(3)Doetinchem, die het verkeer naar de Europaweg leidt. De beoogde locatie van het hotel is nabij de A18, bij de rotonde Kilderseweg/Bedrijvenweg. Bij een eventuele realisatie zal volgens de raad hoofdzakelijk op dit weggedeelte sprake zijn van een verkeerstoename. Een zonnepark leidt volgens de raad niet tot meer verkeersbewegingen. Voor zowel het hotel als het zonnepark moeten volgens de raad overigens nog planologische besluiten worden genomen. De Afdeling ziet in wat [appellanten sub 2] hebben aangevoerd, geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet op het standpunt heeft mogen stellen dat de door hen genoemde ontwikkelingen niet zullen leiden tot een toename van het aantal motorvoertuigen op de Europaweg. Voor toekomstige ontwikkelingen, die planologisch bezien nog niet zijn voorzien, geldt bovendien dat de eventuele gevolgen daarvan moeten worden betrokken bij het nemen van de besluiten die de betreffende ontwikkeling mogelijk maken. 14.
- Over de modellering van het wegenstelsel heeft de raad in reactie op de vragen van de Afdeling toegelicht dat hiervoor het zogenoemde "definitief ontwerp" als uitgangspunt is genomen. Dat is de situatie met twee rijstroken per rijrichting tot de rotonde Auroraweg. Op het tracé tussen de rotonde Auroraweg en de spoorlijn is sprake van een gedeeltelijke verdubbeling, omdat na het verlaten van de rotonde richting het spoor de twee rijstroken weer overgaan naar één rijstrook. Het definitief ontwerp houdt geen rekening met een tunnel onder het spoor. De raad verwijst ter nadere toelichting naar onder meer afbeelding 3.1 van het akoestisch rapport. Dat is een luchtfoto van de huidige situatie bij de rotonde Auroraweg waarop de beoogde nieuwe inrichting gearceerd is weergegeven. Uit deze weergave volgt dat na het verlaten van de ei-rotonde richting het noorden, de twee rijstroken overgaan naar één rijstrook. Het onderzoeksgebied loopt tot de spoorwegovergang. Dit volgt ook uit de invoergegevens die zijn gevoegd als bijlage bij het akoestisch rapport. De Afdeling ziet in wat door [appellanten sub 2], en [appellant sub 1] is aangevoerd, geen aanleiding voor het oordeel dat bij het geluidsonderzoek is uitgegaan van onjuiste invoergegevens wat betreft de modellering van het wegenstelsel ten noorden van de rotonde Auroraweg. 14.
- Wat [appellanten sub 2], en [appellant sub 1] hebben aangevoerd geeft geen aanleiding voor het oordeel dat in het akoestisch onderzoek ten onrechte is uitgegaan van een gemiddelde snelheid van 50 km/uur voor het wegvak tussen de rotonde Auroraweg en de spoorwegovergang. De enkele omstandigheid dat op dat deel van het tracé op bepaalde momenten van de dag sprake kan zijn van langzaam rijdend of stilstaand verkeer, maakt nog niet dat de gehanteerde snelheid niet representatief is of niet in overstemming met de regels van het "Reken- en meetvoorschrift geluid 2012" is. [appellanten sub 2], en [appellant sub 1] hebben niet nader gemotiveerd dat bepaalde correcties toegepast hadden moeten worden. 14.
- [appellanten sub 2], en [appellant sub 1] hebben op de zitting gewezen op de geluidskaarten van de "Atlas Leefomgeving" van het RIVM. Volgens hen blijkt daaruit dat de geluidsbelasting vanwege het wegverkeer (Lden) ter plaatse van hun woningen tussen 61 dB(A) en 65 dB(A) bedraagt en dus aanmerkelijk hoger is dan is berekend in het akoestisch rapport. 14.
- Voor de woningen [locatie 1] en 26 is het verschil tussen de in het akoestisch rapport berekende gevelwaarden en de waarden die volgen uit de geluidskaart van het RIVM opvallend, maar dit is naar het oordeel van de Afdeling op zichzelf bezien niet voldoende om de resultaten van de voor het concrete geval gemaakte berekening in twijfel te trekken. In dit verband wijst de Afdeling op het "voorbehoud" dat gemaakt wordt bij de (geluids-)kaarten van de "Atlas Leefomgeving". Daarin staat dat "de kaart alleen een ruwe indicatie geeft van de geluidkwaliteit en niet geschikt is om geluidniveaus in het kader van de normstelling uit de Wgh te kunnen toetsen aan "de geluidbelasting op de gevel". Wel biedt de kaart op meer globale schaal een goed beeld van de geluidkwaliteit van aandachtsgebieden, zoals woonkernen, natuur- en stiltegebieden." Conclusie geluid 14.
- De Afdeling ziet in wat [appellanten sub 2], en [appellant sub 1] hebben aangevoerd, geen aanleiding voor het oordeel dat het akoestisch rapport zodanige gebreken of leemtes in kennis bevat dat de raad dit onderzoek niet in redelijkheid aan het plan ten grondslag heeft mogen leggen. Gelet hierop heeft de raad zich terecht op het standpunt gesteld dat de verbreding van de Europaweg leidt tot een toename van de geluidsbelasting op de gevels van de woningen van [appellanten sub 2], en [appellant sub 1] van minder dan 2 dB(A), zodat in zoverre geen sprake is van een reconstructiesituatie als bedoeld in artikel 1 van de Wgh en het plan niet in strijd is met de Wgh. Luchtkwaliteit
- [appellanten sub 2], en [appellant sub 3] en anderen betogen dat het plan ernstige gevolgen zal hebben voor de luchtkwaliteit in de omgeving. De conclusie dat het plan geen gevolgen heeft voor de luchtkwaliteit berust op de veronderstelling dat de verbreding van de Europaweg tot de rotonde Auroraweg leidt tot een betere doorstroming van het verkeer. Dit uitgangspunt is echter onjuist, omdat niet ook is voorzien in een tunnel onder de spoorweg. Mede daardoor zal volgens [appellanten sub 2] tussen de rotonde Auroraweg en de spoorovergang sprake zijn van een toename van de verkeerscongestie. 15.
- Volgens de raad leidt de verbreding van de Europaweg tot een betere doorstroming van het gemotoriseerd verkeer. Het plan leidt niet tot een toename van het aantal verkeersbewegingen op de Europaweg. Een nader onderzoek naar de gevolgen van het plan voor de luchtkwaliteit is volgens de raad daarom niet noodzakelijk. 15.
- De raad heeft met toepassing van de "Niet-in-betekenende-mate rekentool (NIBM)" beoordeeld of het plan leidt tot een overschrijding van de grenswaarden voor stikstofdioxiden en fijnstof vanwege de verkeersaantrekkende werking. Gelet op het gehanteerde uitgangspunt dat het plan niet leidt tot een toename van het aantal motorvoertuigen - de autonome groei is in dit verband niet van belang - is de uitstoot vanwege extra voertuigbewegingen nihil. Volgens de door de raad verrichte alternatieve berekening is pas bij een toename van meer dan 866 voertuigbewegingen sprake van een overschrijding van de in artikel 5.16, eerste lid, onder c, van de Wet milieubeheer vastgelegde (NIBM-)grenswaarden voor zwevende deeltjes (PM10) en stikstofdioxide. 15.
- De Afdeling overweegt dat de NIBM-rekentool is ontwikkeld door het ministerie van Infrastructuur en Milieu in samenwerking met Kenniscentrum InfoMil. Met behulp van dit instrument kan op een eenvoudige wijze worden vastgesteld of een plan "niet-in-betekenende-mate" bijdraagt aan de concentratie zwevende deeltjes (PM10) en stikstofdioxide. Het instrument kent slechts twee variabelen: het extra aantal voertuigbewegingen en het aandeel vrachtverkeer daarin. In de toelichting bij het rekeninstrument staat dat in het onderliggende model wat betreft alle andere relevante parameters wordt uitgegaan van een "worst-case" situatie. Dit betekent dat de concrete weg- en verkeerssituatie niet van belang zijn bij het gebruik van de NIBM-rekentool. [appellanten sub 2] hebben niet nader gemotiveerd waarom de raad in dit geval de NIBM-rekentool niet heeft mogen gebruiken. De raad heeft zich gelet hierop terecht op het standpunt gesteld dat de bijdrage van het plan aan de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en zwevende deeltjes (PM10) onder de NIBM-norm blijft. Het betoog slaagt niet. Overige beroepsgronden
- Voor zover [appellanten sub 2] betogen dat een weg met 2x2 rijstroken niet passend is in een stedelijke omgeving, overweegt de Afdeling dat zij dit niet nader hebben gemotiveerd. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat in dit geval in zoverre sprake is van een uitzonderlijke situatie. Ook in andere steden met een vergelijkbare omvang komen wegen voor met 2 maal 2 rijstroken. Het betoog slaagt niet.
- [appellant sub 3] betoogt dat de raad had kunnen volstaan met een verdubbeling van het tracé tot de rotonde Sicco Mansholtweg. 17.
- De beslissing om de weg te verbreden tot de rotonde Auroraweg, hangt nauw samen met de beslissing om deze rotonde om te vormen tot een ei-rotonde. Ook zal volgens de raad op het verbrede deel van het tracé de doorstroming verbeteren, terwijl de situatie op het deel tussen de rotonde Auroraweg en de spoorwegovergang niet wezenlijk zal veranderen. De Afdeling is gelet hierop van oordeel dat de raad voldoende inzichtelijk heeft gemaakt waarom hij besloten heeft het tracé te verbreden tot de rotonde Auroraweg. Het betoog slaagt niet.
- Over de vrees van [appellanten sub 2] dat op het verbrede deel van de Europaweg veel harder zal worden gereden dan wettelijk is toegestaan binnen de bebouwde kom, overweegt de Afdeling dat dit een aspect van handhaving is van verkeersvoorschriften. Dit kan niet aan de orde komen in het kader van het beroep tegen het plan. Het betoog slaagt niet. Conclusie
- De beroepen zijn, voor zover ontvankelijk, ongegrond. Proceskosten
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het beroep van [appellant sub 3] en anderen niet-ontvankelijk, voor zover ingesteld door [appellant sub 3C] en [appellant sub 3A]; II. verklaart de beroepen van [appellant sub 1], [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], en [appellant sub 3] en anderen, voor zover ontvankelijk, ongegrond. Aldus vastgesteld op woensdag 28 juli 2021 door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, voorzitter, en mr. B.J. Schueler en mr. J. Gundelach, leden, in tegenwoordigheid van mr. D. Milosavljević, griffier. w.g. Van der Beek-Gillessen voorzitter w.g. Milosavljević griffier Uitgesproken in het openbaar op 4 augustus 2021
- BIJLAGE Algemene wet bestuursrecht Artikel 8:69a De bestuursrechter vernietigt een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept. Wet geluidhinder Artikel 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: reconstructie van een weg: een of meer wijzigingen op of aan een aanwezige weg ten gevolge waarvan uit akoestisch onderzoek als bedoeld in artikel 77, eerste lid, onder a, en artikel 77, derde lid, blijkt dat de berekende geluidsbelasting vanwege de weg in het toekomstig maatgevende jaar zonder het treffen van maatregelen ten opzichte van de geluidsbelasting die op grond van artikel 100 dan wel het bepaalde krachtens artikel 100b, aanhef en onder a, als de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting geldt met 2 dB of meer wordt verhoogd; Artikel 76, eerste lid Bij de vaststelling van een bestemmingsplan of van een wijzigings- of uitwerkingsplan als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onder a of b, van de Wet ruimtelijke ordening dat geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op gronden, behorende tot een zone als bedoeld in artikel 74, worden ter zake van de geluidsbelasting, vanwege de weg waarlangs die zone ligt, van de gevel van woningen, van andere geluidsgevoelige gebouwen en van geluidsgevoelige terreinen binnen die zone de waarden in acht genomen, die ingevolge artikel 82 en 100 als de ten hoogste toelaatbare worden aangemerkt. Artikel 82, eerste lid Behoudens het in de artikelen 83, 100 en 100a bepaalde is de voor woningen binnen een zone ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van de gevel, vanwege de weg, 48 dB. Artikel 100, eerste lid Behoudens het tweede en derde lid is de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting vanwege een te reconstrueren weg, van de gevel van woningen binnen de zone 48 dB. Artikel 100, tweede lid Ingeval eerder bij of krachtens deze wet, de Experimentenwet Stad en Milieu, de Interimwet stad-en-milieubenadering, of de Spoedwet wegverbreding een hogere waarde voor de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting, vanwege de te reconstrueren weg, van de gevel van woningen binnen de zone is vastgesteld dan 48 dB, en de heersende waarde hoger is dan 48 dB, geldt de laagste van de volgende twee waarden als de ten hoogste toelaatbare: a.de heersende waarde; b.de eerder vastgestelde waarde. Wet milieubeheer Artikel 5.16, eerste lid Bestuursorganen maken bij de uitoefening van een in het tweede lid bedoelde bevoegdheid of toepassing van een daar bedoeld wettelijk voorschrift, welke uitoefening of toepassing gevolgen kan hebben voor de luchtkwaliteit, gebruik van een of meer van de volgende gronden en maken daarbij aannemelijk: […]; c. dat een uitoefening of toepassing, rekening houdend met de effecten op de luchtkwaliteit van onlosmakelijk met die uitoefening of toepassing samenhangende maatregelen ter verbetering van de luchtkwaliteit, niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie in de buitenlucht van een stof waarvoor in bijlage 2 een grenswaarde is opgenomen; […].