieden die zijn aangewezen met de aanduiding "Beperkingen veehouderij", alwaar de uitbreiding van - niet grondgebonden - veehouderijen niet is toegestaan. Venraysedijk 50 te De Mortel
- Het college stelt dat het plan voor het perceel Venraysedijk 50 te De Mortel voorziet in een uitbreiding van het bouwperceel en daarmee een ruimtelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.79 van de Verordening. Volgens het college is de uitbreiding van het bouwperceel veel ruimer dan noodzakelijk om de ter plaatse aanwezige en vergunde woning en sleufsilo als zodanig te bestemmen, waardoor het bouwperceel de op grond van artikel 6.3, eerste lid, van de Verordening toegestane maximum omvang van 1,5 ha zal overschrijden. Volgens het college heeft de raad onder meer ten onrechte geen toepassing gegeven aan artikel 3.1 van de Verordening en is niet inzichtelijk gemaakt of kan worden voldaan aan de in artikel 6.3, eerste lid, van de Verordening neergelegde voorwaarden voor de uitbreiding van een veehouderij in de groenblauwe mantel. 19.
- De Afdeling stelt vast dat het voorliggende plan ten opzichte van het voorheen geldende bestemmingsplan voor het perceel Venraysedijk 50 te De Mortel voorziet in de vergroting van het bestemmingsvlak met de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf". De raad heeft in het verweerschrift en ter zitting erkend dat aan het betreffende perceel een ruimere bestemming is toegekend en dat daarmee wordt voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.79 van de Verordening en een uitbreiding als bedoeld in artikel 1.89 van de Verordening, zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 3.1 van de Verordening en is voldaan aan de in artikel 6.3, eerste lid, van de Verordening gestelde voorwaarden. Nu de raad zich op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat daartoe gewijzigde omstandigheden aanleiding hebben gegeven, moet dan ook worden geoordeeld dat het bestreden plandeel voor zover wordt voorzien in een vergroting van het bestemmingsvlak "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" ten opzichte van het voorheen geldende bestemmingsplan niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding het overige door het college ten aanzien van dit plandeel gestelde te bespreken. Het betoog slaagt. Venraysedijk 53 te De Mortel
- Het college stelt dat het bestemmingsvlak "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" op het perceel Venraysedijk 53 te De Mortel ten opzichte van het vorige bestemmingsplan is vergroot. Volgens het college is sprake van een ruimtelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.79 van de Verordening en heeft de raad ten onrechte geen toepassing gegeven aan onder meer artikel 3.1 van de Verordening en bovendien niet inzichtelijk gemaakt of kan worden voldaan aan de voorwaarden voor een zorgvuldige veehouderij als bedoeld in artikel 6.3, eerste lid, van de Verordening. 20.
- De raad stelt zich op het standpunt dat in het plan het bestemmingsvlak met de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" maar in beperkte mate is vergroot om de vergunde machineberging als zodanig te bestemmen. Volgens de raad is er geen sprake van een ruimtelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.79 van de Verordening, zodat aldus geen toepassing hoefde te worden gegeven aan hetgeen in de artikelen 3.1 en 6.3, eerste lid, van de Verordening is bepaald. 20.
- De Afdeling stelt vast dat het voorliggende plan ten opzichte van het voorheen geldende bestemmingsplan voor het perceel Venraysedijk 53 te De Mortel voorziet in de vergroting van het bestemmingsvlak met de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf". De raad heeft een bouwvergunning van 4 september 2006 overgelegd en verklaard dat in het plan een vergunde machineberging als zodanig wordt bestemd. Uit de verbeelding bij het plan blijkt dat niet uitsluitend aan deze vergunde machineberging de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" is toegekend, maar ook aan delen van het betreffende perceel waarop die bouwvergunning geen betrekking heeft, zodat naar het oordeel van de Afdeling dan ook geen sprake is van één-op-één inpassing van vergunde bouw- of planologische gebruiksactiviteiten. Nu het voorliggende plan ten opzichte van het hiervoor geldende bestemmingsplan voorziet in een vergroting van het bestemmingsvlak met de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf", moet dan ook worden geoordeeld dat het plan voorziet in een ruimtelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.79 van de Verordening en een uitbreiding als bedoeld in artikel 1.89 van de Verordening, zodat de raad toepassing had moeten geven aan de artikelen 3.1 en 6.3, eerste lid, van de Verordening. Nu de raad dit heeft nagelaten en niet inzichtelijk is gemaakt welk deel van de vergroting is vergund, is het plandeel voor zover wordt voorzien in een vergroting van het bestemmingsvlak "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" ten opzichte van het voorheen geldende bestemmingsplan in strijd met de artikelen 3.1 en 6.3, eerste lid, van de Verordening vastgesteld. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding het overige door het college ten aanzien van dit plandeel gestelde te bespreken. Het betoog slaagt. Neerstraat 14 te Bakel
- Het college stelt dat het bestemmingsvlak met de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" op het perceel Neerstraat 14 te Bakel ten opzichte van het voorheen geldende bestemmingsplan is vergroot. Volgens het college is sprake van een ruimtelijke ontwikkeling zoals bedoeld in artikel 1.79 van de Verordening, maar heeft de raad onder meer geen toepassing gegeven aan artikel 3.1 van de Verordening en ook geen inzicht geboden of kan worden voldaan aan de voorwaarden voor een zorgvuldige veehouderij zoals opgenomen in artikel 6.3, eerste lid, van de Verordening. 21.
- De raad stelt zich op het standpunt dat in het plan het bestemmingsvlak met de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" met name van vorm is veranderd en maar in beperkte mate is vergroot om de bedrijfswoning als zodanig te bestemmen. Volgens de raad is er geen sprake van een ruimtelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.79 van de Verordening, zodat geen toepassing hoefde te worden gegeven aan hetgeen in de artikelen 3.1 en 6.3, eerste lid, van de Verordening is bepaald. 21.
- De Afdeling stelt vast dat het voorliggende plan ten opzichte van het voorheen geldende bestemmingsplan voor het perceel aan de Neerstraat 14 te Bakel voorziet in de vergroting van het bestemmingsvlak met de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf". De raad heeft een op 26 januari 1993 verleende bouwvergunning overgelegd en voorts verklaard dat in het plan de vergunde bedrijfswoning als zodanig wordt bestemd. Uit de verbeelding bij het plan blijkt echter dat niet uitsluitend aan de vergunde bedrijfswoning de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" is toegekend, maar ook aan delen van het betreffende perceel waarop de bouwvergunning geen betrekking had, zodat naar het oordeel van de Afdeling geen sprake is van één-op-één inpassing van vergunde bouw- of planologische gebruiksactiviteiten. Nu het voorliggende plan ten opzichte van het hiervoor geldende bestemmingsplan voorziet in een vergroting van het bestemmingsvlak met de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf", moet worden geoordeeld dat het plan voorziet in een ruimtelijke ontwikkeling zoals bedoeld in artikel 1.79 van de Verordening en een uitbreiding zoals bedoeld in artikel 1.89 van de Verordening, zodat de raad toepassing had moeten geven aan de artikelen 3.1 en 6.3, eerste lid, van de Verordening. De toelichting bij het plan bevat echter geen verantwoording als bedoeld in artikel 3.1 van de Verordening en ook heeft de raad niet inzichtelijk gemaakt dat aan de voorwaarden uit het artikel 6.3, eerste lid, van de Verordening kan worden voldaan. Gelet op het voorgaande en nu niet inzichtelijk is gemaakt welk deel van de vergroting is vergund, is de Afdeling van oordeel dat het plandeel voor zover wordt voorzien in een vergroting van het bestemmingsvlak "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" ten opzichte van het voorheen geldende bestemmingsplan in strijd met de artikelen 3.1 en 6.3, eerste lid, van de Verordening is vastgesteld. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding het overige door het college ten aanzien van dit plandeel gestelde te bespreken. Het betoog slaagt. Rootvlaas 2 te Bakel
- Het college stelt dat het voorliggende plan ten onrechte voor het perceel Rootvlaas 2 te Bakel voorziet in een vergroting van het bestemmingsvlak met de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf". Volgens het college is sprake van een ruimtelijke ontwikkeling zoals bedoeld in artikel 1.79 van de Verordening en heeft de raad ten onrechte geen toepassing gegeven aan artikel 3.1 van de Verordening. Verder stelt het college onder meer dat de raad evenmin inzichtelijk heeft gemaakt of wordt voldaan aan de voorwaarden aan een zorgvuldige veehouderij zoals bedoeld in artikel 7.3, eerste lid, van de Verordening. 22.
- De raad stelt zich op het standpunt dat in het plan het bestemmingsvlak met de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" maar in beperkte mate wordt uitgebreid. Volgens de raad is geen sprake van een ruimtelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.79 van de Verordening en behoefde geen toepassing te worden gegeven aan de artikelen 3.1 en 7.3, eerste lid, van de Verordening. 22.
- De Afdeling stelt vast dat het voorliggende plan ten opzichte van het voorheen geldend bestemmingsplan voor het perceel aan de Rootvlaas 2 te Bakel voorziet in een vergroting van het bestemmingsvlak met de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf". Uit de stukken die aan het voorliggende plan ten grondslag liggen kan naar het oordeel van de Afdeling niet worden afgeleid dat sprake is van één-op-één inpassing van reeds vergunde bouw- of planologische gebruiksactiviteiten. Nu het plan ten opzichte van het hiervoor geldende bestemmingsplan voorziet in vergroting van het bestemmingsvlak met de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf", moet worden geoordeeld dat sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling zoals bedoeld in artikel 1.79 van de Verordening en een uitbreiding zoals bedoeld in artikel 1.89 van de Verordening, zodat de raad toepassing had moeten geven aan de artikelen 3.1 en 7.3, eerste lid, van de Verordening. De toelichting bij het plan bevat echter geen verantwoording als bedoeld in artikel 3.1 van de Verordening en ook heeft de raad niet inzichtelijk gemaakt dat aan de voorwaarden uit het artikel 7.3, eerste lid, van de Verordening kan worden voldaan. Gelet op het vorenstaande is de Afdeling dan ook van oordeel dat het plandeel voor zover wordt voorzien in een vergroting van het bestemmingsvlak "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" ten opzichte van het voorheen geldende bestemmingsplan in strijd met de artikelen 3.1 en artikel 7.3, eerste lid, van de Verordening is vastgesteld. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding het overige door het college ten aanzien van dit plandeel gestelde te bespreken. Het betoog slaagt. Heidveld 8 te Bakel
- Het college stelt dat het voorliggende plan ten opzichte van het voorheen geldende bestemmingsplan voor het perceel Heidveld 8 te Bakel voorziet in vergroting van het bestemmingsvlak met de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf". Volgens het college is sprake van een ruimtelijke ontwikkeling zoals bedoeld in artikel 1.79 van de Verordening, maar heeft de raad ten onrechte geen toepassing gegeven aan artikel 3.1 van de Verordening. Verder stelt het college onder meer dat de raad geen inzicht heeft geboden of wordt voldaan aan de voorwaarden voor een zorgvuldige veehouderij in artikel 7.3, eerste lid, van de Verordening. 23.
- De raad stelt zich op het standpunt dat in het plan het bestemmingsvlak met de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" maar in beperkte mate is vergroot om de ter plaatse aanwezige mestsilo als zodanig te bestemmen. Volgens de raad is er geen sprake van een ruimtelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.79 van de Verordening, zodat geen toepassing hoefde te worden gegeven aan hetgeen in de artikelen 3.1 en 7.3, eerste lid, van de Verordening is bepaald. 23.
- De Afdeling stelt vast dat het voorliggende plan ten opzichte van het vorige bestemmingsplan voor het perceel Heidveld 8 te Bakel voorziet in een vergroting van het bestemmingsvlak met de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf". De raad heeft daartoe een bouwvergunning van 14 april 2005 overgelegd en gesteld dat de vergunde mestsilo als zodanig is bestemd. Uit de verbeelding bij het plan, bezien in samenhang met de planregels, blijkt echter niet dat uitsluitend de vergunde mestsilo is bestemd, zodat naar het oordeel van de Afdeling geen sprake is van één-op-één inpassing van vergunde bouw- of planologische gebruiksactiviteiten. Nu het voorliggende plan ten opzichte van het hiervoor geldende bestemmingsplan voorziet in een vergroting van het bestemmingsvlak met de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf", moet worden geoordeeld dat het plan een ruimtelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.79 van de Verordening en een uitbreiding zoals bedoeld in artikel 1.89 van de Verordening mogelijk maakt, zodat de raad toepassing had moeten geven aan de artikelen 3.1 en 7.3, eerste lid, van de Verordening. De toelichting bij het plan bevat geen verantwoording zoals bedoeld in artikel 3.1 van de Verordening en ook heeft de raad niet inzichtelijk gemaakt dat aan de voorwaarden uit het artikel 7.3, eerste lid, van de Verordening kan worden voldaan. Gelet op het voorgaande en nu niet inzichtelijk is gemaakt welk deel van de voorziene vergroting van het bestemmingsvlak is vergund, is de Afdeling van oordeel dat dit plandeel voor zover wordt voorzien in een vergroting van het bestemmingsvlak "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" ten opzichte van het voorheen geldende bestemmingsplan in strijd met de artikelen 3.1 en 7.3, eerste lid, van de Verordening is vastgesteld. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding het overige door het college ten aanzien van dit plandeel gestelde te bespreken. Het betoog slaagt. Oploseweg 2 te De Rips
- Het college stelt dat het plan ten opzichte van het vorige bestemmingsplan voor het perceel aan de Oploseweg 2 te De Rips voorziet in een vergroting van het bestemmingsvlak "Agrarisch - Agrarisch bedrijf". Volgens het college is sprake van een ruimtelijke ontwikkeling zoals bedoeld in artikel 1.79 van de Verordening, maar heeft de raad geen toepassing gegeven aan artikel 3.1 van de Verordening. Verder stelt het college onder meer dat de raad evenmin inzichtelijk heeft gemaakt of kan worden voldaan aan de in artikel 7.3, eerste lid, van de Verordening opgenomen voorwaarden voor een zorgvuldige veehouderij. 24.
- De raad stelt zich op het standpunt dat in het plan het bestemmingsvlak met de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" in beperkte mate is vergroot om de bij de bouwvergunning van 7 oktober 2003 vergunde stal als zodanig te bestemmen in het plan. Volgens de raad is er geen sprake van een ruimtelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.79 van de Verordening, zodat geen toepassing hoefde te worden gegeven aan hetgeen in de artikelen 3.1 en 7.3, eerste lid, van de Verordening is bepaald. 24.
- De Afdeling stelt vast dat het voorliggende plan ten opzichte van het voorheen geldende bestemmingsplan voor het perceel aan de Oploseweg 2 te De Rips voorziet in vergroting van het bestemmingsvlak met de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf". De raad heeft daartoe een bouwvergunning van 7 oktober 2003 overgelegd voor het bouwen van een stal, maar heeft ter zitting erkend dat dit gebouw in afwijking van deze bouwvergunning is gerealiseerd en dat het feitelijk aanwezige gebouw is opgenomen in het plan. Naar het oordeel van de Afdeling is aldus geen sprake van de één-op-één inpassing van vergunde bouw- of planologische gebruiksactiviteiten. Nu het voorliggende plan ten opzichte van het voorheen geldende bestemmingsplan voorziet in een vergroting van het bestemmingsvlak "Agrarisch - Agrarisch bedrijf", moet worden geoordeeld dat het plan een ruimtelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.79 van de Verordening en een uitbreiding als bedoeld in artikel 1.89 van de Verordening mogelijk maakt, zodat de raad toepassing had moeten geven aan de artikelen 3.1 en 7.3, eerste lid, van de Verordening. De toelichting bij het plan bevat echter geen verantwoording als bedoeld in artikel 3.1 van de Verordening en ook heeft de raad niet inzichtelijk gemaakt dat aan de voorwaarden uit artikel 7.3, eerste lid, van de Verordening kan worden voldaan. Gelet op het voorgaande, is de Afdeling van oordeel dat dit plandeel voor zover wordt voorzien in een vergroting van het bestemmingsvlak "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" ten opzichte van het voorheen geldende bestemmingsplan in strijd met de artikelen 3.1 en 7.3, eerste lid, van de Verordening is vastgesteld. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding het overige door het college ten aanzien van dit plandeel gestelde te bespreken. Het betoog slaagt. Kaweide 3 te Milheeze
- Het college stelt dat het plan ten opzichte van het vorige bestemmingsplan voor het perceel Kaweide 3 te Milheeze voorziet in een vergroting van de bestemming met het bestemmingsvlak "Agrarisch - Agrarisch bedrijf". Volgens het college is sprake van een ruimtelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.79 van de Verordening, maar heeft de raad geen toepassing gegeven aan artikel 3.1 van de Verordening. Verder stelt het college onder meer dat de raad evenmin inzichtelijk heeft gemaakt of kan worden voldaan aan de in artikel 7.3, eerste lid, van de Verordening neergelegde voorwaarden waaronder een bestemmingsplan kan voorzien in een uitbreiding van, vestiging van of omschakeling naar een veehouderij. 25.
- De raad stelt zich op het standpunt dat in het plan het bestemmingsvlak met de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" in beperkte mate is vergroot om de bij de bouwvergunning van 5 maart 2007 vergunde varkensstal als zodanig in het plan te bestemmen. Volgens de raad is er geen sprake van een ruimtelijke ontwikkeling zoals bedoeld in artikel 1.79 van de Verordening, zodat geen toepassing hoefde te worden gegeven aan hetgeen in de artikelen 3.1 en 7.3, eerste lid, van de Verordening is bepaald. 25.
- De Afdeling stelt vast dat het voorliggende plan ten opzichte van het voorheen geldende bestemmingsplan voor het perceel aan de Kaweide 3 te Milheeze voorziet in een vergroting van het bestemmingsvlak "Agrarisch - Agrarisch bedrijf". De raad heeft daartoe een bouwvergunning van 5 maart 2007 overgelegd, maar gebleken is dat de varkensstal in afwijking van deze bouwvergunning is gebouwd en dat het bouwvlak in het plan is aangepast aan de feitelijke situatie. Naar het oordeel van de Afdeling is er dan ook geen sprake van een één-op-één inpassing van vergunde bouw- of planologische gebruiksactiviteiten. Omdat het voorliggende plan ten opzichte van het voorheen geldende bestemmingsplan voorziet in een vergroting van de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf", moet worden geoordeeld dat het plan een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt als bedoeld in artikel 1.79 van de Verordening en een uitbreiding als bedoeld in artikel 1.89 van de Verordening, zodat de raad toepassing had moeten geven aan de artikelen 3.1 en 7.3, eerste lid, van de Verordening. De toelichting bij het plan bevat echter geen verantwoording als bedoeld in artikel 3.1 van de Verordening en ook heeft de raad niet inzichtelijk gemaakt dat aan de in artikel 7.3, eerste lid, gestelde voorwaarden kan worden voldaan. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat het plandeel voor zover wordt voorzien in een vergroting van het bestemmingsvlak "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" ten opzichte van het voorheen geldende bestemmingsplan in strijd met de artikelen 3.1 en 7.3, eerste lid, van de Verordening is vastgesteld. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding het overige door het college ten aanzien van dit plandeel gestelde te bespreken. Het betoog slaagt. Oude Kerkbaan 9 te Milheeze
- Het college stelt dat het voorliggende plan ten opzichte van het voorheen geldende bestemmingsplan voor het perceel Oude Kerkbaan 9 te Milheeze voorziet in een vergroting van het bestemmingsvlak met de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf". Volgens het college maakt het plan voor dit perceel een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk, zonder dat de raad toepassing heeft gegeven aan artikel 3.1 van de Verordening. Verder stelt het college onder meer dat de raad evenmin inzichtelijk heeft gemaakt of kan worden voldaan aan de in artikel 6.3, eerste lid, van de Verordening opgenomen voorwaarden waaronder een bestemmingsplan kan voorzien in een uitbreiding van, een vestiging van of een omschakeling naar een veehouderij. 26.
- De raad stelt zich op het standpunt dat in het plan het bestemmingsvlak met de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" in beperkte mate wordt vergroot om de vergunde maisplaat als zodanig te bestemmen. Volgens de raad is geen sprake van een ruimtelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.79 van de Verordening, zodat ook geen toepassing hoefde te worden gegeven aan de artikelen 3.1 en 6.3, eerste lid, van de Verordening. 26.
- De Afdeling stelt vast dat het voorliggende plan ten opzichte van het voorheen geldende bestemmingsplan voor het perceel Oude Kerkbaan 9 te Milheeze voorziet in de vergroting van het bestemmingsvlak "Agrarisch - Agrarisch bedrijf". Daarmee heeft de raad de vergunde agrarische bedrijfsbebouwing aan de noordzijde van dit perceel als zodanig in het plan willen bestemmen. Naar het oordeel van de Afdeling is echter niet gebleken van een één-op-één inpassing van vergunde bouw- of planologische gebruiksactiviteiten. Nu het plan ten opzichte van het vorige bestemmingsplan voorziet in een vergroting van het bestemmingsvlak met de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf", moet worden geoordeeld dat het plan een ruimtelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.79 van de Verordening en een uitbreiding als bedoeld in artikel 1.89 van de Verordening mogelijk maakt, zodat de raad toepassing had moeten geven aan de artikelen 3.1 en 6.3, eerste lid, van de Verordening. De toelichting bij het plan bevat geen verantwoording zoals bedoeld in artikel 3.1 van de Verordening en ook heeft de raad niet inzichtelijk gemaakt dat aan de voorwaarden uit het artikel 6.3, eerste lid, van de Verordening kan worden voldaan. Gelet op het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat dit plandeel voor zover wordt voorzien in een vergroting van het bestemmingsvlak "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" ten opzichte van het voorheen geldende bestemmingsplan in strijd met de artikelen 3.1 en 6.3, eerste lid, van de Verordening is vastgesteld. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding het overige door het college ten aanzien van dit plandeel gestelde te bespreken. Het betoog slaagt. Niet-agrarische functies Algemeen
- Het college stelt eveneens dat het voorliggende plan ten onrechte voorziet in enkele niet-agrarische functies. Volgens het college is dit in strijd met diverse artikelen uit de Verordening, nu deze niet-agrarische functies niet zijn voorzien binnen een bestaand bouwperceel, maar sprake is van nieuwvestiging. Grotelseheide 9 te Bakel
- Het college betoogt dat het plan ten opzichte van het vorige bestemmingsplan voor het perceel Grotelseheide 9 te Bakel voorziet in een wijziging van de bestemming "Agrarisch" naar de bestemming "Bedrijf". Volgens het college heeft de raad daartoe een bouwvergunning voor het bouwen van een mestkuikenhok en een bouwvergunning voor het wijzigen daarvan in een bedrijfsgebouw overgelegd, maar volgens het college kan daaruit niet worden afgeleid dat het bedrijfsgebouw voor niet-agrarische doeleinden mag worden gebruikt. Volgens het college voorziet het plan in nieuwvestiging van een niet-agrarische functie in de groenblauwe mantel, zodat had moeten worden voldaan aan de in artikel 6.10, eerste lid, van de Verordening gestelde voorwaarden. 28.
- De raad stelt zich op het standpunt dat op 27 juli 1966 een bouwvergunning is verleend voor het bouwen van een mestkuikenhok en vervolgens op 7 januari 1967 een bouwvergunning is verleend voor het wijzigen van het vergunde mestkuikenhok in een bedrijfsgebouw. Volgens de raad kan hieruit worden afgeleid dat sprake is van een bestaande planologische gebruiksactiviteit. Volgens de raad hoefde, gelet daarop, ook geen toepassing te worden gegeven aan artikel 6.10, eerste lid, van de Verordening. 28.
- De Afdeling stelt voorop dat het plan ten opzichte van het voorheen geldende bestemmingsplan voor het perceel Grotelseheide 9 te Bakel voorziet in een wijziging van de bestemming "Agrarisch" naar "Bedrijf" en "Groen" met de functieaanduidingen "specifieke vorm van bedrijf - buitenopslag" en "overige zone - beperkingen veehouderij". Uit de stukken blijkt dat het college op 27 juli 1966 een bouwvergunning heeft verleend voor het bouwen van een mestkuikenhok en dat deze bouwvergunning op 5 januari 1967 is gewijzigd in een bouwvergunning ten behoeve van een bedrijfsgebouw, maar niet is aannemelijk geworden dat daarmee een vergunning is verleend voor het bouwen en het gebruiken van het gebouw voor een andere functie dan agrarische bedrijfsdoeleinden. Verder is ter zitting gebleken dat het bedrijfsgebouw in afwijking van de bouwvergunning is gebouwd. De raad heeft bij de vaststelling van het voorliggende plan alsnog medewerking willen verlenen aan vestiging van een niet-agrarische functie in de groenblauwe mantel, maar de raad heeft geen toepassing gegeven aan de in artikel 6.10, eerste lid, van de Verordening gestelde voorwaarden waaronder een bestemmingsplan dat is gelegen in de groenblauwe mantel, kan voorzien in een vestiging van een niet agrarische-functie. De Afdeling is dan ook van oordeel dat het voorliggende plandeel in strijd met artikel 6.10, eerste lid, van de Verordening is vastgesteld. Het betoog slaagt. Pandelaar 104 te Gemert, het Boerenbondmuseum
- Het college stelt dat ten opzichte van het vorige bestemmingsplan aan het perceel Pandelaar 104 te Gemert de functieaanduiding "horeca" is toegekend. Het college stelt dat ingevolge artikel 7.13 van de Verordening in gemengd landelijk gebied een horecabedrijf kan worden toegestaan, mits de omvang van het bouwvlak van de beoogde ontwikkeling ten hoogste 1,5 ha bedraagt. In dit geval wordt een bouwvlak van ongeveer 4 ha toegestaan, hetgeen in strijd is met de Verordening. 29.
- De Afdeling overweegt dat aan het perceel aan de Pandelaar 104 te Gemert de bestemming "Maatschappelijk" en de aanduiding "horeca" zijn toegekend, waarmee de raad heeft beoogd de horeca-activiteiten van het ter plaatse gevestigde museum positief te bestemmen. Omdat voor de functieaanduiding "horeca" in de planregels echter geen regels zijn opgenomen die een verruimd gebruik toestaan, komt aan deze aanduiding geen betekenis toe. Het betoog mist feitelijke grondslag. Heereveldseweg 26a en 28 te Handel
- Het college stelt dat het perceel aan de Heereveldseweg 26 in het plan is gesplitst in twee bestemmingsvlakken met ieder de bestemming "Wonen" alsmede een bestemmingsvlak met de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf". Volgens het college voorziet het plan daarmee in een ruimtelijke ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied, doordat twee woonbestemmingen ontstaan met de adressen Heereveldseweg 26a en
- Het college stelt dat in het verleden sprake was van agrarische bedrijfsbebouwing, waarbij in een loods op het bedrijfsperceel aan de Heereveldseweg 26 een woongedeelte was toegestaan. Op 18 oktober 2000 is een bouwvergunning verleend voor een vervangende bedrijfswoning die huisnummer 28 heeft gekregen. Deze woning moet planologisch als bedrijfswoning bij de bedrijfsbebouwing op Heereveldseweg 26 worden aangemerkt. In het voorliggende plan wordt deze bedrijfswoning omgezet in een burgerwoning. Bovendien wordt een nieuwe woonbestemming toegevoegd met als huisnummer Heereveldseweg 26a, waarmee nog een tweede burgerwoning wordt toegestaan. Daarmee is sprake van splitsing in meerdere wooneenheden, hetgeen in strijd is met artikel 7.7, vijfde lid, van de Verordening. Voor de woning op het perceel aan de Heereveldseweg 26a is een bouwvergunning verleend, maar volgens het college ziet deze vergunning op het gedeeltelijk vernieuwen van de bestaande woning en derhalve niet op wijziging van het planologische regime. Als er al sprake zou zijn van bestaande rechten, dan zou ook voor die ruimtelijke ontwikkeling, namelijk de wijziging van het planologische regime, een kwaliteitsverbetering van het landschap nodig zijn maar deze ontbreekt, aldus het college. 30.
- De raad stelt dat de woning op het perceel Heereveldseweg 28 in het verleden is afgesplitst en dat de woning kan worden bestemd als een bestaande woning. Verder stelt de raad met betrekking tot het perceel aan de Heerveldseweg 26a dat een woning daarop met de op 18 oktober 2000 verleende bouwvergunning is toegestaan. Het gaat volgens de raad daarbij om een onherroepelijke bouwvergunning voor een volwaardige woning, die ook reeds geruime tijd als zodanig in gebruik is. De raad is bij het vaststellen van het bestemmingsplan uitgegaan van in rechte onaantastbare vergunningen en is van mening dat het bij recht bestemmen van bestaande rechten niet in strijd met de Verordening is. 30.
- De Afdeling stelt voorop dat bij het plan aan de percelen Heereveldseweg 26a en 28 de bestemming "Wonen" is toegekend. In artikel 7.7, eerste lid, van de Verordening is bepaald dat in een plan dat is gelegen in gemengd landelijk gebied, zoals hier het geval is, alleen bestaande burgerwoningen, bedrijfswoningen of solitaire woningen zijn toegelaten. Voorts is in artikel 7.7, vijfde lid, van de Verordening bepaald dat in afwijking van het eerste lid een bestemmingsplan kan voorzien in het gebruik van een voormalige bedrijfswoning als burgerwoning, mits onder meer is verzekerd dat er geen splitsing in meerdere woonfuncties plaatsvindt. De Afdeling stelt aan de hand van de overgelegde stukken en zoals deze nader zijn toegelicht ter zitting, vast dat op 18 oktober 2000 een vergunning is verleend voor de bouw van een bedrijfswoning onder de voorwaarde dat het gebruik van de inpandige bedrijfswoning op het perceel aan de Heereveldseweg 26a als bedrijfswoning zou worden gestaakt. De bij besluit van 18 oktober 2000 vergunde bedrijfswoning is nadien gebouwd en heeft het huisnummer Heereveldseweg 28 gekregen. Voor de bouw van een bedrijfswoning op het perceel Heereveldseweg 26a is geen bouwvergunning overgelegd. Wel is een op 19 juli 2005 verleende bouwvergunning overgelegd voor een gedeeltelijke vernieuwing van een bedrijfswoning. Echter, niet is gebleken van het verleend zijn van een bouwvergunning voor de realisering van een bedrijfswoning. Bovendien diende het gebruik van het betrokken gebouw als inpandige bedrijfswoning op grond van de bouwvergunning van 18 oktober 2000 te worden gestaakt. Nu de bouwvergunning van 19 juli 2005 slechts ziet op het gedeeltelijk vernieuwen van een bedrijfswoning, zonder dat gebleken is van een verleende bouwvergunning voor de realisering van een dergelijke bedrijfswoning, is naar het oordeel van de Afdeling geen sprake van het bestemmen van een bestaande woning in de zin van artikel 7.7, eerste lid en vijfde lid, van de Verordening. Naar het oordeel van de Afdeling is dit plandeel dan ook in strijd met artikel 7.7, eerste lid en vijfde lid, van de Verordening vastgesteld. Het betoog slaagt. Paradijs 31, 33 en 35 te Elsendorp
- Het college stelt dat ten opzichte van het vorige bestemmingsplan op het agrarische bedrijfsperceel aan de Paradijs 33 te Elsendorp twee woningen - met de huisnummers 31 en 35 - zijn aangeduid als "specifieke vorm van wonen - uitsterfregeling burgerwoning". Deze woningen zijn jarenlang onder de beschermende werking van het overgangsrecht bewoond. Met het plan heeft de raad beoogd voor het gebruik als burgerwoning een uitsterfregeling te treffen. Het college heeft daartegen geen bezwaar, maar aan dit perceel is echter ook de aanduiding "maximum aantal wooneenheden = 3" toegekend, waardoor in de visie van het college de zekerheid ontbreekt dat de woningen Paradijs 31 en 35 deel uitmaken van de drie toegestane wooneenheden. Doordat de raad niet naar aanleiding van de zienswijze van het college de planregeling op dit punt heeft verduidelijkt, acht het college die regeling in strijd met artikel 7.7 van de Verordening. 31.
- De raad stelt dat beoogd is om, net als het college wenst zeker te stellen, alleen de drie bestaande bedrijfswoningen te bestemmen. Volgens de raad is om die reden in artikel 4.1 van de planregels opgenomen dat binnen de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" maar één bedrijfswoning is toegestaan, tenzij op de verbeelding een afwijkend aantal is vermeld. Op het bestemmingsvlak voor deze locatie is voorts de aanduiding "maatvoering maximaal aantal wooneenheden: 3" opgenomen, zodat ter plaatse maximaal 3 wooneenheden zijn toegestaan. Twee van de ter plaatse aanwezige bedrijfswoningen hebben de aanduiding "specifieke vorm van wonen - uitsterfregeling burgerwoning". 31.
- De Afdeling overweegt dat ter plaatse drie als zodanig bestemde bedrijfswoningen aanwezig zijn. Hoewel bij het plan ten aanzien van het gebruik van twee van deze bedrijfswoningen een uitsterfregeling is getroffen waarmee het gebruik als burgerwoning is toegelaten, wil dat niet zeggen dat deze twee woningen niet meetellen voor de bepaling van het aantal bedrijfswoningen dat ter plaatse aanwezig is. De planregels sluiten derhalve uit dat naast de drie aanwezige bedrijfswoningen een of twee nieuwe woningen mogen worden gebouwd. Het betoog mist derhalve feitelijke grondslag. Geneneind 8-8a te Bakel
- Het college stelt dat het plan op het perceel aan de Geneneind 8-8a te Bakel de bouw van een extra burgerwoning mogelijk maakt. Volgens het college is weliswaar op 30 november 1999 een bouwvergunning verleend die ziet op het betrokken perceel, maar die bouwvergunning ziet slechts op het verbouwen van de op het perceel aanwezige boerderij en niet op splitsing van de boerderij in meerdere wooneenheden. Volgens het college is de toevoeging van een extra burgerwoning in strijd met artikel 6.7, eerste lid, van de Verordening. 32.
- De raad stelt dat met de aangehaalde bouwvergunning impliciet vrijstelling is verleend voor het gebruik van de boerderij als extra burgerwoning. Volgens de raad voorziet de bouwvergunning namelijk in een extra ingang en alle andere voorzieningen ten behoeve van een woning. Volgens de raad is dan ook sprake van een bestaand recht dat in het voorliggende plan bij recht wordt bestemd. 32.
- De Afdeling overweegt dat aan het perceel Geneneind 8 en 8a de bestemming "Wonen" en de aanduiding maatvoering "maximum aantal wooneenheden: 2" zijn toegekend. Uit de op 30 november 1999 verleende bouwvergunning blijkt dat de bestaande boerderij aan de rechterzijde ongewijzigd zou blijven, maar dat de linkerzijde van deze boerderij zou worden verbouwd tot zelfstandige woning met onder meer een keuken, woonkamer, slaapkamer, eigen toegangsdeur en sanitaire voorzieningen. Omdat deze bouwvergunning voorzag in het bouwen van een extra burgerwoning op dit perceel, is de Afdeling van oordeel dat het voorliggende plan aldus niet is vastgesteld in strijd met artikel 6.7, eerste lid, van de Verordening, waarin is bepaald dat een bestemmingsplan dat is gelegen in de groenblauwe mantel bepaalt dat alleen bestaande burgerwoningen, bedrijfswoningen of solitaire recreatiewoningen zijn toegestaan. Het betoog slaagt niet. Mantelzorg
- Het college stelt dat het plan ten onrechte voorziet in een algemene afwijkingsregeling op basis waarvan een vrijstaand bijbehorend bouwwerk bij een (bedrijfs)woning ten behoeve van mantelzorg kan worden gebruikt om zelfstandige bewoning van bijgebouwen toe te staan. 33.
- De Afdeling overweegt onder verwijzing naar overweging 69.1 van deze uitspraak dat de raad heeft medegedeeld dat artikel 32.4 van de planregels, mede gelet op de uitspraak van de Afdeling van 27 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4280, onterecht is vastgesteld. De raad verzoekt de Afdeling deze planregel alsnog te vernietigen. Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dat hij in het bestreden besluit heeft gedaan en nu niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Het betoog slaagt. Conclusie
- In hetgeen is overwogen onder de overwegingen 5 tot en met 28, 30 en 33 ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het besluit tot vaststelling van het plan is genomen in strijd met de daar aangegeven bepalingen uit de Verordening, voor zover het betreft: a. het plandeel met de bestemming "Wonen" ter plaatse van het perceel Gerele Peel 8 te Elsendorp voor zover wordt voorzien in een vergroting van het bestemmingsvlak "Wonen" ten opzichte van het voorheen geldende bestemmingsplan; b. het plandeel met de bestemming "Wonen" ter plaatse van het perceel Handelseweg 62 te Gemert voor zover wordt voorzien in een vergroting van het bestemmingsvlak "Wonen" ten opzichte van het voorheen geldende bestemmingsplan; c. het plandeel met de bestemming "Wonen" ter plaatse van het perceel Kapelweg 43 te Handel voor zover wordt voorzien in een vergroting van het bestemmingsvlak "Wonen" ten opzichte van het voorheen geldende bestemmingsplan; d. het plandeel met de bestemming "Wonen" ter plaatse van het perceel Zeelandsedijk 32 te Elsendorp voor zover wordt voorzien in een vergroting van het bestemmingsvlak "Wonen" ten opzichte van het voorheen geldende bestemmingsplan; e. het plandeel met de bestemming "Wonen" ter plaatse van het perceel Esp 4 te Bakel voor zover wordt voorzien in een vergroting van het bestemmingsvlak "Wonen" ten opzichte van het voorheen geldende bestemmingsplan; f. het plandeel met de bestemming "Maatschappelijk" ter plaatse van het perceel Ripseweg 24 te Elsendorp voor zover wordt voorzien in een vergroting van het bestemmingsvlak "Maatschappelijk" ten opzichte van het voorheen geldende bestemmingsplan; ; g. het plandeel met de bestemming "Wonen" ter plaatse van het perceel Neerstraat 11 te Bakel; h. het plandeel met de bestemming "Recreatie" ter plaatse van het perceel Breemhorstsedijk 60 te De Mortel voor zover wordt voorzien in een vergroting van het bestemmingsvlak "Recreatie" ten opzichte van het voorheen geldende bestemmingsplan; i. het plandeel met de bestemming "Wonen" ter plaatse van het perceel Hendrik Jan IJpenberglaan 41 te Elsendorp; j. het plandeel met de bestemming "Recreatie" en de aanduiding "recreatiewoning" ter plaatse van het perceel aan de Grotelseheide, kadastraal bekend als gemeente Bakel, sectie K, nr. 529; k. het plandeel met de bestemming "Agrarisch" ter plaatse van het perceel aan de Hutten, kadastraal bekend als gemeente Bakel, sectie U, nr. 312, voor zover dat plandeel betrekking heeft op gronden die bij de Verordening ruimte van de provincie Noord-Brabant zijn aangewezen als behorend tot het "Natuur Netwerk Brabant"; l. de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - upcycling" ter plaatse van het perceel Beeksedijk 10 te Gemert; m. het plandeel met de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" ter plaatse van het perceel Venraysedijk 50 te De Mortel voor zover wordt voorzien in een vergroting van het bestemmingsvlak "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" ten opzichte van het voorheen geldende bestemmingsplan; n. het plandeel met de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" ter plaatse van het perceel Venraysedijk 53 te De Mortel voor zover wordt voorzien in een vergroting van het bestemmingsvlak "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" ten opzichte van het voorheen geldende bestemmingsplan; o. het plandeel met de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" ter plaatse van het perceel Neerstraat 14 te Bakel voor zover wordt voorzien in een vergroting van het bestemmingsvlak "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" ten opzichte van het voorheen geldende bestemmingsplan; p. het plandeel met de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" ter plaatse van het perceel Rootvlaas 2 te Bakel voor zover wordt voorzien in een vergroting van het bestemmingsvlak "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" ten opzichte van het voorheen geldende bestemmingsplan; q. het plandeel met de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" ter plaatse van het perceel Heidveld 8 te Bakel voor zover wordt voorzien in een vergroting van het bestemmingsvlak "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" ten opzichte van het voorheen geldende bestemmingsplan; r. het plandeel met de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" ter plaatse van het perceel Oploseweg 2 te De Rips voor zover wordt voorzien in een vergroting van het bestemmingsvlak "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" ten opzichte van het voorheen geldende bestemmingsplan; s. het plandeel met de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" ter plaatse van het perceel Kaweide 3 te Milheeze voor zover wordt voorzien in een vergroting van het bestemmingsvlak "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" ten opzichte van het voorheen geldende bestemmingsplan; t. het plandeel met de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" ter plaatse van het perceel Oude Kerkbaan 9 te Milheeze voor zover wordt voorzien in een vergroting van het bestemmingsvlak "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" ten opzichte van het voorheen geldende bestemmingsplan; u. het plandeel met de bestemmingen "Bedrijf" en "Groen" ter plaatse van het perceel Grotelseheide 9 te Bakel; v. het plandeel met de bestemming "Wonen" ter plaatse van de percelen Heereveldseweg 26a en 28 te Handel; w. artikel 32.4 van de planregels.
- Het beroep van het college tegen het besluit tot vaststelling van het plan is gegrond, zodat het besluit in zoverre moet worden vernietigd. Verwerking in www.ruimtelijkeplannen.nl
- Uit een oogpunt van rechtszekerheid en gelet op artikel 1.2.3 van het Besluit ruimtelijke ordening, ziet de Afdeling aanleiding de raad op te dragen de hierna in de beslissing nader aangeduide onderdelen van deze uitspraak binnen vier weken na verzending van de uitspraak te verwerken in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl. Proceskosten
- Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen is niet gebleken. Archeologische waarden - algemeen Archeologische dubbelbestemming
- [appellante sub 1], [appellante sub 4], [appellant sub 9], [appellant sub 10], [appellant sub 5], [appellanten sub 12] en ZLTO stellen onder meer dat de planregels die gelden voor gronden waaraan de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 4" dan wel de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 5" is toegekend te beperkend zijn. Zij stellen hiertoe dat zij op grond van de op deze bestemmingen betrekking hebbende planregels een omgevingsvergunning moeten aanvragen voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden op hun gronden die zij al jaren uitvoeren. 38.
- Aan de gronden van [appellante sub 1], [appellante sub 4], [appellant sub 9], [appellant sub 10], [appellant sub 5], [appellanten sub 12] is de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 4" of de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 5" toegekend. Het beroep van ZLTO ziet op alle gronden waaraan de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 4" of de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 5" is toegekend. Op die gronden is het op grond van artikel 24.4.1 onderscheidenlijk 25.4.1 van de planregels niet toegestaan om zonder omgevingsvergunning bepaalde werken of werkzaamheden uit te voeren. Blijkens artikel 24.4.2, aanhef en onder b, en artikel 25.4.2, aanhef en onder b, van de planregels is voornoemd verbod niet van toepassing voor zover het werkzaamheden betreft die betrekking hebben op normaal onderhoud en beheer. Ter zitting is door de raad toegelicht dat met deze bepalingen is bedoeld om, met uitzondering van het vervangen van drainage, alleen die werkzaamheden die tot normaal beheer en onderhoud behoren van de omgevingsvergunningplicht uit te zonderen, die tot maximaal 40 cm diepte worden uitgevoerd. De Afdeling overweegt dat het standpunt van de raad ten aanzien van hetgeen moet worden begrepen onder normaal onderhoud en beheer erop neerkomt dat voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden die tot normaal onderhoud en beheer behoren en waarbij gronden tot een grotere diepte dan 40 cm worden geroerd, met uitzondering van het vervangen van een reeds aanwezige legale drainage, een omgevingsvergunning moet worden aangevraagd. Dat volgt echter niet uit artikel 24.4.2, onder b, onderscheidenlijk 25.4.2, onder b, van de planregels. Gelet hierop is het plan in zoverre in strijd met het artikel 3:2 van de Awb voorbereid en in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel vastgesteld. In zoverre slagen de betogen. 38.
- Alleen al hierom zijn de beroepen van [appellante sub 1], [appellante sub 4], [appellant sub 9], [appellant sub 10], [appellant sub 5], [appellanten sub 12] en ZLTO gegrond. 38.
- Het plan moet worden vernietigd, voor zover het artikel 24.4.2, onder b, van de planregels en artikel 25.4.2, onder b, van de planregels betreft. 38.
- De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht de raad op te dragen om voor de planregels waarop de vernietiging onder 38.3 betrekking heeft met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen. Zij zal de raad daartoe een termijn stellen. 38.
- De Afdeling ziet in aanvulling op de zojuist genoemde voorlopige voorziening aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb, inhoudende dat het vervangen van bestaande drainage en het tot 40 cm diepte uitvoeren van andere werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden die betrekking hebben op normaal onderhoud en beheer, dan wel van ondergeschikte betekenis zijn, zijn uitgezonderd van de het in artikel 25.4.1 van de planregels opgenomen verbod. De Afdeling komt tot deze voorlopige voorziening om te voorkomen dat een omgevingsvergunning moet worden aangevraagd voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden die betrekking hebben op normaal onderhoud en beheer in gevallen waarin de raad dit, gelet op zijn toelichting ter zitting, onwenselijk acht. De Afdeling benadrukt dat aan de inhoud van deze voorlopige voorziening geen verdere betekenis toekomt.
- De Afdeling zal de overige beroepsgronden - al dan niet over archeologische waarden - hierna afzonderlijk per appellant behandelen. Het beroep van [appellant sub 9] Dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 5"
- [appellant sub 9] woont aan [locatie 1] in Gemert. [appellant sub 9] heeft daar een zorgboerderij en een akkerbouwbedrijf. [appellant sub 9] betoogt dat aan zijn gronden ten onrechte de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 5" is toegekend. Hij stelt dat de toekenning van die dubbelbestemming meebrengt dat het zonder omgevingsvergunning niet is toegestaan om grond om te woelen tot een grotere diepte dan 40 cm en daarmee om noodzakelijke werkzaamheden uit te voeren. Volgens [appellant sub 9] is de toekenning van de dubbelbestemming aan zijn gronden onnodig. Hij voert hiertoe aan dat zijn gronden in het verleden tot grotere diepte dan 40 cm zijn omgewoeld en ingrijpend zijn bewerkt. Hij verwijst daartoe naar verschillende werkzaamheden die in het verleden in en op zijn gronden hebben plaatsgevonden. [appellant sub 9] wijst in dit verband onder andere op een kaart waarop de locatie van de drainage op zijn gronden is aangegeven, op een factuur voor diepploegen, spitten, sloot ophalen en egaliseren en op foto’s waarop de diepte van de watergangen is aangegeven. Verder voert [appellant sub 9] aan dat hij zijn gronden in de toekomst voor agrarische doeleinden zal blijven gebruiken en dat het daarom in de rede ligt dat hij zijn gronden zal blijven bewerken zoals hij voorheen heeft gedaan. [appellant sub 9] stelt door het vergunningstelsel ernstig in zijn gebruiksmogelijkheden te worden belemmerd en te worden geconfronteerd met meer administratie en hogere kosten vanwege eventuele archeologische onderzoeken. 40.
- Aan de gronden van [appellant sub 9] is naast de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" dan wel de bestemming "Agrarisch" de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 5" toegekend. Op grond van artikel 25.2 en artikel 25.4 van de planregels gelden daar bouw- en gebruiksbeperkingen alsmede een omgevingsvergunningstelsel voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden. In de plantoelichting staat dat archeologische waarden in bestemmingsplannen worden geborgd door middel van dubbelbestemmingen. In 2009 is onderzoek uitgevoerd naar in de gemeente Gemert-Bakel voorkomende archeologische waarden. Dit onderzoek is in 2015 en 2016 door Het Archeologie Bureau geactualiseerd. Op basis van dit onderzoek is door Het Archeologie Bureau op 13 januari 2016 het "Beleidsplan Archeologische Monumentenzorg, gemeente Gemert-Bakel" en de "Archeologische beleidskaart Gemert-Bakel 2015" opgesteld., Blijkens deze kaart zijn de gronden van [appellant sub 9] wat betreft archeologische waarden ingedeeld in "categorie 5". Gelet hierop is het mede bestemmen van de gronden van [appellant sub 9] voor archeologische waarden dus in overeenstemming met het bij het plan gehanteerde uitgangspunt. De raad heeft ter zitting het nadere standpunt ingenomen dat de archeologische verwachtingswaarde ter plaatse van de gronden van [appellant sub 9] nader had dienen te worden onderzocht en beoordeeld. Omdat de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiervoor aanleiding hebben gegeven, is het bestreden besluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid. Het betoog slaagt. Voor zover er sprake is van een legaal aanwezige drainage in de gronden van [appellant sub 9], overweegt de Afdeling ten overvloede nog dat voor het vervangen daarvan op grond van artikel 25.4.2, onder b, van de planregels geen omgevingsvergunning is vereist, mits de nieuwe drainage op dezelfde plek en op dezelfde diepte als de legaal aanwezige, te vervangen drainage wordt aangelegd. Een dergelijke vervanging valt onder het normaal onderhoud en beheer, hetgeen ook door de raad ter zitting uitdrukkelijk is bevestigd. 40.
- Het plan dient te worden vernietigd, voor zover aan de gronden ter plaatse van [locatie 1] in Gemert de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 5" is toegekend. Conclusie
- Gelet op wat onder 40.1 is overwogen is het beroep van [appellant sub 9] ook om deze reden gegrond, zodat het bestreden besluit ook in zoverre dient te worden vernietigd.
- De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht de raad op te dragen om voor het plandeel waarop de vernietiging onder 40.2 betrekking heeft met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen. Zij zal de raad daartoe een termijn stellen.
- De Afdeling ziet aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb, dat voor het perceel [locatie 1] in Gemert de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 5" blijft gelden tot een nieuw besluit is genomen en in werking is getreden. De Afdeling komt tot deze voorlopige voorziening om te voorkomen dat eventueel aanwezige archeologische waarden, naar de aanwezigheid waarvan nader onderzoek zal worden verricht en, naar aanleiding waarvan een nieuw besluit zal worden genomen, in de tussentijd zouden kunnen worden aangetast.
- De raad dient in de proceskosten van [appellant sub 9] te worden veroordeeld op de wijze als in het dictum vermeld. Het beroep van [appellant sub 5] Dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 5"
- [appellant sub 5] woont aan [locatie 2] in Gemert en exploiteert daar een intensieve veehouderij. [appellant sub 5] betoogt dat aan zijn percelen, kadastraal bekend gemeente Gemert-Bakel, sectie O, nummers 27, 913 en 918, ten onrechte de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 5" is toegekend. Volgens hem gelden daardoor ingrijpende bouw- en gebruiksregels voor zijn gronden. [appellant sub 5] stelt dat de dubbelbestemming in het vorige plan nog niet aan zijn gronden was toegekend. Op zijn percelen, kadastraal bekend gemeente Gemert-Bakel, sectie O, nummers 27 en 913, zijn volgens [appellant sub 5] geen archeologische waarden meer aanwezig. Op het perceel met nummer 27 is de daar destijds aanwezige waterleiding, die op meer dan 1 m diepte lag, verwijderd. Het perceel met nummer 913 is in 1999 ontgrond, wat blijkt uit een brief van Beekmans Recycling van 22 juni 2018, zo stelt [appellant sub 5]. Ook is daar blijkens een factuur van Gebr. Egmonds van 1 mei 2001 drainage aangelegd, aldus [appellant sub 5]. 45.
- De Afdeling stelt vast dat de gronden van [appellant sub 5] een agrarische bestemming hebben. Aan een deel van die gronden is tevens onder andere de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 5" toegekend. In de plantoelichting staat dat archeologische waarden in bestemmingsplannen worden geborgd door middel van dubbelbestemmingen. In 2009 is onderzoek uitgevoerd naar in de gemeente Gemert-Bakel voorkomende archeologische waarden. Ter plaatse van de betreffende gronden heeft het eerste onderzoek naar archeologische waarden pas in 2011, na de vaststelling van het vorige plan, plaatsgevonden, zo is hierover door de raad toegelicht. Dit onderzoek is in 2015 en 2016 door Het Archeologie Bureau geactualiseerd. Op basis van dit onderzoek is door Het Archeologie Bureau op 13 januari 2016 het "Beleidsplan Archeologische Monumentenzorg, gemeente Gemert-Bakel" en de "Archeologische beleidskaart Gemert-Bakel 2015" opgesteld., Blijkens deze kaart zijn de gronden van [appellant sub 5] wat betreft archeologische waarden ingedeeld in "categorie 5". Gelet hierop is het mede bestemmen van de gronden van [appellant sub 5] voor archeologische waarden in overeenstemming met het bij het plan gehanteerde uitgangspunt. In hetgeen [appellant sub 5] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad in dit geval van dit uitgangspunt had moeten afwijken. Voor zover [appellant sub 5] stelt dat de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 5" in het vorige plan niet aan zijn gronden was toegekend, overweegt de Afdeling dat de raad de gronden van [appellant sub 5] op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen mede voor de bescherming van de daar naar verwachting aanwezige archeologische waarden heeft kunnen aanwijzen. Voor zover [appellant sub 5] stelt dat zijn percelen, kadastraal bekend gemeente Gemert-Bakel, sectie O, nummers 27 en 913, in het verleden tot bepaalde diepten zijn geroerd, overweegt de Afdeling het volgende. Uit de door [appellant sub 5] overgelegde brief van Beekmans Recycling van 22 juni 2018, noch uit de andere door hem overgelegde stukken blijkt dat zijn gronden over een dusdanig oppervlak en dermate diep zijn geroerd dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat daar naar verwachting nog archeologische waarden aanwezig zijn. Op grond van de enkele, niet nader onderbouwde stelling van [appellant sub 5] dat een groot aantal ingrijpende bouw- en gebruiksregels gelden voor zijn gronden, is voorts niet aannemelijk geworden dat hij dermate in de bouw- en gebruiksmogelijkheden van zijn gronden wordt beperkt dat de raad een doorslaggevend gewicht aan zijn belangen had moeten toekennen. Gelet op het voorgaande heeft de raad naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 5" aan de gronden van [appellant sub 5] toegekend. Het betoog slaagt in zoverre niet. Beeldbepalend pand
- Voorts betoogt [appellant sub 5] dat het plan ten onrechte gewijzigd is vastgesteld voor zover de aanduiding "specifieke bouwaanduiding - beeldbepalend pand" niet meer aan zijn gronden is toegekend. Van der Elsen stelt dat zijn gronden deze aanduiding bij het ontwerpplan wel hadden. Hoewel hij in zijn zienswijze aanvankelijk zelf heeft verzocht de aanduiding te verwijderen, heeft hij zijn zienswijze op dit punt later ingetrokken omdat hij zichzelf met zijn verzoek had benadeeld, zo stelt Van der Elsen. Gelet op het beginsel van het verbod van reformatio in peius had de raad dan ook geen gevolg moeten geven aan zijn oorspronkelijke verzoek, aldus Van der Elsen. Het pand is volgens hem beeldbepalend; het is weliswaar opnieuw opgebouwd, maar daarbij zijn juist de beeldbepalende elementen teruggekomen om het beeldbepalende karakter van het pand te behouden. 46.
- Aan de gronden van [appellant sub 5] is niet de aanduiding "beeldbepalend pand" is toegekend. De Afdeling stelt vast dat de gronden van [appellant sub 5] die aanduiding in het ontwerpplan wel hadden. Allereerst overweegt de Afdeling, zoals zij reeds eerder heeft overwogen, bijvoorbeeld in haar uitspraak van 23 december 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3932, dat de raad bevoegd is - al dan niet naar aanleiding van ingediende zienswijzen - het ontwerpplan gewijzigd vast te stellen. Verder staat vast dat het betreffende pand grotendeels opnieuw is opgetrokken. De raad stelt zich op het standpunt dat het pand daardoor niet meer aan te merken is als een beeldbepalend pand zoals bedoeld in de begripsomschrijving in artikel 1.34 van de planregels. De stelling van Van der Elsen dat beeldbepalende elementen in de nieuwbouw zijn teruggebracht maakt dit niet anders, omdat dit onverlet laat dat bepaalde elementen verloren zijn gegaan, zo is door de raad toegelicht. Gelet op het voorgaande heeft de raad naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid kunnen afzien van het toekennen van de aanduiding "beeldbepalend pand" aan de gronden van [appellant sub 5]. Het betoog slaagt niet. Conclusie
- Zoals onder 38.2 reeds is overwogen, is het beroep van [appellant sub 5] gegrond.
- De raad dient in de proceskosten van [appellant sub 5] te worden veroordeeld op de wijze als in het dictum vermeld. Het beroep van [appellante sub 1]
- [appellante sub 1] exploiteert aan [locatie 3] in Gemert een akkerbouwbedrijf dat onder andere gericht is op het telen van prei en bieten. [appellante sub 1] betoogt dat aan haar gronden ten onrechte de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 5" is toegekend. Zij stelt in dit verband dat eventuele archeologische waarden ter plaatse van haar gronden in het verleden zijn vernietigd of zijn verstoord. In de jaren ’70 zijn de betreffende gronden, met een oppervlakte van meer dan 2.500 m2, helemaal omgezet en gedraineerd tot meer dan 40 cm diep. Daarnaast zijn haar gronden verschillende malen diepgewoeld en belucht tot 1 m diep. Ter onderbouwing van haar stelling verwijst [appellante sub 1] naar twee facturen. Volgens [appellante sub 1] is voorafgaand aan de vaststelling van het plan onvoldoende onderzocht of de bodem in het verleden is verstoord. [appellante sub 1] stelt dat de toekenning van de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 5" aan haar gronden tot een onaanvaardbare lastenverzwaring leidt vanwege de omgevingsvergunningplicht voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden die dit meebrengt.
- De Afdeling stelt vast dat aan de gronden van [appellante sub 1] naast de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" onder andere de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 5" is toegekend. De Afdeling overweegt dat in de plantoelichting staat dat archeologische waarden in bestemmingsplannen worden geborgd door middel van dubbelbestemmingen. In 2009 is onderzoek uitgevoerd naar in de gemeente Gemert-Bakel voorkomende en naar verwachting voorkomende archeologische waarden. Dit onderzoek is in 2015 en 2016 door Het Archeologie Bureau geactualiseerd. Op basis van dit onderzoek is door Het Archeologie Bureau op 13 januari 2016 het "Beleidsplan Archeologische Monumentenzorg, gemeente Gemert-Bakel" en de "Archeologische beleidskaart Gemert-Bakel 2015" opgesteld., Blijkens deze kaart zijn de gronden van [appellante sub 1] wat betreft de verwachting voor de aanwezigheid van archeologische waarden ingedeeld in "categorie 5". Gelet hierop is het mede bestemmen van de gronden van [appellante sub 1] voor archeologische waarden in overeenstemming met het bij het plan gehanteerde uitgangspunt. In de stelling van [appellante sub 1] dat haar gronden in het verleden zijn omgezet, gedraineerd, diepgewoeld en belucht, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad in dit geval van genoemd uitgangspunt had moeten afwijken. Uit de facturen die [appellante sub 1] heeft overgelegd volgt niet dat haar gronden dermate diep zijn geroerd dat de raad zich niet zonder nader onderzoek in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat daar naar verwachting nog archeologische waarden aanwezig zijn. Daaruit kan namelijk niet worden afgeleid dat haar gronden - over een oppervlak van meer dan 2.500 m2 - dieper dan 40 cm zijn geroerd. Voor zover [appellante sub 1] stelt dat de toekenning van de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 5" leidt tot een onaanvaardbare lastenverzwaring en belemmering voor haar bedrijfsvoering, is niet gebleken dat zij dermate in de gebruiksmogelijkheden van haar gronden wordt beperkt dat de raad een groter gewicht had moeten toekennen aan haar belangen dan aan het door de raad met zijn beleid beoogde doel om archeologische waarden te beschermen en daarin aanleiding had moeten zien om van zijn uitgangspunt af te wijken. Dat [appellante sub 1] een omgevingsvergunning moet aanvragen voor bijvoorbeeld de aanleg van drainage, wat volgens haar noodzakelijk is voor de uitoefening van haar bedrijf, is hiertoe onvoldoende. Daarbij komt dat [appellante sub 1] op grond van het vorige voor haar gronden geldende plan, het bestemmingsplan "Gemert-Bakel Buitengebied 2010", vastgesteld door de raad op 27 mei 2010, ook al verplicht was om in vergelijkbare omstandigheden een vergunning aan te vragen voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden. Gelet op het voorgaande heeft de raad naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 5" aan de gronden van [appellante sub 1] kunnen toekennen. Het betoog slaagt niet. Conclusie
- Zoals onder 38.2 reeds is overwogen, is het beroep van [appellante sub 1] gegrond.
- De raad dient in de proceskosten van [appellante sub 1] te worden veroordeeld op de wijze als in het dictum vermeld. Het beroep van [appellant sub 16] Algemeen en 6:19-besluit
- [appellant sub 16] woont aan [locatie 4] in De Mortel. Hij exploiteert daar een veehouderij met onder meer koeien en konijnen. Het plan voorziet ter plaatse van de gronden van [appellant sub 16] onder andere in de bescherming van de daar aanwezige archeologische waarden. [appellant sub 16] vreest hierdoor te worden beperkt in de bouwmogelijkheden op zijn gronden en in de mogelijkheden om grondwerkzaamheden uit te voeren.
- Bij besluit van 14 maart 2019 heeft de raad het bestemmingsplan "Gemert-Bakel Buitengebied Herziening December 2018" vastgesteld. Dit bestemmingsplan voorziet op verschillende gronden in het buitengebied in ontwikkelingen waarin het plan "Gemert-Bakel Buitengebied 2017" niet voorziet. Ook heeft de raad het besluit van 14 maart 2019 vastgesteld om een gebrek in het besluit van 5 juli 2018 ten aanzien van de gronden aan [locatie 4] in De Mortel te herstellen. Ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) heeft het beroep van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben. Het besluit van 14 maart 2019 heeft betrekking op gronden waar het beroep van [appellant sub 16] over het plan "Gemert-Bakel Buitengebied 2017" ook op ziet en komt niet geheel tegemoet aan de bezwaren van [appellant sub 16]. Het besluit van 14 maart 2019 wordt daarom aangemerkt als een besluit zoals bedoeld in artikel 6:19, eerste lid, van de Awb. In het vervolg van deze uitspraak zal eerst het beroep tegen het besluit van 14 maart 2019 tot vaststelling van het plan "Gemert-Bakel Buitengebied Herziening December 2018" worden besproken. Daarna zal worden bezien of nog aan de beoordeling van het besluit van 5 juli 2018 tot vaststelling van het plan "Gemert-Bakel Buitengebied 2017" wordt toegekomen. Omvang bestemmingsvlak
- [appellant sub 16] betoogt dat de begrenzingen van het bestemmingsvlak "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" en de aanduiding "bouwvlak" onjuist zijn vastgesteld. 55.
- Voor zover [appellant sub 16] hierover aanvoert dat deze hadden moeten worden overgenomen uit het plan "Gemert-Bakel Buitengebied herziening april 2011" van 29 juni 2011 overweegt de Afdeling als volgt. De raad heeft onweersproken gesteld dat hij met het besluit van 14 maart 2019 op dit punt tegemoet is gekomen aan het beroep van [appellant sub 16]. In zoverre heeft [appellant sub 16] dus geen belang meer bij de beoordeling van zijn beroep. Voor het overige is de raad met het besluit van 14 maart 2019 niet tegemoet gekomen aan het beroep van [appellant sub 16], zodat [appellant sub 16] in zoverre wel belang heeft bij de beoordeling van zijn beroepsgronden. 55.
- Voor zover [appellant sub 16] stelt dat de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" in het besluit van 14 maart 2019 aan een te klein aantal gronden is toegekend omdat de noordwestelijke grens van dit bestemmingsvlak niet noordwestelijk genoeg ligt, overweegt de Afdeling als volgt. Zoals volgt uit wat onder 55.1 is overwogen, is de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" in het besluit van 14 maart 2019 aan dezelfde gronden toegekend als in het plan van 29 juni
- In de uitspraak van 29 augustus 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX5930, over dat plan heeft de Afdeling over een vergelijkbare beroepsgrond van [appellant sub 16] geoordeeld dat geen aanleiding bestond om tot vernietiging van dat plan over te gaan. Gelet hierop en op wat [appellant sub 16] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad de omvang van het bestemmingsvlak "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" niet in redelijkheid heeft kunnen beperken tot de in het plan aangewezen gronden. Het betoog slaagt niet. Dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 4"
- [appellant sub 16] betoogt dat aan zijn gronden ten onrechte de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 4" is toegekend omdat de planregels die op de betreffende gronden van toepassing zijn, te veel beperkingen met zich brengen. Zo moet hij nu een omgevingsvergunning aanvragen voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden die hij al jaren uitvoert. Verder zijn ter plaatse van de gronden met de dubbelbestemming geen archeologische waarden aanwezig, zo stelt [appellant sub 16]. Volgens hem stond, anders dan door de raad is aangegeven, niet de oude hoeve Ter Eyken op zijn gronden, maar de hoeve Nieuwenhuis. [appellant sub 16] verwijst ter onderbouwing van zijn stelling naar een uitsnede van een kaart en informatie van de plaatselijke heemkundekring. Daarnaast stelt [appellant sub 16] dat onduidelijk is waarom de dubbelbestemming in een cirkelvorm aan een deel van zijn gronden is toegekend. Hij wijst erop dat ter plaatse van die cirkel geen archeologische waarden meer aanwezig kunnen zijn omdat daar een kelder is aangelegd. Gelet op het voorgaande is onvoldoende gemotiveerd waarom zijn gronden mede voor het behoud en de bescherming van te verwachten archeologische waarden zijn bestemd, aldus [appellant sub 16]. 56.
- Aan een cirkelvormig deel van de gronden van [appellant sub 16] is naast de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 4" toegekend. Op die gronden is het op grond van artikel 10.4.1 van de planregels niet toegestaan om zonder omgevingsvergunning bepaalde werken of werkzaamheden uit te voeren. Blijkens artikel 10.4.2, aanhef en onder b, van de planregels is voornoemd verbod niet van toepassing voor zover het werkzaamheden betreft die betrekking hebben op normaal onderhoud en beheer. Ter zitting is door de raad toegelicht dat met deze bepalingen is bedoeld om, met uitzondering van het vervangen van drainage, alleen die werkzaamheden die tot normaal beheer en onderhoud behoren van de omgevingsvergunningplicht uit te zonderen, die tot maximaal 40 cm diepte worden uitgevoerd. De Afdeling overweegt dat het standpunt van de raad ten aanzien van hetgeen moet worden begrepen onder normaal onderhoud en beheer erop neerkomt dat voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden die tot normaal onderhoud en beheer behoren en waarbij gronden tot een grotere diepte dan 40 cm worden geroerd, met uitzondering van het vervangen van een reeds aanwezige legale drainage, een omgevingsvergunning moet worden aangevraagd. Dat laatste volgt echter niet uit artikel 10.4.2, onder b, van de planregels. Gelet hierop is het plan in zoverre in strijd met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid en in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel vastgesteld. In zoverre slaagt het betoog. Het plan moet worden vernietigd, voor zover het artikel 10.4.2, onder b, van de planregels betreft. 56.
- Voor zover [appellant sub 16] voorts stelt dat ter plaatse van de gronden waaraan de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 4" is toegekend geen archeologische waarden aanwezig zijn, overweegt de Afdeling als volgt. Vaststaat dat de gronden van [appellant sub 16] in vorige plannen die voor de gronden van [appellant sub 16] golden ook al mede voor archeologische waarden waren bestemd en dat toen ook reeds aanlegvergunningstelsels golden. In zoverre leidt het plan er dus niet toe dat [appellant sub 16] méér in zijn planologische mogelijkheden wordt beperkt dan voorheen. In de plantoelichting staat dat archeologische waarden in bestemmingsplannen worden geborgd door middel van dubbelbestemmingen. In 2009 is onderzoek uitgevoerd naar in de gemeente Gemert-Bakel voorkomende archeologische waarden. Dit onderzoek is in 2015 en 2016 door Het Archeologie Bureau geactualiseerd. Op basis van dit onderzoek is door Het Archeologie Bureau op 13 januari 2016 het "Beleidsplan Archeologische Monumentenzorg, gemeente Gemert-Bakel" en de "Archeologische beleidskaart Gemert-Bakel 2015" opgesteld. Blijkens deze kaart zijn de gronden van [appellant sub 16] wat betreft archeologische waarden ingedeeld in "categorie 4". Verder is door de raad toegelicht dat de heemkundekring een onderzoek heeft uitgevoerd naar oude hoeves binnen de gemeente Gemert-Bakel. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in onder andere het rapport "De Akker van het middeleeuwse goed Nieuwenhuis op Milschot" van Heemkundekring De Kommanderij Gemert van september
- Hieruit volgt dat er op basis van cartografische verwijzingen goed gemotiveerde bewijzen zijn dat op de gronden van [appellant sub 16] waaraan de bedoelde cirkelvormige dubbelbestemming is toegekend een oude hoeve heeft gestaan. De omstandigheid dat het om de hoeve Nieuwenhuis gaat en niet om de hoeve Ter Eyken, zoals [appellant sub 16] terecht stelt, maakt dit niet anders omdat niet aannemelijk is dat de archeologische verwachtingswaarde daardoor minder zou zijn. Door de raad is verder toegelicht dat de gronden met de dubbelbestemming volgens het gebruikte meetpunt (SAS-melding 188) de plek is waar de oude hoeve heeft gestaan. [appellant sub 16] heeft de juistheid van dit meetpunt niet weersproken. Ten slotte heeft [appellant sub 16] zijn stelling dat in de bedoelde gronden een kelder is aangelegd waardoor daar geen archeologische waarden meer aanwezig kunnen zijn, niet met gegevens onderbouwd. De raad heeft zich dan ook in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat ter plaatse van de gronden van [appellant sub 16] archeologische waarden te verwachten zijn. De Afdeling ziet daarom geen aanleiding voor het oordeel dat aan het plan in zoverre een onvoldoende deugdelijke motivering ten grondslag ligt. Gelet op het voorgaande heeft de raad naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 4" aan een deel van de gronden van [appellant sub 16] kunnen toekennen. Het betoog slaagt in zoverre niet. Bestemmingsplan "Landgoed Nieuwen Huys"
- Voor zover [appellant sub 16] nog stelt dat het bestemmingsplan "Landgoed Nieuwen Huys" van 22 juli 2010 ten onrechte niet één-op-één in het voorliggende plan is overgenomen, overweegt de Afdeling dat dit betoog van [appellant sub 16] niet nader is geduid en ook op geen enkele wijze is onderbouwd. Reeds hierom slaagt dit betoog niet. Conclusie
- Gelet op het voorgaande, is het beroep van [appellant sub 16] tegen het herstelbesluit van 14 maart 2019 gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.
- De te vernietigen bepaling zoals hiervoor onder 56.1 genoemd is in het oorspronkelijke besluit gelijkluidend. In wat [appellant sub 16] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het oorspronkelijke besluit, voor zover het artikel 24.4.2, onder b, van de planregels en artikel 25.4.2, onder b, van de planregels betreft, is genomen in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. Het beroep van [appellant sub 16] is gegrond, zodat het bestreden besluit, zoals de Afdeling onder 38.3 al heeft overwegen, in zoverre dient te worden vernietigd. Voor zover het besluit van 14 maart 2019 ziet op de overige door [appellant sub 16] tevergeefs bestreden plandelen en in rechte onaantastbaar wordt, komt aan het oorspronkelijke besluit van 5 juli 2018 voor deze plandelen geen betekenis meer toe. Onder deze omstandigheden en nu niet is gebleken van enig belang bij de beoordeling van het beroep van [appellant sub 16] tegen het oorspronkelijke besluit, ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat Bastiaansen in zoverre geen procesbelang meer heeft. In verband hiermee dient zijn beroep tegen het besluit van 5 juli 2018 in zoverre niet-ontvankelijk te worden verklaard.
- De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht de raad op te dragen om voor de planregel waarop de vernietiging onder 56.1 betrekking heeft met inachtneming van deze uitspraak een nieuwe planregel vast te stellen en zal daartoe een termijn stellen.
- De Afdeling ziet aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb, dat het vervangen van drainage en het tot 40 cm diepte uitvoeren van andere werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden die betrekking hebben op normaal onderhoud en beheer, dan wel van ondergeschikte betekenis zijn,
🔗 Naar officiële bron
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.