(2017)af van de omstandigheden van het geval, de specifieke ligging, de feitelijke situatie, het bestemmingsplan en de aard van de omgeving. Bij de beantwoording van deze vraag dient volgens de jurisprudentie van de Afdeling te worden beoordeeld of het voorgaande bestemmingsplan binnen het gebied reeds een stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca mogelijk maakt, of het gebied op grond van het voorgaande plan kan worden beschouwd als bij een bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur […]. 10.
- […] Wanneer het voorgaande plan een zodanig samenstel van bebouwing niet mogelijk maakt, of het gebied niet als behorend bij zodanig bestaand stedenbouwkundig samenstel kan worden aangemerkt, kunnen omstandigheden als bijvoorbeeld de situering van het plangebied aansluitend aan bebouwing en omgeven door een doorgaande weg, de aanduiding van het plangebied in de toepasselijke provinciale verordening als bestaand stedelijk gebied en de vermelding van het gebied in een structuurvisie, er in beginsel niet aan afdoen dat het plangebied niet voldoet aan de eisen die artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder h, van het Bro stelt om als bestaand stedelijk gebied te kunnen worden aangemerkt […]. 10.
- De Afdeling beoordeelt, indien de beroepsgronden daartoe aanleiding geven en aan de hand daarvan, of deugdelijk gemotiveerd is dat niet binnen het bestaand stedelijk gebied in de behoefte kan worden voorzien en of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat binnen het bestaand stedelijk gebied geen geschikte locatie beschikbaar is waar de desbetreffende stedelijke ontwikkeling zou kunnen worden gerealiseerd. […]" 19.
- In het voorheen geldende bestemmingsplan heeft de ene helft van de gronden van het plangebied de bestemming "Bedrijf" in samenhang bezien met de functieaanduiding "tuincentrum" en de andere helft van de gronden voor het grootste deel de bestemming "Agrarisch". Dit betekent dat het voorgaande plan niet reeds in zijn geheel een stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca mogelijk maakte binnen het plangebied. Gezien de voorgaande bestemmingen kan het gebied als geheel dus ook niet worden beschouwd als bij een bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen of infrastructuur. Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat niet wordt voldaan aan de geldende eisen ingevolge artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder h, van het Bro. De door de raad gestelde omstandigheden, namelijk de situering van het plangebied, aansluitend aan bebouwing en omgeven door een doorgaande weg, en de omstandigheid dat het plan valt onder de definitie van het begrip "bestaand bebouwd gebied" uit de Omgevingsverordening Overijssel 2017 kunnen niet eraan afdoen dat het plangebied niet voldoet aan de eisen die artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder h, van het Bro stelt om als bestaand stedelijk gebied te kunnen worden aangemerkt. De Afdeling verwijst in dit verband ook naar haar uitspraak van 29 april 2015, ECLI:NL:RVS:2015:
- In wat de raad heeft gesteld, zijn geen bijzondere omstandigheden gelegen die leiden tot een ander oordeel. Dit betekent dat voor de toepassing van artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro ervan moet worden uitgegaan dat het plangebied een nieuw beslag legt op de ruimte. 19.
- Omdat het plangebied niet geheel tot het bestaand stedelijk gebied behoort, dient de raad te motiveren waarom de ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied kan plaatsvinden. [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] hebben verschillende locaties aangedragen. Over de locatie Weleveld stelt de raad dat aan de gronden van deze locatie een agrarische bestemming is toegekend en dat deze gronden zijn gesitueerd buiten het bestaand stedelijk gebied. Voor zover [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] wijzen op de voormalige sporthal Verdegaalhal stelt de raad dat de huurovereenkomst van de sporthal loopt tot de zomer van 2020 en dat er nog geen besluit is genomen over de voortzetting van de huurovereenkomst. De raad wijst erop dat deze locatie niet een locatie is waar de raad ten tijde van de vaststelling van het plan rekening mee had moeten houden. Over de locatie Almeloseweq noord en zuid stelt de raad dat onduidelijk is op welke locatie binnen bestaand stedelijk gebied [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] doelen. Aan de Almeloseweq is lintbebouwing gesitueerd en is geen mogelijkheid voor de voorziene ontwikkeling. Nabij deze lintbebouwing is een locatie gesitueerd die is bestemd voor detailhandel, maar volgens de raad zijn er geen plannen om deze locatie voor een andere functie te herontwikkelen en als die er wel zouden zijn gaat de voorkeur uit naar een plan dat voorziet in detailhandel in combinatie met slechts één woning. Voor zover [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] wijzen naar het leegstaande perceel bij de hoek van de Molenstraat en de Van Langenstraat, namelijk het perceel Molenstraat 11, stelt de raad dat dit perceel een omvang heeft van 475 m2 en dus gelet op de zeer beperkte omvang niet kan voorzien in de beoogde voorziene ontwikkeling. De raad stelt dat de locaties bij het Manderley-complex en het Brugman-complex allebei ook niet geschikt zijn, omdat beide locaties zijn gesitueerd op een bestaand bedrijventerrein. Op beide locaties is geen voornemen om woningbouw te ontwikkelen en daarnaast is het de vraag of eventuele woningbouw op deze locaties mogelijk of gewenst is uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening gelet op de aangrenzende bedrijven. De raad wijst er verder op dat de locatie aan de Bachstraat ook niet geschikt is, omdat deze locatie een woonwagenkamp betreft dat zal worden gerevitaliseerd, zodat dit kamp weer als zodanig in gebruik kan worden genomen. Verder stelt de raad dat de locatie Wentrup, de landbouwschool en de locatie naast de kerk aan het Pastoor Vredendaalpad, geen van alle geschikt zijn, omdat deze locaties niet beschikbaar zijn en al in gebruik zijn als bloemenwinkel, kinderdagopvang respectievelijk kerk. Over het perceel van [familienaam] stelt de raad dat de gronden van deze locatie een agrarische bestemming hebben en zijn gesitueerd buiten bestaand stedelijk gebied. Daarnaast stelt de raad op de zitting dat de gemeente Tubbergen geen beleid heeft om op bestaande woonkavels of erven verdere woningbouw te ontwikkelen, wanneer particulieren dit graag zouden willen. Voor zover [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] wijzen op de locatie De Huve is op de zitting gebleken dat dit de locatie van het gemeentehuis is en dat deze locatie pas kort vóór de zitting is vrijgekomen. De raad stelt op de zitting dat deze locatie geen locatie is waar de raad ten tijde van de vaststelling van het plan rekening mee had moeten houden. Over de locatie "rotonde Reutummerweq" stelt de raad dat onduidelijk is op welke locatie binnen bestaand stedelijk gebied [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] doelen. [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] hebben niet nader gemotiveerd welke locatie precies wordt bedoeld, zodat onduidelijk is welke alternatieve locatie zij bedoelen. 19.
- De Afdeling ziet geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van hetgeen de raad met betrekking tot de geschiktheid van de aangedragen alternatieve locaties naar voren heeft gebracht. De raad heeft met de in 19.4 weergegeven toelichting naar het oordeel van de Afdeling voldoende gemotiveerd waarom de door [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] voorgestelde alternatieve locaties, geen geschikte alternatieven zijn voor zover gesitueerd binnen het bestaand stedelijk gebied. De Afdeling is van oordeel dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat binnen het bestaand stedelijk gebied geen geschikte locatie beschikbaar is waar de voorziene ontwikkeling zou kunnen worden gerealiseerd. Het betoog slaagt niet. VERKEER
- [appellant sub 1] en anderen, [appellant sub 2], [appellant sub 3] en [appellant sub 4] vrezen verkeershinder vanwege de voorziene ontwikkeling. Zij voeren de volgende bezwaren aan. - Ontsluiting en verkeersdrukte
- [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] vrezen voor verkeerscongestie op de Almeloseweg als gevolg van de voorziene ontwikkeling. Volgens hen is er verkeerscongestie op de Almeloseweg en op de kruising van de Almeloseweg met de Tubbergeresweg te verwachten door in- en uitgaand verkeer in de ochtend- en avonduren tijdens spitstijd. Daarbij stellen [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] dat er geen gedegen onderzoek plaats heeft gevonden naar de gevolgen van verkeersintensiteiten vanaf het plangebied naar het centrum van Tubbergen. In dit kader stellen [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] ook dat het verkeersonderzoek van Goudappel Coffeng heeft plaatsgevonden in de vakantieperiode en dat de uitkomsten daarvan daarom niet maatgevend zijn. Daarnaast stellen [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] dat de Maatweg ongeschikt is als aanvullende calamiteitenroute en ongeschikt is voor fietsers en voetgangers. [appellant sub 1] en anderen stellen dat vanuit het kruispunt van de Almeloseweg met de Prins Bernhardstraat de route naar de Maatweg het langste is en daarom niet geschikt als calamiteitenroute. In dit kader wijzen [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] erop dat de afstand van de Maatweg naar de Almeloseweg bij calamiteiten sterk vertragend werkt, omdat grote wagens er alleen met passen en meten doorheen kunnen en ook personenauto's volgens hen stapvoets over de Maatweg moeten rijden. Ook zijn volgens hen op de Maatweg geen trottoirs aanwezig en geen uitwijkmogelijkheden voor fietsers en voetgangers. De Maatweg is volgens hen ook niet geschikt omdat er takken over de weg hangen en er rekening moet worden gehouden met de peuter- en kleuterspeeltuin aan de Maatweg, waardoor kinderen ook op straat kunnen spelen. Verder stellen [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] dat het verkeer dat vanaf de Maatweg komt, uitkomt op een onoverzichtelijke en ongelijke kruising bij de Almeloseweg. Volgens hen krijgt het verkeer dat vanaf de Maatweg komt en de kruising op wil draaien nooit voorrang van fietsers en het gemotoriseerde verkeer van de Almeloseweg dat van links komt, omdat weggebruikers vanaf de kant van Almelo vrijwel geen tot zeer slecht zicht hebben op verkeer dat vanaf de Maatweg komt. Hierdoor is de kans op ongelukken heel groot. [appellant sub 4] voert daarentegen aan dat de raad onvoldoende heeft gemotiveerd en onderbouwd dat de voorziene ontwikkeling enkel vanaf de Almeloseweg zal worden ontsloten en niet ook via de Maatweg. [appellant sub 4] wijst erop dat de verkeersbestemming van het deel van de Maatweg dat in het aangrenzende bestemmingsplan is gesitueerd ruim voldoende mogelijkheden biedt voor een brede toegangsweg. 21.
- De Afdeling kan de raad volgen in zijn het standpunt dat de Maatweg niet als volwaardige ontsluiting zal worden gebruikt, maar dat het plangebied primair zal worden ontsloten via de Almeloseweg en dat de Maatweg voornamelijk zal worden gebruikt als calamiteitenroute en als ontsluiting voor langzaam verkeer. De raad heeft daar toe besloten op basis van de bevindingen uit het rapport "Verkeerseffecten herontwikkeling Tuincentrum Tubbergen" van Goudappel Coffeng van 25 juni 2019 (hierna: het verkeersrapport). In paragraaf 5.1 van het verkeersrapport adviseert Goudappel Coffeng om de Maatweg te gebruiken als calamiteitenroute en als alternatieve ontsluitingsroute wanneer tijdelijk geen gebruik kan worden gemaakt van de Almeloseweg, bijvoorbeeld als er onderhoud aan de weg plaatsvindt. Daarnaast volgt uit het verkeersrapport dat de Maatweg niet geschikt is als volwaardige ontsluiting, omdat het gaat om een doodlopende weg die niet voorzien is van trottoirs of fietsstroken en daarnaast te smal is. De Maatweg voldoet als route voor langzaam verkeer, maar moet volledig worden heringericht om grotere verkeersstromen acceptabel te maken, aldus het verkeersrapport. Voor zover [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] stellen dat de Maatweg vanwege overhangende takken niet toegankelijk is voor brandweerauto’s, heeft de raad onweersproken gesteld dat de woningen aan de Maatweg nu ook voor brandweerauto’s bereikbaar zijn. Daarnaast stelt de raad dat op basis van het verkeersrapport is gekozen voor een primaire ontsluiting van het plangebied via de Almeloseweg, omdat het wenselijk is dat het verkeer van en naar het plangebied via de kortste route naar de Tubbergeresweg wordt geleid. Op grond van het verkeersrapport zal ter plaatste van de ontsluiting op de Almeloseweg een inritconstructie worden aangelegd. Zo volgt ook uit het verkeersrapport dat er wel op het kruispunt van de Almeloseweg met de ontsluiting van het plangebied een voorrangskruispunt met inritconstructie nodig is om de verkeersstromen goed te verwerken en dat een dergelijk kruispunt voldoende capaciteit heeft om, ook als de verkeersstromen twee keer zo hoog zouden zijn, geen problemen met de verkeersafwikkeling te veroorzaken. Wat betreft de stelling dat de Almeloseweg de verkeersdrukte niet aan zou kunnen, overweegt de Afdeling als volgt. In het verkeersrapport is onderzoek gedaan naar de verkeersintensiteit van de Almeloseweg. Zo volgt uit het verkeersrapport dat er in de periode van 20 februari 2016 tot en met 28 februari 2016 tellingen zijn gedaan om de verkeersintensiteit van de Almeloseweg in kaart te brengen. In tegenstelling tot wat [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] stellen, vallen deze dagen niet in de schoolvakantieperiode, omdat de schoolvakantie voor regio noord en dus voor de provincie Overijssel, toentertijd was van 27 februari 2016 tot en met 6 maart
- Uit het verkeersrapport blijkt dat op de Almeloseweg in het drukste uur van het etmaal ongeveer 200 motorvoertuigen per richting rijden en dat de voorziene ontwikkeling ongeveer 500 ritten per etmaal genereert, wat in het drukste uur ongeveer 50 ritten zal zijn. Verder blijkt uit het verkeersrapport dat de verkeersintensiteit na realisatie van de voorziene ontwikkeling 4.400 motorvoertuigen per etmaal bedraagt. Uit het verkeersrapport volgt dat op de Almeloseweg het trottoir op een aantal plaatsen een onderbreking laat zien en als dat wordt verbeterd, zodat een duidelijk doorlopend trottoir ontstaat, de Almeloseweg zowel de huidige als de toekomstige intensiteiten, die ontstaan als gevolg van de voorziene ontwikkeling, zonder verkeersveiligheidsproblemen kan verwerken. In hetgeen [appellant sub 1] en anderen, [appellant sub 2] en [appellant sub 4] hebben aangevoerd ziet de Afdeling onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat het onderzoek van Goudappel Coffeng zodanige gebreken of leemtes in kennis bevat dat de raad zich hierop niet heeft mogen baseren. Gelet op het vorenstaande heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plangebied primair zal worden ontsloten via de Almeloseweg en dat de Maatweg voornamelijk zal worden gebruikt als calamiteitenroute en daarnaast als alternatieve ontsluitingsroute. Het betoog slaagt niet. - Ontsluiting perceel [appellant sub 3]
- [appellant sub 3] stelt zich op het standpunt dat de gevolgen van de voorziene ontwikkeling voor zijn ontsluiting aan de achterzijde van zijn perceel onvoldoende zijn meegewogen en dat daarbij ook onvoldoende is meegewogen dat zijn achtererf door de voorziene ontwikkeling zal grenzen aan een openbare weg. Volgens hem wordt de achterzijde van zijn perceel momenteel ontsloten door een recht van overpad en maakt het bestreden plan zijn recht van overpad illusoir. Op de zitting heeft [appellant sub 3] nader toegelicht dat er een verkeersonveilige situatie voor hem zal ontstaan door de voorziene ontwikkeling. 22.
- De Afdeling stelt vast dat [appellant sub 3] woont aan Almeloseweg 41 en dat zijn perceel geen onderdeel is van de gronden van het plangebied. 22.
- Over de stelling van [appellant sub 3] dat er sprake is van een verkeersonveilige situatie, heeft de raad op de zitting nader toegelicht dat de gronden van het plangebied beter worden ingericht, waarbij de voorziene woningen zullen worden ontsloten met een eigen weg binnen het plangebied. De raad verwacht dat er maar enkele auto’s gebruik zullen maken van het deel van de weg dat het dichtstbij de achterzijde van het perceel van [appellant sub 3] is gesitueerd, omdat dat deel van de weg wordt aangelegd ter ontsluiting van een beperkt aantal voorziene woningen, die in die buurt zullen zijn gesitueerd. Gelet hierop ziet de raad niet in dat er onevenredige beperkingen zijn van de mogelijkheden voor [appellant sub 3] om zijn perceel te ontsluiten. Op de zitting stelt ook de raad dat er eventueel een verkeerspiegel aan de achterzijde van het perceel van [appellant sub 3] kan worden geplaatst, mocht [appellant sub 3] in de toekomst na de realisering van de voorziene woningen toch behoefte hebben aan meer zicht als hij zijn perceel aan de achterzijde wil verlaten. Dat is een mogelijk toekomstig uitvoeringsaspect dat bij het voorliggende plan niet getoetst hoeft te worden. Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling niet in dat er sprake is van een verkeersonveilige situatie bij de achterzijde van het perceel van [appellant sub 3]. Het betoog slaagt niet. - Verkeersveiligheid
- Verder voeren [appellant sub 1] en anderen, [appellant sub 2] en [appellant sub 4] aan dat de gevolgen voor de verkeersveiligheid op de Almeloseweg door de voorziene ontwikkeling niet voldoende in kaart zijn gebracht. [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] wijzen in dit kader op de verkeersveiligheid van fietsers en stellen dat er grote groepen jongeren langs het plangebied zullen fietsen om naar school te gaan. 23.
- Op de zitting heeft [appellant sub 4] in dat kader gesteld dat de politie op 6 juni 2000 een brief naar de gemeente heeft gestuurd met de mededeling dat er gestreefd moet worden naar een verkeersveilige situatie en dat er veel fietsverkeer is waarmee onvoldoende rekening wordt gehouden in het licht van de verkeersveiligheid. De Afdeling stelt vast dat deze brief niet is overgelegd en overweegt dat - afgezien van de gedateerdheid van deze brief - er geen andere stukken zijn overgelegd waaruit blijkt dat ten tijde van de vaststelling van het plan de verkeersrisico’s door de voorziene ontwikkeling zijn onderschat. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat ook niet gemotiveerd is aangevoerd waarom de raad - mede in het licht van hetgeen hiervoor al over is overwogen - niet voldoende rekening heeft gehouden met mogelijke verkeersrisico’s door de voorziene ontwikkeling. Het betoog slaagt niet. PARKEREN
- [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] voeren aan dat niet in de planregels is geborgd dat parkeerplaatsen voor de voorziene woningen op eigen terrein of op een terrein van de gemeente moeten worden aangelegd. Zij wijzen er op dat wettelijk 1,3 parkeerplaats op eigen terrein of op het terrein van de gemeente noodzakelijk is. 24.
- In artikel 10 van de planregels zijn regels opgenomen omtrent het parkeren. Zo volgt uit artikel 10, lid 10.1.2, van de planregels dat bij de uitoefening van de bevoegdheid tot het verlenen van een omgevingsvergunning voor bouwen en/of voor het gebruik van een gebouw dan wel het wijzigen van het gebruik van een onbebouwd terrein moet worden voldaan aan de normen in de beleidsregels die zijn neergelegd in de 'Beleidsnotitie Bouwen en Parkeren 2018' en dat indien deze beleidsregel gedurende de planperiode wordt gewijzigd, rekening wordt gehouden met die wijziging. Uit de ‘Beleidsnotitie Bouwen en Parkeren 2018’ volgt dat voor de parkeernormen is aangesloten bij de parkeercijfers zoals opgenomen in publicatie nr. 317 van het CROW "Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie". In tegenstelling tot wat [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] stellen, is in het plan geborgd dat er parkeerplaatsen voor de voorziene woningen moeten worden aangelegd. Het betoog mist in zoverre daarom feitelijke grondslag. LICHTHINDER
- [appellant sub 4] voert aan dat de raad ten onrechte niet is ingegaan op de omvang en impact van lichthinder door de voorziene ontwikkeling en dat maatregelen ter beperking van deze lichthinder ten onrechte buiten beschouwing zijn gebleven. [appellant sub 4] stelt dat de raad verwijst naar een kennelijk ondeugdelijk rapport en zich verschuilt achter andere ondeugdelijke argumenten, zoals een bestaande coniferenhaag, terwijl de praktijk uitwijst dat de koplampen van weggebruikers allerminst verstrooid of anderszins diffuus licht in zijn woonkamer werpen, maar juist rechtstreeks en fel naar binnen schijnen. 25.
- Wat betreft de lichthinder, acht de Afdeling niet aannemelijk gemaakt dat deze, zodanig zal zijn dat de raad bij afweging van alle betrokken belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan aan de belangen die met de bouwmogelijkheden van het bestreden plan aan de orde zijn. De raad stelt in zijn verweerschrift dat er geen onaanvaardbare lichthinder als gevolg van de voorziene ontwikkeling zal optreden en dat voor zover er wel sprake is van inschijnende koplampen sprake is van een zeer beperkt effect, omdat het slechts om een beperkt aantal autobewegingen gaat. In dit kader wijst de raad op het verkeersonderzoek en het onderzoek "Beoordeling lichthinder" van LBP Sight van 18 juli 2019 (hierna: het onderzoek lichthinder), die allebei als bijlage bij de plantoelichting zijn gevoegd. Uit het verkeersrapport volgt dat, rekening houdend met onder andere de hoogte van ramen van de woning, de afstand tussen een voertuig en de woning en de omstandigheid dat het maaiveld bij de woning schuin afloopt naar de weg en het maaiveld bij de woning dus hoger ligt dan het wegdek, de bundel van de koplamp van een auto niet direct in de ramen van de betreffende woning zal schijnen. Uit een nader onderzoek, namelijk het onderzoek lichthinder, volgt dat de periode van 19.00 uur tot 23.00 uur van belang is, omdat het in deze periode buiten donker is en er ook gebruik zal worden gemaakt van de woonkamer van de woning. In deze periode zullen volgens dat onderzoek ongeveer 34 auto’s de woning passeren. Dat betekent dat er gemiddeld iedere zeven minuten een auto het plangebied in- of uitrijdt. Aangezien alleen de koplampen van uit het plangebied vertrekkende auto’s voor de beoordeling relevant zijn, gaat het om één beweging per 14 minuten. In het onderzoek wordt geconcludeerd dat, gelet op de hiervoor genoemde frequentie, de overlast zeer beperkt zal zijn. Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling in hetgeen [appellant sub 4] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat er door de voorziene ontwikkeling geen onaanvaardbare lichthinder zal optreden. Hierbij wijst de Afdeling er op dat het argument over de coniferenhaag naast de woning van [appellant sub 4] geen bepalend element is in het onderzoek lichthinder, maar meer ten overvloede is opgemerkt. De Afdeling merkt overigens nog op dat de raad op de zitting heeft toegelicht dat de uitrit van het plangebied een paar meter verder van de huidige uitrit en dus ook van het perceel van [appellant sub 4] zal worden gesitueerd, waardoor de toekomstige situatie voor wat betreft eventuele overlast van koplampen van auto’s al anders zal zijn dan in de huidige situatie. Het betoog slaagt niet. WATERHUISHOUDING
- [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] voeren aan dat de waterhuishouding in het plan niet voldoende is geregeld. Zij voeren aan dat zij nu al wateroverlast ondervinden, onder meer omdat hun percelen [locatie A] en 14 het laagst gelegen zijn in het gebied. Zij stellen dat op geen enkele wijze is gekeken naar de wateroverlast die zij zullen gaan ondervinden en dat ook niet is bekeken hoe die wateroverlast beperkt kan worden. Zij stellen dat het plangebied zal worden opgehoogd, wat de waterafvoer naar hun lager gelegen percelen zal vergroten en dat de voorziene zaksloten niet diep genoeg zijn. In dit kader wijzen [appellant sub 1] en anderen er ook op dat geen rekening is gehouden met de klimaatverandering, de omstandigheid dat op de essen relatief meer regen valt omdat door het hoogteverschil buien daar blijven hangen en dat de gronden bijna niet infiltreerbaar zijn vanwege de kleilaag [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] stellen dat het water dat nu en straks van de sloot langs de Tubbergeresweg stroomt, blijvend afgevoerd dient te worden via de duiker onder de Tubbergeresweg om te voorkomen dat zij wateroverlast houden door terugstromend water in hun drainagesysteem. Zij stellen dat de raad geen waterplan heeft vastgesteld waaruit blijkt dat de huidige en toekomstige wateroverlast definitief kan worden verholpen. Verder voeren [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] aan dat de raad een van de weilanden, gelegen langs de muur van het perceel Maatweg [locatie B] niet bij een onderzoek heeft meegenomen. Volgens [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] is dit de locatie waar de zaksloot is gepland, maar is de leemlaag bij dit weiland het dikst, waardoor de werking van het infiltratiedoel niet zal worden gehaald. Verder wijzen [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] er op dat de sloot tussen het perceel [locatie A] en het plangebied zal worden gedempt en dus zal worden afgesloten van het huidige watersysteem, maar dat uit het rapport van Tauw volgt dat de sloot wordt gehandhaafd. Verder vragen [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] zich af wie verantwoordelijk is voor het goed functioneren van de afvoer van hemelwater via de afvoerbuizen en wie verantwoordelijk is voor het onderhoud van de zaksloten. Volgens [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] is het onduidelijk hoe diep de gronden van het plangebied worden omgewoeld om de leemlagen te breken, zodat sprake zal zijn van een goede infiltratie en waterafvoer. Verder stellen [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] dat op het perceel De Klumper 2 een peilbuis zou komen om de waterstand te peilen om zo de invloed van de voorziene ontwikkeling vast te kunnen stellen, maar dat deze peilbuis nog steeds niet is geplaatst. Volgens hen moet de huidige waterstand worden gepeild voordat het plan onherroepelijk is. Verder stellen [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] dat uit het rapport van Tauw volgt dat de hemelwaterafvoer van de zaksloot langs het perceel [locatie B] wordt geleid naar een lagergelegen zaksloot langs het perceel De Klumper 2 met een te kleine waterafvoerbuis. Volgens hen blijft hierdoor de inhoud van de zaksloot van 500 mm staan op 250 mm en voldoet de toekomstige situatie dus niet aan de bergingsnorm. In dit kader wijzen [appellant sub 1] en anderen er ook op dat de zaksloot bij het perceel De Klumper 2 hoger ligt dan de afvoerbuis die wordt geplaats voor de afvoer van het hemelwater van het perceel [locatie B]. Hierdoor loopt het hemelwater van de zaksloot bij een overstroming direct terug naar het perceel van [locatie B] met alle negatieve gevolgen van dien, aldus [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2]. 26.
- De Afdeling stelt voorop dat, anders dan [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] stellen, de raad met de voorziene ontwikkeling niet verplicht is om maatregelen te treffen om de eventuele al bestaande wateroverlast op te lossen. Wel dient de raad met de voorziene ontwikkeling eventueel al bestaande wateroverlast niet te verergeren. 26.
- Op 22 januari 2018 heeft Tauw ten behoeve van de voorziene ontwikkeling een waterhuishoudingsplan opgesteld. Naar aanleiding van de bedenkingen van appellanten ten aanzien van het waterhuishoudingsplan, zijn de gevolgen voor de waterhuishouding verder onderzocht en de resultaten daarvan neergelegd in de notitie "Notitie reactie zienswijzen waterhuishoudingsplan Tubberger Esch" van Tauw van 13 september 2018 en de notitie "Notitie reactie op vragen gemeente Tubbergen inzake waterhuishoudingsplan Tubbberger Esch" van Tauw van 26 november
- Uit het waterhuishoudingsplan volgt dat er verschillende maatregelen zullen worden genomen om de waterhuishouding van het plangebied te verbeteren. De doelstelling is om een duurzaam hemelwater- en afvalwaterstelsel te realiseren dat aan de geldende normen en uitgangspunten voldoet en in goede samenhang met de andere functies van het gebied kan worden aangelegd. 26.
- De raad heeft zich, op basis van het waterhuishoudingsplan, op het standpunt gesteld dat de voorziene ontwikkeling niet zal leiden tot (extra) wateroverlast in de directe omgeving van het plangebied, in het bijzonder de aangrenzende woningen aan de oostzijde van het plangebied. Uit het waterhuishoudingsplan volgt het volgende. Door de voorziene ontwikkeling neemt het verhard oppervlak van de gronden van het plangebied af van ongeveer 12.000 m2 naar ongeveer 8250 m
- Omdat delen van het plangebied niet voldoen aan de toekomstige ontwateringseisen door storende grondlagen en een relatief lage maaiveldhoogte, wordt geadviseerd het plangebied plaatselijk op te hogen, het gehele plangebied te diepploegen om leemlagen te doorbreken en om een drainage aan te leggen om zo pieken van de grondwaterstanden te verlagen. In aansluiting op de omgeving van het plangebied worden hoogteverschillen op de randen van het plangebied opgevangen door zaksloten. In het bestreden plan is meer dan 10% van de gronden gereserveerd voor waterbergingsvoorzieningen. Voor het plangebied wordt uitgegaan van een volledig gescheiden watersysteem, waarbij het hemelwater in een eigen afvoerstelsel volledig gescheiden wordt verwerkt van het afvalwater. Het afvalwater van het plangebied wordt aangesloten op de riolering in de Maatweg. Dit rioolstelsel is onlangs vergroot en heeft volgens de raad voldoende capaciteit om de toename van het afvalwater te verwerken, waardoor het functioneren van de riolering in de Maatweg dan ook niet nadelig wordt beïnvloed. Het hemelwater wordt binnen het plangebied zoveel mogelijk zichtbaar en oppervlakkig afgevoerd. Oppervlakkige afvoer heeft de voorkeur boven afvoer door buizen, vanwege het grotere risico op ongewenst lozingsgedrag en foutieve aansluitingen van buizen. Binnen het plangebied wordt geen hemelwaterafvoer aangesloten op het riool. Het hemelwater afkomstig van het verharde oppervlak wordt niet aangesloten op de riolering, maar wordt oppervlakkig afgevoerd naar bovengrondse ‘groene’ infiltratievoorzieningen, zoals wadi’s en zaksloten. Zo wordt een groenzone in het midden van het plangebied ingericht om water te bergen. Het noordelijke gedeelte van de groenzone wordt ingericht om water te transporten naar een wadi en is daarnaast bestemd om hoogteverschillen in het plangebied op te vangen. In het zuidelijke gedeelte van de groenzone is een wadi gesitueerd waarin het water afkomstig van het verharde oppervlak zal worden geborgen. In de bovenste laag van de wadi wordt grondverbetering toegepast waardoor hemelwater goed kan infiltreren. Onder het maaiveld ligt een grindkoffer met daarin een drain met een diameter van 110 mm. De grindkoffer is circa 0,6 m hoog en de breedte is gelijk aan de bodembreedte van de wadi. In de wadi wordt een overloopconstructie aangelegd, een zogenaamde slokop, die in werking treedt tijdens hevige neerslag, als het waterpeil in de wadi stijgt of de doorlaatcapaciteit van de wadi te beperkt is. Als de wadi en de grindkoffer geheel gevuld zijn, stort het extra aanbod aan water via de drain over op de zaksloot in het oosten van het plangebied. Aan de randen van het plangebied worden de huidige greppels omgevormd tot zaksloten. Door de bestaande greppels om te vormen tot zaksloten blijven de bestaande ont- en afwateringsfuncties in het plangebied behouden. Daarnaast kunnen de hoogteverschillen op de randen van het plangebied worden opgevangen. In de beide sloten wordt aan de stroomafwaartse zuidelijke zijde een schotbalkstuw geplaatst die er voor zorgt dat het water in de sloot in de zomer niet wordt afgevoerd, maar tijdelijk wordt geborgen. In de winter worden de schotbalkstuwen in de sloten verwijderd, waardoor de afvoerhoogte hiermee gelijk wordt aan de bodemhoogte van de sloten. Hierdoor kan in de winter een continue afvoer van grondwater en hemelwater plaatsvinden richting de zuidelijke bermsloot langs de Tubbergeresweg. 26.
- Verder stelt de raad zich op het standpunt dat bij het waterhuishoudingsplan een strengere bergingseis van 40 mm is gehanteerd in plaats van de norm van 20 mm. Op deze manier wordt er rekening gehouden met klimatologische ontwikkelingen. Indien er meer water valt dan de 40 mm wordt het water afgevoerd naar het oppervlaktewatersysteem. In dit kader stelt de raad dat in de berekeningen van het waterhuishoudingsplan ook rekening is gehouden met toekomstige verhardingen van het plangebied. Zo is het verharde oppervlakte van de gronden van het plangebied vermeerderd met 15% voor toekomstige terreinverhardingen. Voor zover in de praktijk meer verhardingen in de tuinen zouden worden aangelegd, stelt de raad dat dit ook niet zal leiden tot problemen, omdat er bij de berekening is uitgegaan van de veel ruimere maatgevende neerslaghoeveelheid van 40 mm. Over de vrees van [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] dat de drainagebuis met een doorsnee van 110 mm te klein is, stelt de raad dat de drainagebuis van voldoende omvang is, omdat voor een buis die wordt aangelegd met een overloopfunctie geen eis van een minimale doorsnede geldt en dat het plan zonder de drainagebuis ook voldoet aan de bergingseis van 40 mm. De overstort door middel van de drain is dus een extra voorziening ten behoeve van een robuust systeem, aldus de raad. De raad heeft in zijn aanvullende verweerschrift verder toegelicht dat uit het waterhuishoudingsplan volgt dat rekening is gehouden met de hoogteligging van naastgelegen percelen, de aanwezigheid van de muur op het perceel aan de [locatie B] en het weiland ten westen van de [locatie B]. Het hoogteverschil van de gronden in het plangebied en tussen de gronden van het plangebied en de omliggende percelen zal worden opgevangen door de nieuw te graven sloten, haaks op de stromingsrichting van het grondwater. Deze sloten zorgen voor het afvangen van grondwater in de wintersituatie en voorkomen daarmee juist hogere grondwaterstanden op de oostelijk gelegen percelen, aldus de raad. Wat betreft de vrees van [appellant sub 2] dat hij op zijn perceel [locatie B] wateroverlast zal ondervinden, stelt de raad zich op het standpunt dat de afwateringssituatie rondom het perceel van [appellant sub 2] wordt gewijzigd, waardoor er bij het perceel van [appellant sub 2] wat betreft de waterhuishouding geen knelpunten zullen ontstaan. Zo wordt de huidige greppel bij zijn perceel onderdeel van het waterhuishoudingsplan. De projectontwikkelaar heeft, om een goede en continue afvoer van het hemelwater te kunnen borgen van het perceel van [appellant sub 2], toestemming gegeven aan de gemeente om over de gronden van het plangebied een ondergrondse afvoerleiding aan te brengen, parallel aan een toekomstige zaksloot. Die voert het hemelwater dat afkomstig is van het perceel van [appellant sub 2] af in zuidelijke richting, rechtstreeks op de bermsloot langs de Tubbergeresweg. 26.
- De hiervoor genoemde maatregelen op grond van het waterhuishoudingsplan en de nadere toelichting van de raad op dit punt zijn door [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] niet bestreden. [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] hebben ook niets tegenover die maatregelen gesteld en dus ook niet bestreden, dan wel aannemelijk gemaakt dat het waterhuishoudingsplan zodanige gebreken of leemten in kennis bevat dat de raad deze niet aan het plan ten grondslag heeft kunnen leggen. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad, gelet op het vorenstaande, in redelijkheid het plan kunnen vaststellen. Daarbij neemt de Afdeling ook in aanmerking dat de aanleg en instandhouding van de waterbergingsvoorzieningen is gewaarborgd via een voorwaardelijke verplichting in het plan. Op grond van artikel 5, lid 5.4.2, van de planregels is het gebruik van de gronden waaraan de bestemming "Wonen" is toegekend en het gebruik van bouwwerken met deze bestemming voor woondoeleinden immers slechts toegestaan als de waterbergingsvoorzieningen met inachtneming van bijlage 2 van de planregels zijn aangelegd en nadien in stand gehouden worden. Uiterlijk op het moment dat met de bouw van de eerste woning wordt gestart moeten de in bijlage 2 van de planregels met blauw aangeduide zaksloten gereed zijn en de met groen aangeduide wadi moet gereed zijn, uiterlijk voordat met de bouw van de 36ste woning wordt gestart. In bijlage 2 van de planregels staan de waterbergingsvoorzieningen uit het waterhuishoudingsplan van Tauw genoemd. In dit kader wijst de Afdeling erop dat wanneer artikel 5, lid 5.4.2, van de planregels wordt geschonden er desgewenst een verzoek om handhaving kan worden ingediend bij het college van burgemeester en wethouders. Kwesties van handhaving kunnen niet in deze procedure, maar in een handhavingsprocedure aan de orde worden gesteld. Voor zover [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] stellen dat het onduidelijk is op welke wijze de bodem wordt omgewoeld, waarom een bepaalde peilbuis binnen het plangebied nog niet is geplaatst en bij wie de verplichting tot onderhoud van de diverse voorzieningen ligt, overweegt de Afdeling dat dit uitvoeringsaspecten betreffen. De exacte wijze waarop de waterhuishouding bij de uitvoering van het bestemmingsplan wordt vormgegeven, heeft geen betrekking op het bestemmingsplan zelf, maar op de uitvoering daarvan. Uitvoeringsaspecten kunnen in deze procedure niet aan de orde komen. 26.
- Gelet op het vorenstaande heeft de raad in redelijkheid kunnen aannemen dat de voorziene waterberging geen relevante gevolgen heeft voor het gebruik van de percelen van [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] en dat het plan geen onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat van [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] tot gevolg heeft. Het betoog slaagt niet. GELUIDWAL
- [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] voeren aan dat de in het plan voorziene geluidwal langs de Tubbergeresweg ten onrechte niet aansluit op de bestaande, iets verderop gelegen geluidwal. Hierdoor ontstaat volgens hen een geluidslek waar de bewoners van De Klumper last van zullen hebben. Daarbij stellen [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] dat de geluidsnorm strenger moet worden, omdat de kans op gehoorschade anders wordt verhoogd. Daarnaast stellen [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] dat er ten onrechte bewust woningen worden gebouwd voor een doelgroep voor wie de kans op een slechtere woon- en leefomgeving hoog is. In dit kader wijzen zij er ook op dat in het geluidsrapport ten onrechte het lawaai van de open stal nabij het plangebied en het lawaai van optrekkend vrachtverkeer voor het stoplicht op de kruising van de Tubbergeresweg en de Almeloseweg en langs de N343 en de Tubbergeresweg niet zijn meegenomen. 27.
- Over het geluidslek stelt de raad zich op het standpunt dat de huidige geluidsituatie van [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] niet verslechtert door het aanbrengen van de nieuwe geluidswal, en ook niet zal verslechteren als de nieuwe geluidwal niet aansluit op de bestaande geluidwal die iets verderop is gesitueerd. De Afdeling ziet niet in dat de voorziene geluidwal zal leiden tot een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat van [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2], omdat de Tubbergeresweg door de voorziene geluidswal zal worden afgeschermd waardoor een toename van mogelijke geluidsoverlast van deze weg niet te verwachten is. [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] hebben hun stelling dat het geluid zal worden opgestuwd niet onderbouwd. De Afdeling wijst er nog op dat in het akoestisch onderzoek van Munsterhuis geluidsadvies van 2 juli 2019, dat als bijlage bij de plantoelichting is gevoegd, staat dat de voorziene ontwikkeling en het daarbij behorende gebruik van de voorziene wegen binnen het plangebied geen negatieve invloed heeft op het geluidniveau ter plaatse van de bestaande woningen rondom het plangebied. Zo zal de geluidbelasting ter plaatse van de bestaande woningen rondom het plangebied als gevolg van de toekomstige wegen binnen het plangebied lager zijn dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB, waardoor een goed woon- en leefklimaat wordt gewaarborgd. Deze conclusies zijn niet inhoudelijk door [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] bestreden. Het betoog slaagt niet. 27.
- Zoals hiervoor onder 12.1 al is uiteengezet, kan artikel 8:69a van de Awb aan vernietiging van een besluit in de weg staan. 27.
- Het betoog van [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] dat de toekomstige bewoners van de voorziene woningen mogelijk onaanvaardbare geluidsoverlast zullen ervaren, gaat niet over het belang van [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] bij het behoud van een goed woon- en leefklimaat voor zichzelf. Dit betoog kan gelet op artikel 8:69a van de Awb niet tot vernietiging van het bestreden besluit leiden en behoeft dus geen inhoudelijke bespreking. TEN ONRECHTE GEEN REKENING GEHOUDEN MET ANDERE BOUWPLANNEN
- [appellant sub 2] voert aan dat ten onrechte geen rekening is gehouden met de bouwplannen die hij heeft op zijn eigen perceel. 28.
- De raad stelt in zijn verweerschrift dat voor zover het [appellant sub 2] gaat om de bouw van twee woningen in zijn tuin aangrenzend aan het plan de Esch de raad aan [appellant sub 2] had meegedeeld dat hij samen met De Esch tot een integraal plan zou moeten komen. Gebleken is dat [appellant sub 2] niet samen met De Esch een plan voor woningbouw heeft ingediend bij de gemeente. De raad heeft daardoor geen rekening kunnen houden met de bouwplannen van [appellant sub 2]. Voor zover [appellant sub 2] stelt dat hij ten onrechte moet voldoen aan andere voorwaarden voor zijn eigen woningbouwplannen, overweegt de Afdeling dat daarvoor een aparte procedure met eigen rechtsbeschermingsmogelijkheden open staat. Het betoog slaagt niet. ALGEMENE BEGINSELEN VAN BEHOORLIJK BESTUUR
- [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] hebben een beroep gedaan op een aantal algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Zij voeren aan dat de gemeente Tubbergen haar burgers niet serieus neemt en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur heeft geschonden. Ook wijzen [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] erop dat de raad het plan niet zonder vooringenomenheid heeft vastgesteld. De projectontwikkelaar zou bevoordeeld zijn bij de voorbereiding van het plan en wethouder Volmerink is van het dossier gehaald vanwege belangenverstrengeling. 29.
- Op de zitting hebben [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] nader toegelicht dat de gronden over de algemene beginselen van behoorlijk bestuur voort zijn gekomen uit de inhoudelijke gronden en dus bij de inhoudelijke beroepsgronden kunnen worden behandeld. De Afdeling verwijst op dit punt naar hetgeen hiervoor is overwogen naar aanleiding van de inhoudelijke beroepsgronden. 29.
- Voor zover [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] erop wijzen dat het plan niet zonder vooringenomenheid is vastgesteld en dat er sprake is van belangenverstrengeling vanwege de rol van wethouder Volmerink, overweegt de Afdeling als volgt. Het plan is vastgesteld door de raad en niet door het college van burgemeester en wethouders. De Afdeling ziet dan ook in het aangevoerde geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het plan met vooringenomenheid is vastgesteld. Ten overvloede wijst de Afdeling er nog op dat de raad in zijn verweerschrift stelt dat de echtgenote van wethouder Volmerink in het verleden weliswaar werkzaam was bij Building Design Architectuur en dat dit bedrijf als initiatiefnemer betrokken is geweest bij de voorziene woningbouwontwikkeling, maar dat wethouder Volmerink juist om deze reden geen portefeuillehouder meer is voor de voorziene ontwikkeling en dat het gemeentebestuur gelet hierop zuiver heeft gehandeld en elke schijn van belangenverstrengeling heeft voorkomen. Het betoog slaagt niet. COMMUNICATIE MET OMWONENDEN
- [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] stellen dat zij onvoldoende door de raad zijn gehoord tijdens de besluitvorming omtrent de voorziene ontwikkeling. Volgens hen bleef elke vorm van communicatie uit en was er geen 100% draagvlak voor de voorziene ontwikkeling binnen de gemeenschap. Verder wijzen [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] op een gesprekverslag van 2 november 2015 waarin zou zijn toegezegd dat er slechts 35 woningen zouden worden gebouwd. 30.
- De Afdeling overweegt dat in de Awb, in de Wro, noch in enig ander wettelijk voorschrift een bepaling valt aan te wijzen op grond waarvan de raad gehouden is om ook al voorafgaand aan de vaststelling van het ontwerpplan informatie aan en communicatie met de omwonenden te initiëren. Een ieder kan voorafgaand aan de vaststelling van het plan zijn reactie kenbaar maken door middel van een zienswijze over het ontwerpplan. Dit heeft de wetgever voldoende gevonden om een visie op het plan naar voren te brengen. [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] hebben van die mogelijkheid ook gebruik gemaakt. Daarbij wijst de Afdeling er ook op dat het ontbreken van 100% draagvlak bij de bewoners op zichzelf niet betekent dat de raad het plan niet had mogen vaststellen. Er is ook geen wettelijke regel die bepaalt dat een ruimtelijk plan een ontwikkeling alleen mogelijk mag maken als daarvoor voldoende draagvlak in de omgeving bestaat. Voor zover [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] verder wijzen op een gesprekverslag van 2 november 2015, waarin zou zijn toegezegd dat er slechts 35 woningen zouden worden gebouwd, overweegt de Afdeling als volgt. In het gespreksverslag staat het volgende: "[naam] (woonvisie): Tot nu toe is aangegeven dat circa 35 woningen vrij te maken zijn uit het contigent voor deze locatie. Dit aantal moet mogelijk naar beneden worden bijgesteld." De Afdeling is van oordeel dat uit deze passage niet volgt dat er door of namens de raad is toegezegd dat er niet meer dan 35 woningen zullen worden gebouwd binnen het plangebied. 30.
- Het betoog van [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] kan, gelet op het vorenstaande, in zoverre niet leiden tot een vernietiging van het bestreden besluit. Het betoog slaagt niet. CONCLUSIE
- De beroepen van [appellant sub 3] en [appellant sub 4] tegen het besluit van 23 september 2019 zijn ongegrond.
- Gelet op hetgeen in 17.1 is overwogen, zijn de beroepen van [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] tegen het besluit van 23 september 2019 gegrond. In hetgeen [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] hebben aangevoerd, ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat dit besluit wegens strijd met artikel 3:2 en artikel 3:46 van de Awb dient te worden vernietigd.
- Gelet op het voorgaande zijn de beroepen van [appellant sub 1] en anderen, [appellant sub 2], [appellant sub 3] en [appellant sub 4] tegen het besluit van 20 april 2020 ongegrond. Proceskosten
- De raad dient op na te melden wijze te worden veroordeeld in de proceskosten. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart de beroepen van [appellanten sub 3] en [appellanten sub 4] tegen het besluit van de raad van de gemeente Tubbergen van 23 september 2019 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Tubbergen, De Esch" ongegrond; II. verklaart de beroepen van [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] tegen het besluit van de raad van de gemeente Tubbergen van 23 september 2019 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Tubbergen, De Esch" gegrond; III. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Tubbergen van 23 september 2019 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Tubbergen, De Esch"; IV. verklaart de beroepen van [appellant sub 1] en anderen, [appellant sub 2], [appellanten sub 3] en [appellanten sub 4] tegen het besluit van de raad van de gemeente Tubbergen van 20 april 2020 tot het gewijzigd vaststellen van het bestemmingsplan "Tubbergen, De Esch" ongegrond; V. gelast dat de raad van de gemeente Tubbergen het voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht vergoedt ten bedrage van: a. € 174,00 (zegge: honderdvierenzeventig euro) voor [appellant sub 1] en anderen, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan; b. € 174,00 (zegge: honderdvierenzeventig euro) voor [appellant sub 2]. Aldus vastgesteld door mr. G.T.J.M. Jurgens, voorzitter, en mr. A.J.C. de Moor-van Vugt en mr. P.H.A. Knol, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.I.Y. Lap, griffier. De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen. De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen. Uitgesproken in het openbaar op 4 mei 2021 288-867.