(47), waaronder "Winkels in fietsen en bromfietsen". In de toelichting op de SBI wordt omschreven wat daar wel en niet toebehoort. De SBI noch de toelichting bieden aanknopingspunten voor het oordeel dat de handel in (elektrische) fietsen en fietsaccessoires als normaal bestanddeel van een autobedrijf kan worden beschouwd. Evenmin kan dat oordeel worden gebaseerd op maatschappelijke opvattingen of maatschappelijke ontwikkelingen. Dat beide branches zich richten op mobiliteit en duurzaamheid en combinatie van auto- en fietshandel zou passen binnen de doelen en missies van verschillende brancheorganisaties, is daarvoor onvoldoende. De fietsenwinkel kan dan ook niet worden aangemerkt als een normaal bestanddeel van de totale bedrijfsuitoefening van [bedrijf C], als bedoeld in het bestemmingsplan. Het betoog slaagt. Het incidenteel hoger beroep van [partij]
- Voor zover het incidenteel hoger beroep van [partij] en anderen ziet op toepassing van het relativiteitsvereiste, slaagt dat niet, gelet op hetgeen onder 3.1 is overwogen. Voor het overige richt het incidenteel hoger beroep zich tegen overwegingen van de rechtbank die ten grondslag liggen aan het oordeel dat sprake is van ondergeschikte detailhandel. Aangezien [partij] dat oordeel niet bestrijdt en de Afdeling dat oordeel in deze uitspraak bevestigt (zie onder 4.2), behoeven de desbetreffende gronden geen bespreking. Het incidenteel hoger beroep is ongegrond. Conclusie
- Het hoger beroep van [appellant] is gegrond. Het incidenteel hoger beroep van [partij] en anderen is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank dient te worden vernietigd, voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 28 november 2018 in stand zijn gelaten. Dit betekent dat het college een nieuw besluit moet nemen op het bezwaar van [appellant] tegen het besluit van 29 juni
- Daarbij moet het college deze uitspraak in acht nemen.
- Het college moet de proceskosten van [appellant] vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het incidenteel hoger beroep ongegrond; II. verklaart het hoger beroep gegrond; III. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 8 juli 2020 in zaak nr. 19/92, voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van het college van burgemeester en wethouders van Vijfheerenlanden van 28 november 2018 in stand zijn gelaten; IV. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Vijfheerenlanden tot vergoeding van de bij [appellant] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1496,00 (zegge: veertienhonderdzesennegentig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; V. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Vijfheerenlanden aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 265,00 (zegge: tweehonderdvijfenzestig euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt. Aldus vastgesteld door mr. H.C.P. Venema, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. F.B. van der Maesen de Sombreff, griffier. Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen. De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen. Uitgesproken in het openbaar op 11 augustus 2021 190.