ECLI:NL:RVS:2021:176
202000600/1/A2.
Datum uitspraak: 27 januari 2021 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen:
Stichting Openbare Bibliotheek Eindhoven, gevestigd te Eindhoven (hierna: de bibliotheek), appellante, en het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven (hierna: het college), verweerder.
Procesverloop Bij uitspraak van 13 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:413, heeft de Afdeling, voor zover nu van belang, het door de bibliotheek ingestelde hoger beroep gegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 30 mei 2018 in zaak nr. 17/3023 vernietigd, voor zover de rechtbank in die uitspraak de besluiten van 30 september 2016 en 20 april 2017 van (het bestuur van) de Stichting Cultuur Eindhoven (hierna: SCE) heeft herroepen. Verder heeft de Afdeling met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) bepaald dat tegen het door SCE nieuw te nemen besluit op bezwaar slechts bij haar beroep kan worden ingesteld. Deze uitspraak is aangehecht.
Bij besluit van 18 december 2019 heeft het college, gevolg gevend aan deze uitspraak, het door de bibliotheek tegen het besluit van 30 september 2016 gemaakte bezwaar gegrond verklaard en, onder aanvulling van de motivering, de aan de bibliotheek voor de periode 2017-2020 verleende subsidie van maximaal € 12.788.468,00 gehandhaafd.
Tegen dit besluit heeft de bibliotheek beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 oktober 2020, waar de bibliotheek, vertegenwoordigd door mr. J.A. Mohuddy, advocaat te Breda, vergezeld door [directeur] van de bibliotheek, en het college, vertegenwoordigd door mr. J.W.M. Hagelaars, advocaat te Nijmegen, vergezeld door [directeur] van SCE, zijn verschenen.
Overwegingen Wettelijk kader 1. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.
Inleiding en voorgeschiedenis 2. Op 31 mei 2016 heeft de bibliotheek, op grond van de Subsidieregeling Cultuur Eindhoven 2017-2020 (hierna: de Subsidieregeling) voor de periode 2017-2020 een subsidie van € 14.018.000,00 aangevraagd. Bij besluit van 30 september 2016, (onder aanpassing van de motivering) gehandhaafd bij besluit van 26 september 2017, heeft SCE deze aanvraag gehonoreerd in zoverre dat aan de bibliotheek voor die periode een subsidie is verleend van maximaal € 12.788.468,00, hetgeen € 1.229.532,00 lager is dan aangevraagd.
In de uitspraak van 13 februari 2019 (hierna: de eerste uitspraak) heeft de Afdeling geoordeeld dat SCE voor de verlening van subsidies weliswaar kan worden aangemerkt als een bestuursorgaan in de zin van artikel 1:1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb, maar dat SCE niet bevoegd was subsidie te verlenen aan de bibliotheek. De door SCE aan de bibliotheek verleende subsidie berustte namelijk niet op een wettelijk voorschrift als bedoeld in artikel 4:23, eerste lid, van de Awb, zoals door de rechtbank ook (ambtshalve) is onderkend. Omdat de rechtbank niet slechts het door de bibliotheek tegen het besluit op bezwaar ingestelde beroep gegrond heeft verklaard en dat besluit heeft vernietigd, maar ook (in strijd met het verbod op reformatio in peius) het besluit van 30 september 2016 en een indexatiebesluit van 20 april 2017 heeft herroepen, heeft de Afdeling in de eerste uitspraak, voor zover nu van belang, het door de bibliotheek ingestelde hoger beroep gegrond verklaard en de aangevallen uitspraak in zoverre vernietigd. Ook heeft de Afdeling in die uitspraak geoordeeld dat tegen het door SCE te nemen nieuwe besluit op bezwaar slechts bij haar beroep kan worden ingesteld. Dat beroep is nu aan de orde.
Het in de eerste uitspraak geconstateerde bevoegdheidsgebrek 3. Alvorens de Afdeling toekomt aan een (inhoudelijke) beoordeling van de rechtmatigheid van het nieuwe besluit op bezwaar, dient te worden vastgesteld of het bevoegdheidsgebrek, zoals geconstateerd in de eerste uitspraak, is hersteld.
3.1. Het college heeft, zo blijkt uit zijn besluit van 16 april 2019, naar aanleiding van de eerste uitspraak, de Subsidieregeling (en het daarbij behorende subsidieplafond) met terugwerkende kracht vastgesteld. Ook heeft het college bij dit besluit alle reeds door SCE genomen besluiten over de toekenning van subsidie, waaronder het besluit van 30 september 2016, bekrachtigd als waren het besluiten van het college. Verder heeft het college bij dit besluit aan de directeur van SCE (tijdelijk) mandaat verleend om, voor zover nu van belang, de op grond van de Subsidieregeling genomen besluiten uit te voeren en af te wikkelen. Dit is nader uitgewerkt in het Mandaatbesluit 2017-2020 Stichting Cultuur Eindhoven (SCE) (IV-2020), dat is gepubliceerd in het Gemeenteblad van Eindhoven (2020, nr. 53290).
De Afdeling is van oordeel dat hiermee het door haar in de eerste uitspraak geconstateerde bevoegdheidsgebrek is hersteld. Omdat het college aan artikel 3 van de Algemene Subsidieverordening Eindhoven, in samenhang gelezen met artikel 149 van de Gemeentewet, de bevoegdheid ontleent om subsidieregelingen vast te stellen, is de door het college (met terugwerkende kracht) vastgestelde Subsidieregeling, op grond waarvan het college het besluit van 30 september 2016 heeft bekrachtigd en het nieuwe besluit op bezwaar heeft genomen, een wettelijk voorschrift als bedoeld in artikel 4:23, eerste lid, van de Awb (vgl. onder meer de uitspraak van de Afdeling van 10 februari 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BL3327). Het college was en is dus bevoegd, op grond van de Subsidieregeling, een besluit (op bezwaar) te nemen over subsidieverstrekking aan de bibliotheek.
Kan het college de bevoegdheid tot subsidieverlening delegeren aan SCE?
De GW staat dus niet in de weg aan delegatie door het college van de bevoegdheid tot subsidieverlening aan SCE, maar de Gemeentewet (hierna: de Gemw) doet dat wel. Zo blijkt uit de wetsgeschiedenis (bij de herziening) van de Gemw (in 1992) dat de regering afwijzend stond tegenover de mogelijkheid van delegatie van de aan het bestuur van de gemeente toekomende bevoegdheden aan ambtenaren en individuele wethouders. Volgens de regering zou dit niet stroken met het collegiale bestuur en de politieke verantwoordelijkheid (Kamerstukken II, 1988/89, 19403, nr. 10, p. 106 en 108 en Kamerstukken II, 1985/86, 19403, nr. 3, p. 57). Hoewel de GW niet aan de (door een aantal grote gemeenten) gewenste uitbreiding van de mogelijkheden van delegatie aan ambtenaren en individuele wethouders in de weg stond, stelde de regering dat het tot de taak van de wetgever behoorde om te beoordelen hoe hij de gemeentelijke bevoegdheden van de tot het gemeentebestuur behorende organen zou willen spreiden, en in welke mate hij het mogelijk wilde maken dat door de gemeenteraad bevoegdheden aan andere (gemeente)organen zouden worden toegekend.
Om de praktijk toch enigszins ter wille te zijn, werd alleen delegatie van de technische uitvoering van besluiten van de tot het gemeentebestuur behorende organen aan ambtenaren mogelijk gemaakt. In dit kader heeft de staatssecretaris van Binnenlandse Zaken (desgevraagd) nog toegelicht dat bij de inschakeling van ambtenaren bij de uitoefening van bevoegdheden van de organen van het gemeentebestuur de verhouding van mandaat de meest aangewezene is, omdat de politieke verantwoordelijkheid dan niet alleen beperkt maar ook het duidelijkst is (Handelingen I, 11 februari 1992, nr. 17, p. 585). Omdat dezelfde redenen die ten grondslag lagen aan de afwijzende houding van de regering tegenover het delegeren van de tot het gemeentebestuur behorende bevoegdheden aan ambtenaren, eveneens gelden voor het delegeren van deze bevoegdheden aan privaatrechtelijke rechtspersonen, ligt het in de rede dat de regering reeds daarom delegatie aan privaatrechtelijke rechtspersonen niet mogelijk acht(te).
Dat de in de artikelen 156, 165 en 178 van de Gemw neergelegde delegatiemogelijkheden limitatief zijn, waar de regering gelet op het voorgaande vanuit gaat, vindt ook steun in het feit dat dit gesloten stelsel van bevoegdheidstoedeling uitdrukkelijk is genoemd bij de totstandkoming van de derde tranche van de Awb en bij de behandeling van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen (Kamerstukken II, 1994/95, 23700, nr. 5, p. 118 en 121; Kamerstukken II 2000/01, 27426, nr. 5, p. 47). Dit gesloten stelsel wordt niet doorbroken door artikel 10:15 van de Awb en is evenmin met de inwerkingtreding van de Wet dualisering gemeentebestuur in 2002 verlaten (Kamerstukken II 1994/95, 23700, nr. 5, p. 121; Kamerstukken 2000/01, 27751, nr. 3, p. 72 en 102). Gezien dit gesloten stelsel van bevoegdheidstoedeling, is delegatie van de bevoegdheid tot subsidieverlening van het college aan SCE niet toegestaan.
Het nieuwe besluit op bezwaar 7. De Afdeling komt thans toe aan een (inhoudelijke) beoordeling van de rechtmatigheid van het nieuwe besluit op bezwaar van 18 december 2019.
Om dit te bereiken wordt van de BIS-instellingen, waaronder de bibliotheek, een zogenoemde solidariteitsbijdrage gevraagd. In reactie daarop heeft de Cultuurraad, die belast is met de taken als neergelegd in artikel 6 van de Subsidieregeling, de stelregel gehanteerd dat aan iedere BIS-instelling voor de periode 2017-2020 een subsidiebedrag wordt verleend dat overeenkomt met het subsidiebedrag dat die instelling over 2016 ontvangen heeft waarop een solidariteitsbijdrage van 5,3% in mindering is gebracht. De solidariteitsbijdrage wordt, voor zover nu van belang, niet verrekend als dit de continuïteit van de BIS-instelling in gevaar zou brengen en er gegrond vertrouwen is in de toekomst van die BIS-instelling en de haalbaarheid van de in de aanvraag neergelegde voornemens.
Daarbij wordt zowel gekeken naar de exploitatie als naar het weerstandsvermogen van de BIS-instelling. De Cultuurraad heeft die stelregel ook gehanteerd in zijn advies van 30 augustus 2016, dat aan het besluit van 30 september 2016 ten grondslag is gelegd. Gelet op deze stelregel, en gelet op de omstandigheid dat zich daarop in dit geval geen uitzonderingen voordoen, is aan de bibliotheek terecht een subsidie van maximaal € 12.788.468,00 verleend, aldus het college.
Voorts voert de bibliotheek aan dat de solidariteitsbijdrage reeds is verdisconteerd in het subsidieplafond voor de BIS-instellingen, dat is neergelegd in artikel 5 van de Subsidieregeling. Zo is in het advies van de Cultuurraad van 30 augustus 2016 opgenomen dat het subsidieplafond voor de periode 2017-2020, uitgaande van de door de raad gewenste ombuiging van het cultuurbudget voor de BIS-instellingen en voor de Plusregeling, vastgesteld is. Gelet hierop kan de solidariteitsbijdrage, los van het subsidieplafond, niet gebruikt worden om een aanvraag te korten, aldus de bibliotheek.
Verder voert de bibliotheek aan dat de solidariteitsbijdrage niet in de lijn der verwachting lag, nu de raad op 26 januari 2016 heeft ingestemd met het amendement "Plusregeling". Uit dat amendement, zo benadrukt de bibliotheek, volgt uitdrukkelijk dat de Plusregeling niet ten koste mag gaan van de kwaliteit of kwantiteit van het aanbod. Aangezien de (gedeeltelijke) weigering van haar subsidieaanvraag ertoe leidt dat zij een gedeelte van haar activiteiten niet meer kan uitvoeren, is daarvan wel degelijk sprake.
Tot slot voert de bibliotheek aan dat het college niet heeft onderkend dat zij over onvoldoende weerstandsvermogen beschikt, waardoor de toepassing van de solidariteitsbijdrage een risico vormt voor haar continuïteit. Zij verwijst daarvoor naar het door haar overgelegde rapport van Adlasz van 27 februari 2020. De Cultuurraad heeft haar weerstandsvermogen berekend aan de hand van de door haar overgelegde (financiële) gegevens over 2015. In dat jaar was sprake van een subsidieoverschot dat, wegens de regelgeving inzake jaarrekeningen, deels in de bestemmingsreserves is opgenomen. Dat bedrag staat evenwel voor het grootste deel niet ter vrije beschikking van de bibliotheek, nu die gelden reeds via afspraken met de gemeente waren geoormerkt en zijn aangewend voor geplande activiteiten, aldus de bibliotheek.
Artikel 2 van de Subsidieregeling, op basis waarvan subsidies kunnen worden verleend die passen binnen de door de gemeenteraad van Eindhoven vastgestelde Cultuurbrief 2017-2020, gelezen in verbinding met artikel 6 van die regeling, op grond waarvan bij de beoordeling van de aanvragen het beleidskader van de Cultuurbrief leidend is, geeft het college de bevoegdheid om een subsidieaanvraag (deels) te weigeren, indien de (volledige) honorering van die aanvraag niet past binnen de (financiële) kaders van de Cultuurbrief. Op basis daarvan kan de door de Cultuurraad geformuleerde en gehanteerde stelregel, zoals hiervoor onder 8 beschreven dus leiden tot een gedeeltelijke afwijzing van de aanvraag. Dat het, zoals de bibliotheek terecht stelt, de intentie was van het college en de raad om over de van de BIS-instellingen te vergen solidariteitsbijdrage nadere bepalingen op te nemen in de Subsidieregeling, doet daaraan niet af. De door het college gehanteerde grondslag voor het (deels) weigeren van de subsidieaanvraag berust namelijk, gelet op wat hiervoor is overwogen, wel degelijk op bepalingen in de Subsidieregeling. De hantering van de solidariteitsbijdrage is dus, anders dan de bibliotheek betoogt, niet in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel.
Aangezien de bibliotheek in 2015 een eigen vermogen had van € 1.731.028,00 en een totaal aan baten van € 5.674.295,00, beschikt(e) de bibliotheek over een weerstandsvermogen van afgerond 31%. Omdat dit meer is dan de door de Cultuurraad aangehouden ondergrens van 10%, konden de Cultuurraad en (thans) het college zich op het standpunt stellen dat de bibliotheek over voldoende (financiële) ruimte beschikt(e) om de gevolgen van de solidariteitsbijdrage te kunnen dragen. De stelling dat de Cultuurraad bij die berekening geen rekening had mogen houden met het in dat jaar bestaande overschot aan subsidie, omdat dat bedrag verplicht geoormerkt zou zijn, is door de bibliotheek onvoldoende onderbouwd.
Aan het door de bibliotheek overgelegde rapport van 27 februari 2020 kan voorts niet de betekenis worden toegekend die de bibliotheek daaraan toegekend wenst te zien, omdat het weerstandsvermogen van de bibliotheek in dat rapport is berekend op basis van de financiële gegevens over het jaar 2018.
Conclusie 14. Het beroep is ongegrond.
Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven, voorzitter, en mr. J.E.M. Polak en mr. W. den Ouden, leden, in tegenwoordigheid van mr. D. Meyer-de Beer, griffier. w.g. Van Ettekoven voorzitter De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
Uitgesproken in het openbaar op 27 januari 2021 854.
BIJLAGE Wettelijk kader Grondwet Artikel 124 "1. Voor provincies en gemeenten wordt de bevoegdheid tot regeling en bestuur inzake hun huishouding aan hun besturen overgelaten. […]."
Artikel 125 "1. Aan het hoofd van de provincie en de gemeente staan provinciale staten onderscheidenlijk de gemeenteraad. Hun vergaderingen zijn openbaar, behoudens bij de wet te regelen uitzonderingen.
Artikel 128 "Behoudens in de gevallen bedoeld in artikel 123, kan de toekenning van bevoegdheden, als bedoeld in artikel 124, eerste lid, aan andere organen dan die, genoemd in artikel 125, alleen door provinciale staten onderscheidenlijk de gemeenteraad geschieden."
Algemene wet bestuursrecht Artikel 4:23 "1. Een bestuursorgaan verstrekt slechts subsidie op grond van een wettelijk voorschrift dat regelt voor welke activiteiten subsidie kan worden verstrekt. […]."
Artikel 4:25 "[…] 2. Een subsidie wordt geweigerd voor zover door verstrekking van de subsidie het subsidieplafond zou worden overschreden. […]."
Artikel 4:35 "1. De subsidieverlening kan in ieder geval worden geweigerd indien een gegronde reden bestaat om aan te nemen dat: a. de activiteiten niet of niet geheel zullen plaatsvinden; b. de aanvrager niet zal voldoen aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen; c. de aanvrager niet op een behoorlijke wijze rekening en verantwoording zal afleggen omtrent de verrichte activiteiten en de daaraan verbonden uitgaven en inkomsten, voor zover deze voor de vaststelling van de subsidie van belang zijn.
Algemene subsidieverordening gemeente Eindhoven Artikel 3 Subsidieregelingen "1. Het college kan subsidieregelingen vaststellen, waarin de te subsidiëren activiteiten en de doelgroepen worden omschreven, met inachtneming van de in de gemeentebegroting opgenomen financiële middelen.
Subsidieregeling Cultuur Eindhoven 2017-2020 Artikel 2 "1. Het bestuur kan subsidies verlenen die passen binnen de door de gemeenteraad van Eindhoven vastgestelde Cultuurbrief 2017-2020. […]."
Artikel 6 "1. Het bestuur legt een aanvraag voor een subsidie ter advisering voor aan de Cultuurraad. Dit geldt niet voor een aanvraag in het Snelgeldfonds en aanvragen van Gilden.
Artikel 8 "[…] 3. Het bestuur kan naast het bepaalde in de artikelen 4:25 en 4:35 van de Awb geheel of gedeeltelijk weigeren als: a. het bestuur en/of de gemeente Eindhoven voor dezelfde activiteiten of voor de betreffende onderdelen uit de aanvraag al subsidie heeft verstrekt; b. de activiteiten van de aanvrager niet of niet vooral gericht zijn op Eindhoven of haar ingezetenen; c. de aanvraag afkomstig is van de gemeente Eindhoven; d. de aanvrager ook zonder subsidie over de benodigde gelden, hetzij uit eigen middelen of uit middelen van derden kan beschikken om de kosten van zijn activiteiten te dekken; e. de doelstellingen of activiteiten van aanvrager in strijd zijn met de wet- en regelgeving, het algemeen belang of de openbare orde; f. de activiteiten een politieke, religieuze of levensbeschouwelijk boodschap hebben; g. op het niveau van bestuur of directie (zakelijke) relaties bestaan met bloed- of aanverwanten dan wel eigen bedrijven, eigen stichtingen dan wel andere eigen rechtspersonen die naar het oordeel van het bestuur ongewenst zijn; h. de aanvraag betrekking heeft op activiteiten op het gebied van amateurkunst die door het CKE al worden gefinancierd; i. de aanvrager niet voldoet aan de voor de desbetreffende organisatie met het bestuur overeengekomen normen met betrekking tot governance op het terrein van goed bestuur, adequaat toezicht en transparante verantwoording; j. de aanvrager voldoet niet aan de regels om voor subsidie in aanmerking te komen.
Artikel 38 "In aanvulling op artikel 8 kan de aanvraag worden geweigerd als de aanvrager voor dezelfde of ongeveer dezelfde activiteiten al een keer eerder een subsidie uit het Snelgeldfonds heeft ontvangen.
Subsidieverordening Cultuur Eindhoven 2021-2024 Artikel 4 Subsidiebesluiten "1. Het college is bevoegd te besluiten over het verstrekken van subsidies op grond van deze verordening met betrekking tot de gelden die daartoe door de raad aan het college beschikbaar worden gesteld.