202001923/1/R3. Datum uitspraak: 21 april 2021 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: [appellant], wonend te Rijswijk, en de raad van de gemeente Rijswijk, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 4 februari 2020 heeft de raad het bestemmingsplan "Herontwikkeling HBG-locatie" vastgesteld. Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld. De raad heeft een verweerschrift ingediend. [appellant] heeft een nader stuk ingediend. De Afdeling heeft de zaak op de zitting behandeld op 29 oktober 2020, waar [appellant], bijgestaan door [gemachtigde], en de raad, vertegenwoordigd door M.C. de Hoog en M.J. de Ligt, bijgestaan door mr. T.E.P.A. Lam, advocaat te Nijmegen, zijn verschenen. Voorts is ter zitting Syntrus Achmea Real Estate & Finance, vertegenwoordigd door mr. I. Haverkate, advocaat te Amsterdam, [gemachtigden], gehoord. Na het sluiten van het onderzoek op de zitting heeft de Afdeling het onderzoek met toepassing van artikel 8:68 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) heropend en de raad bij brief van 4 november 2020 in de gelegenheid gesteld schriftelijk te reageren op het nader door [appellant] ingebrachte stuk. Bij brief van 24 november 2020 heeft de raad gebruik gemaakt van deze gelegenheid. [appellant] heeft op 23 december 2020 in een nader stuk gereageerd op de reactie van de raad. De raad heeft op 4 januari 2021 op dit nadere stuk gereageerd. [appellant] heeft op 2 februari 2021 op deze reactie gereageerd. Daarvoor in de gelegenheid gesteld heeft geen van de partijen verklaard gebruik te willen maken van hun recht om op een nadere zitting te worden gehoord. De Afdeling heeft met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb het onderzoek gesloten. Overwegingen Inleiding 1. Het plangebied ligt in de Ministerbuurt op de hoek van de Prinses Beatrixlaan en de Generaal Spoorlaan en staat ook wel bekend onder de naam ‘HBG-locatie’. Het plan maakt de bouw van 550 woningen mogelijk. De woningen kunnen worden gerealiseerd in de vorm van vijf woontorens met daartussen stadswoningen. In het midden van het plangebied is een parkeergarage gepland met daarop een daktuin. De bestaande bebouwing zal worden gesloopt met uitzondering van een deel van het KPN-gebouw. [appellant] woont op een perceel dat grenst aan het plangebied. Hij kan zich niet verenigen met het plan vanwege de gevolgen voor zijn woon- en leefklimaat. Relevante bepalingen 2. De relevante wet- en regelgeving is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak die daarvan deel uitmaakt. Intrekking beroepsgronden 3. Tijdens de zitting heeft [appellant] zijn beroepsgronden over stikstof en bodemonderzoek (vanwege PFAS) ingetrokken. Toetsingskader 4. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Planbegrenzing 5. [appellant] betoogt dat zijn perceel had moeten worden meegenomen als onderdeel van het plangebied, omdat het direct aan het plangebied grenst en hij de gevolgen van het plan hier direct zal ondervinden. 5.1. De raad komt beleidsruimte toe bij het bepalen van de begrenzingen van een bestemmingsplan. Deze ruimte is echter niet zo groot dat de raad een begrenzing kan vaststellen die in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Wat [appellant] heeft aangevoerd leidt niet tot het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vastgestelde planbegrenzing strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Hierbij betrekt de Afdeling dat de ruimtelijke samenhang tussen het perceel van [appellant] en het plangebied niet zo is dat de raad dit perceel in het plan had moeten betrekken. Het plan ziet op de ontwikkeling van de HBG-locatie en deze ontwikkeling vindt niet plaats op het perceel van [appellant]. Dat [appellant] op zijn perceel gevolgen van het plan zal ondervinden, betekent niet dat zijn perceel daarom onderdeel van het plangebied had moeten zijn. Die gevolgen moeten wel betrokken worden bij het besluit tot het vaststellen van het plan. Het betoog slaagt niet. M.e.r.-beoordeling 6. [appellant] betoogt dat de raad niet op grond van de vormvrije m.e.r.-beoordeling heeft kunnen concluderen dat het plan niet leidt tot noemenswaardige gevolgen en dat het maken van een milieueffectrapport niet nodig is. [appellant] voert aan dat bij de m.e.r.-beoordeling onvoldoende rekening is gehouden met de cumulatie van milieueffecten door andere plannen in de omgeving van het plangebied. Hij wijst in dit verband op het masterplan ‘In de Bogaard', dat de bouw van duizenden woningen in een beperkt gebied mogelijk maakt. Daarnaast wijst [appellant] op de herontwikkeling van de Churchill Tower, de Steenvoordelaan 370 en de reconstructie van de A4. 6.1. Het college van burgemeester en wethouders heeft op 21 mei 2019 een m.e.r.-beoordelingsbesluit genomen en besloten dat geen milieueffectrapport hoeft te worden opgesteld. De raad stelt dat uit de aanmeldingsnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling blijkt dat belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten. Het is daarom volgens de raad niet nodig om een milieueffectrapport op te stellen. Daarnaast stelt de raad dat bij de verschillende ontwikkelingen wel wordt gekeken of er, als gevolg van cumulatie van verschillende projecten, belangrijke nadelige effecten voor het milieu kunnen ontstaan. Uit de uitgevoerde onderzoeken blijkt volgens de raad dat dat niet het geval is. 6.2. De criteria van bijlage III van de Richtlijn 2011/92/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten, gewijzigd op 16 april 2014 (Pb EU 2012, L26 en PbEU 2014, L124) hebben onder meer betrekking op de kenmerken van het project - waaronder cumulatie met andere projecten -, de plaats van het project en de kenmerken van het potentiële effect. In de vormvrije m.e.r.-beoordeling van 13 mei 2019, die als bijlage bij de plantoelichting is opgenomen zijn de voorgenomen activiteiten getoetst aan deze criteria en is op grond hiervan een milieueffectrapportage niet noodzakelijk geacht. De te verwachten milieueffecten van de voorziene ontwikkeling zijn volgens de m.e.r.-beoordeling verwaarloosbaar. In de vormvrije m.e.r.-beoordeling is de mogelijke cumulatie met de projecten ‘Transformatie Steenvoordelaan 370’, ‘Winston Churchill Tower’ en ‘In de Boogaard’ in de beoordeling betrokken. In de vormvrije m.e.r.-beoordeling staat dat zowel in de gebruiks- als in de bouwfase geen cumulatieve effecten vanwege deze projecten worden verwacht. [appellant] heeft niet onderbouwd welke gevolgen voor het milieu van het project ‘In de Boogaard’ in de m.e.r.-beoordeling van dit bestemmingsplan en de daaraan ten grondslag gelegde onderzoeken niet zouden zijn onderkend. Voor de reconstructie van de A4, inclusief de eventuele ondertunneling van de A4, zijn nog geen concrete voornemens. Dit project hoefde daarom niet meegenomen te worden in de vormvrije m.e.r-beoordeling. Gelet op het voorgaande bestaat geen grond voor het oordeel dat de raad op grond van de vormvrije m.e.r.-beoordeling ten onrechte heeft geconcludeerd dat geen milieueffectrapport hoefde te worden gemaakt. Het betoog slaagt niet. De Omgevingsverordening Zuid-Holland 7. [appellant] betoogt dat het plan in strijd is met de Omgevingsverordening Zuid-Holland (hierna: de Omgevingsverordening). Het plan voldoet volgens [appellant] niet aan artikel 6.9, eerste lid, van de Omgevingsverordening, omdat de ontwikkeling van de woontorens, en de toegekende maximumbouwhoogtes, niet past binnen de bestaande gebiedsidentiteit en de aard en schaal van het gebied. Daarnaast is het beeldkwaliteitsplan volgens [appellant] niet opgesteld met het doel om de effecten van de ontwikkeling op bestaande kenmerken te onderzoeken, zoals artikel 6.9, vierde lid, van de Omgevingsverordening vereist. Het beeldkwaliteitsplan is geheel gericht op het gewenste eindbeeld van de planontwikkelaar en niet op de effecten ervan op de bestaande kenmerken. 7.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het plan in overeenstemming met de Omgevingsverordening is vastgesteld. Het plan past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart. Uit het ten behoeve van dit plan opgestelde beeldkwaliteitsplan van april 2019 volgt volgens de raad dat de ontwikkeling bijdraagt aan het versterken van de identiteit van de stad en met name het stadscentrum. Daarbij zorgt de gekozen inrichting van het plangebied en plaatsing van de gebouwen ervoor dat de woongebieden aan de westzijde van de Prinses Beatrixlaan beter aansluiting vinden met het winkelcentrum. De verwijzing naar het vierde lid van artikel 6.9 van de Omgevingsverordening is volgens de raad niet relevant, omdat de richtpunten niet in het geding zijn. Daarnaast is het ontwerpplan voorgelegd aan gedeputeerde staten en zij hebben geen aanleiding gezien om een zienswijze naar voren te brengen. 7.2. De locatie van het plangebied is op de kwaliteitskaart 'laag van de stedelijke occupatie' aangemerkt als 'Stad/stedelijke agglomeratie'. De relevante richtpunten die ter plaatse van het plangebied op de kwaliteitskaart staan zijn: - Ontwikkelingen dragen bij aan de karakteristieke kenmerken/identiteit van stad, kern of dorp. - Hoogteaccenten (waaronder hoogbouw) vallen zoveel mogelijk samen met centra (zwaartepunten) en interactiemilieus in de stedelijke structuur. - Daar waar hoogbouw niet samenvalt met 'zwaartepunten' in de stedelijke structuur geeft een beeldkwaliteitsparagraaf inzicht in de effecten, invloed en aanvaardbaarheid van hoogbouw op de (wijde) omgeving. - Ontwikkelingen dragen bij aan de versterking van de stedelijke groen- en waterstructuur. - Cultuurhistorisch waardevolle gebouwen en stedenbouwkundige patronen worden behouden door ze waar mogelijk een functie te geven die aansluit bij de behoeften van deze tijd. 7.3. Partijen zijn het erover eens dat het plan voorziet in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling. Ingevolge artikel 6.9, eerste lid, aanhef en onder c, van de Omgevingsverordening is sprake van transformatie indien de ruimtelijke ontwikkeling niet past binnen de bestaande gebiedsidentiteit. Volgens de toelichting bij de Omgevingsverordening gaat het bij transformatie om een verandering van een gebied van dusdanige aard en omvang dat er een nieuw landschap of stedelijk gebied ontstaat. Er ontstaat een nieuwe toekomst voor het gebied met een nieuwe gebiedsidentiteit. Dit is volgens de toelichting bijvoorbeeld het geval bij uitleglocaties voor woningbouw en bedrijventerreinen of de aanleg van grootschalige recreatiegebieden. Het plangebied ligt echter al in een stedelijke omgeving en het betreft een woongebied. De Afdeling overweegt dat de raad zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is van een verandering van zulke aard en omvang dat een nieuw stedelijk gebied ontstaat en dus geen transformatie als bedoeld onder c. De Afdeling begrijpt het betoog van [appellant] over de aantasting van de gebiedsidentiteit door het mogelijk maken van hoogbouw zo, dat hij daarmee ook betoogt dat daardoor niet aan de relevante richtpunten is voldaan. De Afdeling ziet in wat [appellant] heeft aangevoerd geen reden voor het oordeel dat de raad zich niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat aan de relevante richtpunten is voldaan. Het plangebied bevindt zich immers in een stedelijke omgeving waar al hoogbouw voorkomt. [appellant] doet een beroep op het vierde lid van artikel 6.9 van de Omgevingsverordening. Artikel 6.9, vierde lid, van de Omgevingsverordening is, voor zover hier van belang, alleen van toepassing indien de richtpunten van de kwaliteitskaart in het geding zijn. De Afdeling heeft al overwogen dat dit niet het geval is en komt daarom niet toe aan een toetsing of het opgestelde beeldkwaliteitsplan voldoet aan artikel 6.9, vierde lid, van de Omgevingsverordening. Het betoog slaagt niet. Woon- en leefklimaat Privacy en uitzicht 8. [appellant] betoogt dat het plan leidt tot een onevenredige inbreuk op zijn privacy en uitzicht. Vanuit de woontorens is direct zicht op zijn perceel. Zijn huidige uitzicht vanuit de achtertuin op de wilgen en groenstroken zal drastisch veranderen door de in het plan voorziene ontwikkeling. [appellant] wijst in dit verband ook op de ongekend hoge bebouwingsdichtheid van de ontwikkeling van 550 woningen op maar 1,2 ha. De effecten van het plan op zijn perceel zijn volgens [appellant] niet meegenomen in de belangenafweging van de raad. 8.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het woon- en leefklimaat van [appellant] niet zo zal worden aangetast dat hieraan een doorslaggevend gewicht had moeten worden toegekend. Er is in een zone van meer dan 20 m tussen de woning van [appellant] en de beoogde bebouwing uitsluitend lage bebouwing toegestaan. Daarnaast staan er bomen tussen het perceel van [appellant] en de beoogde hoogbouw. Deze bomen blijven behouden, zodat een groot deel van het zicht op het perceel van [appellant] door de aanwezige bomen wordt ontnomen. De bomenrij neemt alleen het zicht vanuit de oostelijke woontoren niet weg. De aantasting van het uitzicht en de privacy zal volgens de raad, mede gelet op de afstand van meer dan 80 m tot deze woontoren, beperkt zijn en vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening niet onaanvaardbaar. Daarnaast stelt de raad zich op het standpunt dat de voorziene ontwikkeling en de beoogde bebouwingsdichtheid passend zijn binnen de omgeving. De beoogde dichtheid van de HBG-locatie sluit aan op de bestaande dichtheid van het stadscentrum "In de Bogaard" en het gebied rondom de Beatrixlaan. De raad acht de dichtheid van 550 woningen passend, omdat de HBG-locatie nabij het (her te ontwikkelen) stadscentrum ‘In de Bogaard’ ligt en de locatie goed bereikbaar is. 8.2. [appellant] woont aan de zuidwestkant van het plangebied. Aan de gronden direct ten noorden van zijn woning is de bestemming "Groen" toegekend. Aan de gronden ten noorden hiervan is de bestemming "Woongebied" toegekend. Aan de gronden binnen het plangebied waaraan de bestemming "Woongebied" is toegekend, zijn verschillende maximumbouwhoogtes toegekend. De maximumbouwhoogtes verschillen tussen de 3,5 m en 107 m en lopen op richting het noordoosten. Aan de gronden ten noorden van de woning van [appellant] op een afstand van ongeveer 37 m zijn de bestemming "Woongebied" en de aanduidingen "maximum bouwhoogte: 10 m" en "aaneengebouwd" toegekend. Aan de gronden daarachter, op een afstand van ongeveer 60 m van de woning van [appellant], zijn de bestemming "Woongebied" en de aanduidingen "gestapeld", "maximum bouwhoogte: 29,5 m" en "specifieke bouwaanduiding - 2" toegekend. Aan gronden ten oosten van de woning van [appellant], op een afstand van 98 m, zijn de bestemming "Woongebied" en de aanduidingen "gestapeld", "maximum bouwhoogte: 39 m" en "specifieke bouwaanduiding - 1" toegekend. 8.3. De Afdeling stelt vast dat de ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt nabij het centrum van Rijswijk, in een stedelijk gebied. In de omgeving van het plangebied komt zowel lage woonbebouwing als meer stedelijke bebouwing voor. In de omgeving van het plangebied komt al hoogbouw, en de daarbij behorende hoge bebouwingsdichtheid, voor. De afstand tussen de dichtstbij voorziene woningen en de woning van [appellant] bedraagt ongeveer 37 m. De afstanden tot de andere, hogere gebouwen die mogelijk worden gemaakt bedragen minstens 60 m. Uit artikel 9, lid 9.2.1, onder c, van de planregels volgt dat sprake moet zijn van een getrapte opbouw die afloopt richting de Prinses Irenelaan, waar de woning van [appellant] staat. [appellant] zal in beperkte mate privacy en uitzicht verliezen ten gevolge van het plan. De raad heeft zich bij afweging van de betrokken belangen echter in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de aantasting van de privacy en het uitzicht van [appellant] niet zo is dat er in zoverre geen sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Hierbij betrekt de Afdeling dat er geen recht op blijvend vrij uitzicht bestaat en dat de woontorens met de hoogste maximumbouwhoogtes aan de noord- en noordoostkant van het plangebied op meer dan 100 m zijn voorzien en niet aan de zuidwestzijde waar [appellant] woont. Daarnaast is de bestemming "Groen" toegekend aan de strook grond van 22 m breed tussen de woning van [appellant] en de voorziene woningen. In de nota van zienswijzen is de raad ingegaan op het verlies aan privacy en uitzicht van [appellant]. De Afdeling volgt het betoog van [appellant] dat zijn belangen niet bij de belangenafweging zijn betrokken dan ook niet. Het betoog slaagt niet. Brief 27 februari 2007 9. [appellant] betoogt dat de raad rekening had moeten houden met de brief van 27 februari 2007 van het college. Daarin staat dat er geen hogere bebouwing achter zijn woning zal komen, maar alleen aan de zijde van de Generaal Spoorlaan en de Prinses Beatrixlaan. Op basis van dit stuk heeft hij ervoor gekozen om zijn woning niet aan de makelaar van de projectontwikkelaar te verkopen, maar om in zijn woning te investeren. 9.1. In de brief van het college van 27 februari 2007, waar [appellant] naar verwijst, is de volgende passage opgenomen: "Het is nog te vroeg om nu al te kunnen zeggen hoeveel woningen gebouwd zullen gaan worden en wat voor woningen dat zullen zijn. Het bouwplan zal in ieder geval in de omgeving ingepast moeten worden, d.w.z. hogere bebouwing waar dat kan (aan de zijde van de Generaal Spoorlaan en Prinses Beatrixlaan) en rekening houdend met de laagbouw aan de zijde van de Prinses Irenelaan / Minister van den Tempellaan." Uit deze brief kan worden afgeleid dat de hogere bebouwing gepland wordt aan de zijde van de Generaal Spoorlaan en de Prinses Beatrixlaan, terwijl rekening wordt gehouden met de laagbouw aan de zijde van de Prinses Irenelaan. In het bestreden plan zijn de hogere maximumbouwhoogtes toegekend aan de gronden aan de Generaal Spoorlaan en Prinses Beatrixlaan en de lagere maximumbouwhoogtes aan de zijde van de Prinses Irenelaan. De raad heeft het plan dus op de manier vorm gegeven als in de brief staat. De Afdeling volgt het betoog van [appellant] dat de raad onvoldoende rekening heeft gehouden met de brief dan ook niet. Het betoog slaagt niet. Groenvoorziening 10. [appellant] betoogt dat het voorziene verlies aan groen een onaanvaardbare inbreuk vormt op zijn woon- en leefomgeving. Hij kijkt nu uit over groenstroken rondom de singel aan de Minister van de Tempellaan. Dit groen zal volgens [appellant] verdwijnen. [appellant] betoogt dat in een stedelijk gebied grote behoefte is aan groen. De groenstrook langs de Minister van de Tempellaan is een ecologische uitloper van Park Steenvoorde. De in het plan opgenomen groenvoorziening is volgens [appellant] volstrekt onvoldoende. 10.1. De raad stelt dat de groenstroken rondom de singel behouden blijven. Aan de betreffende gronden is opnieuw de bestemming "Groen" toegekend. De planregels in het bestreden plan maken voor een doelmatige ontsluiting van het plangebied de aanleg van een brug voor gemotoriseerd verkeer mogelijk ter plaatste van de functieaanduiding "brug". Voor de bomenrij gelegen direct achter het perceel van [appellant] geldt dat de betreffende bomen worden behouden. Daarnaast stelt de raad dat aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De raad heeft het belang van woningbouw afgewogen tegen het belang van [appellant] bij het behoud van het aanwezige groen in het plangebied. Hij is tot de conclusie gekomen dat het belang van woningbouw zwaarder weegt dan behoud van alle nu aanwezige flora en fauna. 10.2. Binnen het plangebied is aan verschillende stroken grond de bestemming "Groen" toegekend, aan de noordzijde, aan een strook grond aan de westzijde van het plan, rondom de singel en deels aan de zuidzijde. Aan de singel en de gronden rondom de singel is ook de dubbelbestemming "Waarde - Ecologie" toegekend. Aan de gronden aan de noordkant van de singel is de functieaanduiding "brug" toegekend. Gelet op artikel 11.1.2 van de planregels heeft de bestemming "Waarde - Ecologie" voorrang. Daarnaast is in het bestreden plan aan een strook grond met een breedte van 22 m en een lengte van 70 m tussen de bestaande woningen aan de Prinses Irenelaan en de voorziene woningen en aan een strook grond aan de noordzijde van het plangebied, de bestemming "Groen" toegekend. De Afdeling stelt vast dat het bestreden plan niet minder, maar meer groen mogelijk maakt dan het voorgaande bestemmingsplan. Dat in het plangebied feitelijk veranderingen in het aanwezige groen optreden door de kap van een deel van de bomen op gronden waaraan in het voorgaande plan de bestemming "Verkeer - 3" was toegekend, leidt niet tot het oordeel dat de raad het plan niet zo heeft mogen vaststellen. De raad heeft beleidsruimte bij de vaststelling van een bestemmingsplan en moet een belangenafweging maken vanuit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening. Het standpunt van de raad dat het belang van woningbouw zwaarder weegt dan het behoud van het huidige groen in het plangebied en dat een deel van het groen bij de singel verdwijnt om een brug aan te leggen om te voorzien in een goede ontsluiting, acht de Afdeling niet onredelijk. Het betoog slaagt niet. 11. Ingevolge artikel 1.6a van de Crisis- en herstelwet (hierna: Chw) kunnen na afloop van de termijn voor het instellen van beroep geen beroepsgronden meer worden aangevoerd. Dit betekent dat alle beroepsgronden in het beroepschrift moeten worden opgenomen en dat na afloop van de beroepstermijn geen nieuwe gronden meer kunnen worden ingediend. In een nader stuk van 16 oktober 2020 heeft [appellant] voor het eerst gewezen op beschermde vogels in het plangebied. Het nader stuk is na afloop van de termijn voor het instellen van beroep bij de Afdeling ingediend. Dit betekent dat deze grond ingevolge artikel 1.6a van de Chw buiten beschouwing gelaten moet worden. Verkeersoverlast 12. [appellant] betoogt dat de ontwikkeling die het plan mogelijk maakt, verkeersoverlast door sluipverkeer zal veroorzaken. [appellant] vreest dat automobilisten die vanuit de parkeergarage komen, een route door de wijk over de Prinses Irenelaan nemen om de wachttijden op de kortste route naar de Generaal Spoorlaan en de Prinses Beatrixlaan te vermijden. [appellant] vreest ook meer verkeer in zijn straat vanwege de faciliteiten aan de Prinses Irenelaan. Daarnaast vreest [appellant] voor meer verkeer in zijn straat dat een parkeerplaats zoekt, omdat er mogelijk parkeerplaatsen zullen verdwijnen op de Prinses Beatrixlaan. De raad heeft volgens [appellant] bij de beoordeling van de verkeersoverlast onjuiste verkeersgegevens gehanteerd. Er zijn ten onrechte ongeveer 900 autobewegingen in mindering gebracht voor een al 20 jaar leegstaand HBG-kantoorgebouw, een oud postkantoor en een telefooncentrale die ook als kantoor is meegerekend. 12.1. De raad stelt dat uit het verkeersonderzoek van Royal HaskoningDHV blijkt dat het verkeer met de bestaande verkeersstructuur afgewikkeld kan worden. Deze uitkomsten worden volgens de raad bevestigd in een notitie die is opgesteld door adviseurs mobiliteit van bureau Goudappel Coffeng. Aangezien het verkeer van en naar het plangebied via de meest voor de hand liggende verkeersroute op aanvaardbare wijze kan worden afgewikkeld, hoeft volgens de raad voor sluipverkeer niet gevreesd te worden. 12.2. De raad heeft onderzoek uit laten voeren naar de effecten van het extra verkeer dat de voorziene ontwikkeling tot gevolg zal hebben. De onderzoeksresultaten zijn door Royal HaskoningDHV vastgelegd in het rapport "Resultaten analyse HBG-locatie Rijswijk Beatrixlaan - 29 april 2019" (hierna: het verkeersrapport) dat als bijlage bij de plantoelichting is gevoegd onder de naam "memo kruispuntanalyse". In het verkeersrapport staat: "Tevens komen de kantoren in de huidige situatie te vervallen, wat resulteert in een verkeersafname van 920 motorvoertuigen per etmaal." Verderop in het verkeersrapport staat echter: "Aangezien bij het verkeersonderzoek van RHDHV gekeken wordt naar de totale verkeersbelasting, is de aftrek van 920 mvt per etmaal niet nodig. De kantoorgeneratie zat al niet meer in de actuele verkeerscijfers en is daarom niet meegenomen." De verkeersbewegingen van de kantoren zijn dus niet in mindering gebracht in het onderzoek zoals [appellant] betoogt, zodat niet is gebleken dat in het verkeersrapport onjuiste verkeersgegevens zijn gehanteerd. In het verkeersrapport van 2019 is geconcludeerd dat het extra verkeer dat wordt gegenereerd door het bouwplan op de voormalige HBG-locatie, kan worden afgewikkeld binnen de bestaande verkeersstructuur. Er wordt geadviseerd om de opstelstrook richting de Generaal Spoorlaan minimaal te verlengen met 10 meter. Daarnaast heeft de raad naar aanleiding van de bezwaren van [appellant] vragen over de verkeersafwikkeling voorgelegd aan Goudappel Coffeng. De vragen zijn beantwoord in de notitie "Beantwoording vragen Beatrixlaan" (hierna: notitie Goudappel Coffeng), gedateerd 2 september 2020. In de notitie van Goudappel Coffeng is geconcludeerd dat de cyclustijd op de kruispunten in de huidige situatie nog onder de maximale waarde van 120 seconden blijft. Een verdergaande groei kan volgens de notitie nog opgevangen worden. Uit de berekeningen blijkt dat de doorstroming op de hoofdwegen voldoende is. Er ontstaat geen onaanvaardbare wachttijd bij de ontsluiting op de Prinses Beatrixlaan. Er is volgens de notitie geen reden om aan te nemen dat extra sluipverkeer via woonstraten ontstaat. [appellant] heeft deze conclusie niet gemotiveerd bestreden. Overlast van verkeer dat een parkeerplek zoekt, zal niet zodanig zijn dat de raad het plan niet in redelijkheid heeft vast kunnen stellen. Hierbij betrekt de Afdeling dat nog onzeker is of er parkeerplaatsen op de Prinses Beatrixlaan zullen verdwijnen. Het betoog slaagt niet. Parkeren 13. [appellant] betoogt dat het plan niet voorziet in voldoende parkeergelegenheid waardoor de parkeerdruk in de omgeving te hoog zal worden. Volgens [appellant] is de parkeerbehoefte te laag ingeschat, omdat ten onrechte de norm voor sociale woningbouw is toegepast. Ook wijst [appellant] op de parkeerbehoefte samenhangend met de mogelijkheden voor bed&breakfast en horeca in het plan en andere ontwikkelingen in de omgeving van het plangebied. In het parkeeronderzoek is hier ten onrechte geen rekening mee gehouden. Volgens [appellant] kan het berekende tekort van 90 parkeerplaatsen op eigen terrein niet in de woonstraten worden opgevangen. De raad heeft daarbij ten onrechte de restcapaciteit in een straal van 200 m betrokken. Daarnaast betoogt [appellant] dat uit de hoogbouwvisie blijkt dat parkeren bij hoogbouw in en onder het gebouw moet worden opgelost en niet op maaiveld in de open lucht. [appellant] betoogt ook dat ter plaatse van De Prinses Irenelaan gevaarlijke situaties kunnen ontstaan door de toename van geparkeerde auto’s. Deze laan is door de raad aangemerkt als belangrijke fietsroute naar het winkelcentrum. Als hier straks dubbele rijen auto’s staan in de weekenden, dan is dit gevaarlijk. De raad is hier volgens [appellant] te makkelijk aan voorbijgegaan en schuift de gevolgen naar de omwonenden. 13.1. De raad stelt dat de meest actuele kencijfers van het CROW zijn gebruikt bij het bepalen van het aantal benodigde parkeerplaatsen. Uit de parkeerbalans volgt dat er een tekort aan parkeerplaatsen is op verschillende momenten. Onderzocht is of er voldoende restcapaciteit in de directe omgeving is, waarbij de gemiddelde parkeerdruk in het openbaar gebied niet boven de 85% uit mag komen. De parkeernota van Rijswijk biedt ruimte voor deze wijze van vaststellen van de benodigde parkeerplaatsen. Uit het parkeeronderzoek blijkt volgens de raad dat dit het geval is. De CROW gaat uit van een straal van 250 m voor de restcapaciteit. De raad heeft 200 m gehanteerd en hanteert daarmee een strengere norm. In het parkeeronderzoek is gekeken naar plekken waar legaal geparkeerd mag worden. De Prinses Irenelaan is een 30 km/u-weg waar aan beide kanten geparkeerd mag worden. Hier ontstaat geen verkeersonveilige situatie bij dubbel parkeren. Het mogelijke verlies aan parkeerplekken op de Prinses Beatrixlaan en de parkeerbehoefte van andere ontwikkelingen zullen bekeken worden wanneer de plannen daarvoor concreet genoeg zijn. De raad stelt zich op het standpunt dat het plan niet in strijd is met de Hoogbouwvisie Rijswijk van 24 april 2007. In de hoogbouwvisie staat niet dat per definitie niet in het maaiveld geparkeerd mag worden. Er staat, dat er bij hoogbouw meer ruimte is voor groen, als niet in het maaiveld wordt geparkeerd. Dit wordt genoemd als voordeel van hoogbouw. Het plan maakt volgens de raad al voldoende groen mogelijk. De raad stelt dat voor het openen van een bed & breakfast een omgevingsvergunning aangevraagd moet worden. De horecavoorzieningen die het plan mogelijk maakt, zijn kleine ondersteunende voorzieningen die volgens de raad amper parkeerdruk genereren. In het rapport is voor deze functie van een parkeerbehoefte van 10 parkeerplekken uitgegaan. 13.2. Binnen het plan is op eigen terrein een parkeergarage met 550 parkeerplaatsen mogelijk gemaakt, waarvan 250 parkeerplaatsen aan bewoners van de koopwoningen zullen worden verkocht. De overige 300 parkeerplaatsen kunnen zowel door de overige bewoners als door bezoekers worden gebruikt (zogenoemd dubbelgebruik). 13.3. In opdracht van de raad heeft Empaction een parkeeronderzoek uitgevoerd. De resultaten van dit onderzoek zijn vastgelegd in het rapport "Parkeeronderzoek HBG-locatie Rijswijk" van 25 november 2019. Dit parkeeronderzoek is als bijlage bij de plantoelichting opgenomen. Bij dit onderzoek is uitgegaan van de ‘Nota Parkeernormen 2011’, waarin voor toepassing van de parkeernormen onderscheid is gemaakt in woningtypen. In het onderzoek is uitgegaan van 32 woningen in de categorie "koop-duur", 218 woningen in de categorie "koop: midden/goedkoop" en 300 woningen in de categorie "huur: midden/goedkoop". Uit de parkeerbalans in het parkeeronderzoek volgt dat er op eigen terrein een tekort aan parkeerplaatsen is op een werkdagavond (84 parkeerplaatsen), koopavond (40 parkeerplaatsen), zaterdagavond (89 parkeerplaatsen) en zondagmiddag (13 parkeerplaatsen). In het rapport staat het voorstel dat in de uiteindelijke balans ook in de avonduren rekening wordt gehouden met een tiental extra geparkeerde auto’s vanwege de aanvullende voorzieningen. In het rapport staat verder dat in een straal van 100 m rondom de ontwikkeling, rekening houdend met een maximale bezetting van 85% en zonder gebruik te maken van de Q-Park terreinen in de omgeving van het plangebied, op het piekmoment in de avonden sprake is van een restcapaciteit van 112 plaatsen. Daarmee is er in de omgeving ook nog voldoende ruimte voor de extra parkeerplaatsen ten gevolge van de nog in te vullen aanvullende voorzieningen. 13.4. De Afdeling acht het door de raad gehanteerde uitgangspunt over de verdeling van woningtypen voor de berekening van de parkeerbehoefte op voorhand niet onredelijk. Gelet op artikel 14.1 van de planregels zal bij verlening van een omgevingsvergunning voor bouwen getoetst moeten worden aan de 'Nota Parkeernormen 2011' of de rechtsopvolger(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.