(699). De STAB had moeten uitgaan van het 874 zeugen, omdat de zeugenstal feitelijk daarvoor ook was ingericht. Daarnaast heeft de rechtbank miskend dat wanneer en voor zolang de beoogde biggenstal niet volledig gevuld was met biggen uit eigen productie, biggen van elders konden en zouden worden aangekocht. De vaststelling van de rechtbank dat de beoogde stal slechts voor een derde zou kunnen worden gevuld, is daarom ongefundeerd, onjuist en in strijd met een goede bedrijfsvoering, aldus [appellante]. De berekening van de schade
- [appellante] stelt dat de rechtbank in navolging van de STAB heeft miskend dat de schade als gevolg van gemiste bedrijfsvoering te berekenen is. Daartoe wijst zij op vier scenario's, waaruit volgt dat zij aantoonbaar schade heeft geleden. Deze scenario’s zijn gebaseerd op de veronderstelling dat indien een stal wordt gebouwd een redelijk denkend en handelend ondernemer deze stal niet zal bouwen om deze grotendeels leeg te laten staan. Deze stal wordt gebouwd om volledig bezet te zijn, aldus [appellante]. Beoordeling door de Afdeling
- De rechtbank heeft het besluit van 31 oktober 2013 vernietigd, voor zover daarbij een onjuiste ingangsdatum voor de wettelijke rente is gehanteerd. [appellante] wil een verdergaande vernietiging van dit besluit en stelt dat door de rechtbank niet besproken beroepsgronden moeten worden gehonoreerd en betrokken bij de beoordeling van het besluit van 31 oktober
- Hij stelt procesrechtelijk op achterstand te zijn geplaatst doordat de rechtbank aanleiding heeft gezien de STAB in te schakelen. Deskundigheid
- Voor zover de rechtbank heeft verzuimd in te gaan op het betoog van [appellante] dat de minister het advies van de commissie niet aan de besluitvorming ten grondslag mocht leggen, omdat de commissie niet deskundig is, leidt dit niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak.
- De minister heeft conform de eis neergelegd in artikel 15, tweede lid, van de Beleidsregel een commissie benoemd die uit drie onafhankelijke deskundigen (mr. J.W. van Zundert, mr. J.F. de Groot en P.H.C. de Bont) bestaat. Anders dan [appellante] betoogt, betekent de inschakeling van Te Winkel door de commissie niet dat alleen al daarmee niet is voldaan aan de eisen van deskundigheid die aan een commissie als deze gesteld moeten worden. Te Winkel heeft als adviseur van de commissie de inkomensschade berekend. De commissie heeft vervolgens haar advies, voor zover dit ziet op de berekening van de inkomensschade, gebaseerd op het advies van Te Winkel. Deze gang van zaken is in nadeelcompensatiezaken niet ongebruikelijk en niet in strijd met enige rechtsregel. Artikel 17, derde lid, van de Beleidsregel biedt ook de mogelijkheid voor de commissie om advies en inlichtingen in te winnen bij een onafhankelijke derde. Onafhankelijkheid en onpartijdigheid van Te Winkel
- Het betoog van [appellante] dat de door de commissie ingeschakelde deskundige Te Winkel niet onafhankelijk en onpartijdig is, treft evenmin doel.
- Een onafhankelijk adviseur is een persoon of een commissie, die geen deel uitmaakt of werkzaam is onder verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan waaraan wordt geadviseerd, en die belast is met de advisering over de op de aanvraag te nemen beschikking en daarbij geen persoonlijk belang heeft. Zie de uitspraak van de Afdeling van 24 februari 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:374) onder
- Te Winkel is werkzaam bij Gloudemans Rentmeesters, een onafhankelijk adviesbureau, en niet voor het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat. Hij staat niet in een gezagsverhouding tot de minister en is geregistreerd in het Landelijk Register van Gerechtelijke Deskundigen. Er is geen reden voor twijfel aan de onafhankelijkheid van Te Winkel, omdat hij als medewerker van Gloudemans vaker in opdracht van de minister advies over nadeelcompensatie heeft uitgebracht. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 17 september 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:3441). Voor zover [appellante] in dit verband ter zitting heeft gewezen op het verslag van de hoorzitting van 16 mei 2013, leidt dat dus niet tot een ander oordeel. Evenmin is gebleken dat Te Winkel een persoonlijk belang heeft bij de uitkomst van de advisering.
- Ook het betoog van [appellante] dat het besluit van 31 oktober 2013 geen stand kan houden, omdat met de inschakeling van Te Winkel de schijn van partijdigheid is gewekt, treft geen doel.
- Het ligt op de weg van de minister zich te vergewissen van de onpartijdigheid van de geraadpleegde deskundige. Wanneer de schijn is gewekt dat de door de minister benoemde deskundige niet onpartijdig is, mag het bestuursorgaan het advies van deze deskundige niet aan zijn besluitvorming ten grondslag leggen. Zie de uitspraak van de Afdeling van 13 juli 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1970).
- Dat Gloudemans Rentmeesters en Te Winkel vaker werkzaam zijn voor de minister of Rijkswaterstaat levert op zichzelf nog geen schijn van vooringenomenheid op.
- De minister is in het besluit van 31 oktober 2013 ingegaan op de benoeming van Te Winkel als adviseur van de commissie. De minister heeft er onder meer op gewezen dat Te Winkel is geregistreerd in het Landelijk Register van Gerechtelijke Deskundigen en zich dient te houden aan de Gedragscode. In artikel 2 van de Gedragscode staan onafhankelijk, zorgvuldig, integer, onpartijdig en vakbekwaam als kernwaarden van een dergelijk deskundige vermeld.
- Te Winkel heeft desgevraagd gesteld dat hij ten minste drie jaar voor zijn inschakeling als deskundige door de commissie geen werkzaamheden voor de minister heeft verricht als gemachtigde of anderszins als belangenbehartiger. De Afdeling heeft in het betoog van [appellante] geen concrete aanknopingspunten aangetroffen op grond waarvan aan de juistheid van deze toelichting en aan de onpartijdigheid van Te Winkel in deze zaak getwijfeld zou moeten worden.
- De minister heeft ter zitting verklaard dat Te Winkel alleen als deskundige optreedt en niet als gemachtigde of belangenbehartiger van de minister. Dit geval komt dus niet overeen met het geval dat heeft geleid tot de eerder genoemde uitspraak van de Afdeling van 13 juli
- Het betoog van [appellante] dat Te Winkel onder eenzijdige geheimhouding een alternatieve schadeberekening heeft opgesteld, leidt evenmin tot het oordeel dat Te Winkel in de procedure als partijdeskundige of belangenbehartiger van de minister is opgetreden. Ter zitting is door Te Winkel toegelicht dat hij in zijn rol als deskundige de schadeberekening heeft opgesteld nadat de rechtbank partijen had voorgesteld in overleg te treden teneinde een minnelijke schikking te beproeven. Beide partijen hebben de beschikking gekregen over het advies. Tussen partijen is toen afgesproken dat de berekening tussen partijen zou blijven.
- De enkele omstandigheid dat volgens [appellante] het advies van Te Winkel een onvolledig en/of onjuist beeld van de omvang van de schade geeft, is onvoldoende voor het oordeel dat reeds daarom de schijn van partijdigheid is gewekt.
- Ook overigens heeft de Afdeling geen aanknopingspunten voor het oordeel dat Te Winkel zich in deze zaak niet onpartijdig heeft opgesteld.
- Het betoog faalt. Omvang geding
- [appellante] betoogt dat de rechtbank de omvang van het geding te beperkt heeft uitgelegd. Niet alleen de omvang van de inkomensschade als gevolg van het niet kunnen realiseren van de biggenstal staat ter discussie. Ook de schade als gevolg van het niet kunnen realiseren van de geplande vleesvarkensstal aan de Ingweg. Beide stallen vormden onderdeel van het beoogde gesloten systeem.
- De rechtbank is er terecht van uitgegaan dat de minister in beginsel diende te beslissen op de grondslag van de door [appellante] ingediende aanvraag om nadeelcompensatie en dat de inhoud van deze aanvraag in beginsel bepalend is voor de omvang van het geding. Daarbij heeft de rechtbank voorop gesteld dat een partij die om compensatie van schade verzoekt, zelf bepaalt welke schade hij/zij door het daarop aangesproken bestuursorgaan vergoed wenst te zien. De gemachtigde van [appellante] heeft in het namens haar op 15 februari 2005 ingediende verzoek om nadeelcompensatie het besluit van 13 september 2002 als schadeveroorzakende gebeurtenis aangeduid. Bij dit besluit heeft de minister geweigerd de door [appellante] gevraagde vergunning op grond van de Wbr te verlenen voor de biggenstal aan de Bokshout (kadastraal perceel gemeente Maasbree, sectie I, nummer 1370). [appellante] stelt als gevolg daarvan schade te hebben geleden, omdat zij een vervangende locatie moest vinden om de uitbreidingsplannen te kunnen realiseren en dit tot, onder meer, extra (transport)kosten zou leiden. Ook zou zij inkomsten mislopen die verbonden zijn met de beoogde schaalvergroting. [appellante] heeft deze schade onderbouwd met een, als bijlage bij het verzoek om nadeelcompensatie gevoegd taxatierapport van Adams van 29 december
- Ook in dit rapport is onder 2 (" De schadeveroorzakende overheidshandeling") enkel het besluit van 13 september 2002 als schadeveroorzakende gebeurtenis aangeduid. Daarin is het niet kunnen realiseren van de geplande vleesvarkensstal aan de Ingweg niet als (eveneens) schade veroorzakende gebeurtenis aangeduid. Dit betekent dat in beginsel alleen schade als gevolg van het besluit van 13 september 2002 en daarmee van de weigering van een Wbr-vergunning voor een biggenstal aan de locatie Bokshout ter beoordeling stond. [appellante] heeft in het bezwaarschrift van 3 december 2010 tegen het besluit van 25 oktober 2010 niet aangevoerd dat de minister daarin de door haar in het verzoek om nadeelcompensatie aangeduide schadeveroorzakende gebeurtenis te beperkt heeft opgevat. Het door haar in de bezwaarprocedure overgelegde rapport van Meeuwsen van 30 mei 2012 richt zich alleen op de gestelde schade als gevolg van het niet doorgaan van de biggenstal op perceel
- [appellante] heeft eerst in een bijlage bij de reactie op het advies van de commissie van 6 december 2012 en in de pleitnotitie voor de hoorzitting in bezwaar van 16 mei 2013 gesteld dat ook de schade van de geplande vleesvarkensstal aan de Ingweg in Maasbree had moeten worden meegenomen. In de door [appellante] in de loop van de bezwaar- en beroepsprocedure ingediende rapporten van de adviseurs Adams, Meeuwsen en Frikkee is het niet mogen bouwen en gebruiken van de geplande vleesvarkensstal niet als schadeoorzaak genoemd en niet betrokken in de begroting van de schade. [appellante] stelt weliswaar dat in het rapport van Frikkee van 2 januari 2014 is vermeld dat er één complex van stallen is aan de Bokshout en Ingweg. In dit rapport is echter, daargelaten dat het dateert van na het in beroep bestreden besluit, de vleesvarkensstal niet genoemd en niet betrokken in de schadebegroting.
- De Afdeling is van oordeel dat in dit geval geen grond bestaat om een uitzondering te maken op het beginsel dat het betrokken bestuursorgaan diende te beslissen op de grondslag van de ingediende aanvraag. Indien [appellante] bij het indienen van de aanvraag beoogd zou hebben ook compensatie te vragen voor nadeel als gevolg van het niet kunnen realiseren van de vleesvarkensstal, had het op haar weg gelegen dit op duidelijke wijze in de aanvraag kenbaar te maken. Dat heeft zij echter, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, niet gedaan.
- De door haar gewenste wijziging, dan wel aanvulling van de aanvraag, is door haar eerst kenbaar gemaakt nadat de bezwaarprocedure al meer dan twee jaar liep en dus in een laat stadium van de bezwaarprocedure.
- Daar komt bij dat de door [appellante] gewenste wijziging van de aanvraag niet als een wijziging van ondergeschikte aard kan worden aangemerkt. De gewenste wijziging van de aanvraag zag op een andere schadeoorzaak dan de in de oorspronkelijke aanvraag gestelde, en op schade in verband met een andere onroerende zaak die in eigendom in gebruik was van een andere eigenaar-gebruiker. [appellante] was immers niet de eigenaar-gebruiker van de gronden waarop de nieuwe vleesvarkensstal was geprojecteerd (percelen 1368 en 1367). Bovendien stonden de bouwvergunning en de milieuvergunning voor deze vleesvarkensstal niet op haar naam. De eigenaar-gebruiker van deze gronden was [appellante] Fruit B.V. en de bouw- en milieuvergunning stond op naam van deze rechtspersoon. De Afdeling laat in het midden of, zoals [appellante] stelt, de vennootschappen feitelijk één bedrijf of samenwerkingsverband vormen. Enkel [appellante] heeft verzocht om vergoeding van inkomensschade die zij heeft geleden als gevolg van het niet kunnen bouwen van de biggenstal. Het besluit van 25 oktober 2010 was gericht aan [appellante] en zij heeft hiertegen bezwaar gemaakt. [appellante] Fruit B.V. heeft geen bezwaar gemaakt tegen dat besluit, en overigens ook geen beroep ingesteld tegen het besluit op bezwaar. Onder deze omstandigheden heeft de minister zijn besluitvorming terecht beperkt tot de door [appellante] gestelde schade als gevolg van het niet kunnen bouwen en exploiteren van de biggenstal aan de Bokshout. De minister was niet gehouden in die procedure ook de schade als gevolg van een andere schadeoorzaak, het niet kunnen bouwen en in gebruik nemen van een vleesvarkensstal, mee te nemen. Er is geen grond voor het oordeel dat de rechtbank de omvang van het geding te beperkt heeft uitgelegd door te oordelen dat de minister zijn besluitvorming terecht heeft beperkt tot de door [appellante] gestelde schade ten gevolge van het niet kunnen bouwen van de biggenstal aan Bokshout.
- Hieraan doet niet af dat de rechtbank aanleiding heeft gezien de STAB te verzoeken om te beoordelen of en in welke omvang [appellante] inkomensschade heeft geleden als gevolg van het niet mogen bouwen en in gebruik nemen van een biggenstal aan de Bokshout én het niet mogen bouwen en in gebruik nemen van een vleesvarkensstal aan de Ingweg. Hier doet zich niet het geval voor dat de rechtbank in een uitspraak een eindbeslissing heeft genomen, waarop de rechtbank slechts in zeer uitzonderlijke gevallen mag terugkomen. De inhoud van de vragen die de rechtbank in het kader van de procedure voor haar uitspraak aan de StAB heeft voorgelegd, staat er niet aan de weg dat de rechtbank in haar uitspraak heeft mogen oordelen dat schade voortvloeiend uit het niet kunnen bouwen van de vleesvarkensstal aan de Ingweg geen onderdeel van het geding uitmaakt.
- Het betoog faalt. Het verslag van de StAB
- Een bestuursrechter mag in beginsel afgaan op de inhoud van het verslag van een deskundige als bedoeld in artikel 8:47 van de Awb. Dat is slechts anders indien dat verslag onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen of anderszins zodanige gebreken bevat, dat het niet aan de oordeelsvorming ten grondslag mag worden gelegd.
- Het betoog van [appellante] dat de rechtbank het verslag van de STAB niet had mogen volgen, omdat mr. P.A.H.M. Willems, de hoofdverantwoordelijke voor het verslag, niet over specifieke kennis van de varkensbranche beschikt en overigens onvoldoende duidelijk is dat hij gekwalificeerd is voor het taxeren van de inkomensschade, treft niet het gewenste doel.
- Het onderzoek is opgedragen aan de STAB, een onafhankelijke gerechtelijke deskundige, die op basis van expertise adviseert. Willems, de opsteller van de verslagen, is ingeschreven in het Landelijke Register van Gerechtelijke Deskundigen. Het CV van Willems staat op de website van de STAB. Willems is reeds 20 jaar werkzaam op het gebied van nadeelcompensatie en planschade. [appellante] heeft niet aannemelijk gemaakt dat Willems onvoldoende deskundig zou zijn om de door de rechtbank gestelde vragen te beantwoorden. Hetgeen [appellante] heeft aangevoerd over het gebrek aan kennis van en ervaring met de specifieke branche, is daartoe onvoldoende. Met de enkele stelling dat er onduidelijkheid bestaat over de deskundigheid van de toetser van het verslag, mr. G.A. Keus, heeft [appellante] evenmin aannemelijk gemaakt dat de deskundigheid van Willems, de opsteller van de verslagen, in twijfel moet worden getrokken. Ook het CV van Keus is te vinden op de website van de STAB. Ook hij heeft een ruime ervaring met inkomensschadezaken.
- Het betoog van [appellante] dat de rechtbank haar oordeel ten onrechte heeft gebaseerd op het deskundigenadvies van de STAB, slaagt evenmin. De STAB is voor de berekening van de gestelde inkomensschade uitgegaan van 661 vergunde productiezeugen. Op basis van die aanname komt de STAB tot de conclusie dat de nadelen van het niet kunnen realiseren van de biggenstal niet opwegen tegen de voordelen in de vorm van bespaarde kosten daarvan. [appellante] heeft dus geen inkomensschade geleden als gevolg van het besluit van 13 september
- De stelling van [appellante] dat bij de schadebegroting uitgegaan dient te worden van het feitelijke aantal zeugen en niet van het aantal vergunde productiezeugen, omdat in de praktijk in strijd werd gehandeld met de afgegeven milieuvergunning, laat onverlet dat de vergunde aantallen de maximale aantallen zijn die gehouden mogen worden. Schade die voortkomt uit het houden van niet vergunde aantallen of soorten dieren komt niet voor vergoeding in aanmerking. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het een algemeen aanvaard uitgangspunt in het schadevergoedingsrecht is dat iemand die vraagt te worden beschermd in een belang dat in strijd is met het recht geen aanspraak op compensatie kan maken. Vergelijk het arrest van de Hoge Raad van 24 november 2000 (ECLI:NL:HR:2000:AA8453) en het arrest van het Hof van Justitie van 20 september 2001 (ECLI:EU:C:2001:465) Courage/Crehan onder punt
- Anders dan [appellante] heeft betoogd, is de rechtbank niet buiten de omvang van het geding getreden door in navolging van het verslag van de STAB uit te gaan van 661 vergunde productiezeugen.
- Voorop staat dat de rechtbank ter voorkoming van reformatio in peius het bestreden besluit niet heeft vernietigd voor zover dit ziet op de vergoeding van inkomensschade door de minister. Aan deze vergoeding lag een berekening ten grondslag, waarin Te Winkel is uitgegaan van een groter aantal vergunde productiezeugen, te weten 890 zeugen. Dit aantal is door de STAB ter discussie gesteld. Volgens de STAB moet uitgegaan worden van 699 (fok)zeugen op de peildatum. De STAB heeft deze conclusie gebaseerd op de beantwoording van de eerste vragenlijst door [appellante]. Alle betrokkenen, waaronder Te Winkel, zijn ten onrechte van 890 zeugen uitgegaan, omdat dat aantal in het begin van de procedure door [appellante] is gesteld en voor alle betrokkenen, waaronder de adviseurs van [appellante] en Te Winkel, de informatie ontbrak om het juiste aantal vast te stellen.
- De minister heeft in zijn zienswijze op het verslag van de STAB bevestigd dat bij gebrek aan toereikende gegevens niet van het juiste aantal productiezeugen is uitgegaan.
- Onder deze omstandigheden is er geen grond voor het oordeel dat de rechtbank buiten de omvang van het geding is getreden door niet uit te gaan van 890 zeugen.
- In hetgeen [appellante] heeft aangevoerd is geen grond te vinden voor het oordeel dat de STAB niet mocht uitgaan van het aantal van 661 zeugen. Het betoog van [appellante] biedt geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de STAB in het verslag ten onrechte tot de conclusie is gekomen dat [appellante] geen inkomensschade heeft geleden. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat zij het verslag aan haar oordeel ten grondslag mocht leggen. De door [appellante] overgelegde vier alternatieve scenario’s voor het berekenen van de inkomensschade, leiden niet tot een ander oordeel, reeds omdat deze zijn gebaseerd op andere aannames over het aantal varkens waarmee moet worden gerekend. Kosten van rechtsbijstand en andere deskundigenbijstand
- [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte de kosten van juridische bijstand in de aanvraagfase heeft beperkt tot de datum waarop de minister het primaire besluit heeft genomen. Daartoe stelt zij dat gelet op het verloop van de procedure de fase voorafgaand aan het primaire besluit feitelijk opnieuw heeft plaatsgevonden in bezwaar, omdat zij ook in die fase moest reageren op adviezen van de commissie.
- Dit betoog faalt. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat alleen kosten van deskundigenbijstand die zijn gemaakt voorafgaande aan het besluit van 25 oktober 2010 kunnen worden aangemerkt als kosten die zijn gemaakt in de aanvraagfase. De vergoeding van de in de fase van bezwaar gemaakte proceskosten zijn terecht vastgesteld op grond van artikel 7:15, tweede lid, van de Awb, gelezen in verbinding met het Besluit proceskosten bestuursrecht.
- [appellante] betoogt tot slot dat de rechtbank heeft miskend dat de in de beroepsprocedure gemaakte proceskosten niet in verhouding staan tot het forfaitaire tarief, zoals opgenomen in het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Bpb) en ten onrechte de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand heeft vastgesteld op € 4.631,
- De rechtbank heeft terecht geen aanleiding gezien om, zoals [appellante] heeft verzocht, het college te veroordelen in de werkelijke gemaakte kosten van rechtsbijstand. Het in de bijlage bij het Bpb neergelegde vergoedingenstelsel heeft een forfaitair karakter. Indien zich bijzondere omstandigheden voordoen, kan op grond van artikel 2, derde lid, van het Bpb hiervan worden afgeweken. Volgens de nota van toelichting (Stb. 1993, 763) gaat het daarbij om uitzonderlijke gevallen, waarin strikte toepassing van het forfaitaire vergoedingsstelsel onrechtvaardig uitpakt, bijvoorbeeld het geval waarin de burger door gebrekkige informatieverstrekking door de overheid op uitzonderlijk hoge kosten is gejaagd. [appellante] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het college het besluit van 31 oktober 2013 tegen beter weten in heeft genomen en dat zij door dat besluit is gedwongen tot het inroepen van rechtshulp waar een uitzonderlijke tijdsbesteding mee gemoeid was. Er is geen grond voor het oordeel dat de werkzaamheden zoals verricht niet tot de reguliere werkzaamheden behoren in het kader van een nadeelcompensatieprocedure. Er bestaat dus geen grond voor het oordeel dat zich hier bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Bpb voordoen, zodat de rechtbank kon volstaan met het toekennen van een forfaitair bedrag.
- Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
- De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. J.E.M. Polak en mr. B.P.M. van Ravels, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.A.E. Planken, griffier. De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen. De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen. Uitgesproken in het openbaar op 1 september 2021 299.