(1999)die zijn uitgevoerd voor verschillende hei-installaties (slagtempo en vermogens) en op vier verschillende locaties, wordt deze aanname ondersteund." 11.
- Van belang is of de uitgangspunten van de geluidsberekeningen in het natuuronderzoek reëel en aannemelijk zijn. Tijdens de zitting heeft de raad onweersproken gesteld dat de inzet van een dergelijk geluidsarm heisysteem in een geval als dit gebruikelijk is. Dat is alleen al zo, omdat de bouwwerkzaamheden in de nabije omgeving van bestaande woningen zullen plaatsvinden. [appellant] heeft erop gewezen dat sprake lijkt te zijn van een logaritmische afname. De Afdeling stelt vast dat dit een interpretatie is van Arcadis van de brochure van de fabrikant van het hei-systeem. Arcadis vermeldt daarbij dat die aanname door berekeningen van TNO wordt ondersteund. Daarom heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de uitgangspunten van de geluidsberekeningen in het natuuronderzoek op het punt van het heisysteem reëel en aannemelijk zijn. Omdat de inzet van een geluidsarm heisysteem in dit geval een gebruikelijke en reëel te verwachten uitvoeringswijze is van de bouwwerkzaamheden, hoeft in het plan niet te worden voorgeschreven dat zo’n geluidsarm heisysteem moet worden gebruikt. De betogen slagen niet. 11.
- Verder staat in het natuuronderzoek dat voor verstoring van vogels een drempelwaarde van 45 dB wordt aangehouden. Die contour reikt niet tot het gebied waar kwalificerende beschermde broedvogels voorkomen. Binnen de contour komen wel kwalificerende niet-broedvogels voor. Het gebied binnen de contour heeft volgens het natuuronderzoek voor die soorten echter een beperkte functie en er zijn voldoende uitwijkmogelijkheden aanwezig gedurende de werkzaamheden. Wat [appellant] hierover heeft aangevoerd leidt niet tot twijfel hieraan bij de Afdeling. Het betoog slaagt niet. 11.
- Verder is in paragraaf 6.5 van het natuuronderzoek rekening gehouden met de cumulatieve effecten van de Nieuwe Sluis Terneuzen en het inrichten van de boulevard en omgeving tussen de Veerhaven en het sluizencomplex. Voor zover [appellant] betoogt dat geen rekening is gehouden met bedrijvigheid op de Westerschelde in de vorm van de overslag van kolen en erts en de scheepvaart, heeft de raad zich op het standpunt kunnen stellen dat dit bestaand gebruik betreft. De gevolgen daarvan zijn daarom al betrokken bij de in het natuuronderzoek gebruikte vogeltellingen. Dit betekent dat daar in het natuuronderzoek al rekening mee is gehouden. Het betoog slaagt niet.
- [appellant] betoogt dat het plan leidt tot verstoring van vogels als gevolg van een muureffect, windeffecten en lichthinder. 12.
- De raad heeft naar aanleiding van de zienswijze van [appellant] deze effecten door Rho laten beoordelen. De resultaten daarvan zijn neergelegd in de memo van 20 mei
- Hierin staat dat passerende vogels al ver voordat ze ter hoogte van de nieuwe gebouwen vliegen, rekening houden met de door de bebouwing veroorzaakte turbulentie. Hierdoor is het volgens het memo uitgesloten dat het plan leidt tot sterfte of zelfs maar energieverlies onder de vogels. Ook is vermeld dat de lichtuitstraling vanuit de woningen zeer beperkt zal zijn. Alleen de vogels die op gebouwhoogte komen aanvliegen, zullen het licht vanuit enkele verdiepingen waarnemen. De uitstraling van de andere verdiepingen wordt volgens het memo afgeschermd door de diepe balkons. In het aangevoerde bestaat geen aanleiding om hieraan te twijfelen. De betogen slagen niet.
- [appellant] betoogt dat ook telgebied WS732 binnen de reikwijdte van de effecten valt, zodat het onderzoek ten onrechte is beperkt tot telgebied WSS
- 13.
- Gelet op het kaartmateriaal uit het natuuronderzoek ligt de 45 dB-contour buiten het telgebied WS
- Het betoog mist feitelijke grondslag.
- Voor zover [appellant] de vogelwaarnemingen betwist en wijst op verstoring door beweging, heeft hij deze beroepsgronden niet nader toegelicht. De enkele stellingen hierover geven geen aanleiding voor het oordeel dat de raad is uitgegaan van onjuiste tellingen of dat beweging tot onaanvaardbare verstoring zal leiden. De betogen slagen niet.
- [appellant] betoogt dat in verband met verstoring van vogels een passende beoordeling nodig is en dat in verband met deze passende beoordeling op grond van artikel 7.2a van de Wet milieubeheer een milieueffectrapport had moeten worden gemaakt. 15.
- Wat de Geus heeft aangevoerd geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de raad bij de vaststelling van het plan niet in redelijkheid op het natuuronderzoek heeft kunnen afgaan. De raad heeft dan ook voldoende gemotiveerd dat en waarom uitgesloten is dat dit plan significante gevolgen heeft voor het Natura 2000-gebied en dat geen passende beoordeling en een milieueffectrapportage waren vereist. Het betoog slaagt niet. Bodemonderzoeken
- [appellant] betoogt dat geen toereikende bodemonderzoeken voorhanden zijn. 16.
- De raad stelt dat artikel 8:69a van de Awb aan de bespreking van dit betoog in de weg staat. 16.
- Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) heeft de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis willen stellen dat er een verband moet bestaan tussen een beroepsgrond en het belang waarin de appellant door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van de appellant. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 11 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2706, strekken de normen uit de Wet bodembescherming tot bescherming van de kwaliteit van de bodem. Zij strekken niet tot bescherming van een appellant die zich beroept op het belang dat hij gevrijwaard blijft van nadelige gevolgen van een bestemmingsplan voor zijn woon- en leefklimaat, of voor zijn ondernemersklimaat en bedrijfsvoering (uitspraken van 30 juli 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2838 (Tilburg), 4 mei 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1208 (Hollands Kroon) en 29 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:283 (Enschede)). Het belang van [appellant] ligt in het gevrijwaard blijven van nadelige gevolgen van de realisering van de appartementen volgens het plan voor zijn woon- en leefklimaat. De bepalingen van de Wet bodembescherming strekken daarom kennelijk niet tot bescherming van de belangen van [appellant]. Daarom kan het betoog met betrekking tot het bodemonderzoek, ingevolge artikel 8:69a van de Awb niet leiden tot vernietiging van het plan en zal de Afdeling dit betoog niet verder inhoudelijk bespreken. Privaatrechtelijke belemmering
- [appellant] betoogt dat een overeenkomst tussen hem en [aannemersbedrijf] in de weg staat aan de realisatie van het plan. In deze overeenkomst staat dat hooguit drie ranke torens zouden worden gebouwd. Zicht en licht zouden daarbij in veel mindere mate worden verminderd, aldus [appellant]. 17.
- Gelet op het verweerschrift stellen de raad en initiatiefnemer zich op het standpunt dat geen afspraken met [appellant] zijn gemaakt over de bebouwing die in het plangebied zou worden ontwikkeld. Na toezending van het verweerschrift noch op de zitting heeft [appellant] aannemelijk gemaakt dat een overeenkomst met deze strekking bestaat. Het betoog slaagt niet. De omgevingsvergunning voor het bouwen
- [appellant] betoogt dat de omgevingsvergunning van 6 augustus 2019 voor het bouwen van de oostelijke toren leidt tot een toename van stikstofuitstoot door de bouwwerkzaamheden en de bewoning die daarop volgt. 18.
- De Afdeling stelt vast dat deze beroepsgrond niet is gericht tegen het bestemmingsplan, maar tegen de omgevingsvergunning. Op de zitting heeft [appellant] dat bevestigd. De omgevingsvergunning is alleen verleend voor de activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Het college van burgemeester en wethouders kon deze omgevingsvergunning echter alleen weigeren, als zich één van de weigeringsgronden uit artikel 2.10, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht opgenomen weigeringsgronden voordeed. Wat [appellant] over stikstof heeft aangevoerd, valt niet onder één van deze weigeringsgronden. Gelet hierop kan het betoog niet slagen.
- [appellant] heeft aan zijn beroep tegen de omgevingsvergunning verder geen andere beroepsgronden ten grondslag gelegd dan de beroepsgronden die hiervoor al zijn besproken en beoordeeld in het kader van het bestemmingsplan. De beroepsgronden tegen het bestemmingsplan, voor zover die eveneens tegen de omgevingsvergunning kunnen zijn gericht, slagen niet. Al om deze reden slagen ook de betogen tegen de omgevingsvergunning niet. Conclusie
- Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: verklaart het beroep ongegrond. Aldus vastgesteld door mr. G.T.J.M. Jurgens, voorzitter, en mr. H.J.M. Baldinger en mr. J. Gundelach, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.S.S. Hupkes, griffier. De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen. De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen. Uitgesproken in het openbaar op 27 januari 2021 635.