(2002)225 definitief], die ten oorsprong lagen aan richtlijn 2003/86, dat aanvankelijk de eis was voorzien dat de redenen van openbare orde uitsluitend konden worden aangevoerd op grond van het persoonlijke gedrag van het betrokken gezinslid. Uiteindelijk heeft de Uniewetgever er echter niet voor gekozen om de speelruimte van de lidstaten bij de toepassing van artikel 6 van deze richtlijn op deze wijze te beperken. (…)
- In het licht van de in de punten 56 tot en met 59 van dit arrest genoemde elementen, vloeit uit de keuzen van de Uniewetgever echter voort dat deze beperking van de handelingsmarge van de lidstaten niet kan inhouden dat het voor de bevoegde autoriteiten is uitgesloten toepassing te maken van artikel 6, leden 1 en 2, van richtlijn 2003/86 op basis van de loutere omstandigheid dat de betrokkene is veroordeeld voor een strafbaar feit, zonder dat zij hoeven aan te tonen dat diens persoonlijke gedragingen een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging vormen voor een fundamenteel belang van de samenleving van de betrokken lidstaat."
- De Afdeling is van oordeel dat uit de hiervoor geciteerde punten uit het arrest G.S. en V.G. volgt dat de in dat arrest gegeven uitleg aan het begrip 'openbare orde' in de Gezinsherenigingsrichtlijn niet alleen geldt voor situaties waarin de vreemdeling volgens de staatssecretaris een gevaar vormt voor de openbare orde omdat hij is veroordeeld voor een strafbaar feit, maar ook voor de situatie dat de staatssecretaris van oordeel is dat een vreemdeling een gevaar voor de openbare orde vormt omdat er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat de vreemdeling zich schuldig heeft gemaakt aan gedragingen als bedoeld in artikel 1(F) van het Vlv. Daarbij acht de Afdeling van belang dat er van een vreemdeling, aan wie artikel 1(F) van het Vlv is tegengeworpen, zeer ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan zeer ernstige misdrijven als bedoeld in artikel 1(F) van het Vlv. Dat die vreemdeling niet strafrechtelijk is veroordeeld voor die zeer ernstige misdrijven betekent niet dat hij ze niet heeft gepleegd, omdat de reden dat die vreemdeling niet strafrechtelijk is of wordt vervolgd of veroordeeld gelegen kan zijn in andere redenen dan de vraag of een vreemdeling strafrechtelijk gezien schuldig is. Zo kan het Openbaar Ministerie bijvoorbeeld geen rechtsmacht hebben of om doelmatigheidsredenen van vervolging afzien (zie de uitspraak van de Afdeling van 27 juni 2005, ECLI:NL:RVS:2005:AT8926, r.o. 2.2.2). Weliswaar gaat het arrest G.S. en V.G. specifiek over de situatie dat een vreemdeling is veroordeeld voor het plegen van een strafbaar feit, maar de onderliggende redenering van het Hof is niet beperkt tot die specifieke situatie. De hiervoor geciteerde argumenten van het Hof gaan immers over de interpretatie van het begrip 'openbare orde' in de Gezinsherenigingsrichtlijn in algemene zin. Dit betekent dus dat de in
- weergegeven eisen aan de onderbouwing van de staatssecretaris ook gelden als een vreemdeling volgens hem een gevaar vormt voor de openbare orde als bedoeld in artikel 6 van de Gezinsherenigingsrichtlijn omdat hij aan hem artikel 1(F) van het Vlv heeft tegengeworpen.
- Weliswaar heeft de rechtbank slechts twee korte overwegingen gewijd aan wat de vreemdeling in beroep heeft aangevoerd, maar het oordeel van de rechtbank is juist en de rechtbank is daarmee voldoende ingegaan op wat de vreemdeling in beroep heeft aangevoerd. Anders dan de vreemdeling betoogt, heeft de rechtbank terecht overwogen dat de staatssecretaris niet hoefde te motiveren dat sprake is van een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving. Onder
- is immers overwogen dat de eisen die de Gezinsherenigingsrichtlijn stelt aan de onderbouwing van de staatssecretaris als hij van oordeel is dat een vreemdeling een gevaar voor de openbare orde vormt ook van toepassing zijn in de situatie dat aan een vreemdeling artikel 1(F) van het Vlv is tegengeworpen. Verder heeft de rechtbank, anders dan de vreemdeling betoogt, niet overwogen dat toepassing van artikel 1(F) van het Vlv automatisch maakt dat wordt voldaan aan het begrip 'openbare orde' als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de Gezinsherenigingsrichtlijn. De rechtbank heeft namelijk juist terecht overwogen dat de staatssecretaris kon volstaan met de door hem in het besluit gegeven motivering. De staatssecretaris heeft in die motivering, in lijn met de vereisten voor de motivering in het arrest G.S. en V.G., immers rekening gehouden met het evenredigheidsbeginsel en hij heeft een individuele beoordeling verricht als bedoeld in artikel 17 van de Gezinsherenigingsrichtlijn. Nu de vierde grief, gericht tegen onder meer de overweging van de rechtbank over die door de staatssecretaris verrichte individuele beoordeling, faalt, heeft de staatssecretaris die beoordeling deugdelijk verricht.
- De vreemdeling betoogt daarentegen terecht dat de Nederlandse wet- en regelgeving niet in lijn is met de Gezinsherenigingsrichtlijn en het arrest G.S. en V.G. In artikel 3.77, vierde lid, van het Vb 2000 is de individuele beoordeling als bedoeld in artikel 17 van de Gezinsherenigingsrichtlijn geïmplementeerd. In die bepaling in het Vb 2000 staat dat die individuele beoordeling moet worden verricht als artikel 3.77, eerste lid, aanhef en onder c, van het Vb 2000 (veroordeling voor een misdrijf) van toepassing is. In die bepaling staat dus niet dat die individuele beoordeling moet worden verricht als de staatssecretaris van oordeel is dat een vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde als bedoeld in artikel 6 van de Gezinsherenigingsrichtlijn omdat er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat de vreemdeling zich schuldig heeft gemaakt aan gedragingen als bedoeld in artikel 1(F) van het Vlv (artikel 3.77, eerste lid, aanhef en onder a, van het Vb 2000). Echter, dit leidt niet tot gegrondverklaring van het hoger beroep, omdat de staatssecretaris in deze zaak die individuele beoordeling dus wel heeft verricht.
- De grief faalt.
- Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. C.M. Wissels en mr. B. Meijer, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. van Wezep, griffier. De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen. w.g. Van Wezep griffier Uitgesproken in het openbaar op 5 juli 2021
- BIJLAGE - Wettelijk kader Richtlijn 2003/86/EG van de Raad van 22 september 2003 inzake het recht op gezinshereniging Artikel 6
- De lidstaten kunnen een verzoek om toegang en verblijf van gezinsleden afwijzen om redenen van openbare orde, openbare veiligheid of volksgezondheid.
- De lidstaten kunnen een verblijfstitel van een gezinslid intrekken of verlenging ervan weigeren om redenen van openbare orde, openbare veiligheid of volksgezondheid. De lidstaat neemt bij zijn besluitvorming naast artikel 17 ook de ernst van de inbreuk of het soort van inbreuk van het gezinslid op de openbare orde of de openbare veiligheid in overweging, of het risico dat van die persoon uitgaat. (…) Artikel 17 In geval van afwijzing van een verzoek, intrekking of niet-verlenging van een verblijfstitel, alsmede in geval van een verwijderingsmaatregel tegen de gezinshereniger of leden van diens gezin houden de lidstaten terdege rekening met de aard en de hechtheid van de gezinsband van de betrokken persoon en met de duur van zijn verblijf in de lidstaat, alsmede met het bestaan van familiebanden of culturele of sociale banden met zijn land van herkomst. Vreemdelingenbesluit 2000 Artikel 3.77
- De aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd kan op grond van artikel 16, eerste lid, onder d, van de Wet worden afgewezen wegens gevaar voor de openbare orde, indien: a. er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat de vreemdeling zich schuldig heeft gemaakt aan gedragingen als bedoeld in artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag; b. de vreemdeling de echtgenoot of echtgenote, het minderjarige kind, de partner of het meerderjarige kind, bedoeld in artikel 29, tweede lid, onder a en b, van de Wet, is van een in Nederland verblijvende vreemdeling ten aanzien van wie er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat deze zich schuldig heeft gemaakt aan gedragingen als bedoeld in artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag, of c. de vreemdeling terzake van een misdrijf is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf of onvoorwaardelijke jeugddetentie, tot een onvoorwaardelijke maatregel als bedoeld in artikel 37a, 38m of 77h, vierde lid, onder a of b, van het Wetboek van Strafrecht, tot een taakstraf of tot een onvoorwaardelijke geldboete, dan wel indien hij terzake van misdrijf een transactieaanbod heeft aanvaard of jegens hem een strafbeschikking is uitgevaardigd.
- In geval de aanvraag verband houdt met verblijf als familie- of gezinslid houdt Onze Minister bij de toepassing van het eerste lid, onder c, ten minste rekening met de aard en de hechtheid van de gezinsband van de vreemdeling en de duur van zijn verblijf, alsmede het bestaan van familiebanden of culturele of sociale banden met het land van herkomst. Vreemdelingencirculaire 2000 C2 De verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (…) 4.
- Artikel 29, tweede lid, onder a, b of c, Vw, afgeleide verblijfsvergunning 4.1.
- Algemeen (…) In geval van het niet verlenen of het intrekken van een mvv, geldt het reguliere kader van artikel 16 Vw en de daaruit voortvloeiende regelgeving (zoals genoemd in de artikelen 3.77 en 3.78 Vb in het geval van openbare orde en in het beleid zoals neergelegd in B1/4.
- Vc).