(2004)betreft, is de aangifte niet gemakkelijk te achterhalen. Volgens [appellante] is twijfelachtig of het inwinnen van informatie door de CSG bij het Openbaar Ministerie wel juist is, omdat het Openbaar Ministerie alleen informatie van de politie heeft als deze informatie ook daadwerkelijk is doorgestuurd. Het vorenstaande betekent volgens [appellante] dan ook dat de CSG een bijzondere verplichting heeft om informatie te achterhalen en dat de CSG daarvoor onvoldoende inspanning heeft verricht temeer nu de CSG, in tegenstelling tot [appellante], meer mogelijkheden heeft om informatie te achterhalen. Voor zover de rechtbank en de CSG [appellante] tegenwerpen dat zij heeft nagelaten andere objectieve informatie te overleggen, betoogt zij dat er aangifte is gedaan en deze aangifte nog ergens geregistreerd moet staan. 3.
- Ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wsg kunnen uit het fonds uitkeringen worden gedaan aan een ieder die ten gevolge van een in Nederland opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf ernstig lichamelijk of geestelijk letsel heeft bekomen. Bij de beoordeling van een aanvraag om een uitkering hanteert de CSG het beleid dat is neergelegd in de Beleidsbundel Schadefonds Geweldsmisdrijven (versie van 1 januari 2019). Volgens paragraaf 1.1.2 van de Beleidsbundel hoeft een geweldsmisdrijf niet bewezen te worden, maar moet dit aannemelijk worden gemaakt. Volgens dezelfde paragraaf van de Beleidsbundel kan het geweldsmisdrijf, als er geen aangifte is gedaan en er geen strafrechtelijk onderzoek heeft plaatsgevonden, alleen in uitzonderlijke gevallen op een andere manier worden onderbouwd. De enkele verklaring van het slachtoffer over wat er is gebeurd is niet voldoende. Objectieve aanwijzingen moeten de verklaring van het slachtoffer ondersteunen. Een objectieve aanwijzing is informatie afkomstig van een andere bron dan het slachtoffer. Het moet ook een objectieve bron zijn. In die gevallen bepaalt de CSG op basis van deze aanvullende informatie of het geweldsmisdrijf aannemelijk is. 3.
- Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 15 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1538), is het aan de aanvrager van een uitkering uit het fonds om met voldoende objectieve aanwijzingen aannemelijk te maken dat hij slachtoffer is van een tegen hem opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf. [appellante] is hierin niet geslaagd. Weliswaar heeft [appellante] bij haar aanvraag verwezen naar een gedane aangifte, maar deze aangifte heeft zij niet overgelegd en deze kan ook niet achterhaald worden. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de CSG zich in voldoende mate heeft ingespannen om extra objectieve informatie te vergaren, zeker nu de bewijslast ligt bij de aanvrager van een uitkering uit het fonds en niet bij de CSG. Tot slot heeft de rechtbank terecht overwogen dat [appellante] alsnog objectieve andere informatie had kunnen overleggen. Door zich te blijven beroepen op de gestelde gedane aangifte, heeft [appellante] niet aan dit verzoek voldaan. Deze keuze komt dan ook voor rekening en risico van [appellante]. Op grond van het vorenstaande heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de CSG zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat [appellante] niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij slachtoffer is geworden van een opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf als bedoeld in artikel 3 van de Wsg. Het betoog faalt. Conclusie
- Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. B.P.M. van Ravels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. Y.M. van Soest-Ahlers, griffier. Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen. De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen. Uitgesproken in het openbaar op 21 april 2021 343-921.