202005229/1/A3. Datum uitspraak: 16 juni 2021 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend te Den Haag, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 10 augustus 2020 in zaak nr. 19/5008 in het geding tussen: [appellant] en het college van bestuur van de Technische Universiteit Delft. Procesverloop Bij besluit van 13 januari 2017 heeft het college besloten op een verzoek van [appellant] op grond van de Wet bescherming persoonsgegevens (hierna: Wbp). Bij besluit van 20 juni 2019 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 10 augustus 2020 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld. Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. [appellant] heeft nadere stukken ingediend. [appellant] heeft de Afdeling toestemming, als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), niet verleend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 mei 2021, waar [appellant] en het college, vertegenwoordigd door mr. drs. J. van Leeuwen en ir. M.S.D. Sussenbach, zijn verschenen. Overwegingen Inleiding 1. [appellant] heeft het college verzocht om inzage in de hem betreffende persoonsgegevens die het verwerkt. Bij het besluit van 13 januari 2017 heeft het college op dat verzoek gereageerd en heeft het een geprinte versie van wat het heeft aangeduid als het digitale dossier van [appellant] verstrekt. 1.1. Tegen dat besluit heeft [appellant] via een e-mail van 23 januari 2017 aan de studieadviseur bezwaar gemaakt, omdat het volgens hem een dossier betreft dat incompleet is. Bij brief van 29 mei 2017 heeft hij het college in gebreke gesteld omdat hij nog geen reactie had ontvangen. Bij besluit van 13 juli 2017 heeft het college dat bezwaar niet-ontvankelijk verklaard omdat het volgens het college niet binnen de termijn van zes weken was ingediend. 1.2. De rechtbank heeft bij uitspraak van 24 april 2019 geoordeeld dat het college het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. De studieadviseur had het e-mailbericht van 23 januari 2017 door moeten sturen naar het college. Dat had de studieadviseur pas gedaan op 14 september 2017. De rechtbank heeft het college opgedragen om binnen vier weken een besluit te nemen op het bezwaar van [appellant] van 23 januari 2017. Besluitvorming 2. Het college heeft onder verwijzing naar een advies van de Commissie voor Bezwaarschriften het bezwaar van [appellant] bij het besluit van 20 juni 2019 ongegrond verklaard. Volgens het college is [appellant] in voldoende mate in staat gesteld om kennis te nemen van de persoonsgegevens die het college van hem verwerkt. Hij heeft op 13 januari 2017 een kopie van zijn dossier ontvangen en op 7 februari 2017 inzage gehad in zijn dossier waarbij enkele ontbrekende stukken zijn verstrekt. Bij het besluit van 20 juni 2019 heeft het college een overzicht van verwerkingen van persoonsgegevens gevoegd. Verder heeft [appellant] niet duidelijk gemaakt welke gegevens ontbreken, zodat het college er van uitgaat dat het dossier compleet is. Daarnaast heeft het college aangegeven dat het geen interne notities en persoonlijke opvattingen van studieadviseurs, studentendecanen en docenten verstrekt, omdat deze persoonlijke gedachten bevatten en uitsluitend bedoeld zijn voor intern overleg. De rechtbank heeft dat besluit rechtmatig geacht. Toepasselijk recht 3. De Wbp is op 25 mei 2018 ingetrokken en vervangen door de Algemene verordening gegevensbescherming (hierna: Avg). Het besluit dat ter toetsing voorligt is het besluit van 20 juni 2019. Dat betekent dat in dit geding niet de Wbp van toepassing is, zoals de rechtbank heeft overwogen, maar de Avg. Het verzoek om geheimhouding van stukken 4. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de op grond van artikel 8:29 van de Awb verzochte beperking van kennisneming van de overgelegde stukken gerechtvaardigd is. Op grond van de uitspraak van de Afdeling van 4 november 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3686, had de rechtbank moeten oordelen dat de door het college genoemde redenen geen gewichtige zijn om toepassing van artikel 8:29 van de Awb te rechtvaardigen. Voor zover die gewichtige redenen wel bestaan, had hij geen toestemming hoeven geven aan de rechtbank om die stukken in te zien. Dat is in strijd met het beginsel van ‘equality of arms’, aldus [appellant]. 4.1. Artikel 8:29 van de Awb luidt: ‘1. Partijen die verplicht zijn inlichtingen te geven dan wel stukken over te leggen, kunnen, indien daarvoor gewichtige redenen zijn, het geven van inlichtingen dan wel het overleggen van stukken weigeren of de bestuursrechter mededelen dat uitsluitend hij kennis zal mogen nemen van de inlichtingen onderscheidenlijk de stukken. […] 5. Indien de bestuursrechter heeft beslist dat de beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is, kan hij slechts met toestemming van de andere partijen mede op de grondslag van die inlichtingen onderscheidenlijk die stukken uitspraak doen. […]’ Artikel 14, derde lid, van de Procesregeling bestuursrechterlijke colleges 2017 luidt: ‘Indien het beroep betrekking heeft op een besluit tot weigering van openbaarmaking op grond van de Wet openbaarheid van bestuur, wordt steeds gehandeld alsof een mededeling als bedoeld in het eerste lid is gedaan en het college heeft beslist dat de beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is.’ 4.2. Uit de uitspraak van de Afdeling van 10 juni 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1367, r.o. 15, volgt dat als het (hoger) beroep gaat over inzage in of verstrekking van stukken of gegevens op grond van bijvoorbeeld de Uitvoeringswet AVG, geen beslissing op het verzoek op grond van artikel 8:29 van de Awb genomen hoeft te worden, omdat de stukken voorwerp van geschil vormen. In dat geval mag worden gehandeld alsof het verzoek gerechtvaardigd is (vergelijk artikel 14, derde lid, van de Procesregeling). Uit de uitspraak van de rechtbank van 6 november 2019 over het verzoek van het college op grond van artikel 8:29 van de Awb volgt niet dat het verzoek gerechtvaardigd is geacht vanwege gewichtige redenen, maar omdat dit uit de aard van de stukken volgt. Kennisneming van de stukken is de kern van het geschil. Als de stukken ook bekend zouden zijn bij [appellant], zou een inhoudelijke behandeling van het beroep zinloos zijn, aldus de rechtbank. De door [appellant] genoemde uitspraak van 4 november 2019 kan hem niet baten, omdat in die uitspraak de gegevens waarvan geheimhouding op grond van artikel 8:29 van de Awb was verzocht geen onderwerp van het geschil vormden. De rechtbank heeft, gelet op de uitspraak van de Afdeling van 10 juni 2020, op juiste wijze toepassing gegeven aan artikel 8:29 van de Awb. Deze regeling brengt met zich dat de bestuursrechter de stukken waarop de beperking rust eerst zal inzien nadat hij toestemming heeft gekregen als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb om mede op de grondslag van die stukken uitspraak te doen. Dat is niet in strijd met het beginsel van ‘equality of arms’ (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 10 juni 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1367, r.o. 4). Die toestemming heeft [appellant] zowel de rechtbank als de Afdeling, ook nadat dit met hem ter zitting is besproken, niet gegeven. Omdat die toestemming niet is gegeven, komen de gevolgen van deze weigering voor rekening van [appellant]. Het betoog faalt. Deugdelijkheid van het proces-verbaal van de rechtbank 5. [appellant] heeft zich op het standpunt gesteld dat de inhoud van het proces-verbaal van de zitting bij de rechtbank op 9 juli 2020 geen juiste weergave is van hetgeen is besproken. Dat heeft ervoor gezorgd dat de rechtbank een onjuiste uitspraak heeft gedaan, aldus [appellant]. Daarbij heeft hij een transcript gevoegd van wat naar zijn idee op de zitting bij de rechtbank is besproken. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding om te oordelen dat het proces-verbaal een onjuiste weergave bevat van wat is besproken op de zitting bij de rechtbank. Het proces-verbaal bevat een zakelijke weergave van wat is besproken. Het is daarom niet nodig dat elk woord dat is besproken op de zitting in het proces-verbaal komt te staan. Niet is gebleken dat de rechtbank op basis van een onjuist proces-verbaal uitspraak heeft gedaan. Het betoog faalt. Heeft het college op juiste wijze toepassing gegeven aan het verzoek tot inzage van persoonsgegevens? 6. Verder betoogt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college op juiste wijze toepassing heeft gegeven aan artikel 35 van de Wbp. Het college heeft slechts een samenvatting van het dossier overgelegd. Daarmee is niet voldaan aan zijn verzoek en heeft hij onvoldoende inzage gehad in zijn dossier. Ook heeft hij niet kunnen controleren of wat hij wel heeft gekregen klopt, omdat hij de onderliggende stukken niet heeft ontvangen. Die onderliggende stukken hadden aan hem verstrekt moeten worden, aldus [appellant]. 6.1. Artikel 35 van de Wbp is vervangen door artikel 15 van de Avg. 6.2. Artikel 15 van de Avg luidt: ‘1. De betrokkene heeft het recht om van de verwerkingsverantwoordelijke uitsluitsel te verkrijgen over het al dan niet verwerken van hem betreffende persoonsgegevens en, wanneer dat het geval is, om inzage te verkrijgen van die persoonsgegevens en van de volgende informatie:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.