(1999)". Hierbij is gebruik gemaakt van het "programma Geomilieu", dat oorspronkelijk in Winhavik (versie 8.87) is gemaakt. In deze rekenmethode wordt, zo staat in het nader aanvullend akoestisch rapport vermeld, gerekend met een bronhoogte van 1,25 m. Deze bronhoogte voor basisschoolkinderen sluit, aldus dit rapport, aan bij de eigen praktijk van LBP Sight. De Afdeling is niet gebleken dat deze rekenmethode in zoverre onjuist is toegepast. Over de stelling van [appellant] dat in het akoestisch onderzoek een bronhoogte van 1,30 m is gehanteerd, heeft de raad toegelicht dat het een afgeronde waarde betreft en het effect van een 5 cm hogere rekenhoogte niet significant is. Dit standpunt komt de Afdeling niet onaannemelijk voor. Voor zover [appellant] betoogt dat LBP Sight in het aanvullend akoestisch onderzoek een bronhoogte van 1,60 m overeenkomstig de Duitse richtlijn VDL RL 3770 "Emissionskennwerte von Schallquellen Sport- und Freizeitanlagen" (hierna: de VDL-richtlijn) had moeten toepassen, volgt de Afdeling dat betoog niet. Daartoe bestond geen gehoudenheid en ook anderszins geen aanleiding. Volgens het akoestisch onderzoek, voetnoot 1, is van die VDL-richtlijn alleen gebruik gemaakt om het bronvermogen van het praten met luide stem te bepalen. 8.
- Met betrekking tot het betoog van [appellant] dat in het geluidonderzoek ten onrechte niet is uitgegaan van een representatieve bedrijfssituatie, overweegt de Afdeling het volgende. Voorop staat dat in een akoestisch onderzoek moet worden uitgegaan van een representatieve invulling van de maximale planologische mogelijkheden. In paragraaf 3.1.1.2 van het akoestisch onderzoek staat dat de activiteiten ten behoeve van de 70 kinderen voor de school en de 16 kinderen voor de kinderopvang volgens de schoolgids van CBS De Hoeksteen tussen 7.00 uur en 19.00 uur worden verricht. Wat betreft de mogelijkheid van buitenschoolse activiteiten na schooltijd is van belang dat op grond van artikel 3.1 van de planregels alleen onderwijsvoorzieningen en een buitenschoolse opvang zijn toegestaan. Buitenschoolse activiteiten die daaraan niet zijn gerelateerd, zijn dus niet toegestaan. In het licht van het voorgaande ziet de Afdeling in hetgeen [appellant] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad de bedrijfsactiviteiten die zijn betrokken in het aanvullend akoestisch onderzoek, niet in redelijkheid als de representatieve bedrijfssituatie heeft kunnen aanmerken. Daarbij betrekt zij dat voor zover de door [appellant] genoemde activiteiten na schooltijd al kunnen plaatsvinden deze niet tot ernstige geluidoverlast zullen leiden, omdat dat dan in het schoolgebouw zal gebeuren. Gelet op het voorgaande heeft de raad naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid kunnen afzien van het opnemen in de planregels van, zoals [appellant] beoogt, een verbod voor het gebruiken van de school en de kinderopvang in de avond- en nachtperiode. 8.
- Over het betoog ten aanzien van de voorwaardelijke verplichting zoals neergelegd in artikel 3.3.1, aanhef en onder b, van de planregels, overweegt de Afdeling als volgt. In het nader aanvullend akoestisch rapport staat dat het voor de geluidberekeningen in dit geval niet uitmaakt of gerekend wordt met een reflecterend of absorberend scherm. Om een bijdrage te leveren aan de geluidbelasting bij een op het perceel van [appellant] aan de zijde van de voorziene brede school aanwezige mantelzorgwoning of bijgebouw moeten geluidreflecties in het scherm optreden aan de zijde van die bebouwing, zodat er in dit geval alleen sprake is van direct geluid en niet van reflecterend geluid. Gelet hierop geeft wat [appellant] heeft aangevoerd naar het oordeel van de Afdeling geen aanleiding voor de conclusie dat de omschrijving van de geluidwerende voorziening als bedoeld in artikel 3.3.1, aanhef en onder b, van de planregels niet aansluit bij de gehanteerde uitgangspunten in het aanvullend akoestisch onderzoek. 8.
- Gezien al het vorenstaande is de conclusie dat aan het aanvullend akoestisch onderzoek geen zodanige gebreken kleven of dat dit onderzoek zodanige leemten in kennis bevat dat de raad dit onderzoek niet ten grondslag heeft kunnen leggen aan het herstelbesluit. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de geluidbelasting op het perceel van [appellant], mede in aanmerking genomen de daar toegelaten planologische en vergunningvrije bouwmogelijkheden, als gevolg van het plan aanvaardbaar is. Het betoog faalt. Uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid planregels
- [appellant] betoogt dat de functieaanduiding "specifieke vorm van gemengd uitgesloten - schoolplein" niet uitvoerbaar is. Hiertoe voert hij aan dat het verbod om de gronden met deze functieaanduiding te gebruiken door spelende kinderen moeilijk te handhaven is. [appellant] vreest in dit verband dat het opslaan en opruimen van speelmateriaal dan wel het gebruik ervan voor een fietsenstalling gepaard zal gaan met praten en schreeuwen. Voorts vreest hij dat handhaving van deze planregeling in de praktijk niet is gewaarborgd. Daartoe had volgens hem in de planregels een voorwaardelijke verplichting moeten worden opgenomen teneinde de gronden met de functieaanduiding af te schermen van het schoolplein. 9.
- De Afdeling overweegt dat de wijze van handhaving een kwestie van uitvoering is die in deze procedure niet aan de orde kan komen. Dat neemt niet weg dat planregels wel handhaafbaar dienen te zien. De Afdeling overweegt daarover het volgende. Artikel 3.1 van de planregels van het bestemmingsplan bepaalt dat gronden binnen de bestemming "Gemengd" zijn aangewezen voor onder meer "maatschappelijke voorzieningen in de vorm van onderwijs en kinderopvang". De gebouwen mogen alleen binnen het bouwvlak worden gebouwd. De gronden zonder bouwvlak kunnen worden aangewend als een buitenruimte ten behoeve van de school en het kinderdagverblijf. Aan het noordoostelijke gedeelte van het plandeel met de gemengde bestemming, is voor gronden buiten het bouwvlak de functieaanduiding "specifieke vorm van gemengd uitgesloten - schoolplein" toegekend. Ingevolge artikel 3.3.1, onder c, van de planregels is het verboden deze gronden als een schoolplein, kinderspeelplaats of sportveld te gebruiken, met dien verstande dat de opslag van speelmaterialen wel is toegestaan. De Afdeling ziet geen grond voor het oordeel dat deze planregel onduidelijk is en daarmee niet handhaafbaar en niet uitvoerbaar is. Door middel van bijvoorbeeld het aanbrengen van een eenvoudige markering kan worden aangegeven, waar dit verbod geldt. Dit betreft echter een in deze procedure niet ter beoordeling staand uitvoeringsaspect van het plan. De raad heeft, onder verwijzing naar het aanvullend akoestisch onderzoek, de toegekende functieaanduiding in redelijkheid passend kunnen achten. Gelet op het vorenstaande heeft de raad naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid kunnen afzien van het opnemen van een voorwaardelijke verplichting in de planregels teneinde de gronden met de functieaanduiding af te schermen van het schoolplein. Het betoog faalt. Conclusie
- Het beroep tegen het besluit van 29 september 2020 is ongegrond. Met deze uitspraak komt de in de tussenuitspraak in de beslissing onder IV getroffen voorlopige voorziening te vervallen. Proceskostenveroordeling
- De raad dient vanwege de gegrondverklaring van het beroep tegen het besluit van 23 april 2019 op de hierna te vermelden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.
- Voor zover [appellant] vraagt om vergoeding van de kosten voor het door hem ingebrachte deskundigenrapport in de vorm van de contra-expertise, is van belang dat dit rapport is opgesteld en overgelegd na de tussenuitspraak. De Afdeling ziet blijkens de voorgaande overwegingen geen grond voor het oordeel dat het besluit van 29 september 2020 dient te worden vernietigd. De Afdeling ziet daarom reden om de gemaakte deskundigenkosten in verband met dat rapport niet in de proceskostenveroordeling te betrekken. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het beroep van [appellant] tegen het besluit van de raad van de gemeente West Betuwe van 23 april 2019 tot vaststelling van het plan "Brede school en woningen, Spijk" gegrond; II. vernietigt het onder I bedoelde besluit, voor zover daarbij de bestemming "Gemengd" aan de gronden binnen het plangebied is toegekend; III. verklaart het beroep tegen het besluit van de raad van de gemeente West Betuwe van 29 september 2020 tot het gewijzigd vaststellen van het plan "Brede school en woningen, Spijk" ongegrond; IV. veroordeelt de raad van de gemeente West Betuwe tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.870,00 (zegge: duizendachthonderdzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; V. gelast dat de raad van de gemeente West Betuwe aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 170,00 (zegge: honderdzeventig euro) vergoedt. Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, voorzitter, en mr. J. Hoekstra en mr. R.J.J.M. Pans, leden van de meervoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.A. Melse, griffier. De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen. De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen. Uitgesproken in het openbaar op 1 september 2021 191-890