← Nederland

ECLI:NL:RVS:2021:741

202000532/1/R

  1. Datum uitspraak: 7 april 2021 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen:
  2. [appellant sub 1], wonend te [woonplaats],
  3. [appellante sub 2], gevestigd te [plaats],
  4. [appellante sub 3], gevestigd te [plaats], en anderen,
  5. [appellante sub 4], gevestigd te [plaats],
  6. [appellant sub 5] en anderen, allen wonend te [woonplaats],
  7. [appellant sub 6A] en [appellant sub 6B], beiden wonend te [woonplaats] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 6]),
  8. [appellant sub 7], wonend te [woonplaats],
  9. [appellante sub 8], gevestigd te [plaats], en anderen,
  10. VDL Nedcar B.V., gevestigd te Born, gemeente Sittard-Geleen, en VDL Vastgoed B.V., gevestigd te Eindhoven (hierna tezamen en in enkelvoud: VDL),
  11. [appellant sub 10], wonend te [woonplaats],
  12. [appellant sub 11A] en [appellant sub 11B], beiden wonend te [woonplaats] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 11]),
  13. Limburgse Land- en Tuinbouw Bond-Belangenbehartiging, gevestigd te Roermond (hierna: de LLTB),
  14. [appellante sub 13], gevestigd te [plaats],
  15. [appellante sub 14], gevestigd te [plaats],
  16. [appellant sub 15], wonend te [woonplaats], appellanten, en de minister van Infrastructuur en Waterstaat, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 9 december 2019 heeft de minister het tracébesluit "A2 Het Vonderen - Kerensheide" vastgesteld. Tegen dit besluit hebben appellanten beroep ingesteld. De minister heeft een verweerschrift ingediend. Een aantal partijen heeft nadere stukken ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 december 2020, waar een aantal appellanten is verschenen of zich heeft laten vertegenwoordigen. Ook de minister heeft zich laten vertegenwoordigen. Overwegingen
  17. Het traject A2 tussen de knooppunten Het Vonderen en Kerensheide bestaat op dit moment uit twee rijstroken en een spitsstrook per rijrichting. In het tracébesluit wordt dit traject opgewaardeerd naar drie volwaardige rijstroken per rijrichting met een vluchtstrook. In de toelichting bij het tracébesluit is over de reden voor dit tracébesluit vermeld dat het tracé tussen de knooppunten Het Vonderen en Kerensheide met spitsstroken onvoldoende robuust is, omdat spitsstroken gevoelig zijn voor verstoringen. Zo zijn de spitsstroken niet beschikbaar bij incidenten, zoals een ongeluk of een pechgeval, en bij slechte weersomstandigheden, omdat in die situaties de spitsstrook niet wordt opengesteld, zo staat in de toelichting. Het realiseren van een robuuster netwerk met drie volwaardige rijstroken per rijrichting is volgens de toelichting van belang, omdat het tracé tussen de knooppunten Het Vonderen en Kerensheide noodzakelijk is voor de bereikbaarheid en ontsluiting op internationaal, nationaal en regionaal niveau. Ter onderbouwing is verder vermeld dat de A2 de enige corridor is die Limburg, het oostelijk deel van Noord-Brabant, Utrecht en de noordelijke Randstad met elkaar verbindt. Internationaal verbindt de A2 een aantal belangrijke economische kerngebieden, aldus de toelichting.
  18. Het tracébesluit betreft een besluit tot een wijziging van een hoofdweg als bedoeld in artikel 8 van de Tracéwet. Dit betekent dat op het tracébesluit afdeling 2 van de Crisis- en herstelwet (hierna: Chw) van toepassing is, waarin bijzondere bepalingen zijn opgenomen over de (wettelijke) procedure. Dit volgt uit artikel 1.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Chw gelezen in samenhang met bijlage I, onder 5.1, van de Chw.
  19. Appellanten zijn bewoners en/of bedrijven in de omgeving van het tracé. Zij verzetten zich tegen de voorziene verbreding van de A2 vanwege de negatieve gevolgen die dit tot volgens hen heeft voor hun woon- en leefklimaat en/of hun bedrijfsvoering.
  20. De Afdeling zal hierna de beroepsgronden per appellant beoordelen, omdat de beroepschriften hoofdzakelijk betrekking hebben op de specifieke gevolgen van het tracé voor het eigen woon- en leefklimaat of de bedrijfsvoering van de desbetreffende appellant. Aan het einde van de bespreking van ieder beroepschrift volgt een conclusie. Bij het bespreken van de beroepen hanteert de Afdeling de volgorde zoals is vermeld op het voorblad.
  21. De relevante wetgeving is met het oog op de leesbaarheid deels opgenomen in de uitspraak zelf en voor een ander deel in de bijlage bij deze uitspraak. De wetgeving waarnaar wordt verwezen is de wetgeving geldend ten tijde van het nemen van het bestreden besluit, tenzij anders vermeld. De bijlage maakt deel uit van de uitspraak. Het beroep van [appellant sub 1]
  22. [appellant sub 1] woont aan de [locatie 1] in Echt. Aan de achterzijde van haar woning bevindt zich de A
  23. Het tracébesluit heeft tot gevolg dat de A2 zal worden verbreed richting de woning van [appellant sub 1] waarbij een deel van het woonperceel van [appellant sub 1] verloren zal gaan. De verbreding van de A2
  24. Ter hoogte van de woning van [appellant sub 1] wordt de A2 zowel in westelijke als in oostelijke richting symmetrisch verbreed. [appellant sub 1] wenst dat de A2 niet richting haar woning, maar uitsluitend in westelijke richting wordt verbreed, zodat haar woonperceel en de door haar aangelegde tuin volledig behouden kunnen blijven en zij ter plaatse haar hobby in de vorm van tuinieren kan blijven uitoefenen. Met de stelling van de minister dat het niet mogelijk is om het tracé ter hoogte van haar woning uitsluitend in westelijke richting te verbreden, omdat dan het bestaande viaduct nabij haar woning niet behouden kan blijven, kan [appellant sub 1] zich niet verenigen. Volgens haar kan het viaduct wel behouden blijven. Verder betoogt zij dat het behoud van recent gebouwde kunstwerken geen reden is om het tracé ter hoogte van haar woning niet in uitsluitend westelijke richting op te schuiven. Zij wijst er hierbij op dat uit tabel 3 van het tracébesluit blijkt dat ook andere viaducten als gevolg van het tracébesluit gesloopt moeten worden. [appellant sub 1] betoogt in dit verband ook dat een medewerker van Rijkswaterstaat ten tijde van de aanleg van de A73 mondeling aan haar heeft medegedeeld dat, wanneer dit aan de orde zal zijn, de A2 ter hoogte van haar perceel alleen in westelijke richting zal worden verbreed. [appellant sub 1] stelt dat zij over deze toezegging geen details meer kan herinneren, maar dat zij er altijd op heeft vertrouwd dat deze toezegging gestand zou worden gedaan. 7.
  25. Nabij de woning van [appellant sub 1] staat het viaduct Klein Berkelaar. Via dit viaduct wordt de Maasbrachterweg over de A2 geleid. De minister vermeldt in het verweerschrift dat bij de bouw van het viaduct in 2010 in het kader van de toekomstbestendigheid van het viaduct rekening is gehouden met de mogelijkheid dat het wegprofiel van de A2 symmetrisch wordt verbreed naar 2x3 rijstroken met vluchtstroken. Deze symmetrische verbreding past onder het huidige viaduct, zo blijkt uit figuur 4 in het verweerschrift. Op het moment dat de verbreding van de A2 uitsluitend in westelijke richting zou plaatsvinden, wordt de as van de A2 verlegd in westelijke richting. Dit heeft tot gevolg dat een deel van de rijbanen van de A2 niet meer onder het bestaande viaduct kunnen lopen, maar ernaast komen te liggen, met als gevolg dat het viaduct moet worden gesloopt en herbouwd, zo stelt de minister. De Afdeling ziet gelet op de afbeelding die hierbij ter onderbouwing in het verweerschrift is opgenomen geen aanleiding aan de juistheid hiervan te twijfelen. De niet nader onderbouwde opvatting van [appellant sub 1] dat het viaduct nabij haar woning behouden kan blijven als het tracé uitsluitend in westelijke richting wordt verbreed, deelt de Afdeling dan ook niet. 7.
  26. De minister acht het gelet op het doel van het project om te komen tot een sobere en doelmatige wegverbreding, niet wenselijk dat het viaduct ter hoogte van de woning van [appellant sub 1] wordt gesloopt terwijl dit viaduct ook behouden kan blijven. Daarbij wijst de minister er in het verweerschrift op dat wanneer de A2 uitsluitend in westelijke richting zou worden verbreed, dit naast de sloop van het kunstwerk ook zal leiden tot meer mensen die geluidhinder ondervinden aan de westzijde van de A
  27. Door de A2 symmetrisch te verbreden onder het bestaande viaduct wordt volgens de minister de meest gunstige situatie bereikt ten aanzien van het aspect geluid. 7.
  28. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de minister in redelijkheid kunnen beslissen dat de uitbreiding symmetrisch zal gebeuren. Hij mocht een zwaarder gewicht toekennen aan de financiële belangen bij het behoud van het bestaande viaduct en aan het voorkomen van een toename van het aantal mensen dat geluidhinder ondervindt aan de westzijde van de A2, dan aan de belangen van [appellant sub 1] bij het volledig behouden van haar woonperceel en de tuin die zij heeft aangelegd. Dat uit het tracébesluit blijkt dat enkele andere viaducten wel worden gesloopt, vormt voor de Afdeling geen aanleiding voor een ander oordeel. Het enkele feit dat er bij andere viaducten kennelijk wel een noodzaak bestaat om tot sloop over te gaan, betekent immers nog niet dat ook het viaduct nabij de woning van [appellant sub 1], waarvoor mogelijkheden bestaan om die te behouden, moet worden gesloopt. 7.
  29. Verder overweegt de Afdeling dat [appellant sub 1] niet aannemelijk heeft gemaakt dat de overheid over de manier waarop de A2 ter hoogte van haar woning zou worden verbreed toezeggingen of andere uitlatingen heeft gedaan of gedragingen heeft verricht waaruit zij in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of, en zo ja, hoe dit tracébesluit zou worden vastgesteld. De enkele stelling van [appellant sub 1] dat zij in het verleden ten tijde van de aanleg van de A73 mondeling van een medewerker van Rijkswaterstaat zou hebben gehoord dat de A2 ter hoogte van haar woning alleen in westelijke richting zal worden verbreed, is onvoldoende om te kunnen spreken van een toezegging. Daarbij wijst de Afdeling er ook op dat de minister in het verweerschrift stelt dat hem van een dergelijke toezegging niets bekend is, waarbij de minister erop heeft gewezen dat tijdens de aanleg van de A73 - het moment waarop volgens [appellant sub 1] de toezegging zou zijn gedaan - nog geen sprake was van een verbreding van de A2 tussen de knooppunten Het Vonderen en Kerensheide. 7.
  30. De Afdeling merkt verder op dat de schade die [appellant sub 1] lijdt doordat zij een deel van haar woonperceel moet opgeven voor de verbreding van de A2 voor vergoeding in aanmerking komt op grond van de onteigeningswet. 7.
  31. De betogen slagen niet. Geluid
  32. [appellant sub 1] wijst erop dat in de Nota van Antwoord in reactie op haar zienswijze is vermeld dat het akoestisch onderzoek dat voor het ontwerptracébesluit was opgesteld, is geactualiseerd, waarbij de situatie bij haar woning opnieuw is bekeken. In de Nota van Antwoord is vermeld dat dit niet heeft geleid tot een wijziging van de geluidmaatregelen bij haar woning. [appellant sub 1] vindt het onduidelijk waarom de situatie bij haar woning in het akoestisch onderzoek opnieuw is bekeken. Daarnaast twijfelt zij aan de juistheid van de conclusie dat een wijziging van de geluidmaatregelen bij haar woning niet noodzakelijk is. [appellant sub 1] stelt in dit verband dat de berekende geluidreductie voor haar woning van 16,65 dB onaannemelijk hoog is in vergelijking met de aanzienlijk lagere geluidreductie die is berekend voor andere woningen. 8.
  33. Voordat de Afdeling ingaat op de vraag of bij de woning van [appellant sub 1] een aanvaardbare geluidbelasting zal ontstaan en of de benodigde geluidbeperkende maatregelen zullen worden getroffen, bespreekt de Afdeling allereerst de toegepaste wettelijke systematiek van de geluidbelasting in het kader van het tracébesluit en de manier waarop op grond van die systematiek wordt voorzien in geluidbeperkende maatregelen. 8.
  34. De A2 is een rijksweg die is vermeld op de geluidplafondkaart als bedoeld in de Regeling geluidplafondkaart milieubeheer. In de Wet milieubeheer is geregeld dat het geluid van rijkswegen op de geluidplafondkaart met geluidproductieplafonds beheerst wordt (artikel 11.17 van de Wet milieubeheer), zodat titel 11.3 van de Wet milieubeheer op deze wegen van toepassing is. Het geluidproductieplafond is de toegestane geluidproductie op een referentiepunt (artikel 11.1 van de Wet milieubeheer). Referentiepunten zijn denkbeeldige punten die zich langs de buitenste rijstrook van de weg bevinden. Referentiepunten liggen aan weerszijden van de weg (artikel 11.19 van de Wet milieubeheer). De posities van referentiepunten liggen vast in het geluidregister, net als de waarde van het geluidproductieplafond in elk referentiepunt. Bij een wijziging van een geluidproductieplafond moet op grond van artikel 11.30, tweede lid, van de Wet milieubeheer, kort gezegd, een vergelijking worden gemaakt tussen de oude en de nieuwe situatie voor nabijgelegen geluidgevoelige objecten. Daarbij moet worden beoordeeld of de geluidbelasting vanwege de weg niet hoger is dan de geluidbelasting die de betrokken geluidgevoelige objecten vanwege de weg ondervinden bij volledige benutting van de voorafgaand aan het tracébesluit geldende geluidproductieplafonds. Dit laatste wordt de toetswaarde genoemd. Als deze toetswaarde wordt overschreden, moet op grond van artikel 11.30, vierde lid, van de Wet milieubeheer de mogelijkheid tot het treffen van geluidbeperkende maatregelen worden onderzocht. 8.
  35. Bij de voorbereiding van het tracébesluit is een akoestisch onderzoek uitgevoerd, waarin is onderzocht of als gevolg van het tracébesluit de hiervoor genoemde toetswaarde voor de geluidbelasting op nabij het tracé gelegen geluidgevoelige objecten wordt overschreden. De resultaten van het akoestisch onderzoek zijn neergelegd in verschillende rapporten, die als bijlagen bij de toelichting op het tracébesluit zijn gevoegd. Dit zijn het akoestisch Hoofdrapport, het akoestisch deelrapport Algemeen en het akoestisch deelrapport Specifiek. Uit het akoestisch onderzoek is gebleken dat het treffen van geluidbeperkende maatregelen noodzakelijk is. De geluidbeperkende maatregelen die worden getroffen, zijn opgenomen in artikel 7 van het tracébesluit. De geluidbeperkende maatregelen bestaan uit bronmaatregen in de vorm van geluidreducerend asfalt en overdrachtsmaatregelen in de vorm van geluidschermen en geluidwallen. Over de bronmaatregelen is in artikel 7, eerste lid, van het tracébesluit bepaald dat deze maatregelen zijn opgenomen in tabel 5 van het tracébesluit, waar de rijbaanvakken zijn aangeduid waar geluidreducerend asfalt van het type tweelaags ZOAB wordt gerealiseerd, of een asfalttype met akoestisch gelijkwaardige eigenschappen. Over de overdrachtsmaatregelen is in artikel 7, tweede lid, van het tracébesluit bepaald dat de in tabel 6 van het tracébesluit opgenomen geluidschermen en geluidwallen worden gerealiseerd die op de detailkaarten zijn weergegeven als "Geluidscherm met hoogte" respectievelijk "Geluidwal met hoogte". 8.
  36. In bijlage A bij het akoestisch deelrapport Specifiek is vermeld dat de geluidbelasting vanwege de A2 bij de woning van [appellant sub 1] in de huidige situatie bij volledige benutting van de voorafgaand aan het tracébesluit geldende geluidproductieplafonds op 1,5 m waarneemhoogte 62 dB bedraagt en op 7,5 m waarneemhoogte 68 dB. Als het tracébesluit wordt uitgevoerd zonder geluidbeperkende maatregelen, wordt deze geluidbelasting verhoogd naar 71 dB, waarmee de toetswaarden van 62 dB en 68 dB worden overschreden. Vanwege deze overschrijding van de toetswaarde worden ter hoogte van de woning van [appellant sub 1], die zich bevindt tussen km 222.70 en km 222.80, zowel bronmaatregelen als overdrachtsmaatregelen uitgevoerd. De bronmaatregel bestaat, zoals tabel 5 van het tracébesluit laat zien, uit de aanleg van tweelaags ZOAB op weerszijden van de A2 van km 221.09 tot km 239.
  37. De overdrachtsmaatregel bestaat, zoals tabel 6 van het tracébesluit laat zien, uit de realisatie van een aan beide zijden absorberend geluidscherm van 6 m hoog aan de oostzijde van de A2 tussen km 222.44 en km 222.
  38. Het tweelaags ZOAB en het geluidscherm van 6 m hoog hebben tot gevolg dat de toetswaarden bij de woning van [appellant sub 1] niet langer worden overschreden. De geluidbelasting van 62 dB op een waarneemhoogte van 1,5 m, wordt zoals volgt uit bijlage A bij het akoestisch deelrapport Specifiek in de toekomstige situatie na uitvoering van het tracébesluit namelijk verlaagd naar 54 dB. De geluidbelasting van 68 dB op een waarneemhoogte van 7,5 m wordt verlaagd naar 64 dB. 8.
  39. In de stelling van [appellant sub 1] dat een geluidreductie van 16,65 dB bij haar woning onaannemelijk hoog is, ziet de Afdeling geen aanleiding aan de juistheid van de hiervoor vermelde geluidwaarden te twijfelen. De door [appellant sub 1] genoemde geluidreductie van 16,65 dB is namelijk niet het verschil tussen de huidige en toekomstige geluidbelasting, maar is zoals blijkt uit bijlage A bij het akoestisch deelrapport Specifiek het verschil tussen de geluidbelasting op het moment dat het tracébesluit wordt uitgevoerd zonder geluidbeperkende maatregelen en met geluidbeperkende maatregelen. Zonder maatregelen neemt de geluidbelasting toe tot 71 dB; met maatregelen wordt geluidbelasting op een waarneemhoogte van 1,5 m beperkt tot afgerond 54 dB. Deze geluidafname is verklaarbaar, onder meer vanwege een verhoging van het bestaande geluidscherm ter hoogte van de woning van [appellant sub 1] naar 6 m. In dit verband wijst de Afdeling erop dat, gelet op artikel 11.33 van de Wet milieubeheer, in samenhang bezien met het Reken- en meetvoorschrift geluid 2012 (hierna: RMG 2012) alleen kan worden geconcludeerd dat de geluidbelasting onjuist is bepaald, wanneer deze niet overeenkomstig de in het RMG 2012 gestelde regels is vastgesteld (vergelijk bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 26 augustus 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2053, overweging 16.4). In hoofdstuk 3, paragraaf 3.2, van het akoestisch deelrapport Algemeen is vermeld dat de geluidberekeningen zijn uitgevoerd met behulp van een softwarepakket dat voldoet aan de regels van het RMG
  40. Dit heeft [appellant sub 1] als zodanig niet bestreden. 8.
  41. Ook deelt de Afdeling niet de opvatting van [appellant sub 1] dat onduidelijk is waarom in de Nota van Antwoord is vermeld dat het akoestisch onderzoek in vergelijking met het ontwerptracébesluit is geactualiseerd, waarbij de situatie bij haar woning opnieuw is bekeken. Daarbij verwijst de Afdeling naar het verweerschrift en paragraaf 2.4.4 van de Nota van Antwoord, waar is uitgelegd dat het aspect geluid in vergelijking met het ontwerptracébesluit opnieuw is bekeken vanwege de overschakeling naar het recentere verkeersmodel het "Nederlands Regionaal Model (NRM) 2018" en dus niet vanwege een geconstateerde fout in de berekende akoestische situatie bij de woning van [appellant sub 1]. 8.
  42. Omdat de geluidbelasting vanwege de A2 bij de woning van [appellant sub 1] wordt verlaagd van 62 dB naar 54 dB op een waarneemhoogte van 1,5 m en van 68 dB naar 64 dB op een waarneemhoogte van 7,5 m, wordt voldaan aan artikel 11.30, tweede lid, van de Wet milieubeheer. De minister was daarom op grond van de Wet milieubeheer niet verplicht bij de woning van [appellant sub 1] nadere geluidbeperkende maatregelen te treffen. 8.
  43. De betogen slagen niet. Luchtkwaliteit
  44. [appellant sub 1] vreest dat de luchtkwaliteit ter hoogte van haar woning als gevolg van het tracébesluit verslechtert. Zij wijst erop dat in de samenvatting van het tracébesluit is vermeld dat de luchtkwaliteit verslechtert op de locaties waar de weg dichterbij komt te liggen. 9.
  45. De minister heeft bij de vaststelling van het tracébesluit toepassing gegeven aan artikel 5.16, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wet milieubeheer, omdat het project "A2 ’t Vonderen - Kerensheide" is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (hierna: NSL). Zo is het project opgenomen in de 9e NSL-melding van 31 mei
  46. Uit artikel 5.16, derde lid, van de Wet milieubeheer volgt dat in het geval de effecten van het project zijn verdisconteerd in het NSL, geen afzonderlijke beoordeling van de luchtkwaliteit hoeft plaats te vinden voor een in bijlage 2 van die wet opgenomen grenswaarde. Omdat het project is opgenomen in het NSL wordt namelijk geborgd dat het project voldoet aan de voor luchtkwaliteit geldende wet- en regelgeving. In het NSL is vastgelegd welke maatregelen moeten worden getroffen voor de luchtkwaliteit. De omstandigheid dat het voorziene tracé gevolgen kan hebben voor de luchtkwaliteit kan dan ook, gelet op artikel 5.16, eerste lid, aanhef en onder d, samen met het tweede lid, onder d, van de Wet milieubeheer, niet aan de vaststelling van het tracébesluit in de weg staan en dan ook niet tot vernietiging van het tracébesluit leiden. Het betoog slaagt niet. Conclusie
  47. Het beroep van [appellant sub 1] is ongegrond.
  48. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Het beroep van [appellante sub 2]
  49. [appellante sub 2] is gevestigd aan de [locatie 2] in Echt waar zij een uitvaartcentrum en crematorium exploiteert. Zij vreest dat het tracébesluit negatieve gevolgen heeft voor de geluidbelasting ter hoogte van haar bedrijfslocatie en de verkeersveiligheid op de Bellekeweg. Ook vreest zij hinder te ondervinden tijdens de uitvoering van het tracébesluit. Geluid
  50. In haar beroepschrift heeft [appellante sub 2] onder meer gesteld dat er in de beantwoording van haar zienswijze ten onrechte van is uitgegaan dat ter hoogte van haar bedrijfslocatie tweelaags ZOAB wordt gerealiseerd. Dit zou volgens [appellante sub 2] niet blijken uit het kaartmateriaal behorende bij het tracébesluit. Ter zitting heeft [appellante sub 2] naar aanleiding van het verweerschrift onderkend dat het tracébesluit ter hoogte van haar bedrijfslocatie wel voorziet in de realisatie van tweelaags ZOAB. Zij heeft haar beroepsgrond op dit punt daarom ter zitting ingetrokken.
  51. De beroepsgrond dat bij de vaststelling van het tracébesluit op het gebied van geluid onvoldoende rekening is gehouden met haar bedrijfsbelangen, heeft [appellante sub 2] niet ingetrokken. Zij wijst hierbij zowel op de geluidhinder tijdens de uitvoering van het tracébesluit als de geluidhinder na de uitvoering ervan. Het aspect geluidhinder tijdens de uitvoering van het tracébesluit komt in het onderstaande onder 16 apart aan de orde. Over de geluidhinder na de realisatie van het tracébesluit voert [appellante sub 2] het volgende aan. [appellante sub 2] wijst erop dat de A2 met afrit als gevolg van het tracébesluit verder opschuift richting haar bedrijfslocatie. Zij vreest dat zij hierdoor bij haar bedrijfslocatie meer geluidhinder zal ondervinden van het verkeer op de A
  52. Daarbij betoogt [appellante sub 2] dat hoewel haar bedrijfsgebouwen, afgezien van haar bedrijfswoning, geen geluidgevoelige objecten zijn in de zin van de Wet milieubeheer, haar bedrijfsvoering bestaande uit het houden van uitvaartdiensten en crematies wel degelijk als geluidgevoelig bestempeld moet worden. Door de toename aan geluidbelasting vanwege de verschuiving van de A2 met afrit richting haar bedrijfslocatie worden de uitvaartdiensten en crematies ernstig verstoord, aldus [appellante sub 2]. Hiermee heeft de minister in zijn belangenafweging volgens [appellante sub 2] ten onrechte geen rekening gehouden. 14.
  53. [appellante sub 2] gaat ervan uit dat als gevolg van de verschuiving van de A2 met afrit richting haar bedrijfslocatie de geluidbelasting ter hoogte van haar bedrijfslocatie zal toenemen in vergelijking met de huidige situatie. Deze aanname is gelet op het bij het tracébesluit gevoegde akoestisch onderzoek echter onjuist. Zoals [appellante sub 2] ter zitting heeft onderkend, voorziet het tracébesluit ter hoogte van haar bedrijfslocatie in een geluidbeperkende bronmaatregel in de vorm van geluidreducerend asfalt van het type tweelaags ZOAB, dan wel een asfalttype met akoestisch gelijkwaardige eigenschappen. Hierdoor zal gelet op de bijlagen A en B bij het akoestisch deelrapport Specifiek de geluidbelasting vanwege de A2 bij zowel de bedrijfswoning als de bedrijfsgebouwen van [appellante sub 2] worden verlaagd in vergelijking met de maximaal toegestane geluidbelasting in de huidige situatie. Zo is in bijlage A vermeld dat bij de bedrijfswoning van [appellante sub 2], in deze bijlage aangeduid als [locatie 3], de toegestane geluidbelasting in de huidige situatie 72 dB bedraagt. De geluidbelasting zal in de toekomstige situatie worden verlaagd naar 69 dB. In bijlage B bij het akoestisch deelrapport Specifiek is vermeld dat bij de bedrijfsgebouwen van [appellante sub 2] aan de [locatie 2] de geluidbelasting vanwege de A2 zal worden verlaagd van 69 dB naar, afhankelijk van het toetspunt, 65 dB dan wel 66 dB na uitvoering van het tracébesluit. [appellante sub 2] heeft de juistheid van deze geluidwaarden in haar beroepschrift niet bestreden. Wel heeft zij ter zitting gesteld dat mogelijk geen rekening is gehouden met piekgeluid, onder meer als gevolg van auto’s die soms over de wegmarkering dan wel over voegovergangen rijden, en met het verkeer op de afrit ter hoogte van haar bedrijfslocatie. Dit heeft [appellante sub 2] pas ter zitting aangevoerd en zij heeft ook niet nader geconcretiseerd of, en zo ja, in welke mate dergelijke piekgeluiden zich daadwerkelijk ter hoogte van haar bedrijfslocatie zullen voordoen. De Afdeling laat daarbij in het midden of deze piekgeluiden op basis van het RMG 2012 in het akoestisch onderzoek moeten worden meegenomen. Ook heeft [appellante sub 2] ter zitting uitsluitend gesteld dat in het akoestisch onderzoek mogelijk geen rekening is gehouden met het verkeer op de afrit nabij haar bedrijfslocatie, maar heeft zij niet onderbouwd waarop zij deze twijfel baseert. Die stelling strookt niet met de paragrafen 3.5.3 en 3.5.4 van het akoestisch deelrapport Algemeen, waar is toegelicht hoe en met welke rijsnelheden de tot de rijksweg behorende op- en afritten in het akoestisch rekenmodel zijn meegenomen. De Afdeling ziet daarom geen aanleiding aan de juistheid van de hiervoor genoemde geluidwaarden te twijfelen. 14.
  54. De geluidbelasting vanwege de A2 zal bij de bedrijfswoning en bedrijfsgebouwen van [appellante sub 2] dus verminderen in vergelijking met de situatie bij volledige benutting van de voorafgaand aan het tracébesluit geldende geluidproductieplafonds. Daarom volgt de Afdeling [appellante sub 2] niet in haar betoog dat de geluidbelasting na de uitvoering van het tracébesluit bij haar bedrijfslocatie zal verslechteren en dat op het gebied van geluid voor een beperking van haar bedrijfsvoering moet worden gevreesd. Van een onredelijke belangenafweging van de minister is op dit punt naar het oordeel van de Afdeling dan ook geen sprake. Het betoog slaagt niet. Verkeersveiligheid Bellekeweg
  55. [appellante sub 2] vreest ook dat na de uitvoering van het tracébesluit een verkeersonveilige situatie ontstaat op de Bellekeweg voor de bezoekers en leveranciers van het uitvaartcentrum en crematorium. Volgens haar wordt in de Nota van Antwoord ten onrechte gesteld dat in de nieuwe situatie na de uitvoering van het tracébesluit de afstand van de Bellekeweg tot haar bedrijf toeneemt. Hiervan is geen sprake ter hoogte van haar bedrijfsgebouwen waar zich de in- en uitritten voor haar bedrijf bevinden, aldus [appellante sub 2]. Zij stelt in dit verband dat als gevolg van de verbreding van de A2 het huidige talud langs de A2 ter hoogte van haar bedrijfsgebouwen wordt vervangen door schanskorven waarbij de huidige berm aan de zijde van de A2 verdwijnt. Dat heeft tot gevolg dat het verkeer niet meer in de berm kan uitwijken, wat bij in- en uitgaand verkeer vanaf de uitritten bij haar bedrijf tot gevaarlijke situaties zal leiden, aldus [appellante sub 2]. Ook stelt [appellante sub 2] dat zij vreest voor een toename van sluipverkeer op de Bellekeweg met verkeersonveilige situaties tot gevolg. Hiermee is bij de vaststelling van het tracébesluit eveneens ten onrechte geen rekening gehouden, aldus [appellante sub 2]. 15.
  56. Het is juist dat als gevolg van het tracébesluit de A2 met afrit verschuift richting de bedrijfslocatie van [appellante sub 2]. Dit betekent echter niet dat als gevolg van deze verschuiving op de aangrenzende Bellekeweg ter hoogte van de bedrijfslocatie van [appellante sub 2] geen uitwijkmogelijkheden meer zullen bestaan voor het verkeer op deze weg. In de nieuwe situatie zal het huidige schuine talud tussen de A2 en de Bellekeweg ter hoogte van de bedrijfslocatie van [appellante sub 2] worden vervangen door een keerwand van schanskorven. Dit is geborgd in tabel 12 van het tracébesluit, waar is vermeld dat de keerwand bij de aansluiting Echt van km 224.59 tot km 224.76 wordt uitgevoerd als schanskorf. Door het huidige schuine talud te vervangen door een keerwand ontstaat ruimte die in het tracébesluit is benut om de Bellekeweg ter hoogte van de aan de noordzijde van het bedrijf van [appellante sub 2] gelegen in- en uitrit verder van het bedrijf af te buigen. Hierdoor is de ruimte tussen de noordelijke uitrit van [appellante sub 2] en de Bellekeweg juist vergroot in plaats van verkleind, zo heeft de minister in het verweerschrift en ter zitting aan de hand van detailkaart 4 van het tracébesluit uitgelegd. Daarnaast heeft de minister er ter zitting op gewezen dat zich bij de punt van het bedrijfsgebouw van [appellante sub 2], waar het bedrijfsgebouw van [appellante sub 2] het dichtst op de Bellekeweg is gesitueerd, in de huidige situatie geen berm tussen de Bellekeweg en het bedrijfsgebouw bevindt. Door het toepassen van een keerwand in plaats van een schuin talud ontstaat ter plaatse ruimte en zal een nieuwe zijberm worden gerealiseerd, zoals ook is weergegeven op detailkaart 4 van het tracébesluit. De grotere afstand tussen de Bellekeweg en de noordelijke in- en uitrit van [appellante sub 2] en de nieuwe zijberm nabij het bedrijfsgebouw van [appellante sub 2] maken dat de Afdeling [appellante sub 2] niet volgt in haar betoog dat de uitwijkmogelijkheden ter hoogte van haar bedrijfslocatie dusdanig worden beperkt dat voor verkeersonveilige situaties moet worden gevreesd. Daarbij betrekt de Afdeling dat de minister in het verweerschrift heeft vermeld dat ook aan de zijde van de Bellekeweg grenzend aan de A2 tussen de schanskorf en de Bellekeweg - anders dan [appellante sub 2] stelt - nog wel een kleine zijberm zal resteren, waar het verkeer als dat nodig is deels kan uitwijken. Dit blijkt ook uit detailkaart 4 van het tracébesluit, waar deze zijberm langs de grondkerende constructie met een lichtgroene streep is aangeduid. 15.
  57. Daarnaast volgt de Afdeling [appellante sub 2] niet in haar betoog dat het verkeer op de Bellekeweg na de uitvoering van het tracébesluit dusdanig zal toenemen dat ook om die reden voor verkeersonveilige situaties op die weg moet worden gevreesd. Het sluipverkeer op het onderliggend wegennet, zoals de Bellekeweg, zal met een vaste derde rijstrook op de A2 juist afnemen vanwege een betere doorstroming van het verkeer op de A
  58. Dat heeft de minister vermeld in het verweerschrift en wordt bevestigd in het bij het tracébesluit behorende deelrapport Verkeer. Na de uitvoering van het tracébesluit zal in geval van bijvoorbeeld calamiteiten op de A2 mogelijk nog wel sprake zijn van sluiperverkeer op de Bellekeweg. Vanwege het incidentele karakter daarvan en omdat in het algemeen juist een verbetering optreedt qua sluipverkeer in vergelijking met de huidige situatie, heeft dit voor de minister geen reden gevormd voor het treffen van aanvullende verkeerveiligheidsmaatregelen op de Bellekeweg. De Afdeling ziet geen aanleiding dit standpunt van de minister onredelijk te achten. 15.
  59. De betogen slagen niet. Hinder tijdens de uitvoeringsfase
  60. [appellante sub 2] vreest verder dat zij tijdens de uitvoering van het tracébesluit ernstige overlast zal ondervinden in de vorm van geluid-, trilling- en stofhinder en ook dat haar bedrijfslocatie slecht bereikbaar zal zijn. Zij stelt dat het onwenselijk is dat uitvaartdiensten worden verstoord door onder meer geluid- en trillinghinder. Ook is het volgens [appellante sub 2] van belang dat het uitvaartcentrum en crematorium zeven dagen per week toegankelijk blijven vanwege rouwbezoeken. Zij vreest dat wanneer de Bellekeweg tijdens de uitvoeringsfase wordt opengebroken om deze weg te kunnen verleggen, zij gedurende lange tijd niet bereikbaar zal zijn. Volgens [appellante sub 2] hadden in het tracébesluit zelf maatregelen moeten worden voorgeschreven om overlast voor haar bedrijfsvoering tijdens de uitvoering van de werken zo veel mogelijk te voorkomen. 16.
  61. De gevolgen voor de bereikbaarheid en de overige door [appellante sub 2] genoemde punten over hinder zijn uitvoeringsaspecten. Deze en eventuele maatregelen ter beperking van hinder tijdens de uitvoeringswerkzaamheden hoeven niet in het tracébesluit te worden geregeld, maar in de overeenkomsten die de minister sluit met de uitvoerders en in de vergunningen die voor de uitvoering van het tracébesluit nog verleend moeten worden. Deze aspecten dienen wel in de belangafweging te worden betrokken (vergelijk onder meer de uitspraken van de Afdeling van 27 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:596, overweging 24.2, en 26 april 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1141, overwegingen 77.1, 79.1 en 80.1). 16.
  62. In de Nota van Antwoord bij het tracébesluit is vermeld dat de bereikbaarheid van percelen tijdens de uitvoeringswerkzaamheden wordt gegarandeerd. Op de zitting heeft de minister dit bevestigd door te verklaren dat de bedrijfslocatie van [appellante sub 2] tijdens de uitvoering van het tracébesluit bereikbaar zal blijven. Ook heeft de minister op de zitting vermeld zich bewust te zijn van de aard van de bedrijfsactiviteiten van [appellante sub 2] en van de noodzaak om hinder tijdens de uitvoering van het tracébesluit bij de bedrijfslocatie van [appellante sub 2] zo veel mogelijk te beperken. De minister heeft daarom op de zitting nadrukkelijk verklaard dat hierover met de uitvoerend aannemer afspraken zullen worden gemaakt. Zoals hiervoor onder 16.1 is overwogen, is anders dan [appellante sub 2] stelt, niet vereist dat dergelijke afspraken in het tracébesluit worden neergelegd. 16.
  63. Het voorgaande betekent dat de minister in zijn belangenafweging rekening heeft gehouden met de aard van de bedrijfsactiviteiten van [appellante sub 2]. Er kunnen en zullen maatregelen worden getroffen om de bereikbaarheid van de bedrijfslocatie van [appellante sub 2] te garanderen en overige hinder tijdens de uitvoeringsfase voor [appellante sub 2] zo veel mogelijk te beperken. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de uitvoeringswerkzaamheden voor [appellante sub 2] tot dusdanige hinder zullen leiden dat de minister het tracébesluit niet in redelijkheid heeft kunnen vaststellen. In dit verband wijst de Afdeling erop dat voor eventuele schade vanwege de uitvoering van het tracébesluit een verzoek om nadeelcompensatie bij de minister kan worden ingediend, zoals ook is vermeld in artikel 17, eerste lid, van het tracébesluit. De "Beleidsregel nadeelcompensatie Infrastructuur en Waterstaat 2019" bevat hiervoor een regeling. Het betoog over de hinder tijdens de uitvoeringsfase slaagt niet. Overige beroepsgrond
  64. [appellante sub 2] heeft tot slot in een nader stuk van 25 november 2020 het nut en de noodzaak van het tracébesluit bestreden. Daarbij heeft [appellante sub 2] verwezen naar de Achtergrondrapportage ‘Monitoring mobiliteit en vervoer’ van 18 november 2020, waaruit volgens [appellante sub 2] blijkt dat sinds de uitbraak van het coronavirus COVID-19 het autoverkeer dusdanig is afgenomen dat het nut en de noodzaak van het tracébesluit inmiddels zijn achterhaald. 17.
  65. Zoals hiervoor onder 2 is overwogen, is op het tracébesluit afdeling 2 van de Chw van toepassing. In deze afdeling is in artikel 1.6a bepaald dat na afloop van de termijn voor het instellen van beroep geen beroepsgronden meer kunnen worden aangevoerd. 17.
  66. [appellante sub 2] heeft het nut en de noodzaak van het tracébesluit niet in haar beroepschrift bestreden. Haar nadere stuk van 25 november 2020 bevat in zoverre een nieuwe beroepsgrond waartegen artikel 1.6a van de Chw zich verzet. Daarnaast wijst de Afdeling erop dat het besluit tot vaststelling van het tracébesluit wordt getoetst aan de hand van de feiten zoals die zich voordeden en het recht dat gold ten tijde van het nemen van dat besluit. De achtergrondrapportage van 18 november 2020 waarnaar [appellante sub 2] verwijst, is na de vaststelling van het tracébesluit tot stand gekomen. Ook om die reden kan hetgeen [appellante sub 2] over deze rapportage heeft gesteld niet worden betrokken in de beoordeling. De Afdeling laat de beroepsgrond van [appellante sub 2] over het nut en de noodzaak van het tracébesluit daarom verder buiten bespreking. Conclusie
  67. Het beroep van [appellante sub 2] is ongegrond.
  68. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Het beroep van [appellante sub 3] en anderen
  69. Het beroep van [appellante sub 3] en anderen is ingediend namens [appellante sub 3], [appellante sub 3A] en [appellante sub 3B] [appellante sub 3] is eigenaresse van het perceel gelegen aan de [locatie 4] in Echt. [appellante sub 3A] is eigenaresse van het perceel [locatie 5] in Echt en het daaraan grenzende perceel met het kadastrale nummer
  70. [appellante sub 3B] huurt het pand aan de [locatie 5] van [appellante sub 3A] en exploiteert ter plaatse haar bedrijf.
  71. In het tracébesluit is een geluidscherm voorzien aan de oostzijde van de A2 van km 223.91 tot km 224.30 met een hoogte van 3 m. Het is een niet-transparant scherm dat aan beide zijden absorberend wordt uitgevoerd. Het geluidscherm was nog niet voorzien in het ontwerptracébesluit. [appellante sub 3] en anderen kunnen zich niet met de realisatie van het geluidscherm verenigen, omdat zij vrezen dat het geluidscherm tot gevolg heeft dat hun bedrijfspanden niet meer zichtbaar zijn vanaf de A
  72. Over dit geluidscherm brengen [appellante sub 3] en anderen de volgende beroepsgronden naar voren. Noodzaak van het geluidscherm in het licht van de in de Wet milieubeheer neergelegde wettelijke verplichtingen
  73. [appellante sub 3] en anderen twijfelen aan de noodzaak van het geluidscherm dat ter hoogte van hun bedrijfslocaties is voorzien. Zij hebben in dit verband ter onderbouwing een notitie van Lievense Adviseurs en Ingenieurs van 29 januari 2020 overgelegd (hierna: de notitie van Lievense). In de notitie van Lievense wordt erop gewezen dat uit paragraaf 5.3.3 van het akoestisch deelrapport Specifiek blijkt dat het geluidscherm dat ter hoogte van de bedrijfslocaties van [appellante sub 3] en anderen wordt gerealiseerd nodig is om bij zes objecten aan de Loperweg de geluidbelasting vanwege de A2 te beperken tot de in artikel 11.59 van de Wet milieubeheer vermelde saneringsstreefwaarde van 60 dB. Volgens Lievense bestaat voor deze zes objecten echter geen verplichting om te onderzoeken of de geluidbelasting kan worden beperkt tot de saneringsstreefwaarde. De notitie verwijst naar paragraaf 4.3 van het akoestisch deelrapport Specifiek, waar is vermeld dat op grond van bijlage 2 van het Besluit geluid milieubeheer langs de A2 tussen km 221,70 en km 242,50 geen sprake meer is van een verplichting tot het opstellen van een saneringsprogramma voor saneringsobjecten, zoals bedoeld in artikel 11.57, eerste lid, onder a en b, van de Wet milieubeheer. Dit komt omdat hier in het verleden het tracébesluit Sint Joost-Urmond en het wegaanpassingsbesluit Maasbracht-Geleen zijn uitgevoerd. De wettelijk verplichte sanering is blijkens het akoestisch deelrapport Specifiek voor het te wijzigen deel van de A2 dan ook al afgerond, zo wordt gesteld in de notitie van Lievense. 22.
  74. De stelling van [appellante sub 3] en anderen dat het geluidscherm wordt gerealiseerd om bij zes objecten aan de Loperweg de geluidbelasting vanwege de A2 te beperken tot de saneringsstreefwaarde van 60 dB, is feitelijk juist. Dit volgt uit paragraaf 5.3.3 van het akoestisch deelrapport Specifiek. Tussen partijen is niet in geschil dat hiertoe op basis van de saneringsregeling in de Wet milieubeheer geen wettelijke verplichting bestaat. De Afdeling verwijst hierbij ter nadere toelichting naar artikel 11.42, eerste lid, van de Wet milieubeheer. Daarin is bepaald dat het tweede lid van toepassing is indien de wijziging van het geluidproductieplafond in het kader van het tracébesluit betrekking heeft op een weg waarvoor de beheerder op grond van artikel 11.56, eerste lid, een verzoek tot vaststelling van een saneringsplan moet doen. Het tweede lid houdt in dat het geluidproductieplafond op een zodanige waarde wordt vastgesteld dat op saneringsobjecten de geluidbelasting vanwege de weg niet hoger is dan de in artikel 11.59, eerste lid, vermelde saneringstreefwaarde van 60 dB. In dit geval is de minister op grond van artikel 11.56, eerste lid, hiertoe echter niet verplicht. Dit volgt uit artikel 11.56, tweede lid, gelezen in samenhang met artikel 11.45, tweede lid, van de Wet milieubeheer alsmede gelezen in samenhang met artikel 38, vijfde lid, aanhef en onder a, van het Besluit geluid milieubeheer en bijlage 2 bij het Besluit geluid milieubeheer, in welke bijlage is vermeld dat voor de rijksweg A2 van km 221,70 tot km 242,50 artikel 11.56 van de Wet milieubeheer niet van overeenkomstige toepassing is. In paragraaf 4.3 van het akoestisch deelrapport Specifiek is vermeld dat er voor dit weggedeelte geen verplichting meer is voor het opstellen van een saneringsprogramma, omdat hier in het verleden al het tracébesluit Sint Joost-Urmond en het wegaanpassingsbesluit Maasbracht-Geleen zijn uitgevoerd. 22.
  75. Toch heeft de minister de zes objecten gelegen aan de Loperweg in het akoestisch onderzoek behorende bij het tracébesluit wel beschouwd als saneringsobjecten. Hij heeft onderzocht of de geluidbelasting vanwege de A2 bij deze objecten kan worden beperkt tot de saneringsstreefwaarde van 60 dB. De reden hiervoor is dat de zes objecten aan de Loperweg, hoewel ze voldoen aan de voorwaarden die artikel 11.57 van de Wet milieubeheer aan saneringsobjecten stelt, per abuis in het tracébesluit Sint Joost-Urmond en het wegaanpassingsbesluit Maasbracht-Geleen niet als saneringsobjecten zijn aangemerkt. Dit staat in paragraaf 5.3.2 van het akoestisch deelrapport Specifiek. Dat de zes objecten aan de Loperweg wel saneringsobjecten zijn, blijkt uit de hoge geluidbelasting die vanwege de A2 bij deze objecten wordt ondervonden. De geluidbelasting vanwege de A2 varieert gelet op bijlage A bij het akoestisch deelrapport Specifiek in de huidige situatie bij volledige benutting van de voorafgaand aan het tracébesluit geldende geluidproductieplafonds tussen de 64 dB en 69 dB. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Echt-Susteren heeft in zijn zienswijze aandacht gevraagd voor de geluidsituatie bij de woningen aan de Loperweg en de wens geuit om ook voor de bewoners van deze woningen een acceptabel woon- en leefklimaat te creëren. Voor de minister is de hoge geluidbelasting onder meer vanwege die zienswijze de reden geweest om de desbetreffende zes objecten aan de Loperweg in het kader van dit tracébesluit toch als saneringsobjecten te beschouwen. Hij heeft onderzoek gedaan naar geluidbeperkende maatregelen om de geluidbelasting vanwege de A2 bij deze objecten te kunnen beperken tot de saneringsstreefwaarde van 60 dB. Het in het tracébesluit opgenomen geluidscherm ter hoogte van de bedrijfslocaties van [appellante sub 3] en anderen bewerkstelligt blijkens bijlage A bij het akoestisch deelrapport Specifiek dat de saneringstreefwaarde bij alle zes objecten wordt bereikt. 22.
  76. De minister heeft de mogelijkheid om, ook al verplicht de Wet milieubeheer daar niet toe, in het tracébesluit aanvullende geluidbeperkende maatregelen te treffen. De keuze van de minister om daar in dit geval wat betreft de zes objecten aan de Loperweg toe over te gaan, is, gezien de hoge geluidbelasting bij deze objecten en de omstandigheid dat deze objecten abusievelijk in eerdere besluiten niet als saneringsobjecten zijn meegenomen, op zichzelf beschouwd niet onredelijk. Dit neemt echter niet weg dat de minister daarbij wel rekening moet houden met de belangen van derden, zoals de bedrijfsbelangen van [appellante sub 3] en anderen. Of de minister daar in dit geval ook voldoende rekening mee heeft gehouden en of de belangenafweging die de minister daarbij heeft gemaakt niet onredelijk kan worden geacht, zal de Afdeling in het onderstaande beoordelen. Alternatieven
  77. Voordat de Afdeling de belangenafweging van de minister beoordeelt, gaat de Afdeling in op de alternatieven die [appellante sub 3] en anderen hebben aangedragen, waarmee de geluidbelasting bij de zes objecten aan de Loperweg ook kan worden gereduceerd en waarbij het zicht op hun bedrijfslocaties zo veel mogelijk behouden blijft. Alternatief in de vorm van een snelheidsverlaging
  78. [appellante sub 3] en anderen betogen dat de minister ten onrechte uitsluitend de mogelijkheid van een geluidscherm heeft onderzocht. Andere, minder ingrijpende, alternatieven zijn volgens hen niet in kaart gebracht. In dit verband wijzen zij op het positieve effect van de snelheidsverlaging als gevolg van de Spoedwet aanpak stikstof. In de door [appellante sub 3] en anderen overgelegde notitie van Lievense is op dit punt gesteld dat een verlaging van de maximumsnelheid op snelwegen naar 100 km/uur tot een lagere geluidbelasting van het verkeer leidt, waardoor minder vergaande geluidbeperkende maatregelen kunnen worden getroffen. 24.
  79. Uit het akoestisch deelrapport Specifiek blijkt dat ook onderzoek is gedaan naar andere geluidbeperkende maatregelen ter hoogte van de zes objecten aan de Loperweg. Zo zijn de effecten onderzocht van de toepassing van uitsluitend tweelaags ZOAB. Uit bijlage C bij het akoestisch deelrapport Specifiek blijkt dat deze maatregel ontoereikend is om de geluidbelasting bij de zes aan de orde zijnde objecten aan de Loperweg te reduceren tot de saneringsstreefwaarde van 60 dB. Ook is de mogelijkheid onderzocht van een lager geluidscherm, namelijk van 2 m hoog, maar ook dat is volgens bijlage C onvoldoende gebleken om de geluidbelasting te reduceren tot de saneringsstreefwaarde. De opvatting van [appellante sub 3] en anderen dat de minister uitsluitend de mogelijkheid van het in het tracébesluit opgenomen geluidscherm heeft onderzocht, deelt de Afdeling dan ook niet. 24.
  80. Evenmin volgt de Afdeling [appellante sub 3] en anderen in hun stelling dat de snelheidsverlaging tot 100 km/uur in het kader van de Spoedwet aanpak stikstof een zodanige geluidreductie veroorzaakt dat in dit geval voor een minder vergaande geluidbeperkende maatregel had kunnen worden gekozen. De Afdeling verwijst in dit verband naar het verweerschrift, waarin de minister stelt dat een dergelijke snelheidsverlaging slechts een gering effect zal hebben op de etmaalgemiddelde geluidbelasting bij de woningen aan de Loperweg. De etmaalgemiddelde geluidbelasting zal bij een lagere maximumsnelheid in de dagperiode volgens de minister namelijk ongeveer met een halve dB afnemen, wat in de maatregelafweging niet tot een andere doelmatige variant zou hebben geleid. De Afdeling ziet in het aangevoerde geen aanleiding het vermelde in het verweerschrift in zoverre niet te volgen. Daarbij verwijst de Afdeling naar bijlage A bij het akoestisch deelrapport Specifiek, waaruit blijkt dat de geluidbelasting vanwege de A2 bij de zes objecten aan de Loperweg in de huidige situatie varieert tussen de 64 dB en 69 dB. De geluidbelasting wordt in de situatie na uitvoering van het tracébesluit en zonder nieuwe geluidbeperkende maatregelenverhoogd naar tussen de 66 dB en 71 dB. Gelet op deze hoge geluidbelasting is een aanzienlijke geluidreductie nodig om de saneringsstreefwaarde van 60 dB te kunnen behalen. [appellante sub 3] en anderen hebben geen omstandigheden aangedragen op grond waarvan moet worden getwijfeld aan de stelling van de minister dat een lagere maximumsnelheid, gezien de aanzienlijke geluidreductie die nodig is, in de maatregelafweging niet tot een andere doelmatige variant zou hebben geleid. Het betoog slaagt niet. Alternatieve situering en vormgeving van het geluidscherm
  81. [appellante sub 3] en anderen hebben voorafgaand aan de zitting een notitie van DGMR van 25 november 2020 (hierna: de notitie van DGMR) overgelegd. In deze notitie zijn drie varianten voor het geluidscherm opgenomen waarmee het zicht op de bedrijfslocaties van [appellante sub 3] en anderen vanaf de A2 zoveel mogelijk behouden blijft. In het onderstaande zal de Afdeling de aangedragen drie varianten bespreken. - Eerste variant: inkorten en gedeeltelijke haakse situering van het geluidscherm
  82. Bij de eerste variant komt het deel van het geluidscherm dat in het tracébesluit voor de bedrijfspanden van [appellante sub 3] en anderen is gesitueerd te vervallen en wordt in plaats daarvan het geluidscherm ter hoogte van het perceel van [appellante sub 3A] aan de [locatie 5] haaks afgebogen en voor enkele tientallen meters haaks op dit perceel gesitueerd tot aan het bedrijfsgebouw dat zich op dit perceel bevindt. Het haakse deel van het scherm heeft een hoogte van minimaal 8 m ten opzichte van het maaiveld, zo staat in de notitie van DGMR. 26.
  83. Op de zitting heeft de minister uitgelegd dat er drie redenen zijn waarom hij de realisatie van de eerste variant niet wenselijk acht. Allereerst loopt het geluidscherm bij de eerste variant niet volledig parallel langs de A2, maar aan het einde buigt deze haaks af over een lengte van enkele tientallen meters en dat past volgens de minister niet bij de visie over de gewenste landschappelijke inpassing van het nieuwe tracé, waarbij alle geluidschermen zo veel mogelijk parallel langs de A2 als begroeide rechte schermen dienen te worden uitgevoerd. Daarnaast heeft de minister gewezen op de praktische bezwaren bij het beheer en onderhoud van het geluidscherm wanneer het scherm gedeeltelijk midden op het perceel van derden wordt gerealiseerd. Volgens de minister kunnen nog extra complicaties ontstaan wanneer de eigendomssituatie van dat perceel verandert. Tot slot heeft de minister erop gewezen dat het deel van het geluidscherm dat zich in het tracébesluit ter hoogte van de bedrijfslocaties van [appellante sub 3] en anderen bevindt ook een gedeeltelijke geluidafschermende werking heeft voor andere woningen aan de Loperweg en de Bellekeweg. Wanneer dit deel van het geluidscherm niet wordt gerealiseerd zal de geluidbelasting bij deze nabijgelegen woningen toenemen. 26.
  84. De Afdeling acht de door de minister naar voren gebrachte redenen niet onredelijk. De omstandigheid dat volgens [appellante sub 3] en anderen het geluidscherm ook in de situatie zoals die is opgenomen in het tracébesluit gedeeltelijk op hun gronden moet worden gerealiseerd, vormt voor de Afdeling geen aanleiding voor een ander oordeel. Uitgaande van de juistheid van deze stelling, betreft dit een strook grond parallel aan de A2 die eventueel door het Rijk in eigendom kan worden verworven. Complexer en daarmee niet vergelijkbaar is de situatie met een scherm op een strook grond die enkele tientallen meters midden op het bedrijfsterrein van [appellante sub 3A] is gelegen en waarbij het geluidscherm wordt verbonden met het bedrijfsgebouw dat zich op dit perceel bevindt. - Tweede variant: inkorten geluidscherm vanwege nieuw bedrijfspand op het perceel [locatie 6]
  85. Bij de tweede variant wordt het geluidscherm nog verder ingekort, waarbij het geluidscherm vervolgens niet haaks op het perceel [locatie 5], maar haaks op het perceel [locatie 6] wordt gesitueerd. Bij dit alternatief is in de notitie van DGMR gerekend met de geluidafschermende werking van een mogelijk nieuw bedrijfspand op het perceel [locatie 6]. In hun nadere memorie hebben [appellante sub 3] en anderen uitgelegd dat het perceel [locatie 6] ook eigendom is van [appellante sub 3A] en dat zij van plan is ter plaatse een arcade outlet te realiseren, waarvoor een bedrijfspand met een hoogte van ongeveer 9 m zal worden gerealiseerd. 27.
  86. Naast de omstandigheid dat hierbij wordt uitgegaan van een gedeeltelijk haaks scherm, net zoals bij de eerste variant, met dezelfde bezwaren, hebben [appellante sub 3] en anderen ook niet onderbouwd dat voor het nieuwe bedrijfspand op het perceel [locatie 6] al een omgevingsvergunning is verleend, en zo ja, wanneer dit pand daadwerkelijk wordt gerealiseerd. Van de minister kan niet worden verlangd dat hij in zijn akoestisch onderzoek rekening houdt met het geluidwerende effect van een dergelijke onzekere ontwikkeling. Het standpunt van de minister dat ook het tweede alternatief geen reëel alternatief vormt, acht de Afdeling daarom evenmin onredelijk. - Derde variant: gedeeltelijk transparant scherm
  87. Tot slot wordt in de notitie van DGMR als derde variant de mogelijkheid vermeld om het geluidscherm over een lengte van minimaal 150 m (deels) transparant uit te voeren. [appellante sub 3] en anderen stellen op dit punt in hun nadere memorie dat zij de toelichting van de minister dat het geluidscherm aan beide zijden geluidabsorberend en daarmee niet transparant moet worden uitgevoerd vanwege de reflectie van het geluid van het nabijgelegen industrieterrein, niet kunnen volgen. Anders dan de minister stelt, hoeft volgens [appellante sub 3] en anderen geen vrees te bestaan voor reflectie van industriegeluid. De bedrijven die achter het geluidscherm zijn gelegen, namelijk de bedrijven van [appellante sub 3] en anderen, zijn volgens hen namelijk geen grote lawaaimakers. Daarbij wijzen zij op een akoestisch onderzoek dat is opgesteld dat ten behoeve van het bedrijf dat is gevestigd op hun perceel aan de [locatie 5]. 28.
  88. In het verweerschrift en op de zitting heeft de minister gesteld dat het noodzakelijk is dat het geluidscherm ter hoogte van de bedrijfslocaties van [appellante sub 3] en anderen aan beide zijden geluidabsorberend wordt uitgevoerd, wat niet mogelijk is bij een (deels) transparant scherm. De discussie tussen partijen spitst zich op dit punt toe op de onderbouwing die de minister heeft gegeven voor de noodzaak om het geluidscherm in dit geval aan beide kanten geluidabsorberend uit te voeren. Hierover overweegt de Afdeling het volgende. Op de zitting heeft de minister erop gewezen dat zowel aan de oost- als aan de westkant van de A2 ter hoogte van de bedrijfslocaties van [appellante sub 3] en anderen het bedrijventerrein De Loop is gelegen. Dit heeft volgens de minister tot gevolg dat zowel op de voor- als op de achterkant van het geluidscherm industriegeluid van het bedrijventerrein reflecteert. Deze reflectie kan volgens de minister alleen worden voorkomen door het geluidscherm aan beide kanten geluidabsorberend en daarmee niet-transparant uit te voeren. Dat volgens [appellante sub 3] en anderen hun bedrijven akoestisch nauwelijks relevant zijn en daarom voor reflectie van industriegeluid niet hoeft te worden gevreesd, vormt voor de Afdeling geen aanleiding het standpunt van de minister in zoverre niet te volgen. Naast de bedrijven van [appellante sub 3] en anderen zijn op het industrieterrein aan zowel de oost- als aan de westkant van het tracé immers meer bedrijven gevestigd, waarvan het geluid op het geluidscherm kan reflecteren. De Afdeling verwijst hierbij ter illustratie naar het hierna te bespreken beroep van het eveneens op het bedrijventerrein De Loop gevestigde bedrijf van [appellante sub 4] Uit de hierna opgenomen overweging 37.1 blijkt dat voor het voorkomen van negatieve gevolgen voor de beschikbare geluidruimte van dit bedrijf een aan weerszijden absorberend geluidscherm noodzakelijk is. Door de aanwezigheid van verschillende bedrijven aan weerszijden van het geluidscherm zal er sprake zijn van geluidreflectie met mogelijk negatieve effecten voor de geluidruimte van deze bedrijven tot gevolg. Daarom ziet de Afdeling geen aanleiding de keuze van de minister om het geluidscherm aan beide kanten geluidabsorberend en daarmee niet transparant uit te voeren, onredelijk te achten. Conclusie alternatieven
  89. Gelet op het vorenstaande concludeert de Afdeling dat wat [appellante sub 3] en anderen hebben aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat de minister bij de vaststelling van het tracébesluit mogelijke alternatieven voor het geluidscherm onvoldoende in zijn belangenafweging heeft betrokken. De betogen van [appellante sub 3] en anderen op dit punt slagen niet. Bedrijfsbelangen van [appellante sub 3] en anderen en overige gevolgen van het geluidscherm voor de omgeving
  90. Resteert de vraag of de minister in zijn algehele afweging van belangen de bedrijfsbelangen van [appellante sub 3] en anderen op een redelijke wijze heeft afgewogen tegen de belangen die met de realisatie van het geluidscherm zijn gediend en of de minister daarbij ook voldoende rekening heeft gehouden met de overige gevolgen van het geluidscherm voor de omgeving. Wat betreft hun bedrijfsbelangen betogen [appellante sub 3] en anderen dat het voor hun bedrijfsvoering van essentieel belang is dat hun bedrijfslocaties zichtbaar zijn vanaf de A
  91. Zo stelt [appellante sub 3A] dat zij haar gronden aan de Loperweg heeft gekocht om ter plaatse vanwege de perfecte zichtlocatie een nieuw hoofkantoor te realiseren. Als zij vooraf had geweten dat ter hoogte van het hoofdkantoor een geluidscherm zou worden geplaatst, dan had zij het hoofdkantoor waarschijnlijk op een andere locatie gerealiseerd dan wel gekozen voor een minder hoogwaardig ontwerp van het hoofdkantoor. Ook wijst [appellante sub 3A] op haar plannen om op het braakliggende gedeelte van haar gronden een arcade outlet te realiseren, waar bezoekers games kunnen spelen. Hiervoor is zichtbaarheid vanaf de A2 eveneens van cruciaal belang, aldus [appellante sub 3A] Daarnaast stelt ook [appellante sub 3] dat de zichtbaarheid van haar bedrijfslocatie van groot belang is. Zij exploiteert op haar gronden aan de Loperweg een carwash met subway, die veel wordt bezocht door mensen die haar bedrijfslocatie zien vanaf de snelweg. Over de overige gevolgen van het geluidscherm voor de omgeving, betogen [appellante sub 3] en anderen dat het scherm het stedenbouwkundig beeld van Echt vanaf de A2 ingrijpend zal veranderen, omdat na de realisatie van het geluidscherm geen zicht meer zal bestaan op het bedrijventerrein De Loop en de daarachter gelegen centrumbebouwing van Echt. 30.
  92. Uit het verweerschrift blijkt dat de minister in zijn belangenafweging rekening heeft gehouden met de zichtbaarheidsbelangen van [appellante sub 3] en anderen. Hij heeft aan deze belangen een minder zwaar gewicht toegekend dan aan de belangen die gemoeid zijn met de reductie van de huidige hoge geluidbelasting bij de nabijgelegen objecten aan de Loperweg. Hierbij heeft de minister van belang geacht dat de bedrijfslocaties van [appellante sub 3] en anderen in planologische zin geen zichtlocatie zijn, omdat het bestemmingsplan "De Loop 2012, 1e herziening" binnen de aan de bedrijfslocaties van [appellante sub 3] en anderen grenzende bestemming "Verkeer" al de realisatie van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mogelijk maakt met een bouwhoogte van 5 m. 30.
  93. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de minister bij zijn keuze om tot realisatie van het geluidscherm over te gaan in redelijkheid van belang kunnen achten dat het ter plaatse geldende bestemmingsplan al bouwwerken toestaat met een bouwhoogte van 5 m en dat het geluidscherm in het tracébesluit met een hoogte van 3 m hier nog ruim onder blijft. De Afdeling verwijst hierbij ter vergelijking naar haar uitspraak van 26 augustus 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2053, overwegingen 33.7 en 38.4, over het tracébesluit "A27 Houten-Hooipolder". Daarin heeft de minister bij zijn keuze voor de realisatie van een nieuw geluidscherm en de gevolgen daarvan voor nabijgelegen bedrijven op vergelijkbare wijze betekenis toegekend aan de bouwmogelijkheden in het ter plaatse geldende bestemmingsplan. De minister heeft, ook al verplicht de saneringsregeling in de Wet milieubeheer daartoe in dit geval niet, naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid kunnen besluiten om tot realisatie van het geluidscherm over te gaan. Dit vanwege de al bestaande planologische bouwmogelijkheden en de aanzienlijke reductie van de hoge geluidbelasting bij een aantal objecten aan de Loperweg. 30.
  94. Ook ziet de Afdeling geen aanleiding [appellante sub 3] en anderen te volgen in hun betoog dat het geluidscherm een zodanige aantasting van het stedenbouwkundig beeld van Echt tot gevolg heeft dat de minister ook om die reden niet in redelijkheid voor de realisatie van het geluidscherm heeft kunnen kiezen. Zo zal het geluidscherm, anders dan [appellante sub 3] en anderen stellen, niet tot gevolg hebben dat in het geheel geen zicht meer bestaat op het bedrijventerrein De Loop. Het bedrijventerrein bevindt zich immers ook nog aan de andere zijde van de A
  95. Daarnaast bestaat vanwege de bedrijfsbebouwing op het industrieterrein, in de huidige situatie voor een deel al beperkt zicht vanaf de A2 op de achter het toekomstige geluidscherm gelegen centrumbebouwing van Echt. De Afdeling ziet daarom geen aanleiding om het standpunt van de minister dat er geen overwegende bezwaren van stedenbouwkundige of landschappelijke aard zijn die zich tegen de realisatie van het geluidscherm verzetten, onredelijk te achten. 30.
  96. De betogen slagen niet. Bomenrij bij het geluidscherm
  97. [appellante sub 3] en anderen wijzen erop dat in de Nota van Antwoord is vermeld dat het geluidscherm dat ter hoogte van hun bedrijfspercelen wordt gerealiseerd, zal worden afgeschermd met een bomenrij. Dit is volgens [appellante sub 3] en anderen echter niet geregeld in het tracébesluit. Zij verwijzen hierbij naar tabel 12 van het tracébesluit, waarin is vermeld dat aan de oostzijde van de A2 bij Echt een bomenrij wordt aangeplant van km 223.80 tot km 224.
  98. Het geluidscherm loopt ter hoogte van hun bedrijfslocaties echter door tot km 224.30, waardoor niet is geborgd dat ook ter hoogte van de laatste 150 m van het geluidscherm een bomenrij wordt aangeplant, aldus [appellante sub 3] en anderen. Daarnaast is volgens [appellante sub 3] en anderen onduidelijk hoe hoog de bomen zullen worden. 31.
  99. In artikel 12, eerste lid, onder g, van het tracébesluit is bepaald dat de in tabel 12 van het tracébesluit opgenomen maatregelen worden gerealiseerd ten behoeve van de landschappelijke en stedenbouwkundige inpassing van het tracé. In tabel 12 is onder meer vermeld dat een bomenrij zal worden aangeplant langs de keerwand aan de oostzijde van de A2 bij Echt van km 223.80 tot km 224.
  100. 31.
  101. Ter zitting heeft de minister bevestigd dat de bomenrij die zal worden aangeplant aan de oostzijde van de A2 bij Echt loopt van km 223.80 tot km 224.30 en dat gelet hierop in tabel 12 van het tracébesluit als eindpunt van de bomenrij niet km 224.15, maar km 224.30 had moeten worden vermeld. Omdat de minister in zoverre niet heeft geregeld wat hij heeft beoogd, is het tracébesluit wat betreft dit onderdeel niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid. Het betoog van [appellante sub 3] en anderen slaagt in zoverre. 31.
  102. Over de bomenrij heeft de minister verder in het verweerschrift vermeld dat de bomen bij aanplant een hoogte zullen hebben die ongeveer gelijk is aan die van het geluidscherm en dat de bomen na de aanplant zullen worden onderhouden en in toom zullen worden gehouden in verband met schaduwwerking in de achterliggende tuinen. Deze wijze van vormgeving en onderhoud van de bomenrij betreft een uitvoeringsaspect dat niet in het tracébesluit hoeft te worden geregeld. Het betoog slaagt in zoverre niet. Overige beroepsgrond
  103. [appellante sub 3] en anderen hebben evenals [appellante sub 2] in hun nadere memorie van 25 november 2020 het nut en de noodzaak van het tracébesluit bestreden onder verwijzing naar de Achtergrondrapportage ‘Monitoring mobiliteit en vervoer’ van 18 november 2020, uit welke achtergrondrapportage volgens hen blijkt dat sinds de uitbraak van het coronavirus COVID-19 het autoverkeer dusdanig is afgenomen dat het nut en de noodzaak van het tracébesluit inmiddels zouden zijn achterhaald. De Afdeling laat deze beroepsgrond om dezelfde redenen als die hiervoor onder 17.2 bij het beroep van [appellante sub 2] zijn vermeld, buiten inhoudelijke bespreking. Conclusie
  104. Gelet op wat hiervoor onder 31.2 is overwogen, is het beroep van [appellante sub 3] en anderen gegrond. Het tracébesluit dient wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) te worden vernietigd, voor zover in tabel 12 van het tracébesluit is bepaald dat de bomenrij aan de oostzijde van de A2 bij Echt eindigt bij km 224.
  105. De Afdeling zal in het onderstaande onder 105 na bespreking van alle andere beroepen beoordelen of aanleiding bestaat om op dit punt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb zelf in de zaak te voorzien.
  106. Omdat het beroep gegrond is, dient de minister ten aanzien van [appellante sub 3] en anderen tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. Deze proceskosten zijn vermeld in de beslissing aan het einde van de uitspraak. Het beroep van [appellante sub 4]
  107. [appellante sub 4] is gevestigd aan de [locatie 7] in Echt. [appellante sub 4] kan zich evenals [appellante sub 3] en anderen niet verenigen met het geluidscherm aan de oostzijde van de A2 van km 223.91 tot km 224.30, omdat dit geluidscherm ook ter hoogte van haar bedrijfslocatie zal worden gerealiseerd. Reden voor de realisatie van het geluidscherm en de gevolgen voor de zichtbaarheid van de bedrijfslocatie
  108. [appellante sub 4] betoogt dat het geluidscherm negatieve gevolgen heeft voor haar bedrijfsvoering, omdat het zicht op haar bedrijfslocatie wordt ontnomen. Een aanzienlijk deel van de klanten wordt verkregen door het zicht vanaf de A2 op haar bedrijfslocatie, aldus [appellante sub 4]. Zij betoogt in dit verband dat bewoners van de woningen waarvoor het geluidscherm is bedoeld in het verleden geen medewerking hebben verleend aan het realiseren van isolerende maatregelen. Dit moet volgens [appellante sub 4] als eerste alsnog plaatsvinden. 36.
  109. Hiervoor is onder 22.2 overwogen dat het geluidscherm dat ter hoogte van de bedrijfslocaties van [appellante sub 3] en anderen en [appellante sub 4] wordt gerealiseerd tot doel heeft om de hoge geluidbelasting die vanwege de A2 bij verschillende objecten langs de Loperweg wordt ondervonden te reduceren tot de saneringsstreefwaarde van 60 dB. Dat volgens [appellante sub 4] de bewoners van deze woningen in het verleden mogelijk geen medewerking hebben verleend aan het realiseren van geluidwerende maatregelen bij hun woningen, daargelaten de juistheid van deze stelling, maakt niet dat de minister er niet in redelijkheid voor heeft kunnen kiezen om onderzoek te doen naar mogelijke geluidbeperkende maatregelen om de geluidbelasting bij deze woningen te reduceren en daarmee het woon- en leefklimaat ter plaatse te verbeteren. Daarbij wijst de Afdeling naar voorgaande overwegingen 22.1 en 22.2, waaruit blijkt dat deze woningen vanwege de hoge geluidbelasting al in eerdere besluiten als saneringsobjecten hadden moeten worden meegenomen, maar dat dit abusievelijk niet is gebeurd. Hierbij merkt de Afdeling op dat bij een onderzoek naar de mogelijkheden om de geluidbelasting bij saneringsobjecten te reduceren, anders dan [appellante sub 4] veronderstelt, het uitgangspunt niet is dat eerst isolerende maatregelen aan de woningen zelf worden getroffen. De in afdeling 11.3.6 van de Wet milieubeheer opgenomen saneringsregeling schrijft - kort gezegd - voor dat eerst geluidbeperkende maatregelen worden getroffen om de geluidbelasting vanwege de weg op de gevel van de saneringsobjecten te beperken. Geluidbeperkende maatregelen zijn omschreven in de Regeling geluid milieubeheer en zijn bronmaatregelen, bijvoorbeeld in de vorm van geluidreducerend asfalt, en overdrachtsmaatregelen, bijvoorbeeld in de vorm van een geluidscherm. Als dergelijke maatregelen niet in aanmerking komen, of als na het treffen van deze maatregelen de geluidbelasting bij de saneringsobjecten nog steeds hoger is dan de saneringsstreefwaarde van 60 dB, pas dan zijn geluidwerende maatregelen aan de orde. Dit zijn maatregelen aan het saneringsobject zelf. 36.
  110. Voor de door de minister gemaakte belangenafweging bij de keuze voor de realisatie van het geluidscherm verwijst de Afdeling naar voorgaande overwegingen 30.1 en 30.
  111. Daar heeft de Afdeling overwogen dat de minister, ook al verplicht de saneringsregeling in de Wet milieubeheer daartoe in dit geval niet, in redelijkheid heeft kunnen besluiten om tot realisatie van het geluidscherm over te gaan. Dit vanwege de al bestaande planologische bouwmogelijkheden en de aanzienlijke reductie van de hoge geluidbelasting bij een aantal objecten aan de Loperweg. De Afdeling ziet op dit punt geen aanleiding om bij de beoordeling van het beroep van [appellante sub 4] tot een ander oordeel te komen. De betogen slagen niet. Eigenschappen van het geluidscherm
  112. [appellante sub 4] heeft in haar beroepschrift daarnaast vermeld dat zij vreest dat het geluid dat zij met haar betonfabriek produceert, wordt weerkaatst tegen het geluidscherm. De omliggende woningen zullen dan een hogere geluidbelasting ondervinden van haar bedrijfsactiviteiten, waardoor mogelijk strijd ontstaat met de aan haar vergunde geluidruimte, aldus [appellante sub 4]. 37.
  113. Na de indiening van het beroep hebben zowel de minister als [appellante sub 4] nadere stukken ingediend, waaronder een stuk van de minister dat als bijlage 1 bij het verweerschrift is gevoegd. Hierin is vermeld dat de reflectie van de geluiden van het industrieterrein tegen het geluidscherm rekenkundig verwaarloosbaar is en dat de plaatsing van het geluidscherm geen gevolgen heeft voor de bedrijfsactiviteiten op het gezoneerde industrieterrein, waar onder meer [appellante sub 4] is gevestigd. Daarbij heeft de minister verwezen naar de bij het verweerschrift gevoegde rekenresultaten van Arcadis. Ter zitting heeft de minister op dit punt uitgelegd dat de geluidreflectie rekenkundig verwaarloosbaar is, omdat, zoals ook is vermeld in tabel 12 van het tracébesluit, het geluidscherm aan beide zijden absorberend wordt uitgevoerd. Naar aanleiding van de vraag van [appellante sub 4] met welke reflectiefactor het scherm absorberend wordt uitgevoerd, heeft de minister ter zitting overeenkomstig de wens van [appellante sub 4] bevestigd dat de reflectiewaarde niet hoger zal zijn dan 0,
  114. De Afdeling stelt vast dat dit overeenkomt met het geluidregister, waarin het geluidscherm is opgenomen en waarin bij de details van dit scherm voor zowel de reflectiefactor links als rechts een waarde is vermeld van 0,
  115. 37.
  116. [appellante sub 4] heeft ter zitting vermeld dat zij zich, mits het geluidscherm wordt uitgevoerd met een reflectiefactor van minder dan 0,3, met de rekenresultaten van Arcadis kan verenigen. Nu de minister dit ter zitting heeft toegezegd en de reflectiewaarde ook is opgenomen in het geluidregister, ziet de Afdeling geen aanleiding om [appellante sub 4] te volgen in haar vrees dat het geluidscherm vanwege reflectie van geluid negatieve gevolgen heeft voor de aan haar vergunde geluidruimte. Het betoog slaagt niet. Conclusie
  117. Het beroep van [appellante sub 4] is ongegrond.
  118. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Het beroep van [appellant sub 5] en anderen
  119. [appellant sub 5] en anderen wonen allen in buurtgemeenschap Baakhoven in Susteren. Zij richten zich tegen het tracébesluit, omdat zij negatieve gevolgen vrezen voor hun woon- en leefklimaat. Geluid
  120. [appellant sub 5] en anderen wijzen erop dat zich ter hoogte van hun woningen aan de overzijde van de A2 een bedrijventerrein bevindt. Op dit bedrijventerrein is volgens [appellant sub 5] en anderen een grote loods gebouwd, waardoor de geluidbelasting bij hun woningen als gevolg van geluidreflectie is toegenomen. Om dit extra geluid te reduceren is een hogere en langere geluidwal noodzakelijk dan in het tracébesluit is opgenomen, aldus [appellant sub 5] en anderen. Zij stellen dat de gemeente Sittard-Geleen inmiddels heeft toegezegd dat zorg zal worden gedragen voor een verhoging van de in het tracébesluit opgenomen geluidwal met 1 m en een verlenging van de geluidwal met 226 m. [appellant sub 5] en anderen wensen dat in het uitvoeringscontract met de aannemer wordt vastgelegd dat de totale geluidwal inclusief de toegezegde verlening en verhoging met voorrang wordt gerealiseerd om zo de hoge geluidbelasting bij hun woningen zo snel mogelijk te reduceren. In hun nadere memorie verzoeken [appellant sub 5] en anderen daarnaast om de geluidwal nog verder door te trekken dan op dit moment door de gemeente Sittard-Geleen is toegezegd, om te voorkomen dat bij de Geleenbeek en het viaduct Gebroek voor een deel geen geluidwal zal zijn gesitueerd en daarmee ter plaatse een opening resteert waar het geluid van de A2 onvoldoende wordt afgeschermd. Daarnaast stellen [appellant sub 5] en anderen dat geen rekening is gehouden met de bouw van een nieuwe loods aan de noordzijde van het bedrijventerrein. Deze nieuwe loods zal vanwege geluidreflectie ook een verhoging van de geluidbelasting bij hun woningen tot gevolg hebben, aldus [appellant sub 5] en anderen. Hiermee is volgens hen in het geluidonderzoek ten behoeve van het tracébesluit ten onrechte geen rekening gehouden. 41.
  121. Zoals hiervoor onder 8.2 is overwogen, dient de minister bij de vaststelling van het tracébesluit op grond van artikel 11.30, tweede lid, van de Wet milieubeheer te beoordelen of de geluidbelasting vanwege het tracé bij nabijgelegen geluidgevoelige objecten niet hoger is dan de geluidbelasting die de betrokken geluidgevoelige objecten vanwege de weg ondervinden bij volledige benutting van de voorafgaand aan het tracébesluit geldende geluidproductieplafonds. Dit wordt de toetswaarde genoemd. Indien de toetswaarde wordt overschreden, moet op grond van artikel 11.30, vierde lid, van de Wet milieubeheer de mogelijkheid tot het treffen van geluidbeperkende maatregelen worden onderzocht. 41.
  122. De geluidbeperkende maatregelen die onderdeel zijn van het tracébesluit, zijn opgenomen in artikel 7 van het tracébesluit en de daarbij behorende tabellen 5 en 6 van het tracébesluit. De Afdeling verwijst hierbij ter nadere toelichting naar voorgaande overweging 8.
  123. Ter hoogte van de woningen van [appellant sub 5] en anderen zal naast geluidreducerend asfalt in de vorm van tweelaags ZOAB ook een geluidwal worden gerealiseerd van 3 m hoog. Deze geluidwal bevindt zich blijkens tabel 6 van het tracébesluit aan de oostzijde van de A2 van km 229.10 tot km 229.
  124. 41.
  125. Uit bijlage A bij het akoestisch deelrapport Specifiek blijkt dat bij de woningen van [appellant sub 5] en anderen de geluidbelasting vanwege de A2 in de situatie na uitvoering van het tracébesluit als gevolg van de hiervoor onder 41.2 vermelde geluidbeperkende maatregelen wordt verlaagd of gelijk blijft aan de geluidbelasting die ter plaatse bij volledige benutting van de voorafgaand aan het tracébesluit geldende geluidproductieplafonds wordt ondervonden. De Afdeling ziet in hetgeen [appellant sub 5] en anderen hebben aangevoerd geen aanleiding aan de juistheid van de berekende geluidbelasting te twijfelen. Zo volgt de Afdeling [appellant sub 5] en anderen niet in hun betoog dat in het akoestisch onderzoek rekening had moeten worden gehouden met de bouw van een nieuwe loods aan de noordzijde van het nabij hun woningen gelegen bedrijventerrein, omdat dit uitsluitend nog een onzekere toekomstige ontwikkeling betreft. De Afdeling verwijst hierbij naar het verweerschrift, waarin de minister heeft gesteld dat voor de door [appellant sub 5] en anderen genoemde nieuwe loods ten tijde van de vaststelling van het tracébesluit nog geen bestemmingsplanwijziging of omgevingsvergunning in procedure was gebracht dan wel was vastgesteld of verleend. [appellant sub 5] en anderen hebben geen omstandigheden aangedragen waaruit het tegendeel blijkt. Ook hebben zij geen omstandigheden aangedragen waaruit zou blijken dat de geluidbelasting niet overeenkomstig de hiervoor onder 8.5 genoemde regels van het RMG 2012 is vastgesteld. 41.
  126. Uitgaande van de juistheid van de door de minister berekende geluidbelasting, dient dus te worden geconcludeerd dat met de in het tracébesluit opgenomen geluidbeperkende maatregelen bij de woningen van [appellant sub 5] en anderen reeds wordt voldaan aan artikel 11.30, tweede lid, van de Wet milieubeheer. De minister was dan ook op grond van de Wet milieubeheer niet gehouden om ter hoogte van de woningen van [appellant sub 5] en anderen meer geluidbeperkende maatregelen te treffen dan die in het tracébesluit zijn opgenomen. 41.
  127. De minister heeft zich ter zitting wel bereid verklaard om de door de gemeente Sittard-Geleen toegezegde en ook bekostigde extra verlenging en verhoging van de geluidwal die ter hoogte van de woningen van [appellant sub 5] en anderen is voorzien, gelijktijdig met het tracébesluit uit te voeren, ook al is dat geen wettelijke verplichting. Ook heeft de minister ter zitting verklaard dat hij bereid is om zich ervoor in te spannen dat de geluidwal inclusief de door de gemeente Sittard-Geleen toegezegde verlening en verhoging van de geluidwal, conform de wens van [appellant sub 5] en anderen, nog wordt gerealiseerd voordat de in het tracébesluit voorziene verbreding van de A2 wordt uitgevoerd, als de daarvoor benodigde (planologische) procedures ook tijdig door de gemeentes Sittard-Geleen en Echt-Susteren worden afgerond. 41.
  128. Dat [appellant sub 5] en anderen bij de Geleenbeek en het viaduct Gebroek een nog verdere verlening van de geluidwal wensen dan op dit moment door de gemeente Sittard-Geleen is toegezegd, is een aspect dat in deze procedure verder niet aan de orde kan komen. Gelet op wat onder 41.4 is overwogen, bestaat hiervoor in het kader van het tracébesluit geen wettelijke verplichting. Het is aan [appellant sub 5] en anderen om op dit punt zelf nader in overleg te treden met de betrokken gemeente(s). 41.
  129. De betogen over het aspect geluidhinder slagen niet. Luchtkwaliteit
  130. [appellant sub 5] en anderen vrezen dat een verbreding van de A2 richting hun woningen negatieve gevolgen heeft voor de luchtkwaliteit. De gevolgen voor hun gezondheid zijn volgens hen onvoldoende meegewogen bij de vaststelling van het tracébesluit. Het uitsluitend toetsen aan de wettelijke luchtkwaliteitsnormen is volgens hen onvoldoende. 42.
  131. Zoals hiervoor onder 9.1 is overwogen, heeft de minister bij de vaststelling van het tracébesluit toepassing gegeven aan artikel 5.16, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wet milieubeheer, omdat het project is opgenomen in het NSL. Uit het derde lid van die bepaling volgt dat in het geval de effecten van het project zijn verdisconteerd in het NSL, geen afzonderlijke beoordeling van de luchtkwaliteit hoeft plaats te vinden voor een in bijlage 2 van die wet opgenomen grenswaarde. De omstandigheid dat het voorziene tracé gevolgen kan hebben voor de luchtkwaliteit kan dan ook, gelet op artikel 5.16, eerste lid, aanhef en onder d, samen met het tweede lid, onder d, van de Wet milieubeheer, niet aan de vaststelling van het tracébesluit in de weg staan. Het betoog over de luchtkwaliteit slaagt niet. Viaduct Gebroek
  132. [appellant sub 5] en anderen wijzen erop dat in de Nota van Antwoord naar aanleiding van hun zienswijze is vermeld dat het viaduct dat ter hoogte van de huidige dwarsverbinding Gebroek wordt gerealiseerd uitsluitend voor langzaam verkeer toegankelijk zal zijn. Volgens [appellant sub 5] en anderen is onduidelijk of dit betekent dat ook tractoren van het viaduct gebruik kunnen maken of uitsluitend voetgangers en fietsers. Ook is volgens hen onduidelijk hoe ervoor wordt gezorgd dat uitsluitend langzaam verkeer het viaduct kan gebruiken. [appellant sub 5] en anderen vrezen dat wanneer het viaduct niet voor auto’s en zwaar vrachtverkeer ontoegankelijk wordt gemaakt, dit verkeer het viaduct ondanks het verbod toch zal gebruiken, met gevaarlijke situaties op het onderliggend wegennet tot gevolg. 43.
  133. In artikel 3, eerste lid, van het tracébesluit is bepaald dat de in tabel 1 van het tracébesluit vermelde kunstwerken opnieuw worden aangelegd. In het tweede lid is bepaald dat aan het onderliggend wegennet aanpassingen worden gedaan om zowel het hoofdwegennet, inclusief kunstwerken, als het onderliggend wegennet te laten functioneren. Daarbij is verwezen naar tabel 2 van het tracébesluit. In tabel 1 van het tracébesluit is het viaduct KW 8 Gebroek vermeld. In tabel 2 is vermeld dat de Gebroekweg vanaf het kruispunt met de weg Kamer tot de Nieuwe Weideweg alsmede het viaduct Gebroek alleen voor langzaam verkeer geschikt worden gemaakt. 43.
  134. De minister heeft in het verweerschrift toegelicht dat het viaduct Gebroek niet toegankelijk zal zijn voor gemotoriseerd verkeer door de plaatsing van het verkeersbord C12, welk verkeersbord betekent: "gesloten voor alle motorvoertuigen". Dit blijkt ook uit de toelichting bij het tracébesluit, waarin is vermeld dat de functie van het viaduct Gebroek wijzigt zodat het kunstwerk alleen nog geschikt is voor langzaam verkeer, zijnde voetgangers en fietsers. De Afdeling ziet geen aanleiding van de minister te eisen dat het viaduct naast de plaatsing van een verkeersbord ook fysiek ontoegankelijk wordt gemaakt voor motorvoertuigen. De minister wijst er in het verweerschrift op dat het viaduct eventueel voor hulpdiensten toegankelijk moet zijn. De minister stelt in het verweerschrift terecht dat als ook ander gemotoriseerd verkeer van het viaduct gebruik maakt dit een kwestie van handhaving betreft die in het kader van de vaststelling van het tracébesluit niet aan de orde is. Het betoog faalt. Wateroverlast
  135. [appellant sub 5] en anderen vrezen wateroverlast bij hun woningen. Afgezien van de naar aanleiding van hun zienswijze doorgevoerde wijziging in de situering van de bocht van de Geleenbeek, bevat het tracébesluit verder geen maatregelen ter beperking van wateroverlast bij hun woningen, aldus [appellant sub 5] en anderen. Zij verwijzen hierbij naar de zienswijze van het waterschap Limburg, waarin in dit verband is gevraagd om een kadeverhoging. Het tracébesluit voorziet echter niet in een waterkerende verhoging ter hoogte van hun woningen bij Baakhoven, aldus [appellant sub 5] en anderen. 44.
  136. De stelling van [appellant sub 5] en anderen dat het tracébesluit niet voorziet in een waterkering ter hoogte van hun woningen bij Baakhoven, volgt de Afdeling niet. In het verweerschrift is verwezen naar dwarsprofiel 11-11 op detailkaart 7 van het tracébesluit. Hierop is te zien dat het onderliggend wegennet onder meer ter hoogte van Baakhoven hoger wordt aangelegd ten opzichte van het huidige maaiveld. Dit is ook opgenomen in artikel 9, eerste lid, onder f, van het tracébesluit, waarin is bepaald dat ten behoeve van de hoogwaterveiligheid de in tabel 9 opgenomen maatregelen worden getroffen. In tabel 9 is vermeld dat van km 229.25 tot km 230.88 de naar het oosten verlegde weg Baakhoven/Kamer tot 30,11 m +NAP wordt verhoogd, zodat deze ook waterkerend kan functioneren. Een overstroming van de Geleenbeek richting de woningen van [appellant sub 5] en anderen wordt volgens de minister dus voorkomen door de verhoogde ligging van de tot het onderliggende wegennet behorende wegen Baakhoven/Kamer. Gesteld noch gebleken is dat deze verhoging van het onderliggende weggennet in het kader van de waterveiligheid ontoereikend zou zijn. Het betoog van [appellant sub 5] en anderen over de vrees voor wateroverlast bij hun woningen slaagt dan ook niet. Bomen
  137. [appellant sub 5] en anderen wensen dat de bomen die vanwege de verbreding van de A2 moeten verdwijnen tijdelijk elders worden geplant en daarna weer worden gebruikt bij de landschappelijke inpassing van het tracé, zodat bij de afscherming van de A2 gelijk volgroeide bomen kunnen worden gebruikt. 45.
  138. De minister stelt in het verweerschrift terecht dat er geen wettelijke verplichting bestaat om bestaande beplanting voorafgaand aan de realisatie van de wegverbreding te verplanten om deze na afronding van de werkzaamheden weer op dezelfde locatie te kunnen terugplanten. Het standpunt van de minister dat dit ook op te veel bezwaren van praktische aard zou stuiten, acht de Afdeling aannemelijk. Gelet hierop acht de Afdeling de keuze van de minister om de wensen van [appellant sub 5] en anderen over de herplaatsing van de bestaande bomen in het kader van dit tracébesluit niet te honoreren, niet onredelijk. Het betoog faalt. Verlichting en locatie matrixborden
  139. [appellant sub 5] en anderen wensen ook dat de nieuwe verlichting bij het tracé bestaat uit zogenoemde slimme verlichting die automatisch uitgaat wanneer het verkeersaanbod lager is. Ook wensen zij dat de matrixorden niet worden geplaatst ter hoogte van woonkernen, zodat lichtvervuiling zo veel mogelijk wordt beperkt. 46.
  140. Het type verlichting dat wordt gebruikt en de locatie van de matrixborden zijn uitvoeringsaspecten die niet in het tracébesluit hoeven te worden geregeld. Het aspect lichthinder heeft de minister bij de vaststelling van het tracébesluit wel in zijn belangenafweging betrokken. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat op dit punt sprake is van een onevenwichtige belangenafweging. Daarbij wijst de Afdeling erop dat de A2 in de huidige situatie al wordt verlicht en dat de lichthinder in de nieuwe situatie naar verwachting zal afnemen door het gebruik van nieuwe lichtarmaturen die lichtuitstraling naar de omgeving voorkomen. De Afdeling verwijst hierbij naar paragraaf 7.5 van de toelichting bij het tracébesluit, waarin nader op deze nieuwe lichtarmaturen en de lichthinder is ingegaan. Het betoog faalt. Overige uitvoeringsaspecten
  141. [appellant sub 5] en anderen vrezen overlast tijdens de uitvoeringsfase. Zij wensen dat verplicht wordt dat in het uitvoeringscontract met de aannemer randvoorwaarden worden opgenomen die hinder tijdens de bouw drastisch verminderen, zoals over het gebruiken van schoon en stil materieel en de locatie van de bouwerven. Daarnaast wensen zij verplichte nulmetingen bij hun woningen. 47.
  142. Het is niet uitgesloten dat de uitvoeringswerkzaamheden tot hinder zullen leiden. Zoals hiervoor onder 16.1 is overwogen, is hinder als gevolg van de realisatie van het tracébesluit een uitvoeringsaspect. Uitvoeringsaspecten en eventuele maatregelen ter beperking van hinder tijdens de uitvoeringswerkzaamheden hoeven niet in het tracébesluit te worden geregeld. Ze zijn aan de orde in de overeenkomsten die de minister sluit met de uitvoerders en de vergunningen die voor de uitvoering van het tracébesluit nog verleend moeten worden. Deze aspecten dienen wel in de belangafweging te worden betrokken (vergelijk onder meer de uitspraken van de Afdeling van 27 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:596, overweging 24.2, en 26 april 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1141, overwegingen 77.1, 79.1 en 80.1). 47.
  143. Uit paragraaf 2.9 van de Nota van Antwoord blijkt dat maatregelen zullen worden getroffen om de hinder zoveel mogelijk te beperken. Daarbij is in de Nota van Antwoord verwezen naar de "Werkwijzer Minder Hinder" van Rijkswaterstaat. Hierin zijn maatregelen opgenomen om hinder rond werken aan de weg te beperken, zoals bij de planning van de bouwactiviteiten om geluidoverlast te beperken. Hieruit volgt dat de minister de manier waarop de nadelige gevolgen voor omwonenden kunnen worden beperkt, heeft betrokken bij de belangenafweging. Tijdens de realisatie worden diverse maatregelen getroffen om de hinder voor omwonenden te beperken. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de uitvoeringswerkzaamheden voor [appellant sub 5] en anderen tot dusdanige hinder zullen leiden dat de minister het tracébesluit niet in redelijkheid heeft kunnen vaststellen. 47.
  144. Over de nulmeting heeft de minister in het verweerschrift vermeld dat het gebruikelijk is om in het contract met de aannemer op te nemen dat een nulmeting dient te worden uitgevoerd voor de woningen die binnen de invloedssfeer van het werk liggen. Ter zitting heeft de minister toegezegd deze nulmeting ook te zullen uitvoeren. Omdat dit een uitvoeringsaspect betreft, hoeft dit niet in het tracébesluit te worden opgenomen. 47.
  145. De betogen slagen niet. Conclusie
  146. Het beroep van [appellant sub 5] en anderen is ongegrond.
  147. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Het beroep van [appellant sub 6]
  148. [appellant sub 6] woont aan de [locatie 8] in Susteren. De woning van [appellant sub 6] met bijbehorende gebouwen, ook wel genoemd Hoeve Kamerhof, zijn op detailkaart 8 van het tracébesluit aangeduid als te amoveren bebouwing. Dit volgt ook uit artikel 5 van het tracébesluit, waarin is bepaald dat de te amoveren objecten zijn vermeld in tabel 3 van het tracébesluit en tevens zijn weergegeven op de detailkaarten als "te amoveren bebouwing" en "te verwijderen kunstwerken". In tabel 3 van het tracébesluit is de locatie [locatie 8] in Susteren opgenomen als te amoveren object, vanwege de inpassing van de wegverbreding en het bekenstelstel.
  149. [appellant sub 6] wijst erop dat op detailkaart 8 van het tracébesluit het gehele bebouwde gedeelte van zijn perceel binnen de grenzen van het tracébesluit is gebracht. Volgens [appellant sub 6] is dit niet nodig voor het noord-oostelijke deel van zijn perceel inclusief bestaande sorteerschuur, omdat dit deel volgens hem behouden kan blijven. Hij betoogt in dit verband dat vanwege het behoud van een deel van zijn perceel, de nu aanwezige nutsvoorzieningen ook na de uitvoering van het tracébesluit op zijn perceel beschikbaar moeten blijven. Ook wijst [appellant sub 6] erop dat hij in zijn zienswijze heeft verzocht om zijn agrarische bouwkavel naar achteren op zijn perceel te verplaatsen, zodat de bouwkavel op grotere afstand van de A2 komt te liggen. In zijn beroepschrift verzoekt hij dit planologisch mogelijk te maken. 51.
  150. Op detailkaart 8 van het tracébesluit en figuur 11 in het verweerschrift is te zien dat de woning van [appellant sub 6] onder het ruimtebeslag van de verbrede A2 ligt en dus moet worden geamoveerd. In het verweerschrift heeft de minister toegelicht dat hij vanwege de noodzakelijke amovering van de woning van [appellant sub 6], ervoor heeft gekozen het gehele perceel van [appellant sub 6] binnen de grenzen van het tracébesluit te brengen. Dit heeft hij gedaan omdat [appellant sub 6] in het begin van het verwervingstraject heeft verzocht zijn hele perceel in het tracébesluit te betrekken, omdat hij nog niet zeker wist of hij op de huidige locatie een nieuw te bouwen woning wilde realiseren. De omstandigheid dat het gehele perceel van [appellant sub 6] binnen de grenzen van het tracébesluit is gebracht betekent echter niet dat het hele perceel ook daadwerkelijk zal worden verworven. De minister heeft in het verweerschrift namelijk vermeld dat het niet aankopen van het overtollige deel van het perceel dat niet voor de realisatie van het tracébesluit wordt benut weer onderdeel kan vormen van het verwervingsoverleg. Ter zitting heeft de minister op dit punt nader toegelicht dat inmiddels een aanbieding voor minnelijke grondverwerving is gedaan voor uitsluitend het perceelgedeelte dat als gevolg van het tracébesluit verloren zal gaan en dat [appellant sub 6] het overige perceelgedeelte mag behouden. Niet gebleken is dat hiermee onvoldoende aan de belangen van [appellant sub 6], die zelf niet ter zitting is verschenen, tegemoet wordt gekomen. 51.
  151. De vraag of ook medewerking kan worden verleend aan de wens van [appellant sub 6] om de agrarische bouwkavel naar achteren op zijn perceel te verplaatsen, ligt in deze procedure niet ter beoordeling voor. Het is aan de gemeente Echt-Susteren om te besluiten of hier al dan niet planologische medewerking aan kan worden verleend. 51.
  152. Ook het eventuele behoud van nutsvoorzieningen is in deze procedure niet aan de orde. De Afdeling verwijst hierbij ten overvloede nog naar het verweerschrift waarin is vermeld dat [appellant sub 6] desgewenst in afstemming met de gemeente aan de nutsbedrijven een verzoek kan doen ermee rekening te houden dat hij zijn aansluiting(en) wenst te behouden. 51.
  153. De betogen slagen niet. Conclusie
  154. Het beroep van [appellant sub 6] is ongegrond.
  155. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Het beroep van [appellant sub 7]
  156. [appellant sub 7] is eigenaar van een perceel landbouwgrond, kadastraal bekend [locatie 9], gelegen aan de westzijde van de A
  157. Uit detailkaart 3 bij het tracébesluit blijkt dat een deel van dit perceel zal worden benut voor een nieuwe waterberging. Deze waterberging zal worden gecombineerd met de inrichting als transparante parkway. Dit blijkt uit artikel 12, eerste lid, onder a, van het tracébesluit, waarin is bepaald dat ten behoeve van de landschappelijke en stedenbouwkundige inpassing een continue parkwayzone wordt ingericht van 15 m aan weerszijden van de rijksweg, met een dichte parkwayzone aan de omgevingszijde van geluidschermen. Onder g is bepaald dat de in tabel 12 opgenomen maatregelen worden gerealiseerd ten behoeve van landschappelijke en stedenbouwkundige inpassing. In deze tabel is onder meer vermeld dat van km 222.94 tot km 223.78, dit is onder meer bij het perceel van [appellant sub 7], ten zuiden van Berkelaar de functie waterberging wordt gecombineerd met de inrichting als transparante parkway in de vorm van een langgerekte zone langs de A
  158. Een parkway is blijkens de toelichting bij het tracébesluit een ruimtelijk concept voor de landschappelijke inpassing van het tracé en is zichtbaar als een continue doorlopende groenzone aan weerszijden van de A
  159. De parkway is een integraal onderdeel van het ontwerp en vormt de landschappelijke inpassing van de rijksweg met voorzieningen, zo staat in de toelichting. Verschillende functies, zoals mitigerende en compenserende maatregelen voor water, geluid en natuur worden in de parkway gecombineerd. Zo is binnen de parkway de landschappelijke inpassing van geluidschermen voorzien, zijn recreatieve voorzieningen in de vorm van wandelroutes opgenomen en wordt het verlies aan bossen en beplanting als gevolg van de verbreding van de A2 gecompenseerd door de aanplant van bomen in de parkway, zo staat in de toelichting. In het tracébesluit wordt onderscheid gemaakt tussen een dichte parkway, een transparante parkway en een open parkway. Een dichte parkway is in de toelichting bij het tracébesluit omschreven als een zone met bomen en struiken om de weg af te schermen van de omgeving. Een transparante parkway is omschreven als een zone met solitaire bomen, groepen bomen en kruidenrijke vegetatie, met het oogmerk aan te sluiten op het (half-) open landschap en het zicht hierop te behouden. Een open parkway is tot slot omschreven als een zone met kruidenrijke vegetatie die aansluit op het open landschap.
  160. Zoals hiervoor is vermeld, zal het perceel van [appellant sub 7] voor een deel worden benut voor een waterberging die zal worden gecombineerd met de inrichting als transparante parkway. Hiermee kan [appellant sub 7] zich niet verenigen. Hij wenst zijn perceel niet gedeeltelijk af te staan voor een waterberging en bomen en struiken, omdat hij hiervan negatieve gevolgen vreest voor zijn agrarisch gebruik. Ook verwacht [appellant sub 7] dat zijn perceel in toekomst zal worden benut voor de uitbreiding van een industrieterrein, waarvoor hij zijn gehele perceel, onder meer gelet op de daarmee gepaard gaande waardevermeerdering, beschikbaar wil houden. Gevolgen voor de agrarische bedrijfsvoering
  161. [appellant sub 7] vreest dat de nieuwe waterberging op een deel van zijn perceel tot gevolg heeft dat zijn perceel vaker onder water komt te staan. Hij wijst er hierbij op dat zijn perceel in het verleden is afgegraven en dat de nieuwe waterberging hoger komt te liggen dan de maaiveldhoogte van zijn perceel. Ook betoogt [appellant sub 7] dat de nieuwe bomen en struiken die onderdeel zijn van de transparante parkway veel schaduw zullen veroorzaken, waardoor extra schade ontstaat aan zijn gewassen. Daarnaast zullen de wortels van de nieuwe bomen en struiken het grondwater onttrekken, dat in droge periodes nodig is voor zijn gewassen. Volgens [appellant sub 7] had gelet op deze negatieve gevolgen de huidige open parkway behouden moeten blijven, bestaande uit bermgras en een greppel ten behoeve van de afwatering. - Waterberging 57.
  162. Voordat de Afdeling de gevolgen van de nieuwe waterberging voor het agrarisch gebruik van [appellant sub 7] beoordeelt, gaat de Afdeling in op de reden waarom een deel van het perceel van [appellant sub 7] voor een nieuwe waterberging wordt benut. Dit is nader toegelicht in bijlage 9 bij het verweerschrift. Dit betreft een notitie van Arcadis getiteld "Waterberging ter hoogte van perceel ECH00 [locatie 9]" van 12 februari 2020 (hierna: de notitie van Arcadis). In de notitie van Arcadis is vermeld dat er in de stadsrand van Echt te weinig ruimte is voor greppels en dat daarom in de huidige situatie op diverse locaties al gebruik wordt gemaakt van afvoer van hemelwater via kolken en riolering langs de weg. Door de wegverbreding en de te treffen geluidmaatregelen neemt de ruimte voor waterberging in de greppels verder af, zo staat in de notitie. Dit is ook vermeld in de Nota van Antwoord, waar in reactie op de zienswijze van [appellant sub 7] wordt gesteld dat de bestaande waterberging de toegenomen behoefte aan waterberging door de structurele verbreding van de A2 niet kan opvangen. In het tracébesluit is ervoor gekozen om hiervoor een centrale waterberging te realiseren aan de westzijde van de A2, waaronder gedeeltelijk op het perceel van [appellant sub 7]. Aan de oostzijde van de A2 is op dit deel van het tracé volgens de notitie geen ruimte voor een waterberging, vanwege de aanwezigheid van een verzorgingsplaats en een nieuw te realiseren geluidwal. Ook ligt er aan de oostzijde een belangrijke buisleiding met een beschermingszone, aldus de notitie. In de notitie en in het verweerschrift wordt geconcludeerd dat gezien het gebrek aan beschikbare ruimte en ook gezien het verticaal alignement van de weg, de westzijde van de A2 ter hoogte van het perceel van [appellant sub 7] de enige logische locatie is voor de waterberging. Deze noodzaak voor de realisatie van een nieuwe waterberging, zoals ook reeds in de Nota van Antwoord uiteen was gezet, en de genoemde ruimtelijke omstandigheden die het noodzakelijk maken om de waterberging aan de westzijde van de A2 onder meer gedeeltelijk op het perceel van [appellant sub 7] te realiseren, heeft [appellant sub 7] niet bestreden. Gelet hierop ziet de Afdeling geen reden om aan de noodzaak van de nieuwe waterberging te twijfelen. 57.
  163. Resteert de vraag wat de gevolgen zijn van de waterberging voor het agrarisch gebruik van [appellant sub 7]. [appellant sub 7] heeft er hierbij op gewezen dat zijn perceel door afgravingen lager ligt dan de nieuwe waterberging, waardoor volgens hem wateroverlast kan ontstaan op zijn perceel. In de notitie van Arcadis is verslag gedaan van nader onderzoek naar de door [appellant sub 7] gevreesde wateroverlast. In de notitie is vermeld dat het Actueel Hoogtebestand Nederland laat zien dat het perceel van [appellant sub 7] in het verleden is afgegraven en dat het perceel daardoor lager ligt dan de omliggende gronden. Als gevolg van de afgraving valt een slechte afwatering van het perceel en daarmee wateroverlast op het perceel al in de huidige situatie te verwachten, aldus de notitie. Dit is volgens de notitie niet alleen een gevolg van de aanwezige grindlaag, maar ook een gevolg van de omstandigheid dat het perceel niet kan afwateren via de Molenbeek, omdat deze beek hoger ligt dan het afgegraven perceel. Het perceel van [appellant sub 7] kan volgens Arcadis alleen afwateren via het grondwater en staat daarom onder directe invloed van het grondwater. Bij hoge grondwaterstanden zal er in de huidige situatie reeds sprake zijn van wateroverlast, waardoor gewasschade kan optreden, zo is in de notitie vermeld. Daarbij is gewezen op de kale plekke in de vegetatie die in de huidige situatie al op het perceel te zien zijn. In de notitie is vervolgens onderkend dat in de nieuwe situatie na de realisatie van de waterberging de wateroverlast op het perceel vanwege het hoogteverschil en de ondergrond van grind, mogelijk zal toenemen. In de notitie is daarom op detailniveau nader onderzocht welke mogelijkheden er zijn voor een verdere optimalisatie van de waterberging op deze locatie, om verdere toename van wateroverlast op het perceel zo veel mogelijk te voorkomen. Hiertoe zijn in de notitie vier optimalisaties in het ontwerp van de waterberging voorgesteld: 1) de greppel op de afgegraven maaiveldhoogte situeren, 2) de infiltratie beperken door het beperken van de hemelwatertoevoer naar het bergingsgebied, 3) een langzamere infiltratie door een smallere dimensionering en 4) het opnemen van een buffer en dijkje tussen de greppel en het perceel van [appellant sub 7]. In de notitie is geconcludeerd dat het geoptimaliseerde ontwerp, zoals dat in de notitie uiteen is gezet, voorkomt dat het water uit de greppel rechtstreeks het perceel van [appellant sub 7] op kan stromen. Het water kan na infiltratie echter nog wel invloed hebben op dit perceel via het grondwater en vanwege de ondergrond van grind, aldus de notitie. Hiervan is volgens de notitie alleen sprake bij hoge grondwaterstanden, waarbij het perceel ook in de huidige situatie al niet goed kan afwateren ten gevolge van de afgraving. Dat probleem kan niet in dit tracébesluit worden opgelost, zo is vermeld. De mogelijke invloed is volgens de notitie in het geoptimaliseerde ontwerp zo veel mogelijk beperkt door de hoeveelheid te bergen hemelwater zo veel mogelijk te reduceren. 57.
  164. Zowel in de notitie van Arcadis als in het verweerschrift is vermeld dat de hiervoor beschreven optimalisaties kunnen worden uitgevoerd zonder dat het tracébesluit hiervoor moet worden aangepast, omdat in het tracébesluit op het perceel van [appellant sub 7] is voorzien in een parkway-strook van 15 m met daarbinnen voldoende mogelijkheid voor een waterberging inclusief de beschreven optimalisaties. Dit wordt door [appellant sub 7] als zodanig niet bestreden. Ter zitting heeft de minister verder bevestigd dat alle vier de optimalisaties die in de notitie van Arcadis zijn vermeld ook zullen worden uitgevoerd. De minister heeft gelet hierop in redelijkheid kunnen besluiten een deel van het perceel van [appellant sub 7] te bestemmen als waterberging. Hoewel mogelijk niet geheel is uit te sluiten dat de nieuwe waterberging, ondanks de optimalisaties, bij een hoge grondwaterstand toch enige toename van wateroverlast op het perceel van [appellant sub 7] tot gevolg heeft, heeft de minister daaraan - gezien de hiervoor onder 57.1 beschreven noodzaak van de waterberging en het ontbreken van alternatieve locaties voor deze waterberging - in redelijkheid een minder zwaar gewicht kunnen toekennen dan aan de belangen die met de nieuwe waterberging zijn gemoeid. Hierbij acht de Afdeling van belang dat in de huidige situatie het perceel van [appellant sub 7] al niet optimaal kan afwateren en bij een hoge grondwaterstand al sprake is van enige wateroverlast. In dit verband wijst de Afdeling erop dat schade die [appellant sub 7] lijdt door verwerving van een deel van zijn perceel ten behoeve van het tracébesluit in het kader van de toekenning van een schadeloosstelling op grond van de onteigeningswet voor vergoeding in aanmerking komt. Transparante parkway 57.
  165. Wat betreft de transparante parkway en de reden om deze parkway op een deel van het perceel van [appellant sub 7] te realiseren, is in de Nota van Antwoord vermeld dat deze parkway nodig is voor de ruimtelijke geleiding van de A2 in de stadsrand van Echt en de afscherming van de snelweg vanuit de omgeving. De transparante parkway sluit volgens de Nota van Antwoord daarnaast aan op de inpassing van het nabijgelegen viaduct de Slagmolen en vormt de inleiding van de afscherming van het bedrijventerrein aan de Oude Lakerweg. Ook dient de beplanting van de transparante parkway ter geleiding van vleermuizen naar de hop-over bij het kunstwerk Slagmolen, zo staat in de Nota van Antwoord. Het viaduct de Slagmolen is volgens de minister onderdeel van een belangrijke vliegroute voor diverse soorten vleermuizen. Ook op dit punt heeft [appellant sub 7] in zijn beroepschrift geen omstandigheden aangedragen die aanleiding geven te twijfelen aan de in de Nota van Antwoord toegelichte noodzaak om op een deel van zijn perceel een transparante parkway te realiseren. 57.
  166. Over de gevolgen van de transparante parkway voor de agrarische bedrijfsvoering van [appellant sub 7], is in de Nota van Antwoord vermeld dat het perceel op dit moment wordt gebruikt voor de teelt van consumptieaardappelen. In de Nota van Antwoord is onderkend dat door schaduwwerking van de parkway mogelijk sprake is van additionele opbrengstderving. Daarbij is vermeld dat schaduwwerking op het perceel optreedt in de ochtend. In de middag valt de schaduw niet meer over de gewassen maar over de parkway zelf, aldus de Nota van Antwoord. In totaal is volgens de Nota van Antwoord sprake van zeer geringe schade door schaduwwerking van 4%. Ook is vermeld dat schade door grondwateronttrekking niet wordt verwacht, omdat op het perceel sprake is van de aanvulling van het grondwater via de waterberging. [appellant sub 7] heeft in zijn beroepschrift geen omstandigheden aangedragen waarom het vermelde in de Nota van Antwoord op dit punt niet kan worden gevolgd. Gelet hierop ziet de Afdeling geen grond voor de verwachting dat de schade door realisatie van de parkway op een deel van het perceel voor [appellant sub 7] zodanig zal zijn dat de minister het tracébesluit niet in redelijkheid heeft kunnen vaststellen. - Conclusie gevolgen voor de agrarische bedrijfsvoering 57.
  167. De betogen van [appellant sub 7] over de gevolgen van de realisatie van de waterberging en transparante parkway voor zijn agrarische bedrijfsvoering, slagen niet. Toekomstige uitbreiding van een industrieterrein
  168. Tot slot ziet de Afdeling geen aanleiding van de minister te eisen dat bij de keuze voor de realisatie van een waterberging en transparante parkway op een deel van het perceel van [appellant sub 7] rekening wordt gehouden met onzekere toekomstige gebeurtenissen, zoals de mogelijkheid dat het perceel van [appellant sub 7] in de toekomst voor de uitbreiding van een industrieterrein wordt benut. Niet is gebleken van planologische besluitvorming op dit punt. Los daarvan kan van de minister niet worden verlangd dat hij een zwaarder gewicht toekent aan de hoofdzakelijk financiële belangen van [appellant sub 7] om zijn perceel volledig beschikbaar te houden voor een toekomstige uitbreiding van een industrieterrein dan aan de hiervoor vermelde belangen die met de waterberging en de transparante parkway zijn gemoeid. Conclusie
  169. Het beroep van [appellant sub 7] in ongegrond.
  170. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Het beroep van [appellante sub 8] en anderen
  171. [appellante sub 8] en anderen exploiteren een transportbedrijf aan de [locatie 10] in Echt. Als gevolg van de verbreding van de A2 zal een deel van het voorterrein bij hun bedrijf verloren gaan. Hiermee kunnen zij zich niet verenigen.
  172. In hun beroepschrift hebben [appellante sub 8] en anderen betoogd dat het verlies van een deel van het voorterrein van hun bedrijfsperceel tot gevolg heeft dat hun transportbedrijf ter plaatse niet langer kan worden voortgezet. Ter onderbouwing hebben zij er daarbij op gewezen dat het voorterrein wordt benut als rangeer- en parkeerterrein voor de vrachtwagens van hun bedrijf en als parkeerterrein voor de personenauto’s van het personeel. Het hele voorterrein inclusief de aangrenzende Oude Lakerweg zijn volgens hen nodig om de vrachtwagens op het terrein te kunnen plaatsen. Zo moet volgens hen in de huidige situatie al worden gemanoeuvreerd vanaf de Oude Lakerweg om de vrachtwagens te kunnen opstellen op het terrein. Deze manoeuvreerruimte is niet langer beschikbaar op het moment dat een deel van het voorterrein verloren gaat. Ook hebben zij gesteld dat de personenauto’s van het personeel bij het verlies van een deel van het voorterrein niet meer op hun terrein kunnen worden geparkeerd. Een alternatief is volgens hen niet beschikbaar. In dit verband hebben [appellante sub 8] en anderen ook betoogd dat de Oude Lakerweg onnodig ver naar hun bedrijfsperceel is opgeschoven. Volgens hen had de minister ervoor moeten kiezen om de Oude Lakerweg direct te laten aansluiten op de nabijgelegen keerwand zonder tussenliggende berm met bomenrij. Door de keuze voor de berm met de bomenrij wordt aan het belang van sociale veiligheid en groene aankleding ten onrechte een zwaarder gewicht toegekend dan aan hun bedrijfsbelangen, aldus [appellante sub 8] en anderen. 62.
  173. Om de verbreding van de A2 ter hoogte van de bedrijfslocatie van Jassen en anderen mogelijk te maken, wordt de aan deze bedrijfslocatie grenzende Oude Lakerweg in het tracébesluit verlegd richting het bedrijfsterrein van [appellante sub 8] en anderen. Als gevolg van deze verlegging gaat een deel van het voorterrein van [appellante sub 8] en anderen verloren. De minister heeft voorafgaand aan de vaststelling van het tracébesluit onderzocht wat de effecten hiervan zijn op de bedrijfsvoering. Deze onderzoeksresultaten zijn neergelegd in de "Quickscan zienswijzen wegverbreding A2 Het Vonderen-Kerensheide", opgesteld door Ecorys (hierna: de quickscan). Het deel van de quickscan waarin wordt ingegaan op de gevolgen van het tracébesluit van [appellante sub 8] en anderen is als bijlage bij het verweerschrift gevoegd. In de quickscan is vermeld dat ongeveer 250 m2 van het voorterrein van [appellante sub 8] en anderen voor het tracébesluit nodig is, wat neerkomt op ongeveer 5,5% van het totale terrein en iets meer dan 22% van het voorterrein. In paragraaf 2.5 van de quickscan is onderzocht of dit de bedrijfsvoering van [appellante sub 8] en anderen belemmert en of de levensvatbaarheid van het bedrijf in gevaar komt. Dit is gedaan door in kaart te brengen of de tien kippers, die volgens de quickscan blijkens de meest recente luchtfoto op het terrein worden geparkeerd, ook na het verlies van een deel van het voorterrein nog genoeg manoeuvreerruimte hebben. Ook is beoordeeld of voldoende ruimte resteert om de kippers op het terrein te parkeren, alsmede de auto’s van het personeel. In de paragrafen 2.5 en 2.6 van de quickscan is vermeld dat het na de uitvoering van het tracébesluit resterende deel van het voorterrein nog is te gebruiken voor het rangeren en parkeren van de kippers, maar dat, onder meer vanwege de extra ruimte die nodig is om de toekomstige scherpe bocht van de Oude Lakerweg het terrein op te kunnen maken, er twee parkeerplekken voor de kippers alsmede de parkeerruimte voor de personenauto’s op het voorterrein verdwijnen. De parkeerruimte voor deze kippers en personenauto’s is volgens de quickscan beschikbaar aan de achterzijde van het bedrijfsterrein. Zodoende kan volgens de quickscan worden geconcludeerd dat het transportbedrijf van [appellante sub 8] en anderen kan blijven functioneren en dat de levensvatbaarheid van het bedrijf niet direct in gevaar komt. Daarbij is wel opgemerkt dat de ruimte voor de vrachtwagens om te manoeuvreren aanzienlijk beperkt wordt door het kleinere voorterrein en dat [appellante sub 8] en anderen vanwege de hiermee gepaard gaande belemmeringen voor hun bedrijfsvoering te maken zullen krijgen met een (beperkte) schade als gevolg daarvan. Daarbij is gewezen op de schade als gevolg van het langzamer rijden en de extra tijd vanwege het preciezer manoeuvreren op het terrein. 62.
  174. [appellante sub 8] en anderen hebben kort voor de zitting een analyse van Royal HaskoningDHV overlegd die is opgesteld op 2 november
  175. In de analyse is vermeld dat binnen het bedrijf op dit moment door elf trekkers met kipper van het terrein gebruik wordt gemaakt. In de toekomstige situatie na de uitvoering van het tracébesluit, uitgaande van het actuele gebruik, kunnen nog drie trekkers met kipper aan de oostzijde voor de loods parkeren, vijf trekkers met kipper naast de loods aan de noordzijde, één trekker met kipper aan de zuidzijde van de loods en twee trekkers met kipper aan de achterzijde van de loods. Voor alle elf vrachtauto’s bestaande uit een trekker met kipper is dus ook in de nieuwe situatie nog parkeerruimte, zo blijkt uit de analyse. Wel is vermeld dat het parkeren voor de drie trekkers met kipper voor de loods zeer krap is geworden, wat veel in- en uitvoegbewegingen en scherpe bochten vereist met grote kans op schade aan voertuigen en een verhoogde slijtage van de banden. Ook is vermeld dat ingeschat wordt dat nog maximaal vier personenauto’s van klanten en werknemers op het terrein kunnen worden geparkeerd in plaats van de huidige zes tot acht. Daarbij is opgemerkt dat uit het zicht parkeren achter de loods niet de voorkeur heeft in verband met inbraakgevoeligheid en dat als hiervoor wordt gekozen aanvullende veiligheidsmaatregelen moeten worden getroffen. 62.
  176. Uit de analyse van Royal HaskoningDHV leidt de Afdeling - anders dan in het beroepschrift van [appellante sub 8] en anderen en ook ter zitting door hen is gesteld - niet af dat [appellante sub 8] en anderen hun huidige bedrijfsvoering ter plaatse na de uitvoering van het tracébesluit niet kunnen voortzetten. Zowel in de quickscan van Ecorys als in de analyse van Royal HaskoningDHV wordt onderkend dat het beperktere voorterrein belemmeringen met zich brengt, waaronder langzamer rijden en meer en preciezer manoeuvreren, en dat vanwege het beperktere voorterrein meerdere aanpassingen op het terrein nodig zijn, waaronder eventueel ook op het gebied van inbraakwering. Dat de huidige bedrijfsvoering als gevolg van het tracébesluit feitelijk onmogelijk wordt, zoals [appellante sub 8] en anderen ter zitting hebben gesteld, blijkt niet uit de ingediende stukken. Van den Heuvel, opsteller van de analyse van Royal HaskoningDHV, heeft ter zitting desgevraagd bevestigd dat voor een trekker met kipper, de zogenoemde kleinere vrachtwagens, het manoeuvreren in de nieuwe situatie minder gemakkelijk, maar niet onmogelijk wordt. Wanneer gebruik wordt gemaakt van grotere vrachtwagens, namelijk een trekker met oplegger, dan is de resterende ruimte op het voorterrein volgens Van den Heuvel wel te beperkt om nog een draaicirkel naar de Oude Loperweg te maken. Dit kan echter, zoals Van den Heuvel ter zitting ook heeft onderkend, niet worden afgeleid uit de analyse van Royal HaskoningDHV die bij de Afdeling is ingediend. De stelling over de benodigde manoeuvreerruimte voor grote vrachtwagens is niet controleerbaar op basis van de ingediende stukken. Daarnaast betekent de mogelijke omstandigheid dat het bedrijfsterrein van [appellante sub 8] en anderen niet meer voor grote vrachtwagens toegankelijk is naar het oordeel van de Afdeling niet dat alleen al om die reden zou moeten worden geoordeeld dat de minister het tracébesluit op deze wijze niet in redelijkheid heeft kunnen vaststellen. [appellante sub 8] en anderen kunnen immers hun bedrijfsvoering - zij het met enige belemmeringen en aanpassingen - nog wel voortzetten met kleinere vrachtwagens. Dat was volgens de notitie van Royal HaskoningDHV ten tijde van het opstellen ervan in november 2020 ook de actuele bedrijfssituatie. 62.
  177. Verder is de vraag aan de orde of een alternatieve situering van het tracé mogelijk is, waarmee de negatieve gevolgen van het tracébesluit voor de bedrijfsvoering van [appellante sub 8] en anderen wellicht kunnen worden beperkt. Op dit punt hebben [appellante sub 8] en anderen in hun beroepschrift gewezen op de berm met bomenrij die zich op detailkaart 4 van het tracébesluit bevindt tussen de Oude Lakerweg en de aangrenzende grondkerende constructie. Volgens hen had de Oude Lakerweg direct tegen de grondkerende constructie aan kunnen worden gelegd, zo staat in het beroepschrift. Ter zitting hebben [appellante sub 8] en anderen daarnaast gesteld dat naast een minimalisering van de ruimte tussen de grondkerende constructie en de Oude Lakerweg, ook aan de andere kant van de grondkerende constructie bij de A2 de ruimte tot aan de grondkerende constructie kan worden beperkt. Met deze aanpassingen samen kan volgens hen worden bereikt dat de Oude Lakerweg verder van hun bedrijfsterrein kan worden gesitueerd, waarmee meer manoeuvreerruimte op hun voorterrein ontstaat. [appellante sub 8] en anderen hebben ook op dit punt pas ter zitting hun alternatief nader geconcretiseerd. Daarnaast ziet de Afdeling op basis van wat in het verweerschrift en ter zitting door de minister is toegelicht ook geen aanleiding de tracékeuze ter hoogte van de bedrijfslocatie van [appellante sub 8] en anderen onredelijk te achten. De minister heeft er in het verweerschrift op gewezen dat ter plaatse al verschillende maatregelen zijn getroffen om het ruimtebeslag van het tracé zo beperkt mogelijk te houden. Zo is onder meer ter overbrugging van het hoogteverschil tussen de A2 en het lager gelegen bedrijventerrein in plaats van een normaal toe te passen talud met een helling van 1:2 een ruimtebesparende grondkerende constructie toegepast. Ook is de Oude Lakerweg volgens de minister al ruimtebesparend ontworpen door geen vrijliggende fietspaden toe te passen. Daarnaast heeft de minister ter zitting gesteld dat een beperking van de berm tussen de grondkerende constructie en de A2, zoals door [appellante sub 8] en anderen ter zitting is voorgesteld, uit een oogpunt van verkeersveiligheid op de A2 niet wenselijk is, omdat dan de vluchtruimte voor het verkeer op de A2 wordt beperkt. Dit geldt volgens de minister ook voor de berm tussen de grondkerende constructie en de Oude Lakerweg, die naast een functie voor de verkeersveiligheid, ook een functie heeft voor de waterafvoer van de A2 en het onderliggend wegennet. De Afdeling ziet, ook omdat [appellante sub 8] en anderen pas ter zitting hun alternatief op dit punt nader hebben geconcretiseerd, geen aanknopingspunten deze door de minister gegeven toelichting niet te volgen. Over de bomenrij tussen de grondkerende constructie en de Oude Lakerweg, is de Afdeling verder niet gebleken dat met het alleen laten vervallen van deze bomenrij voor [appellante sub 8] en anderen aanmerkelijke voordelen zijn te behalen wat betreft de manoeuvreerruimte op hun voorterrein. Mede daarom en gezien de wens van zowel de minister als de gemeente Echt-Susteren om de grondkerende constructie in het landschap in te passen, ziet de Afdeling geen aanleiding de keuze van de minister om deze bomenrij te behouden, onredelijk te achten. 62.
  178. De Afdeling concludeert dat, anders dan [appellante sub 8] en anderen betogen, niet is gebleken dat de minister voorafgaand aan de vaststelling van het tracébesluit onvoldoende heeft onderzocht op welke manie

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.