← Nederland

ECLI:NL:RVS:2021:2796

202104479/2/V

  1. Datum uitspraak: 14 december 2021 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, van: [vreemdeling 1], [vreemdeling 2] en [vreemdeling 3] (hierna: de zoon), verzoekers, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 10 juni 2021 in zaken nrs. 20/4603 en 20/5107 in het geding tussen: de vreemdelingen en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Procesverloop Bij besluit van 21 maart 2019 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Bij besluit van 29 mei 2020 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdelingen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 10 juni 2021 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van de uitspraak. Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. De vreemdelingen hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven en voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld. Ook hebben zij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. De staatssecretaris heeft een nader stuk ingediend. De vreemdelingen hebben een nader stuk ingediend. Overwegingen
  2. De vreemdelingen hebben de voorzieningenrechter verzocht te bepalen dat de zoon, totdat onherroepelijk op het bezwaar is beslist, wordt geacht over een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te beschikken en dat hij in dat verband wordt voorzien van een geldig legitimatiebewijs onder meer om een QR-code te kunnen aanvragen.
  3. De staatssecretaris heeft in zijn reactie op het verzoek erop gewezen dat de zoon ten tijde van de aanvraag over een geldig Chinees paspoort beschikte. De vreemdelingen hebben dit niet betwist. Ook hebben zij niet gesteld dat het voor hen niet mogelijk is de geldigheidsduur van dit paspoort te laten verlengen, dan wel zo nodig een nieuw paspoort aan te vragen. Verder blijkt uit openbaar toegankelijke informatie dat het inmiddels voor ongedocumenteerden mogelijk is om bij de GGD een vaccinatiebewijs te verkrijgen. Daarom wordt geen voorlopige voorziening getroffen.
  4. Het verzoek wordt afgewezen. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: wijst het verzoek af. Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. N. Tibold, griffier. De voorzieningenrechter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen. w.g. Tibold griffier Uitgesproken in het openbaar op 14 december 2021 363-979

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.