(2013). A synthesis of operational mitigation studies to reduce bat fatalities in North America Bat Conservation International, Austin, USA") waarin staat dat verhoging van de cut-in snelheid (6 m/sec in plaats van 5 m/sec) leidt tot significant lagere sterfte onder vleermuizen. Over cumulatie stelt het college dat windparken die al zijn gerealiseerd, deel uitmaken van de huidige situatie en daarom niet kunnen worden meegenomen in de cumulatieve berekeningen naar de gevolgen voor beschermde soorten. In de cumulatieve berekeningen moeten, volgens het college, alleen windparken, die zijn vergund, maar nog niet zijn gerealiseerd, worden betrokken. Zulke windparken zijn, volgens het college, niet aanwezig. 7.
- De Afdeling ziet, anders dan BMF e.a., in de verwijzing naar het rapport van Wageningen University en Research door BMF e.a. geen grond voor de conclusie dat de berekening van het college in zoverre niet juist is. Uit dat rapport volgt dat vleermuizen bij temperaturen boven de 10°C en een lage windsnelheid (minder dan 6 m/s) actiever zijn dan bij hogere windsnelheden en een lagere temperatuur en dat sterfte onder vleermuizen sterk kan worden verminderd door juist onder zulke omstandigheden de rotoren niet te laten draaien. Het college heeft de stilstandvoorziening in lijn met die bevinding uit dat rapport aangescherpt. In zoverre is er dus geen grond om te twijfelen aan de juistheid van de berekening van de slachtofferreductie door de aangescherpte stilstandsvoorziening. De Afdeling ziet in de verwijzing van BMF e.a. naar de studie van Arnett e.a. van 2011 ook geen aanleiding voor de conclusie dat het college de slachtofferreductie niet correct heeft vastgesteld. Uit die verwijzing volgt namelijk niet dat het college zich voor zijn standpunt niet in redelijkheid heeft mogen baseren op de nadien verschenen studie van Arnett e.a. van
- De Afdeling tekent hierbij aan dat BMF e.a. de juistheid van de bevindingen in die studie niet hebben betwist. In zoverre slaagt het betoog niet. 7.
- Over de cumulatie overweegt de Afdeling als volgt. Voor vleermuizen kan, zoals blijkt uit artikel 3.8, vijfde lid, onder c, van de Wnb, alleen ontheffing worden verleend, als dit geen afbreuk doet aan het streven de populaties van die soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan. Voor vleermuizen moet daarom de staat van instandhouding worden bepaald. Vervolgens moet aan de hand van het effect van de activiteit waarvoor ontheffing wordt aangevraagd, óp die staat van instandhouding worden bepaald of die ontheffing ook kan worden verleend. Om de staat van instandhouding te bepalen moet, zoals is vastgelegd in de begripsbepaling in artikel 1.1 van de Wnb, het effect van de som van de invloeden die op de betrokken soort inwerken en op lange termijn een verandering kunnen bewerkstelligen in de verspreiding en de grootte van de populaties van die soort op het grondgebied, bedoeld in artikel 2 van de Habitatrichtlijn, worden vastgesteld. De Afdeling wijst daarbij op haar uitspraken van 29 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1160, overweging 16.2 en 7 oktober 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2384, overweging 10.
- Gelet op deze begripsbepaling maken mogelijke cumulatieve effecten deel uit van de staat van instandhouding en moeten cumulatieve effecten in die zin bij het verlenen van een ontheffing worden betrokken. Niet in geschil is dat het college de cumulatieve effecten van al bestaande windparken rond windpark De Pals bij de beoordeling van de staat van instandhouding niet heeft betrokken. Dit terwijl in de nabijheid van Windpark de Pals andere windparken in werking zijn. BMF e.a. hebben er bovendien op gewezen dat op 7 juli 2020, toen het besluit van 21 oktober 2019 is herzien, de Wnb-ontheffing voor windpark Agro-Wind Reusel al was verleend. Dat windpark is voorzien op een afstand van 1,2 km. De gevolgen van dat windpark zijn ook niet betrokken bij de beoordeling van de staat van instandhouding. Daarmee is niet bezien welke activiteiten op lokaal niveau dezelfde soort effecten kunnen hebben op dezelfde, lokale, populatie vleermuissoorten waarop de soortenbeschermingsontheffing ziet. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat het onderzoek naar het antwoord op de vraag of het verlenen van de soortenbeschermingsontheffing geen afbreuk doet aan het streven de populaties van de gewone dwergvleermuizen, ruige dwergvleermuizen, rosse vleermuizen en laatvliegers in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan, ook op dit punt gebrekkig is. Het betoog slaagt in zoverre. Vogels
- BMF e.a. betogen dat realisering van het windturbinepark leidt tot negatieve effecten op een aantal vogelsoorten waarvoor de ontheffing is verleend. Zij menen dat in ieder geval onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat die negatieve effecten er niet zijn. Voor een aantal vogelsoorten, waaronder de kievit, geldt dat er aanvaringslachtoffers zullen vallen, terwijl de staat van instandhouding ongunstig is. BMF e.a. voeren aan dat de uitgevoerde onderzoeken een onvoldoende duidelijk beeld geven van de totale cumulatieve effecten op de verschillende vogelsoorten, omdat volgens hen alle mogelijke effecten van activiteiten in het hele land moeten worden betrokken, als bij de beoordeling de gehele Nederlandse vogelpopulaties als uitgangspunt is genomen. 8.
- In de door het college gevolgde natuurtoets is voor 25 vogelsoorten bepaald dat er potentieel meer dan incidentele sterfte plaats kan vinden en/of er vanwege de populatiegrootte potentieel een negatief effect plaats kan vinden op de gunstige staat van instandhouding. Aan de hand van de gegevens verkregen in het veldonderzoek, samen met gegevens uit literatuur- en verspreidingsgegevens, is voor deze soorten een risicoanalyse per soort uitgevoerd. In tabel VIII is vermeld dat voor de kievit wordt uitgegaan van 3-6 aanvaringsslachtoffers per jaar en voor de wulp, koekoek en de staartmees van voor iedere soort 1-2 aanvaringsslachtoffers per jaar. Voor deze soorten is de staat van instandhouding matig tot ongunstig. Verder is vermeld dat voor deze soorten de 1% mortaliteitsnorm niet wordt overschreden door de exploitatie van de aangevraagde windturbines. Hierdoor is redelijkerwijs is uit te sluiten dat er een significant negatief effect is op de staat van instandhouding. 8.
- Voor vogels kan, zoals blijkt uit artikel 3.3, vierde lid, onder c, van de Wnb, alleen ontheffing worden verleend, als deze ontheffing niet leidt tot verslechtering van de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Ook voor vogels geldt daarom dat de staat van instandhouding moet worden bepaald. Vervolgens moet aan de hand van het effect van de activiteit waarvoor ontheffing wordt aangevraagd, óp die staat van instandhouding worden bepaald of die ontheffing ook kan worden verleend. Om de staat van instandhouding te bepalen moet, zoals is vastgelegd in de begripsbepaling in artikel 1.1 van de Wnb, het effect van de som van de invloeden die op de betrokken soort inwerken en op lange termijn een verandering kunnen bewerkstelligen in de verspreiding en de grootte van de populaties van die soort op het grondgebied, bedoeld in artikel 2 van de Habitatrichtlijn, worden vastgesteld. Gelet op deze begripsbepaling maken mogelijke cumulatieve effecten deel uit van de staat van instandhouding en moeten cumulatieve effecten in die zin bij het verlenen van een ontheffing moeten worden betrokken. De Afdeling wijst daarbij op haar uitspraken van 29 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1160, overweging 16.2 en 7 oktober 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2384, overweging 10.
- Blijkens hoofdstuk 8 van de natuurtoets heeft het college, zoals hiervoor onder 7.
- ook is vastgesteld, geen cumulatietoets toegepast. Het college heeft nagelaten om de effecten van al bestaande en van reeds vergunde, maar nog niet gerealiseerde windparken rond windpark De Pals bij de beoordeling van de staat van instandhouding te betrekken. De Afdeling is van oordeel dat het college zich, zonder het verrichten van onderzoek naar de cumulatieve effecten, niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat niet valt te verwachtten dat de additionele sterfte boven de 1% van de natuurlijke mortaliteit uitkomt en dat het verlenen van de soortenbeschermingsontheffing niet de staat van instandhouding van de betrokken vogelsoorten verslechtert. Het betoog slaagt.
- Gelet hierop komt de Afdeling niet meer toe aan de beoordeling of in de natuurtoets van de juiste vogelpopulatie is uitgegaan. Onder verwijzing naar haar uitspraak van 7 oktober 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2384, overweging 10.5, wijst de Afdeling nog erop dat het college met onderzoek naar lokale cumulatieve effecten kan volstaan, wanneer uit het onderzoek volgt dat de ontheffing geen of geringe gevolgen op lokaal niveau heeft en daarmee ook geen impact op de staat van instandhouding van de betrokken vogelsoortenpopulatie. Reptielen en amfibieën
- BMF e.a. betogen dat het college ten onrechte heeft geconcludeerd dat de gunstige staat van instandhouding voor amfibieën en reptielen niet in gevaar komt. Zij voeren aan dat het college ten onrechte ervan uitgaat dat de effecten op deze soorten aanvaardbaar zijn. Voor de gladde slang, hazelworm, levendbarende hagedis en de alpenwatersalamander geldt volgens BMF e.a. dat het plangebied een geschikt habitat is en dat het aannemelijk is dat zij daar meer dan incidenteel vóórkomen. Zij wijzen erop dat veel in het gebied is geïnvesteerd om het gebied geschikt te maken voor de gladde slang. 10.
- In de door het college gevolgde natuurtoets is vermeld dat de gladde slang binnen enkele kilometers van het onderzoeksgebied is waargenomen, namelijk direct ten zuiden van de A
- Daarin staat ook dat er weliswaar geen waarnemingen bekend zijn van de gladde slang in het onderzoeksgebied, maar dat het niet is uitgesloten dat incidenteel in het heidegebied ter plaatse van windturbine 3 een individu van deze soort voorkomt. In de natuurtoets is verder vermeld dat de levendbarende hagedis verspreid langs de berm van de A67 en in het heideterrein ter plaatse van windturbine 3 is aangetroffen. Op alle vier locaties van de windturbines kunnen zich vaste rust- en verblijfplaatsen van de levendbarende hagedis bevinden. Over de hazelworm vermeldt de natuurtoets dat deze soort niet in de nabijheid van de windturbines is waargenomen en dat het niet aannemelijk dat er een bestaande populatie ter plaatse van de windturbines aanwezig is. Het is echter niet uit te sluiten dat incidenteel een individu van de hazelworm in het desbetreffende gebied voorkomt. In de natuurtoets is over de reptielen tot slot vermeld dat maatregelen zullen worden getroffen om het beschadigen, doden en/of verstoren van de individuen tijdens de aanleg van de windturbines te voorkomen en dat het heidegebied dat verloren zal gaan, zal worden gecompenseerd en dat verstoring van de gladde slang in de gebruiksfase kan worden uitgesloten. In de natuurtoets is, op grond hiervan, over de reptielen geconcludeerd dat met de mitigerende en compenserende maatregelen de functionaliteit van het leefgebied van de beschermde reptielen gewaarborgd kan worden en dat significante negatieve effecten op de staat van instandhouding van deze soorten redelijkerwijs zijn uit te sluiten. 10.
- In wat door BMF e.a. is aangevoerd ziet de Afdeling geen aanknopingspunten om te twijfelen aan de juistheid van de in de natuurtoets neergelegde bevindingen en de conclusie dat de genoemde reptielsoorten slechts incidenteel op de desbetreffende locaties voorkomen. Hierbij is van belang dat BMF niet hebben bestreden dat het leefgebied van de gladde slang zich aan de zuidzijde van de A67 bevindt, terwijl de windturbines aan de noordzijde van de A67 zijn voorzien. Ook hebben zij geen concrete gegevens overgelegd waaruit blijkt dat het college zich ten onrechte op het standpunt stelt dat - ook al is het gebied aan de noordzijde geschikt voor de gladde slang en is dat gebied, door middel van een natuurpassage, toegankelijk gemaakt voor de gladde slang - de gladde slang ten noorden van de A67, ter plaatse van de windturbines, niet is waargenomen. Ook de stelling van BMF e.a. dat de gladde slang, hazelworm en levendbarende hagedis ter plaatse van de windturbines vaker voorkomen dan waarvan in de natuurtoets is uitgegaan hebben BMF e.a. niet met concrete gegevens onderbouwd. De Afdeling ziet dan ook op dit punt geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van de bevindingen in de natuurtoets. 10.
- In de natuurtoets is verder vermeld dat binnen enkele kilometers rondom het onderzoeksgebied onder meer de alpenwatersalamander, de heikikker en de poelkikker zijn waargenomen. Over de alpenwatersalamander staat in de natuurtoets dat alle vier locaties, door het ontbreken van waterpartijen, ongeschikt zijn als voortplantingshabitat van de soort en dat de nabijgelegen rivier "Aa" ongeschikt is als voortplantingswater. Als landhabitat is locatie 3 potentieel geschikt, maar omdat tussen deze locatie en het voortplantingswater een ruime hoeveelheid aan geschikter landhabitat aanwezig is, is het zeer onwaarschijnlijk dat die locatie als landhabitat wordt benut. Wel kan er incidenteel een zwervend individu van de alpenwatersalamander voorkomen. Over de heikikker is in de natuurtoets opgemerkt dat in een vennetje ongeveer 50 m ten noorden van locatie 3 ei-klompjes zijn aangetroffen die kenmerken vertoonden van de heikikker, maar dat het locatie 3 zelf niet geschikt is als voortplantingshabitat vanwege het ontbreken van geschikt oppervlaktewater. Wel is het mogelijk dat een zwervend individu van de heikikker incidenteel op die locatie te vinden is. Over de poelkikker is vermeld dat in het vennetje op het heideterrein ten noorden van locatie 3 een enkel individu is aangetroffen. Volgens de natuurtoets zijn op de desbetreffende locaties zelf geen geschikte voortplantingshabitats voor de poelkikker aanwezig en kan worden uitgesloten dat deze locaties een essentieel onderdeel van het leefgebied van de soort is. Wel is het mogelijk dat incidenteel een individu op het terrein kan voorkomen. In de natuurtoets is over de amfibieën geconcludeerd dat, omdat er geen voortplantingshabitat verloren gaat, verstoring is te voorkomen met behulp van mitigerende maatregelen. Verder is geconcludeerd dat verstoring van de amfibieën in de gebruiksfase redelijkerwijs valt uit te sluiten. Daarom wordt, volgens de natuurtoets, met de ingreep geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan. 10.
- BMF e.a. hebben hun stelling dat de alpenwatersalamander, de heikikker en de poelkikker vaker voorkomen dan in de natuurtoets is aangenomen, niet met concrete gegevens onderbouwd. In wat door hen is aangevoerd ziet de Afdeling daarom geen aanknopingspunten om te twijfelen aan de juistheid van de conclusie in de natuurtoets, dat de genoemde amfibiesoorten slechts incidenteel op de desbetreffende locaties voorkomen, te twijfelen. 10.
- Gelet op het voorgaande slaagt het betoog niet. Alternatieven
- BMF e.a. betogen dat het college onvoldoende onderzoek naar alternatieven heeft gedaan. Zij voeren aan dat niet is vast komen te staan dat er geen andere bevredigende oplossing is. Zo’n onderzoek naar alternatieven, ook buiten het grondgebied van de gemeente Bladel, had volgens hen in de rede gelegen, omdat de windturbines in zeer kwetsbaar natuurgebied zijn voorzien. 11.
- Het college stelt dat met het project Windpark De Pals invulling wordt gegeven aan de gemeentelijke doelstelling om 30 windturbines in het jaar 2025 te realiseren. De gemeente heeft de wens om de windturbines te realiseren naast een groot infrastructureel werk, zoals de A
- Die doelstelling hangt samen met de Klimaatvisie Kempengemeenten, waarin de betrokken gemeenten de ambitie hebben uitgesproken om in het jaar 2025 klimaatneutraal te zijn. In die visie is vermeld dat naast een gezamenlijk klimaatbeleid en -uitvoeringsprogramma iedere gemeente ook een eigen klimaatbeleid en -uitvoeringsprogramma heeft. Windenergie behoort niet tot de gezamenlijke, maar de gemeentespecifieke activiteiten. Het college stelt ook dat een groot deel van het gebied van Bladel om verschillende redenen ongeschikt is als locatie voor de ontwikkeling van windenergie en dat binnen de gemeente beperkte ruimte is voor het realiseren van windenergie. 11.
- Tegen de achtergrond van het energiedoel wat betreft windenergie - de ontwikkeling van duurzame energie binnen het grondgebied van Bladel langs een groot infrastructureel werk - moet worden vastgesteld dat er buiten Bladel geen redelijkerwijs in aanmerking te nemen alternatieven kunnen zijn. Dit betekent dat, anders dan BMF e.a. menen, alternatieve locaties elders in de provincie Noord-Brabant voor de locatie windpark De Pals niet aan de orde zijn. Gelet hierop was, naar het oordeel van de Afdeling, het college dan ook niet gehouden om alternatieve locaties buiten Bladel in beschouwing te nemen. BMF e.a. hebben niet aannemelijk gemaakt dat moet worden getwijfeld aan de juistheid van de stelling van het college dat er binnen de gemeente Bladel geen alternatieve locaties aanwezig zijn, die minder of geen aantasting met zich zouden brengen. In dit verband wijst de Afdeling erop dat de door BMF e.a. naar voren gebrachte alternatieven waren gelegen buiten de gemeente Bladel. Het betoog slaagt niet. Conclusie en proceskosten
- Het beroep van BMF e.a. is gegrond. Het besluit van 7 juli 2020 dient wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht te worden vernietigd. Het college dient een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van BMF e.a. tegen het besluit van 21 oktober 2019, met in achtneming van deze uitspraak.
- Gelet ook op de uitspraken die vandaag zijn gedaan in de beroepen gericht tegen de omgevingsvergunning en de vergunning op grond van de Wnb (ECLI:NL:RVS:2021:2305 en ECLI:NL:RVS:2021:2304) ziet de Afdeling geen aanleiding om toepassing te geven aan een bestuurlijke lus.
- Het college moet de proceskosten van BMF e.a. vergoeden. In dat verband overweegt de Afdeling dat in de uitspraak over de omgevingsvergunning (ECLI:NL:RVS:2021:2305) reeds een proceskostenvergoeding is uitgesproken ten aanzien van de door BMF e.a. gemaakte reiskosten. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het beroep gegrond; II. vernietigt de besluiten van het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant van 7 juli 2020, kenmerk C2257446/4722786 en bijbehorend besluit van 7 juli 2020 (zonder kenmerk), tot herziening van het besluit van 21 oktober 2019; III. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant tot vergoeding van bij Stichting Brabantse Milieufederatie en anderen in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.496,00 (zegge: veertienhonderdzesennegentig euro) geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan; IV. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant aan Stichting Brabantse Milieufederatie en anderen het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 354,00 (zegge: driehonderdvierenvijftig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen. Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, voorzitter, en mr. E.J. Daalder en mr. J. Gundelach, leden, in tegenwoordigheid van mr. F. Nales, griffier. De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen. De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen. Uitgesproken in het openbaar op 20 oktober 2021 680.