202002837/1/A3. Datum uitspraak: 13 januari 2021 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellante], als erfgename van [overledene], wonend te [woonplaats], tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 3 april 2020 in zaak nr. 19/1554 in het geding tussen: [overledene] en het college van burgemeester en wethouders van Hof van Twente. Procesverloop Bij besluit van 13 december 2018 heeft het college [overledene] met ingang van 22 augustus 2018 ambtshalve uitgeschreven als ingezetene uit de basisregistratie personen (hierna: de brp). Bij besluit van 16 juli 2019 heeft het college het door [overledene] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 3 april 2020 heeft de rechtbank het door [overledene] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft [overledene] hoger beroep ingesteld. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 december 2020, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. E.D. van Tellingen, advocaat te Almere, is verschenen. Overwegingen Inleiding 1. [overledene] stond in de brp ingeschreven met het adres [locatie] in Markelo. Op 28 mei 2018 heeft het college de op dit adres aanwezige recreatiewoning en bijgebouwen laten verwijderen. [overledene] heeft bij het college geen aangifte gedaan van een nieuw adres. Het college heeft ambtshalve in de brp geregistreerd dat het adres van [overledene] onbekend is. Dit houdt in dat hij niet langer als ingezetene in de brp is geregistreerd. Later is [overledene] ingeschreven in de brp met een adres in Almere. Overlijden [overledene] 2. Op de zitting van de Afdeling is meegedeeld dat [overledene] in september 2020 is overleden. [appellante], de echtgenote van [overledene], heeft laten weten dat zij als erfgename de procedure wil voortzetten. Zij heeft tot op zekere hoogte aannemelijk gemaakt dat [overledene] door de uitschrijving als ingezetene schade heeft geleden, die zij alsnog wil verhalen. Zij heeft daarom belang bij inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep. Regelgeving 3. De relevante bepalingen uit de Wet basisregistratie personen (hierna: de Wet brp) zijn opgenomen in een bijlage, die deel uitmaakt van de uitspraak. Besluiten van het college 4. Bij brief van 22 augustus 2018 heeft het college aan [overledene] laten weten dat na onderzoek is gebleken dat hij niet meer woont op het adres [locatie] in Markelo en dat het college daarom voornemens was om hem in de brp op te nemen met adres "Onbekend". In de brief is toegelicht dat dit inhoudt dat het college voornemens was om de bijhouding van de persoonslijst van [overledene] in de brp op te schorten, hetgeen betekent dat hij dan niet meer als ingezetene in de brp is geregistreerd. Deze brief is, volgens vaste werkwijze, aangetekend verzonden naar genoemd adres. Het college heeft de brief retour ontvangen. Vervolgens heeft het college de brief op 3 september 2018 per e-mail verzonden aan [overledene]. Dezelfde dag heeft [overledene] de e-mail beantwoord. 5. Bij het besluit van 13 december 2018 heeft het college het adres van [overledene] in de brp gewijzigd in "Onbekend" en hem dus uit de brp uitgeschreven als ingezetene. In het besluit staat dat is geconstateerd dat het door de ontruiming niet meer mogelijk is om op het adres [locatie] in Markelo te wonen. Ook hebben toezichthouders geconstateerd dat [overledene] niet meer aanwezig was op dit adres. 6. Bij het besluit van 16 juli 2019 heeft het college de uitschrijving uit de brp gehandhaafd. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat [overledene] op het adres [locatie] in Markelo redelijkerwijs niet kan overnachten en geen woonadres in de zin van artikel 1.1, eerste lid, aanhef en onder o, van de Wet brp kan hebben. Dat is ook door onderzoek vastgesteld. Van een concreet adres in Almere heeft [overledene] geen aangifte gedaan. De Afdeling Burgerzaken wist niet van de woonplaats van de dochter van [overledene]. [overledene] heeft verder geen exacte gegevens over een woonplaats elders verstrekt. Een registratie van adres 'onbekend' is gerechtvaardigd indien de verblijfplaats van betrokkene onbekend is en hij volkomen onbereikbaar is. Deze situatie doet zich voor, nu [overledene] weliswaar telefonisch of via e-mail bereikbaar is, maar weigert een adres te laten registreren en zelfs weigert zijn verblijfplaats kenbaar te maken. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat genoemd adres niet als briefadres kan worden geregistreerd, omdat daarvoor op grond van artikel 1.1, eerste lid, aanhef en onder p, van de Wet brp is vereist dat op dat adres door een briefadresgever voor betrokkene bestemde geschriften in ontvangst worden genomen. Het hebben van een postbus op een adres kan niet gelijkgesteld worden aan een briefadres. Het college had wellicht het adres van de dochter als briefadres kunnen registreren, maar [overledene] heeft van dat adres geen aangifte gedaan en dit adres was bij de Afdeling Burgerzaken niet bekend. Aangevallen uitspraak 7. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college terecht in de brp heeft geregistreerd dat [overledene] met onbekende bestemming is vertrokken. De rechtbank heeft overwogen dat vaststaat dat [overledene] niet meer verblijft op het adres [locatie] te Markelo omdat het college de aldaar aanwezige recreatiewoning en bijgebouwen op 28 mei 2018 heeft laten verwijderen. Op de zitting heeft [overledene] erkend dat hij ten tijde van het besluit 16 juli 2019 op verschillende adressen elders verbleef. Het college heeft terecht gesteld dat [overledene] niet kon worden bereikt in de zin van artikel 2.22, eerste lid, van de Wet brp. Hij was weliswaar telefonisch en via e-mail bereikbaar, maar hij weigerde een adres te laten registreren of een verblijfplaats kenbaar te maken. [overledene] heeft op 3 september 2018 per e-mail meegedeeld dat hij nog steeds op het adres [locatie] in Markelo woont, maar dat was door het ontbreken van een woning feitelijk onmogelijk. [overledene] woonde op verschillende andere adressen, maar heeft daarover geen informatie verstrekt aan het college. Hij wilde ingeschreven blijven staan op het eerder genoemde adres. Op de zitting is duidelijk geworden dat [overledene] pas later, na de in geding zijnde periode, bij zijn [dochter] in Almere verbleef en dat hij daar toen ook in de brp is ingeschreven. [overledene] heeft geweigerd om enige verblijfplaats kenbaar te maken. Het lag ook niet op de weg van het college om onderzoek te doen naar een nieuw adres, nu [overledene] daarvoor geen enkel aanknopingspunt heeft gegeven aan het college. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat het college geen gebruik behoefde te maken van de bevoegdheid om ambtshalve een briefadres van [overledene] in de brp op te nemen. [overledene] stelt immers dat sprake was van een woonadres. Gronden van het hoger beroep 8. [appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat niet aan de vereisten voor toepassing van artikel 2.22, eerste lid, van de Wet brp is voldaan. Zij voert aan dat [overledene] per e-mail en telefonisch steeds bereikbaar was. Verder voert zij aan dat het college onvoldoende onderzoek heeft gedaan. Zij stelt dat [overledene] steeds heeft gezegd dat hij verschillende verblijfplaatsen had, waaronder aan de [locatie] en bij zijn dochter in Almere. Van het laatste was het college volgens haar ook op de hoogte vanwege een lopende aanvraag van de dochter van [overledene] om een omgevingsvergunning. Zelfs indien [overledene] daarvoor geen aanknopingspunten zou hebben gegeven, was het college verplicht om onderzoek te doen naar zijn verblijfplaats. Ten onrechte heeft de rechtbank verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van 6 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:354. Anders dan in die uitspraak is geen sprake van de weigering om een woonadres of briefadres te laten registreren. In elk geval had het college het adres [locatie] in Markelo als briefadres moeten registreren. [overledene] nam op dat adres steeds geschriften in ontvangst. Ook is dit adres steeds door de gemeente als postadres gebruikt. Als alternatief had het college kunnen onderzoeken of het adres van de dochter als briefadres kon worden geregistreerd, aldus [appellante]. Oordeel van de Afdeling 9. In de brp kan een ingezetene worden ingeschreven op een woonadres of, indien dat ontbreekt, op een briefadres. In artikel 2.22 van de Wet brp is bepaald wanneer het college iemand ambtshalve moet uitschrijven als ingezetene uit de brp. Er zijn drie voorwaarden:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.