ECLI:NL:RVS:2021:870
202002764/3/R4.
Datum uitspraak: 21 april 2021 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het verzet (artikel 8:55 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) van:
Coöperatieve Vereniging Abax U.A., gevestigd te Den Haag, opposante (hierna: Abax), tegen de uitspraak van de Afdeling van 29 september 2020 in zaak nr. 202002764/2/R4.
Procesverloop Bij uitspraak van 29 september 2020, in zaak nr. 202002764/2/R4, heeft de Afdeling na vereenvoudigde behandeling de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 23 maart 2020 in zaak nr. 19/3484 bevestigd, voor zover aangevallen. De uitspraak van de Afdeling is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft Abax verzet gedaan.
Abax heeft nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft het verzet ter zitting behandeld op 15 februari 2021, waar Abax, vertegenwoordigd door mr. drs. A.P.W. van Delden, advocaat te Den Haag, en [gemachtigde], is verschenen.
Overwegingen 1. Verzet, als bedoeld in artikel 8:55 van de Awb, gaat uitsluitend over de vraag of de Afdeling ten onrechte tot behandeling van de zaak zonder zitting is overgegaan wegens de kennelijke uitkomst van - in dit geval - het hoger beroep van Abax. Als in verzet argumenten naar voren worden gebracht die in het geval van een normale behandeling ook nog hadden kunnen worden aangevoerd, moet worden beoordeeld of hierdoor twijfel ontstaat over de uitkomst. Zo ja, dan moet de verzetsrechter het verzet gegrond verklaren zodat nader onderzoek kan plaatsvinden.
Bij uitspraak van 23 maart 2020 heeft de rechtbank het door Abax tegen dat besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.
In paragraaf 4.1.3.2 met als kopje "Dwangsom bij niet tijdig beslissen" is in artikel 4:17 het volgende bepaald: "1. Indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven, verbeurt het bestuursorgaan aan de aanvrager een dwangsom voor elke dag dat het in gebreke is, doch voor ten hoogste 42 dagen. […] [...] 7. Indien er meer dan één aanvrager is, is de dwangsom aan ieder van de aanvragers voor een gelijk deel verschuldigd."
De Afdeling is van oordeel dat anders dan Abax betoogt de bewoordingen in artikel 7:14a van de Awb "gelijkgesteld met de indiener van het bezwaarschrift" slechts betekenen dat de oorspronkelijke aanvrager dezelfde mogelijkheden heeft als de derde-belanghebbende die een bezwaarschrift heeft ingediend in het geval een besluit op bezwaar van het bestuursorgaan uitblijft. Ook de aanvrager heeft namelijk belang bij een tijdig besluit op bezwaar.
Artikel 7:14a van de Awb waarborgt daarom dat in dat geval ook de oorspronkelijke aanvrager, in dit geval Abax, het recht heeft om het bestuursorgaan in gebreke te stellen om een besluit op bezwaar te verkrijgen (Kamerstukken II 2004/2005, 29 934, nr. 6, blz. 17). Dit maakt dat ook de betekenis die Abax geeft aan artikel 4:17, zevende lid, van de Awb in dit geval niet relevant is. Deze bepaling gaat over de situatie waarin meer aanvragers één aanvraag hebben ingediend of waarin meer bezwaarmakers één bezwaarschrift hebben ingediend en deze aanvragers dan wel bezwaarmakers het bestuursorgaan in gebreke hebben gesteld. In dat geval delen de aanvragers dan wel de bezwaarmakers in de dwangsom. Deze situatie is hier niet aan de orde. De conclusie is daarom dat ongeacht het aantal bezwaarschriften Abax recht heeft op één dwangsom. In het geval dat er verschillende bezwaarschriften zijn ingediend en het bestuursorgaan afzonderlijk op deze bezwaren wenst te besluiten, loopt de termijn voor het nemen van een besluit op bezwaar, en daarmee ook de dwangsom, door totdat volledig op alle bezwaren is beslist.
Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: verklaart het verzet ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. D.A. Verburg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.A.A. van Roessel, griffier.
Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
Uitgesproken in het openbaar op 21 april 2021 457-971.